Note 1 — Hoofdstuk XXI. Donder.
B. C. (Boudewijn Casper) Goudsmit translation
Er zijn een aantal vreemdsoortige legenden met betrekking tot den donder, en in Bakins Kumono Tayema Ama Yo No Tsuki1 (“De Maan, die door een Scheur in een Wolk schijnt in een Regenachtigen Nacht”), heeft de beroemde Japansche romanschrijver, die een innig geloof heeft in een aantal bijgeloovigheden van zijn land, heel wat te vertellen met betrekking tot Raiden, den God van den Donder, en de bovennatuurlijke wezens, die met hem in betrekking staan. Raiden wordt gewoonlijk uitgebeeld met een roode huid, met het gelaat van een boozen geest, met twee klauwen aan iederen voet, terwijl hij op zijn rug een groot wiel van trommels draagt. Men vindt hem dikwijls in gezelschap van Fugin of van zijn zoon Raitaro. Toen de Mongolen een inval trachtten te doen in Japan, werd hun dat belet door een grooten storm, en volgens de legende ontsnapten slechts drie man om de gebeurtenis te verhalen. De bijstand van Raiden ten gunste van Japan wordt in de Japansche kunst dikwijls uitgebeeld. Hij wordt voorgesteld als zittende op de wolken, terwijl hij den bliksem uitzendt, en een stortvloed van pijlen op de invallers afschiet. In China wordt de Dondergod beschouwd als een wezen, dat steeds op den uitkijk staat naar slecht volk. Als hij die vindt, schiet de Godin van den bliksem een spiegel af op hen, die de God wil treffen.