Hoofdstuk XII. Bloemen en Tuinen.
B. C. (Boudewijn Casper) Goudsmit translation
“Al de vreugde van mijn bestaan is bijeengebracht rondom mijn peluw, die mij mijn nachtrust schenkt; al de hoop van mijn leven vind ik in de schoonheden der Natuur, die steeds mijn oogen verkwikken.”
Japansche en Europeesche Tuinen.
Er is in de meeste Europeesche tuinen niets bijzonder aesthetisch. Als de tijd van het planten is aangebroken, brengt een trage oude tuinman zijn planten in den grond. Wij zien dan later een grove kleurenschittering—roode geraniums, gele calceolaria’s, blauwe lobelia’s, het groene gras en de okerkleurige paden. En dit is het kleureneffect van de meeste Europeesche tuinen, een kleureneffect, dat de oogen vermoeit, en de bloemen zelf, die zóó onverstandig geplant zijn, tot schande maakt. De waarheid is, dat wij de gave van rangschikking der bloemen missen. Wij koopen bloemen, om den tuin er fraai te doen uitzien, onder den indruk, dat fraaiheid een abstracte eigenschap is, waaronder wij onze zomersche dagen zouden willen doorbrengen. Een Engelschman trachtte eens den tuin van zijn buitenverblijf op Japansche manier aan te leggen. Hij was bijzonder trotsch op het resultaat en leidde op zekeren dag een Japanschen vriend rond, om dien te zien. De Japansche vriend riep met bijzonder groote beleefdheid uit: “Het is prachtig; wij hebben in Japan niets, dat daarop gelijkt!” De Engelschman was niet geslaagd in zijn poging tot nabootsing, omdat hij het tuinieren als een liefhebberij beschouwde, terwijl in Japan een tuin iets is, dat onuitroeibaar met het leven in Japan verbonden is. In Japan is het een oude eeredienst, waaraan dichters en kunstenaars jaren in hun gedachten hebben gewijd, en waarin ontroering, herinnering en godsdienst een rol spelen.
De Liefde voor Bloemen, haar Groei en Symbolische Beteekenis.
Eén van de meest treffende, en zeker één van de aangenaamste karaktertrekken der Japanners is hun innige liefde voor bloemen en boomen. Vroolijke groepen gaan samen uit om de azalea’s te zien bloeien, of om de schitterende schoonheid van den kersenbloesem te bewonderen, of de scharlakenroode glorie der ahornboomen. Dat “bloemen bewonderen” maakt een integreerend deel uit van hun bestaan. Tot zelfs de Kimono der lachende kinderen ziet er uit als een kleine bloementuin. Als gij hun landschap wegneemt, dan neemt gij tevens hun zin voor poëzie weg, en, wat wij er bijna aan kunnen toevoegen, ook het met de bloemen samenhangende deel van hun godsdienst, immers de Japanner vereert bloemen en boomen op een wijze, die absoluut ondenkbaar is bij den meer prozaïschen westerling.
In de vorige lente boden de bloeiende magnolia’s in den beroemden plantentuin, Kew Gardens, een schitterend schouwspel aan. Maar er waren slechts weinigen gekomen om die bladerlooze boomen te zien met hun overvloed van op lotus gelijke bloesems. De toeschouwer, die van het schouwspel het meest van allen genoot, was een kind dat onder de welriekende takken zat, de gevallen bruine bloemblaadjes in haar kleine bruine handjes verzamelde en een vreemd verhaaltje daaraan vastknoopte. Maar in Japan, waar evenzeer de Magnolia’s bloeien, zouden een aantal kleine gedichten aan de takken worden vastgeknoopt, en zouden er kleine gebakjes in den vorm dier bloemblaadjes worden gemaakt. Misschien zou ook een tak van een magnolia in een vaas gezet worden, als voorwerp van bewondering voor de leden van een theegezelschap. En later zou het takje met bloesems zacht op een rivier worden geplaatst of begraven worden met vreugde en met eerbied, om de schoonheid, die het in zijn kort leven had ten toon gespreid.
De liefde voor bloemen is slechts een klein onderdeel van de liefde der Japanners voor de natuur. In die vereering heeft een evolutieproces plaats gegrepen, zooals in iedere andere vereering, en wij hellen over tot de meening, dat de Japanners zeer ver in die zaak teruggaan en het allereerst begonnen zijn, rotsen en steenen lief te hebben. Bij ons zijn rotsen en steenen alleen van belang voor geologen en mineralogen, uitsluitend dus uit een wetenschappelijk oogpunt, en het lijkt ons bijna ongeloofelijk toe, dat rotsen en steenen een poëtische beteekenis kunnen hebben. Maar bij de Japanners is de zaak geheel anders gesteld. De Japansche tuin is in zijn wezen een tuin, die een beeld geeft van het landschap. De eigenaar van een tuin wordt verrukt door een bepaald landschap. Dat vervolgt hem voortdurend en wekt in hem eenige primitieve indrukken van genot op, die niet kunnen ontleed worden. Hij brengt het voortdurend in zijn tuin vóór zich, wel is waar in het klein, maar toch wonderlijk nauwkeurig. Zoo wordt zijn tuin een plaats van heerlijke herinnering, maar niet een plekje, met opzichtige bloemen overdekt, en met terrassen, die geen beteekenis voor hem hebben, en hem geen poëzie voor zijn geest schenken. Ongetwijfeld zijn Japansche tuinen met hun reusachtige bloemen, opgewekten zonneschijn en het zoete geklingel van popperige tooverklokjes, die opgehangen zijn aan de takken der boomen, het schoonste, wat men zich in de wereld kan denken.
Japansche Tuinen.
Er is één zaak, die ons bij Japansche tuinen treft, en die wij in onze streken niet terugvinden, en wel de bewonderenswaardige zuinigheid, die wij bij hun aanleg waarnemen. Bij ons wordt door de bewoners der buitenwijken als verontschuldiging aangevoerd, dat hun miniatuurtuintje veel te klein is, om dat mooi te maken. Te klein, om hem mooi te maken? En de Japanner kan een allerliefst tuintje aanleggen in een ruimte, die niet grooter is dan een soepbord? De noodzakelijkheid is de moeder der uitvinding, en als wij de Natuur maar wat meer liefhadden, zouden wij spoedig genoeg het middel vinden, om zelfs de kleinste tuintjes aanlokkelijk te maken. De groote Japansche tuinarchitect, Kobori-Enshiu, zeide eens, dat een ideale tuin moest zijn als “de zoete eenzaamheid van een landschap, dat omwolkt is door het maanlicht, met een waas van schemering tusschen de boomen.”
De steenen of houten lantarens zijn zeer belangrijke versierselen in een Japanschen tuin. Het oorspronkelijke denkbeeld is ontleend aan Korea, en zij zijn ook thans nog wel eens bekend als “Koreaansche torens.” Zij worden slechts zelden aangestoken, behalve in de tuinen der tempels, maar zij hebben geen schitterend licht noodig om een prachtig gezicht op te leveren. Zij zijn rijk aan barnsteen en groen mos, en in den winter zijn zij met sneeuw bedekt, en maken den indruk van spooklantarens van buitengewone schoonheid. Een andere vorm van een Japansche tuin is de Torii, een eenvoudige boog van hout, in den vorm van een Chineesche letter. Zij hebben een Shintō-oorsprong, maar niemand heeft tot nu toe ontdekt, wat zij oorspronkelijk moesten voorstellen, hoewel over dit onderwerp verschillende meeningen zijn geuit. Die poorten, die nergens heenleiden, zijn in hooge mate betooverend, en als men er naar ziet met de zee aan de voeten, is het alsof men droomt van een oud sprookje uit de kinderdagen.
De meren, watervallen, kleine bruggetjes, de treden over de slingerpaden met zilverzand bedekt, zijn inderdaad een plaats van afzondering. En daarbij dan nog de kleur van dien Japanschen tuin! Iedere maand levert een ander kleurentafereel op, als de pruimenboomen, de kersen- en de perzikenboomen in bloei staan. Terwijl men door den tuin slentert tusschen dennenaalden, of terwijl men in het heldere blauwe meer staart, kan men de azalea’s aanschouwen. Als er ooit een bloem is, die een verpersoonlijking is van kleur, dan is het zeker de azalea. Zij is de regenboog onder de bloemen, en er is nauwelijks één nuance van kleur, die niet in haar bloesem gevonden wordt. Als men een azalea beschouwt, dan ziet men in de verfdoos der Natuur zelf. En in een ander jaargetijde zien wij de iris met haar purperen, gele en witte kleuren, of de schoone rooskleurige lotusbloem, die zich met een kleine ontploffing op de kalme wateren opent, alsof zij openlijk wil verkondigen, dat haar volmaaktheid nadert. Het laatste kleurenfestijn van het jaar is te genieten, als de ahornboomen in bloei staan. Ook wij hebben een prachtig karmozijnrood te bewonderen, in de bladeren van onze braambessen, wanneer die liggen verborgen in de vochtige hagen van den herfsttijd. In Japan zijn de ahornen niet verborgen. Overal schijnen zij in een schitterende omlijsting te leven. In den herfst schijnt het, alsof de ahornboomen wedijveren met de ondergaande zon, immers in dat jaargetijde is Japan niet het land van de rijzende zon, maar het land van de zon, die ondergaat in een schitterend praalvertoon van roode bladeren. En is dit dan het einde van den arbeid der Natuur in dat jaar? Neen, waarlijk niet. Het laatst van alles komt de sneeuw, en haar schoonheid is niet zoozeer in de zachte vlokken gelegen, als in de wijze, waarop zij worden opgevangen en vastgehouden op de prachtige huisjes en tempels en lantarens. Als men dan een Japanschen tuin ziet, dan ziet men hoe de Natuur daarop den stempel van haar goedkeuring drukt. Het sneeuwtafereel is misschien wel de schoonste penseelstreek der Natuur in Japan; en het is een tafereel, dat dierbaar is aan de harten der Japanners. In het midden van den zomer liet eens een Japansche Keizer de miniatuurbergen van zijn tuinen bedekken met witte zijde, om de gedachte te wekken aan een sneeuwlandschap, en ongetwijfeld ook, om aan het landschap denkbeeldige koelte te schenken. Een slechts oppervlakkige kennis der Japansche kunst zal reeds het feit openbaren, dat de sneeuw een geliefd onderwerp is voor den Japanschen schilder.
De Natuur in Miniatuur.
De Japanners zijn in het algemeen klein van gestalte, en hebben een voorliefde voor kleine dingen. Lafcadio Hearn doet een allerliefst verhaaltje omtrent een Japansche non, die met kinderen placht te spelen en hun dan rijstkoekjes gaf niet grooter dan erwten, en thee schonk in miniatuurkopjes. Haar liefde voor heel kleine dingen was het gevolg van een groot verdriet, dat zij had geleden, maar wij zien in die liefde der Japanners voor kleine voorwerpen iets pathetisch in de natie als zoodanig. Hun liefde voor dwergboompjes, die honderden jaren oud zijn, schijnt te zeggen: “Wees er trotsch op en blijde mede, dat gij nooit groot wordt. Wij zijn een klein ras, en daarom houden wij van kleine voorwerpen.” De oude pijnboom, die dikwijls niet hooger is dan een paar decimeters, drukt ons door zijn ouderdom volstrekt niet, en wekt ook geen vrees op, juist omdat hij zoo klein is. Wij westerlingen hebben wel eens de neiging gehad, de Japansche dwergboomen als iets onnatuurlijks te beschouwen; maar zij zijn niets onnatuurlijker dan de lach op het gelaat van het Japansche meisje, en bewijst ons, dat de natie, evenals in oude tijden de Grieken, nog steeds in harmonie is met de Natuur.
De Pijnboom.
Een Groot Liefhebber der Natuur.
Kamo No Chōmei was een Buddhistische kluizenaar der twaalfde eeuw, die een boekje heeft geschreven, dat getiteld is Hō-jō-ki (“Opmerkingen uit een Hut van Tien Voet”). In dat boekje beschrijft hij, hoe hij het wereldsche leven vaarwel zeide en zijn verblijfplaats opsloeg in een hut aan de helling van een berg. Chōmei was gewoon te zingen, te spelen en zijn geliefde boeken te lezen te midden der natuur. Hij schrijft: “Toen het zestigste jaar van mijn leven, dat nu als een dauwdroppel verdwijnt, naderde, maakte ik een nieuwe woonplaats gereed, een soort van laatsten sprong, zooals een reiziger zich voor één enkelen nacht een schuilplaats zoekt, of zooals een oude zijdeworm zijn laatsten cocondraad spint.” Wij zien, hoe hij, als gelukkige oude man, langzaam over de heuvels strompelt, terwijl hij bloesems op zijn tocht verzamelt en voortdurend met verheugde blikken den loop en de geheimen der Natuur nagaat. Met een drogen humor schrijft hij: “Ik behoef het mij niet moeilijk te maken, hoe ik de geboden streng kan opvolgen, immers hoe zou ik, nu ik in volmaakte afzondering leef, in verzoeking komen, die te breken?” Een geheel andere ervaring dan die van sommigen onder de Indische kluizenaars, die in de eenzaamheid een onuitputtelijken bron van verleiding zien! Maar Chōmei was een gelukkige ziel, en wij maken hier van hem melding om aan te toonen, dat het hoofddoel van zijn leven niet was de dingen der wereld, maar het werk der Natuur te bestudeeren op de heuvelen en in de dalen, in de bloemen en de boomen, in het stroomende water en de wassende maan. Om zijn eigen woorden aan te halen: “Gij zijt de wereld ontvlucht, om het leven van een kluizenaar te leiden te midden van de woeste bosschen en de heuvelen, om aldus uw ziel vrede te brengen, en om te wandelen in de voetsporen van Buddha.”
Het Doodenfeest.
De Japansche Vlag en de Chrysanthemum.
De chrysanthemum is de nationale bloem van Japan, en aan Nippon danken wij het kweeken van die bloem in onze streken. Mythologische tooneelen, vooral dat van het schip met wonderschatten met de Goden van het Geluk aan boord, zijn een geliefkoosde teekening, geheel gemaakt uit tallooze chrysanthemums. Booten, kasteelen, bruggen en verscheidene andere voorwerpen zijn met de grootste handigheid uit diezelfde bloem gevormd. Japan is altijd gelukkig geweest in zijn keuze van namen, en dit is nergens meer het geval geweest dan bij de namen, die het aan zijn verschillende chrysanthemums heeft gegeven. Er is poëzie in namen als “Slaperig Hoofd”, “Gouden Dauw”, “Witte Draak” en “Sterrennacht”.
De chrysanthemum is ongetwijfeld een passend symbool voor de Keizerlijke vlag. Eens heeft hij, evenals de Engelsche roos als een herkenningsteeken dienst gedaan in den Oorlog der Chrysanthemums, een langdurigen burgeroorlog, die de natie verdeeld hield in twee vijandige partijen. Thans is de chrysanthemum het symbool van een vereenigd Rijk.
Vrouw Wit en Vrouw Geel.
Lang geleden groeiden in een weide een witte en een gele chrysanthemum vlak naast elkander. Op zekeren dag kwam een oude tuinman er langs, die een bijzondere voorliefde kreeg voor Vrouw Geel. Hij zeide haar, dat, als zij met hem mede wilde gaan, hij haar nog veel bekoorlijker zou maken, dat hij haar lekker voedsel zou geven en prachtige kleederen.
Vrouw Geel was zóó verrukt over wat de oude man zeide, dat zij haar witte zuster geheel vergat en er in toestemde, opgetild te worden, te worden gedragen in de armen van den ouden tuinman, en in zijn tuin te worden geplaatst.
Toen Vrouw Geel en haar meester vertrokken waren, weende Vrouw Wit bitter. Haar eigen eenvoudige schoonheid was geminacht; maar, wat nog veel erger was, zij was verplicht alleen in de weide achter te blijven, zonder met haar zuster, aan wie zij zoozeer was gehecht, te kunnen spreken.
Dag aan dag werd Vrouw Geel in den tuin van haar meester al schooner en schooner. Niemand zou nu de gewone veldbloem meer hebben herkend; maar hoewel haar bloemblaadjes lang en gekruld waren en haar bladeren zoo helder en goed verzorgd, dacht zij toch somtijds aan Vrouw Wit, die eenzaam op het veld stond, en verbaasde zij er zich over, hoe zij het uithield gedurende al die lange en eenzame uren.
Op den terugweg kwam hij bij toeval op een veld, waar hij Vrouw Wit zag weenen. Zij vertelde hem de droevige geschiedenis van haar verlatenheid, en toen zij haar treurig verhaal had geëindigd, zeide haar het dorpshoofd, dat hij Vrouw Geel had gezien, maar dat hij die niet half zoo mooi vond als haar. Na die bemoedigende woorden droogde Vrouw Wit haar oogen, en zij sprong zóó hoog op, dat zij bijna van haar voetjes afbrak, toen de vriendelijke man haar meedeelde, dat hij haar wilde hebben voor het wapen van zijn heer!
Een oogenblik later werd de gelukkige Vrouw Wit in een draagstoel weggevoerd. Toen zij het paleis van den daimio bereikte, prezen allen om het zeerst de merkwaardige volmaaktheid van haar vormen. Groote kunstenaars kwamen van verre en nabij, zaten naast haar en schetsten de bloem met de grootste bekwaamheid. Zij had spoedig geen spiegel meer noodig, want na niet langen tijd zag zij haar schoon, wit gelaat op de meest kostbare eigendommen van den Daimio. Zij zag het op zijn wapenrusting en op zijn doozen, met goudlak bedekt, op zijn dekens, kussens en kleeren. Als zij naar boven keek, kon zij haar gelaat zien in groote gebeeldhouwde paneelen. Zij werd geschilderd, als dreef zij een stroom af, en op alle mogelijke eigenaardige en schoone manieren. Iedereen was het er over eens, dat de witte chrysanthemum, met haar zestien bloemblaadjes, het mooiste wapen vormde van geheel Japan.
Terwijl het gelukkige gelaat van Vrouw Wit voor altijd vereeuwigd was op de bezittingen van den Daimio, was het lot, dat Vrouw Geel trof, diep beklagenswaardig. Zij had alleen voor zich zelf gebloeid en had den lof harer bezoekers even begeerig ingezogen als den dauw op haar fijn gekrulde bloemblaadjes. Op zekeren dag voelde zij echter een stijfheid in haar beenderen, en een vermindering van haar overmaat van levenskracht. Haar vroeger zoo trotsch hoofd viel voorover, en toen de oude man haar vond, tilde hij haar op en wierp haar op een hoop afval.

Shingé en Yosishawa bij de Violen-Bron
De Violen-Bron.
Shingé en haar kameniers maakten een uitstapje naar de Vallei van Shimizutani, die tusschen de bergen Yoshino en Tsubosaka gelegen was. Shingé, vol van vreugde over de lente, liep naar de Violen-Bron, waar zij purperen, welriekende viooltjes in groote menigte ontdekte. Zij was juist op het punt de welriekende bloemen te plukken, toen een groote slang naderde, waarna zij onmiddellijk flauw viel.
Toen haar kameniers haar vonden, zagen zij, dat haar lippen purper gekleurd waren en dezelfde kleur hadden als de viooltjes, die haar omgaven, en toen zij de slang zagen, die zich nog in de nabijheid schuilhield, vreesden zij, dat haar meesteres zou sterven. Matsu had de tegenwoordigheid van geest, om haar mand bloemen naar de slang te werpen, die oogenblikkelijk wegkroop.
Op datzelfde oogenblik verscheen een schoone jongeling, en terwijl hij de meisjes zeide, dat hij geneesheer was, gaf hij Matsu een geneesmiddel, dat zij haar meesteres moest toedienen.
Terwijl Matsu Shingé de poeder in den mond bracht, nam de dokter een stok op, verdween enkele oogenblikken en kwam daarna terug met de doode slang in zijn handen. In dien tijd was Shingé weer bij kennis gekomen, en vroeg zij naar den naam van den geneesheer, die haar het leven had gered. Maar hij boog beleefd, ontweek haar vraag en nam toen afscheid. Alleen Matsu wist, dat de naam van den redder harer meesteres Yoshisawa was.
Toen Shingé naar huis was gebracht, werd zij erger in plaats van beter. De knapste geneesheeren kwamen aan haar bed, maar zij konden niets doen om haar weder gezond te maken.
Matsu wist, dat haar meesteres langzaam wegkwijnde van liefde voor den schoonen man, die haar leven had gered, en daarom besprak zei de zaak met haar meester Zembei. Matsu verhaalde hem, wat geschied was, en zeide, dat, hoewel Yoshisawa van nederige afkomst was, daar hij tot de Eta, de laagste kasten in Japan behoorde, die hun kost verdienen met dieren te dooden en te villen, hij toch bijzonder hoffelijk en welopgevoed was, en, wat vormen en optreden betreft, op een samurai geleek. “Niets”, zoo sprak Matsu, “zal uw dochter haar gezondheid teruggeven, als zij niet met dien schoonen geneesheer trouwt.”
Zoowel Zembei als zijn vrouw waren door die woorden terneergeslagen, want Zembei was een aanzienlijke daimio, en kon zelfs geen oogenblik het denkbeeld verdragen, dat zijn dochter iemand van de Eta-kaste zou huwen. Toch stemde hij er in toe, inlichtingen omtrent Yoshisawa in te winnen, en Matsu keerde naar haar meesteres terug met het bericht, dat de zaak niet geheel hopeloos stond. Toen Matsu Shingé had verhaald, wat haar vader voornemens was ten hare behoeve te doen, nam zij merkbaar in beterschap toe, en was zij in staat weer voedsel tot zich te nemen.
Toen Shingé bijna hersteld was, ontbood Zembei haar en zeide, dat hij een nauwkeurig onderzoek omtrent Yoshisawa had ingesteld, en dat hij onder geen omstandigheden zijn toestemming kon geven tot een huwelijk met dezen.
Shingé weende bitter, en langen tijd peinsde zij met een treurig gemoed over haar verdriet. Den volgenden morgen was zij noch in huis, noch in den tuin te vinden. In alle richtingen werd naar haar gezocht; zelfs Yoshisawa zocht overal naar haar; maar zij die haar zochten, vonden haar nergens. Geheimzinnig was zij verdwenen, beladen met een verdriet zóó ontzettend groot, dat haar vader zich nu eerst rekenschap gaf van zijn wreede beslissing.
Na drie dagen werd zij gevonden op den bodem der Violen-Bron, en korten tijd daarna maakte Yoshisawa, door droefheid overstelpt, op dezelfde wijze een einde aan zijn leven. Men verhaalt, dat men gedurende stormachtige nachten den geest van Shingé op de bron ziet drijven, terwijl men in de nabijheid het geluid hoort van het kermen van Yoshisawa.
De Geest van de Lotus Lelie.
“Hernieuwing, o hernieuwing van Natuur en Leven! O Bron verrijs! De Lotusknoppen splijten, ’t hart geopend, En zingen ’t luide uit: “Namu Amida!”
Yone Noguchi.
De lotus is de heilige bloem van het Buddhisme. Daar hij groeit uit de modder, en zijn steel door het water opkweekt, en er uit zulk een duister en slijkachtig begin een liefelijke bloem wordt voortgebracht, is de lotus vergeleken met een deugdzaam man, die in deze zondige wereld leeft. Dat de bloem voortdurend als zinnebeeld wordt gebruikt, schijnt, zoo zegt Sir Monier Williams, het gevolg te zijn van het feit, dat de bloem de vorm heeft van een wiel, waar de bloemblaadjes de plaats van spaken innemen, zoodat hierin is uitgedrukt de leer der eeuwigdurende kringen van het bestaan. Buddha wordt dikwijls uitgebeeld zittende of staande op een gouden lotus, en de bloem herinnert ons aan de Buddhistische sutra, die bekend staat als de “Lotus der Goede Wet”.
Lafcadio Hearn beschrijft de lotus van het Paradijs aldus: “Zij tuinieren, die bekoorlijke wezens!—Zij liefkoozen de lotusknoppen, terwijl zij hun bloemblaadjes met iets hemelsch besprenkelen, dat haar bloei bevordert. En wat voor lotusknoppen, met kleuren niet van deze wereld. Sommige zijn opengesprongen; en in hun lichtende harten, in een glans als dien van den dauw, zijn kleine, naakte kindertjes gezeten, ieder met een kleinen lichtkrans. Dit zijn Zielen, nieuwe Buddha’s, hotoke geboren tot gelukzaligheid. Sommigen zijn zeer, zeer klein; andere zijn iets grooter; alle schijnen zichtbaar te groeien, want hun bekoorlijke voedsters voeden hen met iets ambrozijns. Ik zie er één die zijn lotuswieg heeft en door een hemelschen Jizō geleid wordt naar de hoogere verwijderde heerlijkheid”.
Tot zoover de hemelsche lotus en zijn nauwe betrekking tot het Buddhisme. In de volgende legende zien wij, hoe de bloem de tooverkracht bezit, om kwade geesten weg te houden.
In Kyōto brak een epidemische ziekte uit, waaraan duizenden menschen bezweken. De ziekte verspreidde zich tot Idzumi, waar de Edele Koriyama woonde, en Koriyama, zijn vrouw en kind, werden door de ziekte aangetast.
Op zekeren dag ontving Tada Samon, een hooggeplaatst ambtenaar in het kasteel van Koriyama, een bezoek van een yamabushi of kluizenaar op een berg. Die man was zeer onder den indruk van de ziekte van Koriyama, en zich tot Samon wendend zeide hij: “Al die ellende is het gevolg van het binnenkomen van booze geesten in het kasteel. Ze zijn gekomen, omdat de grachten rondom het kasteel droog zijn en geen lotus bevatten. Als die grachten dadelijk met die heilige bloem beplant waren, zouden de booze geesten vertrekken, en zouden uw meester, zijn vrouw en kind weer herstellen.”
Samon was zeer getroffen door die verstandige woorden, en dien kluizenaar werd verlof gegeven, lotus om het kasteel te planten. Toen hij zijn taak had volbracht, vertrok hij op geheimzinnige wijze.
Binnen een week was zoowel de Edele Koriyama, als zijn vrouw en kind in staat op te staan en hun gewone bezigheden te hervatten; immers toen waren de wallen hersteld, de grachten gevuld met zuiver water, dat de knikkende knoppen van tallooze lotusbloemen weerkaatste.
Vele jaren later, nadat ook de Edele Koriyama gestorven was, kwam toevallig een jeugdige samurai langs de grachten van het kasteel. Met bewondering zag hij naar die bloemen, toen hij plotseling twee bijzonder schoone knapen zag spelen aan den oever van het water. Hij was juist op het punt, hen naar een veiliger plaats te brengen, toen zij in de lucht sprongen en bij hun val onder het water verdwenen.
Een tijd later zag een andere samurai, Murata Ippai, bij denzelfden lotus een aantal schoone knaapjes. Hij trok zijn zwaard en sloeg op hen in, terwijl hij den krachtigen geur van die heilige bloem inademde bij iederen slag van zijn zwaard. Toen Ippai om zich heen zag, om te zien, hoeveel van die vreemde wezentjes hij had gedood, steeg een wolk van de meest verschillende kleuren voor hem op, een wolk, die met een fijnen straal op zijn gelaat viel.
Daar het te duister was om zich met zekerheid te vergewissen van den aard en den omvang van zijn slachting, bleef Ippai den geheelen nacht op die plek. Toen hij den volgenden morgen ontwaakte, zag hij met groote afschuw dat hij alleen de koppen van een aantal lotusbloemen had afgehakt. Daar hij wist, dat die weldadige bloem het leven van den Edelen Koriyama had gered, en nu dat van zijn zoon beschermde, werd Ippai met schaamte en berouw vervuld. Na een gebed gezegd te hebben aan den oever van het water, pleegde hij hara-kiri.
De Geest van de Pioenroos.
Het was vastgesteld, dat Prinses Aya zou huwen met den tweeden zoon van den Edelen Ako. Alle schikkingen waren overeenkomstig de gebruiken in Japan geheel genomen zonder de goedkeuring of toestemming der beide betrokken partijen.
Op zekeren avond wandelde Prinses Aya in den grooten tuin bij haar woning, vergezeld van haar kameniers. De maan scheen helder op haar geliefkoosd perk met pioenrozen naast een vijver, en hulde de welriekende bloesems in een zilveren glans. Hier bleef zij toeven en bukte zij om den geur van die bloemen in te ademen, toen haar voet uitgleed, en zij zou gevallen zijn, als niet een schoone jonge man, gekleed in een gewaad met geborduurde pioenrozen, haar bijtijds had opgevangen. Hij verdween even snel en geheimzinnig als hij gekomen was, voordat zij tijd had hem te danken.
Het gebeurde nu, dat Prinses Aya kort na die gebeurtenis ernstig ziek werd, zoodat de dag van haar huwelijk moest worden uitgesteld. De geneeskundige hulp, die werd ingeroepen, was niet in staat, het koortsachtige meisje weer haar gezondheid te doen herwinnen.
De vader van Prinses Aya vroeg de meest geliefde kamenier van zijn dochter, Sadayo, of zij op die droevige geschiedenis eenig licht kon werpen.
Sadayo, hoewel zij tot nu toe tot geheimhouding verplicht was, voelde nu, dat de tijd was gekomen, dat het niet alleen verstandig, maar dringend noodzakelijk was, om alles te vertellen, wat zij omtrent die zaak wist. Zij deelde haar meesteres mede, dat Prinses Aya in vurige liefde was ontstoken voor den jongen samurai, die het gewaad droeg, waarop pioenrozen geborduurd waren; en zij voegde er aan toe, dat zij vreesde, dat, als hij niet kon worden gevonden, haar jonge meesteres zou sterven.
Toen dien avond een beroemd muziekspeler de biwa bespeelde in de hoop, de zieke Prinses aangenaam bezig te houden, verscheen weer achter de pioenrozen dezelfde jonge man in hetzelfde zijden gewaad.
Ook den volgenden avond, terwijl Yae en Yakumo op de fluit en op de koto speelden, verscheen de jonge man weer.
De vader van Prinses Aya besloot nu de zaak met groote zorg na te gaan, en beval daartoe Maki Hiogo, zich in het zwart te kleeden en zich den volgenden avond te verbergen in het perk met pioenrozen.
Toen de volgende avond aanbrak, verborg zich Maki Hiogo tusschen de pioenrozen, terwijl Yae en Yakumo liefelijke muziek maakten. Niet lang nadat de muziek weerklonk, verscheen de geheimzinnige samurai weer. Maki Hiogo kwam uit zijn schuilplaats te voorschijn, met zijn armen stevig om zijn vreemden bezoeker geslagen. Het scheen, alsof uit zijn gevangene een wolk stroomde. Dit maakte hem duizelig, zoodat hij op den grond viel; maar nog altijd hield hij den schoonen samurai stevig vast.
Juist toen een troep soldaten zich haastig naar die plek begaven, kreeg Maki Hiogo het bewustzijn terug. Hij zag naar beneden, in de verwachting zijn gevangene te zien. Maar alles wat hij in zijn armen hield, was een groote pioenroos!
Op dat oogenblik voegden zich Prinses Aya en haar vader bij de verbaasde groep en Vorst Naizen-no-jo begreep oogenblikkelijk den toestand. “Ik zie nu”, zoo sprak hij, “dat de geest van de pioenroos een oogenblik geleden en ook bij vroegere gelegenheden de gedaante van een jongen en schoonen samurai heeft aangenomen. Mijn dochter, gij moet die bloem nemen en haar met groote goedheid behandelen.”
Prinses Aya behoefde geen nadere verklaring te krijgen. Zij keerde naar huis terug, plaatste de pioenroos in een vaas, en plaatste die naast haar bed. Met den dag werd zij beter, terwijl haar bloem prachtig bloeide. Toen Prinses Aya volkomen hersteld was, kwam de Edele Ako naar het kasteel, met zijn tweeden zoon bij zich, die met de Prinses zou huwen. Na korten tijd werd het huwelijk gesloten, maar op datzelfde oogenblik was de prachtige pioen roos dood.