← Table of contents
Minnebrieven; Over Vrijen-Arbeid in Nederlandsch Indië; Indrukken van den dag

Minnebrieven (continued 2)

Reading edition

VAN EEN ANDERE STIEFMOEDER.

Mynheer!

Ik verbied u alle bemoeienis met myn naaiwerk. Toen ik met Kappelman trouwde, heb ’k my voorgenomen, zyn huis te regeeren, en dit doe ik. Een stiefmoeder is geen ouwe lap. Ik wil gehoorzaamd worden, en als ik bemerk, dat gy voortgaat de kinderen van myn man tegen my op te zetten, zult gy zien, dat ik my niet laat aantasten zonder handschoenen. Ik heb er lang en breed over gesproken met myn broer, die in granen deed, maar nu stilleeft van zyn geld. Van zyn geld hoort ge! Dat is wat anders, dan rond te loopen, als een schooier, zooals ik van u hoor.

VAN EEN ANDERE STIEFMOEDER.

VAN EEN OOM.

Wel-Edele Heer!

Gy zyt een ellendeling! Ik heb de dochters van myn broeder voor u gewaarschuwd, en haar gezegd dat gy een dief zyt, een echtbreker, een falsaris, een dronkaard, een vrouwenbeul en een gek! En dat gy geen geld hebt, ja, dàt heb ik ook gezegd! En ook dat gy niet hebt willen schryven over vryen arbeid, dat groote schande is, en dat gy uw fortuin met voeten schopt, dat niet te-pas komt. En dat gy alle meisjes verleidt, en dat gy ... kort-om, gy zyt een ellendeling, en ik ben uw dienaar, enz.

VAN EEN ANDEREN OOM.

Mynheer!

Met een diep gevoel van verontwaardiging heb ik van myn broeder, den heer Kappelman, vernomen, dat zich sedert eenigen tyd in myn huis iets heeft geopenbaard, dat aandruischt tegen alle Christelyke beginselen van onderdanigheid, gedweeheid en orde, en naar zekere opmerkingen te oordeelen, zoudt gy daarvan de oorzaak zyn. De onwetendheid in goddelyke zaken, die u kenmerkt, en de hoofdigheid, waarmede gy in die onvergefelyke onwetendheid volhardt, hebben het my, met het oog op de voorschriften van onzen Heer en Heiland, uitgedrukt in ’t onschatbaar evangelie, voorgelicht door de profeten des ouden verbonds, en gestaafd en bevestigd door de godsonomstootelyke-genadegaven-bewyzende lessen der wereldhistorie, ten plicht gemaakt, de kinderen van mynen gezegden heer broeder Kappelman te waarschuwen tegen den ziellichaamzaligheidwelvaart-bedervenden invloed uwer helbevolkende denkbeelden.

Ik heb in granen gedaan, en leef nu stil van myn geld. Ik geloof dus als genadedeelachtige Christen te moeten stryden voor de heiligheid van zyn alleenuitverkorenen-zaligmakend geloof, dat aan de pupillen voorschryft hun voogd onderdanig te zyn. Want ik ben de voogd van myns broeders, heers Kappelman’s kinderen, en zal niet verdragen, dat die kinderen, op eene verdoemenisuitlokkende wyze zich verzetten tegen het gezag, en afwyken van myn geloof.

Ik raad u vreeze aan voor den toorn des liefdevollen Gods, die zich niet laat bespotten, en die een God is van gerechte wrake, gelyk te lezen staat in Hebreën X vs. 31.

VAN EEN ANDEREN OOM.

VAN TINE AAN FANCY.

Dank, dank voor uwen brief, lieve, hartelyke, weldadige toovergodin! Ja, ik heb uwen kus gevoeld! En zeker voelden de kleinen dien ook: ik heb ze zien glimlachen in hun slaap.

Maar, Fancy, ik smeek u, zeg hem wat ge zeidet aan my! O, zeg hem dat hy onsterfelyk is. O, hadt ge ’t liever my onthouden, dat heerlyk geschenk uit uw schatkamer, om ’t hem te geven die er naar smacht! Hy heeft onsterfelykheid noodig, Fancy, en daarvan de wetenschap! O, zeg het hem! Laat my derven ... ik zal staande blyven zonder die kennis! Maar hy ... hy is geen moeder, Fancy!

AAN TINE.

Lieve TINE, kent ge ’n familie Kappelman? Ik zit in ’n wespennest. Dit komt van ’t Baunscheidtismus, ’n nieuwe leer, die alles geneest door prikken en steken! De wespen vervangen de bloedzuigers. Heel groot is de verandering niet. Of ’t genezen zal, weet ik niet, maar pyn doet het wel.

Welnu, ook ik ben niet bang voor schieten, houwen en steken, maar als men werpt met vieze dingen, loop ik weg, als een onbeschaafde Jakatraan.

Nog ben ik niet geheel verzoend met dien Multatuli, die my zoo uitkleedde in dat boek over de koffi. Wat ging ’t hem aan? Had ikzelf ’t gedaan in een oogenblik van... o lieve Tine, geld heb ik niet, maar ik wil u heel gaarne ’n geschiedenis oververtellen van uitkleeden, die ik vind in de noten van Mr. J. van Lennep, op zyn Eduard van Gelre. Hy zal er immers niet boos om worden, dat ik ditmaal wat van hèm neem? Behelp u met de geschiedenis zoo goed ge kunt, tot ik u iets anders kan zenden. Daarin komt ’n vrouw voor die van uwe familie is, geloof ik, schoon ge niet “opdrachtig” zyt van kleur. Ook zou zy waarschynlyk bleeker geweest zyn, als ze getrouwd ware met my—en dus veel te tobben had gehad—in plaats van met dien Gelderschen hertog die haar slechts verstiet.

Hierin had die hertog groot gelyk. Doodgaan was ’t beste wat hy doen kon, na ’t verstooten van ’n vrouw die den moed had tot zoo verhevene onkieschheid! Ja, ik begryp hoe er oogenblikken komen, waarin men allen schroom ter-zyde zet, den mantel wegwerpt, het voorkleed wegscheurt, en de borst ontblootende, uitroept: ziet-hier, gy allen, ziet en schaamt u ... ziet hier, of ik melaatsch ben!

Ja, ik begryp die vrouw!

Zou MULTATULI gedacht hebben aan haar, toen-i my uitkleedde in dat boek? Ach dan vergat hy dat Eleonora te doen had met “luisterryk gezelschap”—met edel-lieden voorzeker!—en ik?

O Publiek, op den ouderdom van uwen stamboom heb ik geen aanmerkingen! Ik erken dat gy lynrecht afstamt van de drie vrienden die den armen Job sarden met hun onbeproefde deugd. Maar wat uwen adel aangaat ...

Beste Tine, tracht u nog wat staande te houden. Ik heb gehoord dat er ’n nieuwe Gouverneur-Generaal benoemd is voor de Oost. ’t Is toch te erg dat gy niet zoudt eten, en de kinderen! Daarom ... zie wat ik van daag schryf aan den Minister van Kolonien. Kan ik meer voor u doen, dan me te willen verhuren als ambtenaar? En ... ge zult zien ... dat zou me nog worden aangerekend als ’n gunst!

Excellentie!

“Ik verneem dat de benoeming van Gouverneur-Generaal van Indie geschied is. Ik heb hierop gewacht om uwe Excellentie ...

Lieve Tine, wat is dat vervelend! Ge ziet wat ik uitsta voor u en de kinderen!

. . , om uwe Excellentie, in verband met vroegere gesprekken te vragen, of er thans geen gelegenheid bestaan zoude, op eene het Gouvernement en my waardige wyze, gebruik te maken van myn denkbeelden in verband ...

Dat ik weer zeg: “in verband” is om den Minister in den waan te brengen dat ik ’n officieelen styl schryf.

... in verband met de aanspraken die ik meen verworven te hebben door veel lyden en in overeenstemming met de belangen van den Lande?

Van den Lande klinkt goed. Ik ben van plan dit woord intevoeren als nominatief zelfs. “Den Lande” schuift ... ja, er is wat slepends in, als-of er iets afgleed van ’n helling, niet waar?

... van den Lande?

Het zou myn streven zyn, den nieuwen Gouverneur-Generaal zooveel mogelyk te vrywaren voor den belemmerenden slendergang van den Raad van Indië, voor de afmattende kommiezery van de algemeene Secretarie, en voor de ambtelyke leugens der residenten.

Kan ik meer zeggen? Zie, al kochten ze honderd Beo’s die floten: “daar is meer ryst dan er ryst is!” dan zou ik toch zoo vry wezen die onmogelyke ryst natemeten!

“Om daarin te slagen evenwel, zoude ik by den nieuwen Landvoogd moeten verzekerd zyn van eenige sympathie. Eensdeels wyl zònder dat myn pogingen ydel zouden wezen. Ten andere omdat ik, onbeschermd, weldra zou bezwyken onder de rankune der Indische ambtenary ...

Den Minister moet het zoo schynen. Hy weet niet dat ik niet bezwyken kàn. Dit is myn zaak, onze zaak, Tine! En al wist hy ’t, ik zou ’t toch niet mooi van hem vinden, daarop te rekenen.

... ambtenary.

Excellentie, ik heb geweigerd myn pen te leenen aan de voorstanders van den vryen arbeid, schoon die weigering my de ondersteuning ontroofde van de personen die uit den vrywilligen arbeid hun fortuin wisten te persen.

Aan den anderen kant heb ik geprotesteerd tegen de, buiten myn weten gestelde, kandidatuur voor de Tweede Kamer, in November of December 1859, omdat ik bemerkte dat de Amsterdamsche behouders ...

Heel behoudend was ’t niet, dit zult ge zien!

... dat de Amsterdamsche behouders van my en myn zaak ’n machine de guerre wilden maken tegen het toenmalig ministerie, in hun verstoordheid over de, later gevallen, spoorwegwet ...

Ja, toen werden de behouders weer behoudend, en daarom kostte dat boek over de koffi vier gulden, dat ’n zeer onbehoudende uitgaaf is, voor wie ’t koopt.

... spoorwegwet.

Ik geloof aanspraak te mogen maken op eenige onderscheiding, Excellentie! Myn geheel leven ligt daar, om te antwoorden op de vraag, of die aanspraak ongegrond is? Ik sta geen systeem voor ...

Ze kunnen my niet gebruiken, Tine ... dat zult ge zien. “Geen systeem dus ...

... ik stryd tegen misbruiken in alle systemen ...

Dat wil zeggen dat ieder tegen my is, die belang heeft by de misbruiken.

Ik ben zeker dat ik nooit antwoord kryg.

Dit is myn geheele politiek, en ik geef Uwe Excellentie eerbiedig dringende in overweging, my in-staat te stellen die politiek, gesteund door een vasten wil, en eenige bekwaamheden die de Natie my wel wil toekennen, op wettelyke wyze ten nutte van den Lande aan-te-wenden.

Ik heb de eer met ware hoogachting te zyn, enz.

Amsterdam, 25 Juni 1861.

Ziet ge, Tine, zóó heb ik geschreven. Zeg nu eens dat ik geen praktisch mensch ben, en dat ik niet m’n best doe voor u en de kleinen!

Ambtenaar van ’t Neerlands-Indisch Gouvernement! O God, ik ambtenaar! Ik ril als ik denk aan de zeventien jaren die ik ambtenaarde!

Maar wat is dat toch voor ’n familie Kappelman? Ik begryp er niets van. ’t Zal ’n mystifikatie wezen. Ik zou u ’n heel pak brieven kunnen zenden, die ik van de familie ontving, maar ik laat het, om de port. ’t Schynt dat iemand in myn naam ’t hof maakt aan allerlei meisjes, en ze de hoofden op hol helpt. Ge weet dat ik nooit zoo-iets doe. Men scheldt me vreeslyk uit, en dreigt my met Gods toorn, op de wys van Hebreën zóóveel! Is dit niet heel onaangenaam! Ik denk dat het ’n complot is van de Jezuïten, die met de élektriciteit, de schuld dragen van alles wat men niet begrypt. In een der brieven staat, dat men myn korrespondentie heeft ontdekt met ’n meisje, of met meisjes ... gekheid! Ik korrespondeer met niemand dan met u ... en den minister, zooals ge gezien hebt. Ik vermoei me vruchteloos met zoeken naar den draad van die intrigue. ’t Zal waarschynlyk ten-doel hebben my te diskrediteeren, en Publiek ’n voorwendsel te bezorgen om my te minachten, als ’n onpraktisch mensch. Lieve hemel, den heelen dag zit ik te tobben over de vraag hoe ik u en de kinderen in ’t leven zal houden ... hoe ik u ’n woning zal bezorgen die wat minder ongezond is ... hoe ik ’t moet aanleggen om ’t huis te komen, zonder ’t aantezien dat gy gebrek lydt ... en daar gaan ze nu vertellen dat ik brieven schryf aan meisjes! Ik zal er ’n politiezaak van maken, als ’t niet ophoudt.

Ik heb ’n Staatsblad geleend en daarin studeer ik vlytig.

Ook heb ik eens nagezien, hoelang ik daar-ginds zou moeten meeloopen om pensioen te krygen. Dat zou prettig wezen, Tine! Verbeeld u eens dat er zekerheid was, onzen kinderen áltyd het noodige te kunnen geven! Ik heb er onlangs den minister over gesproken, maar ’t kan niet, omdat ik uit walging m’n eervol ontslag heb genomen, en niet infaam ben weggejaagd. We moeten dus geduld hebben, Tine! Nu, dit hebt ge!

Ik ben nog in verbystering over al die Kappelmannen. Begrypt gy er iets van?

VAN TINE AAN FANCY.

Zie eens wat hy schryft. Geen woord over U! Wat beduidt dit?

AAN TINE.

Weer wat nieuws! Ge zult vreemd staan te kyken als ge dat hoort! Ze leggen ’t er op toe, me gek te maken, en dit is heel inkonsequent van de velen die zoo lang reeds zeggen dat ik ’t ben. Daar hoor ik weer dat ik niet minnebrieven schryf maar ze laat drukken, en let wel ... dat ik ze drukken laat ten voordeele van ’n arm huisgezin! Voor u, Max en Nonnie ... meent ge! Neen, neen, voor ’n onbekend gezin, voor menschen wier naam ik niet weet, menschen die ik nooit gezien heb! ’t Idee is nieuw ... faire l’amour par charité! Hadt ge zooveel fantasie verwacht in Publiek? Me dunkt ... ja, als Publiek zelf eens ’n roman schreef.

Ik heb ook lust om te schryven, maar romans niet. Ik wou graag dat boek koopen van Money. Ik gis dat het besteld werk is voor rekening van de firma Bato Saldig & Co. en vertrouw dat ik in de meeste punten met dien Mr. Money eens kan wezen. Ik heb geen geld om ’t boek te koopen, maar uit de analyse die ik las in de Amsterdamsche Courant, begryp ik heel goed hoe hy aantoont dat de Hollanders zoo veel halen uit Indië, als maar eenigszins mogelyk is. Wat wil men meer? Il prêche des convertis. Hy wint z’n pleit vóór hy begon. Maar ik vind dat die firma zoo’n werk niet had hoeven te bestellen in ’t Buitenland. ’t Ware goedkooper geweest daarover natelezen wat Multatuli schryft in z’n boek over de veilingen:

Doch daar kwamen vreemdelingen uit het Westen, die zich heer maakten van het land. Ze wenschten voordeel te doen met de vruchtbaarheid van den bodem, en gelasten den bewoner, een gedeelte van z’n arbeid en van z’n tyd toetewyden aan het voortbrengen van andere zaken, die meer winst zouden afwerpen op de markten van Europa. Om den geringen man hiertoe te bewegen was niet meer noodig dan ’n zeer eenvoudige staatkunde. Hy gehoorzaamt z’n hoofden: men had dus slechts die hoofden te winnen door hun ’n deel toetezeggen van de winst ... en het gelukte volkomen.

Als men let op de ontzettende massa Javasche produkten, die in Nederland worden te-koop geveild, kan men zich overtuigen van het DOELTREFFENDE dezer staatkunde ...

Is ’t te betreuren dat ze, na zulke hulde uit den mond van iemand, die toch de Nederlanders niet schynt te vleien, nog Engelsche hulde noodig hebben? De firma B. S. & Co. lykt wel ’n schryver, die nooit genoeg wordt geprezen naar z’n zin. Ik spreek by ondervinding. En nog zeggen ze dat ik ydel ben en hoogmoedig!

Het is puur om boos te worden op dien Engelschman, die daar zoo geheel onbevoegd zich belast heeft met het pryzen van de godvreezende Nederlanders. O, hadden ze ’t my opgedragen! Holland staat ver boven den lof van alle Money’s! Wat kan zoo’n Money weten van al de verdiensten ... neen, dit wordt ’n woordspeling. Maar om nu te bewyzen hoe verkeerd men deed niet my te belasten met het blazen van de trompet, ziehier.

Money spreekt:

Cantique tout pur!

“Zyt ge als de roos ... neen dit gaat niet! Ge zyt als de trouwe herder die z’n schaapjes scheert....

Ik: Ge VILT ze!

Money weer:

“Ge zyt als de dorstige reiziger, die water drinkt uit de vriendelyke bron ...

Ik: Water? Reiziger? Drinken? Deugt niet! Dat drinken is ZUIGEN, die reiziger is ’n VAMPIER, en dat water is BLOED!

Ge ziet, beste Tine, dat men verkeerd deed, lof te bestellen in ’t buitenland. Men is schryver of men is ’t niet, que diable! Er zyn gedurig tentoonstellingen van nyverheid. Welnu, ik ben van plan dien Engelschen trompetter op de eerste tentoonstelling eens te laten hooren, hoe ik de trompet blaas! ’t Zou my niet verwonderen, als ik terstond bestellingen kreeg op m’n deuntjes, vooral daar er in Engeland schaarste is aan lof over de manier van regeeren in Bengalen, waar telkens hongersnood woedt... precies of ’t in Lebak lag.

En zonder myn groot talent—dat wat te duur zou wezen voor de bekende firma, die zuinig is in ’t betalen van inlandsch fabrikaat—men had veel eenvoudiger te-recht kunnen komen, en goedkooper, ja geheel kosteloos! Laat ons zuiver redeneeren: wat begeert de Natie? Een certificaat dat ze daar-ginder goed en voordeelig huishoudt. Welnu, hiertoe behoeft geen letter op ’t papier gezet te worden; al de bewysstukken zyn in orde, en ik zal ze—kosteloos!—toonen aan Europa.

De zaak is heel eenvoudig. Wat bevolkingsstaten vóór en na ’n hongersnood! En de konklusie? Het verlangd certificaat? Wel, dit kan ieder zelf opmaken uit de eenvoudige cyfers.

Daar waren in ’t jaar zóóveel, zooveel menschen.

Daar waren, een jaar later, zóóveel menschen.

’t Verschil is gestorven.

Ze hadden geen ryst, omdat zy voor de firma B. S. & Co. koffi, suiker en indigo moesten planten.

Die koffi, suiker en indigo is voordeelig verkocht voor rekening van gezegde firma.

Ziehier hoe Multatuli ’t zegt:

«Als men let op de ontzettende massa Javasche produkten, die in Nederland worden te-koop geveild, kan men zich overtuigen van het DOELTREFFENDE dezer staatkunde, al vindt men ze niet edel. Want mocht iemand vragen, of de landbouwer zelf ’n belooning geniet, evenredig met die uitkomst, dan moet ik hierop ’n ontkennend antwoord geven. De Regeering verplicht hem, op zyn grond aan te kweeken wat háár behaagt. Ze straft hem, als hy het aldus voortgebrachte verkoopt aan wien het ook zy, buiten hààr, en zyzelf bepaalt den prys, dien ze hem daarvoor uitbetaalt. De kosten op den overvoer naar Europa, door bemiddeling van een bevoorrecht handelslichaam, zyn hoog ... de aanmoedigingsgelden van de hoofden bezwaren daarenboven den inkoopsprys ... en daar toch ten slotte de geheele handel winst afwerpen moet, kan deze winst niet anders worden gevonden, dan doorjuist zóóveel uittebetalen aan den Javaan, dat hy niet sterve van honger, hetgeen de voortbrengende kracht der natie verminderen zou.

Ook aan de Europeesche beambten wordt ’n belooning uitbetaald in evenredigheid met de opbrengst.

Wèl wordt dus de arme Javaan voortgezweept door dubbel gezag ... wèl wordt hy afgetrokken van z’n rystvelden ... wèl is hongersnood vaak het gevolg van deze maatregelen ... doch vroolyk wapperen, te Batavia, te Samarang, te Soerabaia, te Passaroean, te Bezoeki, te Probolingo, te Patjitan, te Tjilatjap, de vlaggen aan boord der schepen welke beladen worden met de oogsten die Nederland ryk maken.

Hongersnood? Op het ryke, vruchtbare Java, hongersnood? Ja, lezer, voor weinige jaren zyn geheele distrikten uitgestorven van honger! Moeders boden haar kinderen te-koop voor spyze! Moeders hebben hare kinderen gegeten ...

Maar toen heeft zich het Moederland met die zaak bemoeid. In de raadzalen der volksvertegenwoordiging is men daarover ontevreden geweest, en de toenmalige Landvoogd heeft bevelen moeten geven, dat men de uitbreiding der dusgenaamde Europesche-marktprodukten voortaan niet weder zou voortzetten TOT HONGERSNOOD TOE....»

Die lieve vertegenwoordiging! NIET WEER TOT HONGERSNOOD TOE! Ik verzeker u dat er na dien tyd inderdaad eenige Javanen in ’t leven zyn gebleven.

En andere certificaten! Sedert eenige jaren bemoeien zich velen met Indie. Die “velen” kunnen onderscheiden worden in twee hoofdsoorten, de Behouders en de Liberalen. Behouders zyn de personen die gaarne zoo veel mogelyk voordeel trekken uit Indie. En liberaal noemt men de zoodanigen die gaarne uit Indie voordeel trekken,.. zoo veel mogelyk. Ziedaar ’t verschil, dat zich oplost in treffende gelykheid. Maar deze overeenstemming openbaart zich nog duidelyker in de gelykluidendheid van de scheldwoorden, die ze elkaar naar ’t hoofd werpen. Welnu ze zyn beiden volkomen in hun recht. Het is volkomen waar, wat de liberalen zeggen: de behouders zuigen Indie uit ... maar even eerbiedwaardig is de oprechtheid, waarmee de Behouders de eer van ’t uitzuigen toekennen aan de Liberalen.

Deze wederzydsche getuigenissen van goed gedrag had de firma aan Europa kunnen voorleggen, en ’t heele boek van dien fameuzen Mr. Money had achterwege kunnen blyven.

Het eenige verschil misschien ligt hierin, dat de Behouders goedkoope spoorwegen willen bouwen, en dat de Liberalen veel geld begeeren om in-staat te wezen hun plaatsen te betalen op spoorwegen die met eigen geld betaald, en dus duurder zyn.

Maar dit is van ondergeschikt belang. Als ik ’n keuze doen moest, zou ik de zyde kiezen van ’t Behoud, om deze redenen. Ten-eerste: ’t een belet het ander niet. Men kan zeer goed spoorwegen bouwen van gestolen geld, en bovendien zorgen dat de gepensioneerde residenten tóch ryk zyn. Ten-andere: op goedkoop spoor kan ook ik meeryden, en dit zou ’t geval niet wezen, wanneer de Liberalen hun zin hadden. Ik begryp dat de vry-arbeiders zeer dankbaar en tevreden zyn, maar wanneer de firma B. S. & Co, haar rails betalen moest uit eigen middelen, zou ’t me weinig helpen dat de Droogstoppels, Slymeringen, kontraktanten, industrieelen, planters, of hoe ze allen heeten mogen, by-machte zyn gebruik te maken van ’n vervoermiddel, dat dan te duur zou wezen voor ieder ander, die geen fortuin had gemaakt in liberale koffi en tabak.

Ziedaar, waarom ik me voorloopig aansluit by de Behouders. Veel hecht ik er evenwel niet aan. ’t Zyn byzaken. In de hoofdzaak komt alles hierop neer, dat Indie op ’n zeer voordeelige wyze geëxploiteerd wordt, en dat Money onnoodig moeite deed.

Maar dit aansluiten by de party van Behoud, is van myn kant niet zóó hartelyk, dat ik kans hebben zou door haar ontvangen te worden met wat vriendschap. Integendeel. De Behouders obstineeren zich my aantezien voor liberaal, even als de liberalen ’t omgekeerde. Hiervan heb ik veel verdriet, want nu word ik uitgescholden en belasterd door beide partyen, en dit is te veel. Ik had maar te kiezen, ge weet het. Nu ik niet gekozen heb....

Lieve hemel, zou er geen derde party te scheppen wezen? Een party die eenvoudig de meening voorstond, dat men den Javaan niet moet mishandelen? ’t Is ’n excentriek idee, dit erken ik, doch zoodra er weer ’n plaats open komt in die Tweede-Kamer, zal ik dat toch eens beproeven. Maar, Tine, ik vrees dat ik niet slagen zal, omdat ik geen systeem heb, en geen politieke beginselen, zoo-als ze ’t noemen wanneer iemand altyd stemt met dezelfde party, onverschillig of hy de zaak die behandeld wordt goed vindt of niet. Ook zie ik geen kans geleerdheid te plaatsen in myn beroep op de kiezers. Toch zal ik m’n stuk maar terstond schryven, dan ben ik gereed zoodra ’t noodig wezen zal. Maar ik hoop dat ze my niet kiezen, want, verbeeld u, dan zou ik al die redevoeringen moeten aanhooren over de wyze waarop de Javaan behoort te worden uitgezogen! En wanneer ik daarby meesmuilde, zou de voorzitter my tot de orde roepen, en klagen over myn tuchteloosheid! Ik zou me moeten aanstellen als-of ik luisterde naar ’t spreken van den heer Duymaer van Twist, wanneer hy redeneert over “Indische zaken” en “Vryen Arbeid”. Want dit doet hy soms. Is ’t niet komiek? Die Tweede-Kamer zou my ’n ware pynkamer wezen. Maar als ze my kiezen, ga ik! Ge weet wat Luther zei? “Al waren er zooveel Gouverneurs-Generaal als dakpannen, enz,”

Zie-hier wat ik in zoo’n geval schryven zou:

Brief aan de Kiezers van Nederland.

Kiezers! Ik heb u iets te zeggen dat zeer eenvoudig is, en dat ge daarom wellicht niet terstond zult begrypen. Maar om ’t u niet al te moeielyk te maken, zal ik de zaak die ik u wil voorstellen, behandelen van den oorsprong af. Ik beweer geenszins meer te weten dan gy. Verwacht dus niets nieuws.

In den regel bemoeit gy u weinig met de publieke belangen. Laat ons eens nagaan, of ge hieraan wèl doet.

Gy hebt behoefte aan orde, aan veiligheid. Ge betaalt vele personen om in uwen naam die orde te handhaven, en die veiligheid te verzekeren. Ik hoor u wel eens klagen over te hooge belastingen—en ik vind dat gy gelyk hebt in die klachten—maar aan den anderen kant waardeert ge niet genoeg het genot dat u ten-deel valt door de zekerheid van personen en goederen. Alle menschelyke zaken zyn gebrekkig, en onder die zaken is er misschien geene die moeielyker te zuiveren is van gebreken, dan het bestuur eener maatschappy.

Het is evenwel, dunkt me, plicht te zorgen, dat dit bestuur zooveel mogelyk nadere tot de volmaaktheid.

In zóóverre is het jammer, dat u door vele samenloopende omstandigheden ’n Regeering is te-beurt gevallen, die over het algemeen geenszins onderdoet voor de Regeering der meeste andere volken. Gy bezit een gepaste maat van vryheid. Geen dwingeland neemt u ’t moeielyk verdiend, of gemakkelyk gewonnen, geld af. Men zet u niet in de gevangenis, zonder dat ge ’t er naar maakt. Men dwingt u niet tot goddienen op ’n manier die u niet aanstaat. Men roept uw kinderen niet van hun werk, om ze noodeloos kunsten te leeren met ’n geweer ...

Ja, de militiewet bestaat nog, maar dit zal zoo niet blyven.

... hoe het zy, alles saamgenomen, hebt ge geen sterksprekende redenen tot ontevredenheid, en hierdoor zyt ge onverschillig geworden voor de openbare zaak.

Maar hebt gy u wel eens voorgesteld dat dit alles anders wezen kon? Wanneer uw verbeelding te-kort schiet in deze voorstelling, lees dan de geschiedenis na! En vèr behoeft ge niet te gaan. Ons eigen land heeft by herhaling te doen gehad met slechte Regeeringen.

Ik geloof niet alles wat men zegt van Philips den tweede. Maar neem eens de helft voor waar aan ... ’n derde ... ’n kleiner gedeelte nog ... en stel u de vraag voor, hoe ’t u smaken zou, als we weder moesten geregeerd worden op ’n wyze als die welke hy zich veroorloofde.

Dit zoudt ge niet begeeren. Ik ook niet. En haasten wy ons hierby te voegen, dat er voor ’t terugkeeren van zulk wanbestuur geen gevaar is.

Wat stelde dien Philips in-staat ons arm landje te teisteren als hy deed? Macht! De mogelykheid om eigen wil te stellen boven de wet. Of wel: verkeerdheden in die wet. En, ten-laatste, maar vooral: gebrek aan wetten.

Want ... wat niet verboden is, wordt als geoorloofd beschouwd. Wanneer de Fransche koningen waren gebonden geweest door ’n bepaling “dat niemand mag worden onttrokken aan zyn natuurlyken rechter,” zouden zy zich hebben moeten onthouden van ’t genoegen, iemand die hun mishaagde naar de Bastille te zenden alleen omdat hy hun mishaagde.

Nu geloof ik gaarne dat vele koningen ook zonder zulke wetten zich zouden vermaken op andere wyze ... maar ik vind het toch geruster en kalmer, dat men in zulke gevallen niet afhange van smaak.

Het zyn de wetten alzoo die ons beschermen tegen ’n misbruiken van het gezag, dat men wel genoodzaakt is dezen en genen in handen te geven in ’t algemeen belang.

Wie maken deze wetten? De koning laat ze, in zyn naam, aan het volk voorstellen door z’n ministers. Keurt het volk de voorgestelde wet goed, dan gaat ze dóór, en wordt van kracht.

Keurt het volk de wet niet goed, dan maken de ministers een nieuwe wet ... of gaan naar de baden.

Het spreekt vanzelf dat zoo’n inrichting geheel ontbrak in den tyd van Philips. Wanneer hy aan het volk gevraagd had, of ’t genoegen nam in al dat moorden en branden, in die geloofsvervolging, in ’t betalen van de vele zóóveelste penningen—ja, dat vooral!—dan had het volk “neen” gezegd, en de hertog van Alva ware naar de baden gegaan, tot groot relief van de 30.000 menschen die hy nu heeft laten ombrengen in weinig jaren tyds. ’t Was te veel, waarachtig!

Wetten kunnen dus nuttig zyn. Maar opdat ze ’t niet alleen kunnen, maar inderdaad zyn, behooren de wetten goed te wezen.

Het beoordeelen van de voorgestelde wetten is dus van groot gewicht, en ’n volk dat zich daarmee weinig of niet bemoeit handelt verkeerd en tegen z’n eigen belang.

Eigenlyk moet het verdrietig wezen voor ’n koning, die gedurig vraagt: “vindt gy lieden die wet goed?” als hy telkens bemerkt dat het volk zelf, in wiens belang die vraag geschiedt, niet eens de moeite neemt zich met die zaken intelaten, en door verregaande onverschilligheid toont onmondig te wezen.

Als de konklusie niet al te streng klonk, zou ik byna zeggen: zulk ’n volk verdiende dat Alva terugkeerde van de baden.

Deze onverschilligheid blykt evenwel gedurig uit de wyze waarop gylieden u van uwen plicht kwyt, by de verkiezing der personen die u tot het beoordeelen der voorgestelde wetten vertegenwoordigen ... of, beter gezegd, in de wyze waarop gy u van dien plicht niet kwyt.

’t Is reeds te betreuren dat men spreken moet van plicht, waar ’t geldt: de uitoefening van een recht.

Indien ge waart overgeleverd aan een despoot die eigen wil voor recht liet gaan, zonder den wil des volks eenig aandeel te geven in de beschikking over de algemeene zaak, zoudt ge luid roepen om verlossing. Ge zoudt dien despoot vloeken, te wapen loopen, stryden ... en over eeuwen had ’n nieuw nageslacht nieuwe dapperheden te bezingen van nieuwe voorvaderen.

Maar nu gy niet tot weerstand wordt gedrongen door geweldenary, houdt ge u geheel buiten de zaken, als-of die u niet aangingen. Dit is niet goed, Kiezers! M’n bedoeling is thans u opmerkzaam te maken op eenige verkeerdheden, die eerlang zeer nadeelig op uw belangen zullen werken, en u optewekken tot de meening dat men onvoorzichtig doet het oordeel over die belangen op den duur overtelaten aan anderen, zonder—of zonder voldoende—controle.

Maar erkent dan ook dat het verlies van die voordeelen zeer noodlottig zoude werken op uwe welvaart.

Erkent dan ook dat het van hoog belang is de Oost-Indische bezittingen zóó te besturen, dat de kans van dat verlies gering zy.

Erkent alzoo dat ge onverstandig doet ... dat gy handelt tegen uw eigene belangen, door zoo lauw te zyn omtrent de wyze waarop die gewesten worden bestuurd.

Een groot gedeelte van uwe welvaart hebt ge te danken aan den arbeid van den Javaan. Zonder dien arbeid immers, geen koffi, geen suiker, geen reederyen met alles wat daarmee in-verband staat. Stelt u eens voor—iets onmogelyks natuurlyk—’n onzinnig minister trachtte eene wet te doen aannemen, die de strekking had de Javanen te behandelen, zooals uw voorvaderen werden behandeld door Alva. Het gevolg zou wezen dat die Javanen—niet zoo spoedig wel-is-waar, omdat ze zeer geduldig zyn, maar in ’t eind zéker toch—zouden opstaan, en het Nederlandsch gezag afschudden. En hiertoe zouden zy geen tachtig jaren behoeven, want ze zyn oneindig sterker in verhouding tot u, dan uw voorouders waren tegen-over Spanje. Bovendien zouden zy hulp ontvangen van buiten, daar er volken en regeeringen zyn, die nayver voelen op uwe welvaart. En nog meer redenen bestaan er, die ’t van belang maken dat de Javaan u genegen zy, of althans niet volstrekt vyandig gezind. Het Europeesch evenwicht zal eenmaal verbroken worden ... neen, het zal meermalen verbroken worden, zoo-als alle evenwichten. De taak der staatslieden is juist hierom zoo zwaar, wyl de Natuur—dat is: alles!—voortdurend in beweging is. Stilstand is onmogelyk. Het embleem der geheele schepping is ’n baskule ... en de politiek maakt hierop geen uitzondering! Wat men evenwicht noemt, is eigenlyk het streven naar evenwicht ... de gelykheid van de som der beweging aan beide zyden van het midden der balans ... het sidderen van den wyzer in het “huisje”. Eénmaal slaat een der beide schalen neer.

Wie nu ’t oog slaat op het gewapend parallelisme van de beide hoofdmogendheden in Europa, zal inzien dat ook hier eenmaal—misschien weldra—een der beide schalen zal nederslaan.

Er moet oorlog komen tusschen Frankryk en Engeland! En wie er aan twyfelt, lette slechts op al de moeite die men zich van weerszyde getroost, om te beletten dat er oorlog kome. Van beide kanten voelt men zich gedurig genoopt de hand uittestrekken om de schaal te stutten. Dit zou niet noodig wezen als het evenwicht natuurlyk ware, in stede van kunstmatig en gekunsteld. De natuur is sterker dan de kunst, sterker dan gekunsteldheid vooral.

En ’t onmiddellyk gevolg eener vredebreuk? Ik zal ’t u zeggen, zonder te meenen alweer, dat ik u iets nieuws zeg.

Weet ge waar Engeland ligt naar het oordeel van den eersten Napoleon?...

Engeland ligt in Indie.

En dat ook het hedendaagsche Frankryk met deze geographische kettery behebt is, blykt uit de “verkenningen” die het doet op de—in dien zin: Engelsche—kusten, door gedurig expeditiën te zenden naar China, Cochin en Madagaskar. Door de gezantschappen naar het verre Oosten. Door ’t uitlokken van tegenbezoeken ... zie de Siamsche ambassade.

Maar het zyn niet alleen verkenningen. Reeds voorlang zyn de handen aan ’t werk geslagen.

De doorgraving der landengte van Suez is voor den handel en de scheepvaart of voordeelig of nadeelig. Deze doorgraving geschiedt onder Franschen invloed. Indien ze nadeelig ware, zou zy niemand baten ... en in geval van voordeel en nut, zou dat reuzenwerk slechts voordeelig zyn voor de eigenaars van Indie, d.i. voor Engeland hoofdzakelyk, en voor Nederland in de tweede plaats. Voorts zou dat voordeel—in mindere mate, maar eenigszins altoos—genoten worden door den handel van de noordelyke havens Hamburg en Bremen, enz. Maar niet, of althans zeer weinig, zou die doorgraving baten aan Frankryk, een land dat juist het minst met Indie in aanraking is.

Toch geschiedt de doorgraving onder Franschen invloed!

En omgekeerd, Engeland—de Staat die juist by dezen nieuwen handelsweg het grootste belang hebben zou—verzet zich krachtig tegen die doorgraving. Het beweert dat de kosten te hoog zyn om door tollen te kunnen worden gedekt. Het laat door z’n bekwaamste ingenieurs bewyzen, of ... betoogen, dat de heele zaak onmogelyk is—eilieve, waartoe dan het verzet?—dat, al slaagt men in ’t volbrengen van de voorgestelde taak, evenwel het onderhoud te veel bezwaren opleveren zal ... dat men gedurig zal te stryden hebben tegen verzanding. De Engelsche ekonomisten berekenen, dat op ’n lading die uit Indië naar Europa wordt overgevoerd om de Kaap de Goede Hoop, de rentekosten van tydverlies, verhoogd met het verschil der premiën van verzekering tegen zeegevaar, minder bedragen dan ’t evenredig aandeel dat zoodanige lading, langs den nieuwen weg vervoerd wordende, zou te dragen hebben in de monsterachtige uitgaven voor ’t graven en onderhouden van het Egyptische kanaal.

Dit alles leidt nu tot de volgende vreemde konkluziën:

Frankryk besteedt geld en invloed, om ’n werk tot-stand te brengen dat òf onnut is, òf voordeel zal geven aan z’n MEDEDINGER.

Engeland spant zich in om te voorkomen dat er Fransche kapitalen verloren gaan in’t bevorderen van Engelsche welvaart.

Had ik niet recht te zeggen dat die konkluziën vreemd zyn?

Het getal schepen dat uit de middellandsche zee op Indie vaart, is niet noemenswaardig in vergelyking der koopvaardyvloot die thuis behoort in de meer noordelyke havens van Europa ...

Nog eens: Frankryk brengt vriendschapsoffers aan Engeland, en Engeland werkt met ongehoorde edelmoedigheid, deze belanglooze hulp tegen ...

Dit zou ’n combat de générosité zyn, ’t geen zooveel zeggen wil als: de geheele zaak is ongerymd en onmogelyk.

Hoe dàn! Ik zeide dat Frankryk de kusten peilde van het Engeland dat in Indië ligt ... dat het reeds handen aan ’t werk sloeg ...

Welnu, de doorgraving der landengte van Suez, nadeelig voor Frankryk uit ’n oogpunt van HANDEL, is hierom van belang voor dit land, wyl ze, UIT EEN STRATEGISCH OOGPUNT, Indië verbindt met Brest en Toulon, wyl ze vergelykender-wys Indië verwydert van Southampton en Portsmouth.

Ik hoop, kiezers, dat dit u niet te eenvoudig zal schynen, maar, ’t is me onmogelyk u in deze zaak te onthalen op de minste ingewikkeldheid.

In Indie zal eenmaal de stryd gevoerd worden om de wereldheerschappy. Het kanaal van Suez is de loopgraaf by ’n beleg ... geen trekvaart tot het vervoeren van koopwaren. Wel is dit het doel later! Als de heirbaan heeft uitgediend, kan ze strekken tot gemak van de reizigers ... die alsdan hun home zullen hebben te Marseille, te Genua, te Livorno, te Venetie, te Alexandrie ... want Italie en Egypte zyn in ’t Program begrepen, zooals billyk is.

Nieuw? Volstrekt niet! De verandering waarop we ons moeten vooorbereiden, is terugkeer tot ’n vroegeren, toestand die natuurlyker was dan de tegenwoordige. Wanneer men het oog vestigt op de wereldkaart, is ’t inderdaad onnatuurlyk dat de Indische produkten, voor ’t grootste gedeelte, om centraal Europa te bereiken, hun weg nemen over Londen, Hamburg of Amsterdam. Men zou onrechtvaardig handelen, iemand euvel te duiden dat hy de havens der Middellandsche zee voorstelde als genegen en geschikt om terug te keeren tot den toestand dien ze vroeger innamen, en waaruit ze niet dan door zeer buitengewone omstandigheden, verdrongen zyn. Maar men vindt dikwyls vreemd wat natuurlyk is, en we zouden de eenvoudige waarheid met minder inspanning vatten, wanneer we niet van jongs af te veel inspanning ten-koste legden aan ’t leeren, betoogen, over-eenbrengen vasthouden van dingen die niet waar zyn.

Zoodra nu ’t evenwicht wordt verbroken en de stryd alsdan gevoerd zal worden op Indisch terrein, kunnen onze bezittingen niet gespaard blyven. Geen der beide krygvoerende partyen zal de ryke hulpbronnen versmaden, die Insulinde aanbiedt. Dáár zyn goede oorlogshavens. Dáár is plaats en geschiktheid voor magazynen en hospitalen. Dáár zyn te verkrygen alle levensbehoeften voor legers en vloten. Dáár kan men werven aanleggen tot bouwen en herstellen. Dáár kan men reeden, uitrusten, ademhalen. Dáár kan men fabrieken oprichten van ammunitie. Dáár zyn hulptroepen ... dáár is ALLES!

Het is in ’t belang van beide partyen, om òf Insulinde te nemen voor zichzelf, òf—wat precies hetzelfde is—door bezetting het te beschermen tegen de andere party. Dit laatste is meer gebeurd. En dat we in 1816 Java van de Engelschen hebben teruggekregen, is te danken aan ’n misverstand, onmogelyk voortaan door ’t boek van Money. Vroeger meende men dat Java ’n lastpost was, en thans weet ieder wat daar te halen is.

Men droome nu niet van neutraliteit. Neutraliteit is ’n woord, niets dan ’n woord, dat alleen kracht heeft zoolang de sterken voordeel zien in de werkeloosheid der zwakken. “Neutraliteit!” is de onverstane kreet van iemand die onder den voet is geraakt in ’n gedrang. Het beroep op neutraliteit doet denken aan ’n pré-aux clercs die zich beklagen zou, gebruikt te worden als vechtterrein. Neutraliteit van kleine staten houdt op, zoodra de grootere—of één van de grootere—behoefte voelen aan het tegendeel.

En Frankryk en Engeland zullen eerlang Insulinde noodig hebben! ’t Zal die vraag niet wezen, wie trachten zal het te nemen. De vraag voor Nederland is: of ’t goed is het te laten nemen, door wien ook?

Ik vertrouw dat ge volmondig neen zegt op deze vraag.

Nederlandsch-Indie zal dus verdedigd moeten worden.

Maar deze verdediging zal zeer zwaar vallen, ja onmogelyk wezen, wanneer de inlandsche bevolking gemeene zaak maakt met de aanvallers ... of met de ongeroepen beschermers, wat kompleet hetzelfde is.

En ’t behouden van de Indische bezittingen zal gemakkelyk wezen, wanneer de bevolking ons steunt.

Van de stemming der bevolking hangt derhalve zeer veel af.

Deze stemming is ’n natuurlyk gevolg van de wyze waarop ze geregeerd wordt.

De wyze van bestuur berust op wetten die te ’s Hage door den Koning, na overleg met het volk worden vastgesteld.

Gebrek aan belangstelling in die wetten, is alzoo gebrek aan belangstelling in ’t bezit van Indie ... gebrek aan belangstelling in uw eigen welvaart.

Hoe is deze belangstelling te toonen? Door het acht geven op de wyze hoe Indie geregeerd wordt, en op de keuze der personen die gy naar den Haag afvaardigt om in uwen naam de wetten te onderzoeken die ’s Konings ministers voorstellen.

Ik vind dit alles zeer eenvoudig, kiezers! En duidt me niet ten kwade dat ik u dingen vertel, die vanzelf spreken. Ik heb meermalen opgemerkt ...

O, beste Tine, dat is niet uittehouden. Verbeeld u dat het huis waarin ik woon, geschilderd wordt. Boven m’n kamer—ik ben gaan kyken—legt men uitgehaakte vensterramen en deuren op den grond, en daarby liggen geknielde mannen die zich vermaken met scherpe driehoekige yzers de verf van die deuren en vensters aftekrabben. Dit noemen ze schilderen! Ze krabben my dol. Ik moet nu dien brief aan de kiezers afbreken. Ik zou anders vreezen daarin dingen te zeggen, die in klank rymen op de driehoekige tonen boven m’n hoofd.

’t Is eigenlyk verdrietig dat ’n genie als ik zoo afhangt van allerlei kleinigheden. Ja, dit is heel verdrietig! ’t Is misschien ’n vreemd denkbeeld, maar toch vraag ik dikwyls hoe Christus zich zou gedragen hebben by zinkings of kramp? Hoe, als hy wissels te betalen had gehad, zonder ’t noodige daartoe? En, als hy gelukkig getrouwd was?—’n doodsteek voor ’t genie ... ik leef nog, helaas!—En, als hy z’n voet verstuikt had? En, als ’t was begonnen te regenen in ’t midden van z’n bergrede? En—natuurlyk!—als men óm hem, naast hem, onder hem, had getimmerd, of met yzeren driehoeken had geschilderd ... lieve hemel, daar beginnen ze weer! Ik ga uit.

Neen, dit nog. Ik heb u, geloof ik, reeds geschreven dat ik allerlei malle brieven kryg over dingen die ik niet begryp. Dit houdt nog altyd aan. ’t Is of ze ’t er op toeleggen me razend te maken. Zou ’t een komplot wezen in konniventie met die schilders? En ook ’s nachts heb ik geen rust. In m’n slaap word ik geplaagd door bespottelyke droomen. Meestal zit ik in de war met ’n meisjes-historie. M’n beminde—ja, ja, er is ’n beminde in ’t spel!—plaagt en sart my met ’n haarlok die ik grypen wil, maar nooit vat. Dan vliegt ze heen, en ik voel iets leegs, iets hols ... ’t is me of ik iets verloren heb, dat ik terugvinden moet en wil, maar niet machtig worden kan. Ge weet hoe droomen zyn. Als ik dan wakker word, heb ik pyn in ’t hart. Morgen zal ik u verder vertellen wat ik schryven wil aan de kiezers ...

Ja, ja, die Christus zou schooner zyn, als hy mensch was. De verzinners hebben te veel verzonnen, en gingen het doel voorby. Christus is ’n schildery zonder schaduw. ’t Licht schynt niet, door gebrek aan bruin. Job is veel schooner; Job was mensch! Hy voelde en leed als mensch. Job werd beproefd als mensch... O, die verzoeking van Christus door den duivel beduidt niets. De duivel biedt te weinig. Met zóó’n bod kwam hy niet eens klaar by my die zoo vol gebreken ben, en niets weet van ’n hemel! De koninkryken dezer wereld? Wat is dat voor iemand die oneindig grooter erfdeel te wachten heeft? Men koopt geen Rothschild met ’n paar penningen om. Neen, neen, dat ’s ’n onhandige vertelling. Ik wou toch graag weten of we onsterfelyk zyn? Van tyd tot-tyd denk ik het wel, omdat ik hier zooveel verdriet heb. Maar ... hoe dan al die anderen die minder verdriet hebben?

O, die schilders! ...

Daar kryg ik waarachtig weer ’n brief dien ik niet begryp—ditmaal van ’n uitgever—lees zelf. Is ’t niet om dol te worden? ’t Is een komplot! Ik weet waarachtig niet wat ze bedoelen met hun geschryf! Ik minnebrieven? Zyn ze gek?

’t Hoofd loopt me om! Is dát ’n leven? Ja, ja, we zyn zeker ontsterfelyk! Ik ga uit. Zeg me of gy iets begrypt van die Kappellui en van dien uitgever met z’n minnebrieven ... en van de ontsterfelykheid? Ja, dàt vooral!

Vaarwel, myn Tine!

VAN EEN UITGEVER.

Mynheer! Een fatsoenlyk uitgever houdt zyn woord. Ik heb “minnebrieven” geannonceerd.... het publiek heeft recht op “minnebrieven”. Ik was met u overeengekomen dat ge “minnebrieven” zoudt schryven, en verwacht “minnebrieven”. Het regent bestellingen op de aangekondigde “minnebrieven”. Ik verwacht dus kopy uwer “minnebrieven”, en ’t zou me leed doen als ik u gerechtelyk moest dwingen tot het leveren der door u aan my, en door my aan ’t publiek toegezegde MINNEBRIEVEN.”

VAN TINE AAN FANCY.

Om godswil, Fancy, waar zyt ge? Laat ge ons alleen?

AAN TINE.

Lieve Tine! Ik heb geen plaats om ’t hoofd neerteleggen! Ja ik logeer nog, maar hoe! Nu schoonmaken ze ook, in de meening zeker dat ze wat schoon maken. ’t Is me onmogelyk aan u te schryven ... men vylt, boort, krabt, hamert, schraapt, schuift schuurt, schaaft, schroeft ... o god, ik heb zooveel te doen, en kan niets doen! Vertrekken kan ik ook niet. Waar zou ik heen? Overal zal men me om geld vragen! O, die Christus! Heeft hy dàt ondervonden ... hy met z’n leliën! Had zoo’n lelie vrouw en kinderen? Was er nauwte die ze belette te bloeien ... die ’t haar onmogelyk maakte lelie te zyn?

En de laster gaat ook maar al voort. Doch dit zyn byzaken. Als dat geschoonmaak maar voorby was! Ik hoor dagelyks dat ik ’n schelm ben, ’n laaghartige, ’n dief, ’n afzetter ... zóó antwoordt Publiek op MULTATULI’S boek over de veilingen!

Maar dit zou niets zyn—ik verwachtte niet anders—als ik maar ’n plekje kon vinden om rustig aan u te schryven. Op laster had ik gerekend, maar niet op schoonmaken en schilderen.

M’n vriend de boekeman biedt my z’n bibliotheekkamer aan. Maar dit gaat niet. Dan moet ik me aankleeden om uittegaan, voor ik kan beginnen te schryven. Op straat zie ik allerlei dingen die unschön zyn. Dit bederft m’n indrukken. En bovendien al myd ik de slachterswinkels, of de menschen die “zaken” doen, al ontmoet ik geen gepensioneerd resident, geen welvarend kontraktant met principes nà fortuin, al stuit ik nergens op de dikbuikige tevredenheid der braven die koupons knippen van de schuldbrieven hunner deugd ... al werd ik niet bespat door de modder van allerlei roode en gele rytuigen—’t is heel moeielyk, Tine, alles te ontwyken!—dan nog kan ik niet uitgaan om te schryven in die boekekamer.

De meening van Buffon is zeer juist. Daarom is ook styl zeldzaam, wyl er zoo weinig menschen zyn.

Let maar eens op ... wat klinkklank, wat meer of min afgeronde zinsneden, behoorlyk of onbehoorlyk afgedeeld door kommaas en kommapunten, hier-en-daar ’n nieuwe regel ... waarachtig, als men er niet goed op let, zou men inderdaad van-tyd tot-tyd meenen dat er wat in zat. Maar zoodra men nauwkeurig acht geeft, blykt er dat alles neerkomt op wat school. Ziel ontbreekt ... precies als ’t karakter dat men te-vergeefs zoekt in de handschriften van al de meisjes die schryven leerden op ’t zelfde instituut. De meisjes schryven de Jufvrouw na, en dit doen ook de menschen met hun styl. Ze schryven de Jufvrouw na!

Ieder wil dat ik schryven zal ... voor Publiek nog-al! Welnu, er zyn veel redenen die me hiervan terughouden, maar al was er alleen deze, my dunkt ze moest voldoende wezen:

Schryven is afdruk nemen van de ziel.

Als Publiek ziel heeft, laat hemzelf schryven.

Heeft hy geen ziel, dan begrypt hy ook myn geschryf niet ... punctum!

Maar er bestaat nog ’n reden die my de bibliotheek van m’n vriend doet schuwen als de pest. Ik ben inderdaad hoogmoedig en verwaand, en—ik verzeker u dit ernstig—het hoofdingrediënt van schryven of spreken is verwaandheid. Welnu, als ik veel boeken om my heen zie, laat ik my verlokken daarin het oog te slaan. Ik lees voort, vind gedurig iets dat ik niet wist ... word, vruchteloos tegenstrevend, overtuigd van onkunde, en weg is de verwaandheid die ik noodig heb om te schryven! Neem dit niet op als een sarkasme, als ironie, als scherts, als voorgewende nederigheid. Ik geef ’t u als eenvoudig waar, en ik ben zoo vry de menschen die voorwenden ’n anderen indruk te ondergaan, voor verwaander te houden dan myzelf.

Ik denk altyd, wanneer ik iemand als spreker of schryver zie optreden: zou die man—’t spreekt vanzelf dat het altyd ’n man is—zou die man nu inderdaad gelooven dat hy wat te zeggen heeft? Maar nooit doe ik deze vraag overluid, omdat ieder boos wordt, als men informeert naar z’n hoogmoed. Wanneer de menschen konden gebracht worden tot de erkentenis hunner verwaandheid, ware er veel gewonnen, want dan zouden ook de andere fouten blootliggen. Maar dit schynt zwaar te vallen. Altyd zyn er gaten in den mantel van Diogenes. Ge weet dat ik beter vind den heelen mantel aftewerpen, “die man is hoogmoedig” beduidt eigenlyk: “Die man neemt de moeite niet, z’n hoogmoed te verbergen als wy?” Dat is, nòg eens overgezet: “hy loopt in z’n hemdsmouwen!”

Wel zeker ... als ’t warm is! Of als men iets te doen heeft, waarby ’t opperkleed hindert, zooals by my dikwyls voorkomt. Ik heb geen tyd om nederig te schynen.

Dat wegstoppen van aandoeningen is my te lastig op-den-duur. Ik heb meely met de menschen die hun geheel leven door souffreeren aan de nooit erkende obstruktie van eigenwaan, ’t is om te bersten!

Ook zou ik vreezen onoprecht te worden in geheel omgekeerden zin. Wie zegt me of ik niet door dat kunstmatig en nooit gelukkend wegwringen myner deugd, wat ondeugd zou verbergen met-een? Laat ons maar altyd zeggen wat we meenen wáár te zyn, en het opgeven voor beter, ’t Is eenvoudig alweer, zoo als ge ziet.

Bovendien er steekt veel hoogmoed in dat geklaag over hoogmoed. ’t Is dépit over al de verloren moeite die men zich getroost om ’n doel te bereiken, dat zonder schade wordt verwaarloosd door ’n ander.

Christus verbergde zyn hoogmoed niet. Hy verwaardigde zich niet, iets wegtestoppen. “Ik ben de weg, de waarheid en het leven, wie My gezien heeft, heeft den Vader gezien!” Als hy dit meende, had hy gelyk het te zeggen. ’t Stond aan ’n ander, hem tegen te spreken, en des-verkiezende te betoogen, dat hy trekvaart, leugen en dood was. Maar wat ik minder schoon vind in Jezus is dat hy niet met dezelfde rondheid zei wat er aan hem ontbrak. Ik erken echter dat er meer moed noodig is om goed te spreken van zichzelf dan kwaad, en daar Christus het eerste durfde, zou hy ook moed gehad hebben tot het laatste ... als het te-onpas gekomen ware. Waarschynlyk dacht hy dat de Farizeeën ’t wel voor hem zouden doen, en hierin dacht hy juist. Dit is nòg zoo.

Moed om hoogmoedig te wezen? Welzeker!

—Wie durft die bres bestormen? roept de bevelhebber.

—Ik! zegt ’n hoogmoedige, die zich schynt te houden voor den braafsten man van ’t regiment.

Maar toen hy “Ik” riep, wist hy dat er zou geantwoord worden:

—Ga dan, en bestorm de bres!

En hy gaat! Want ik weet niet van wie “Ik!” roepen en niet gaan. Dit zou gehuichelde hoogmoed wezen, en ik trek alleen party voor de ware. Och, Tine, al deze dingen zyn heel eenvoudig. Ieder weet ze, maar wy denken er niet aan, omdat we te veel zyn opgevoed en begodsdienst. Om wys te worden, heeft men niet veel te leeren, er moet maar een-en-ander worden afgeleerd. Het uitroeien van één vooroordeel is meer waard dan ’t bedenken van tien nieuwe stelsels.

Voltaire—met wien ik lang niet in alles eens ben, dat weet ge—Voltaire is ’n prul in de oogen van Kantianen, Hegelianen, Spinozisten, Cartezianen en Leibnitzers. Waarom? Omdat hy niets heeft gezegd wat niet ieder kan begrypen, en omdat hy geen stelsel heeft saamgeknoeid ... wat hy toch met zyn vernuft heel goed had kunnen doen. Hy toont aan: wat niet waar is, en dat willen de menschen niet, tenzy men hun iets anders in de plaats vertelle, dat evenmin waar hoeft te wezen. Men hongert naar leugen. Zoodra ik ’n slecht mensch word, ga ik aan ’t systeem-maken. Ik zie er best kans toe ... ze komen er goed af! Ik wacht ’n standbeeld, met een opschrift ... ja zoo:

STA VICTOR. DIT VERBEELDT DE MAN DIE BETER HAD KUNNEN LIEGEN DAN IEDER ANDER, ALS HY GEWILD HAD.

Maar, Tine, om dan konsekwent te zyn, moet men veel andere standbeelden omverhalen.

Ik ben in ’n andere kamer gevlucht, waarboven slechts gemangeld wordt: g.....! Ik heb ’n kolonel van de marine gekend, die ’n premie uitloofde voor ’n nieuwen vloek! O, ik begryp dien kolonel! Daar kryg ik weer brieven ... lees zelf, en oordeel. Wat willen ze toch?

Ieder biedt me allerlei dingen aan, die ik niet noodig heb, maar niemand schynt te willen deelnemen in den moeielyken stryd dien ik voer. ’t Is zonderling!

VAN EEN MEISJE.

VAN EEN DOMINE.

AAN TINE.

Ik ben vermoeid, lieve! Wees niet boos dat ik zoo weinig schryf. Ik kan u niets zenden. Tracht maar voltehouden. ’t Zal niet altyd zoo blyven. Maar vermoeid ben ik, dat is waar.

Verbeeld u ... ze hebben zich in het hoofd gezet dat ik ’n schryver ben, en dat ik moet schryven voor den kost! Ze verwarren my met dien Multatuli. Schryven voor den kost! ’t Doet me denken aan Don Juan, die zóó’n pleizier vond in het praten van dien armen Mr. Dimanche, dat hy verzuimde te antwoorden op diens verzoek om betaling van de rekening.

Ik heb geen Moliere meer ... ach Tine ... onze boeken! Weet ge nog wel dat we eens boeken hadden, en ’n huis? En dat we menschen binnenriepen die er geen hadden? ’t Is toch zonderling ... nog dikwyls vraag ik mezelf: hoe komt het toch dat we geen huis hebben? ’t Is heel dom ... ik lyk kleine Max wel, met z’n gekke vragen. Ik heb moeite om niet afgunstig te zyn, als ik denk aan zoovelen die wonen kunnen. En meestal ... maar ik zal u liever wat vertellen van Don Juan. ’t Is heel goed dat ik geen Moliere meer heb. Dan zou ik misschien naschryven, en dit verveelt me zoo.

Don Juan is dik en vet als betaamt. Maar Dimanche is mager.

—M’n huisgezin is in nood, o edele Don Juan! Ge weet wat ik voor u gedaan heb ...

—Goed gesproken, lieve Dimanche, ga zitten!

—Ik dank u voor ’t zitten, heer Jan ... ik wenschte dat ge deze rekening ...

—Uw rekening is verrukkelyk. Ga voort! Mag ik u ’n snuifjen aanbieden?

—Ik dank u voor ’t snuiven. Don Juan ... maar zie deze rekening, en ...

—Weet ge wel dat ge een goede hand schryft, o universeele Dimanche! Ik benoem u tot myn secretaris ... dan kunt ge schryven voor my!

—Ik dank u voor ’t schryven, heer Ridder, doch m’n gezin lydt gebrek ... en om-uwentwil zouden wy ...

—Gebrek? ... Lyden ... Gebreklyden? ... O heerlyk schoon verbond van diep gevoelde klanken ... Ik zeg ... ik gloei ... ik wil ... ik weet zelf niet wat ik wil, maar ’t doet er niets toe ... de uitdrukking is prachtig! Doe my ’t genoegen, en zeg dat nog eens.

—Wy lyden gebrek, o heer ..,

—Goddelyk! Wat ’n leven ... wat ’n gloed ... wat ’n vuur! Ik verhef u tot m’n lyfdichter. Ga voort, welsprekende Dimanche!

—Ik dank u voor ’t dichten, heer Grande ... ik meende dat gy ... om godswil, bedenk dat wy sterven ... en bovendien, ik heb schulden ... ik kan niet betalen ... en nu zegt men dat ik oneerlyk ben ... terwyl gy ... bedenk heer, Ridder, Jan, Juan, Grande ... hoe moet ik u aanspreken om verstaan te worden? Don Juan ... o god ... wy sterven, en men zegt dat ik ...

—Sterven? ... verheven denkbeeld! Maar ’t is onjuist ... vriend Dimanche! Ge laat u door geestdrift vervoeren tot onnauwkeurigheid. Sterven? Gy met uw talent van voordracht? Sterven? Gy?... met zoo’n schrift? Onmogelyk, Dimanche! Ziehier! Ik Don Juan ... ik schenk u ... neem aan!.. . wees niet beschaamd ... ik ben ’t schuldig ... ik schenk u, ex plenitudine potestatis ... begrypt ge dat?

—Ach neen ... maar m’n rekening ...

—Ik schenk u de onsterfelykheid! Leporello, wilje m’nheer uitlaten?

Ik weet niet of ’t precies zoo staat by Moliere, ook niet of Dimanche nog tyd heeft om te antwoorden: “ik dank u, Don Juan ... Publiek, voor uw onsterfelykheid!” maar me dunkt, ik zie den sukkel zoo bedroefd weggaan, om aan vrouw en kinderen onsterfelykheid thuis te brengen, in plaats van ’t verwachte brood om niet te sterven!

En dan vraag ik, of er ook in dien tyd rustende Gouverneurs-generaal waren, met ongestoorde levensdigestie en zwygende gewetens? Moliere schreef aardig, maar hy had te weinig données. Hy was ’n kind van z’n tyd en z’n tyd was eenvoudig.

Ik schryven voor den kost ... voor geld? Onze Nonni is nu pas vier jaar .., stel u eens voor, dat ze later ... voor geld ... o god!

Houd u staande, lieve Tine, zoo goed mogelyk! Heb ik u reeds geschreven dat ik een brief zond aan den minister? Hy is ’n welwillend mensch ... hy zal zeker antwoorden. Ik heb hem daarin niets gezegd van den nood waarin we verkeeren. Dit zou niet goed wezen, want dan zou hy ons helpen uit medelyden. Was ik nu maar aan den drank, dan waren we gered! Ja, dan kon ik beterschap beloven, en waarachtig—zóó zyn ministers en menschen—als men beterschap belooft, wordt men meestal geholpen.—Rechtvaardigheid is duurder dan vergiffenis, en als ze niet zoo’n leven maakten boven m’n hoofd, zou ik u uitleggen waarom.

Maar de zaak is nu juist omgekeerd, en hierom vrees ik dat m’n schryven niet baten zal. Door myn bod aantenemen, zou de Regeering beterschap beloven ... en deze belofte valt zwaar aan wien ’t niet meenen kan. Maar ik denk toch wel dat ik antwoord zal krygen ...

Al die initialen, samengevoegd, maken ’n kompleet adresboek van de kleinstad.

Eén ding echter heeft me byzonder getroffen. Van de weinigen die niet schynen te behooren tot ’n politieke party, en toch eenigszins achtslaan op de publieke zaak, verneem ik dat de “nieuwaangekomene” groote verdiensten heeft. Nu vraag ik hoe ’t komt, dat deze verdiensten niet voorlang reeds ten nutte van het algemeen zyn aangewend, daar de man toch niet meer jong is? Waarom heeft men tot-nog-toe geen—of maar zeer onbeduidende—betrekkingen opgedragen aan iemand van zóóveel kennis, zóóveel integriteit, zóóveel karakter, zóóveel genie ... had ik byna gezegd? Ziet ge, daarvan begryp ik weer niets. Wie heeft al die Amerika’s ontdekt? Hoe heeft de man het aangelegd, om al die gaven zoolang schuil te houden?

Hy is geweest: Griffier der Staten van Gelderland. Is ’t niet jammer dat men iemand die thans geacht wordt op de hoogte te staan van ’t ONDERKONINKSCHAP VAN INSULINDE, op de hoogte dus van de BELANGRYKSTE BETREKKING IN DEN STAAT ... is ’t niet jammer, vraag ik, dat die man is gebruikt tot het maken van die processen-verbaal der zittingen van de Geldersche Staten? Dat men dien man heeft belast met het opschryven der redekavelingen van anderen? Daartoe was ik te goed, lang voor ik u kende. Die man moet byzonder nederig zyn.

Wanneer hy op de hoogte staat zyner schoone roeping—en ik heb geen andere reden hieraan te twyfelen dan voornamelyk die nederigheid (zie Göthe, in voce: “bescheidenheid”) en voorts de algemeene reden die ’t juisttreffen in deze zaak zoo moeielyk maakt—welnu als hy op de hoogte van z’n taak is, dan hadden de Geldersche Staten, kollectief of individueel, zich zeer vereerd moeten achten, heel nauwkeurig en eerbiedig op-te-schryven, wat hy zou gelieven te zeggen. Maar ... omgekeerd, is ’t ’n gruwel.

En zie nu eens weer, hoe zonderling! Men zou toch geen koetspaard spannen voor ’n kar. Moet ik nu gelooven dat men beter weet omtegaan met paarden en karren, dan met menschen in Insulinde? Zoo schynt het, waarachtig!

Maar, zeggen ze, hy is niet alleen griffier geweest. Hy is concessionaris geweest van ’n spoorweg, die er niet geweest is, en daarna werd hy ter schadeloosstelling benoemd tot president van den Raad van toezicht over spoorwegen, die er tot heden toe niet geweest zyn.

De slotsom is, dat hy eigenlyk niets geweest is.

Ei, Nederland, hebt ge groote mannen te veel, dat ge ze ongebruikt laat? Dit is niet huishoudelyk.

Ja, ik wou u graag wat zenden, myn kind, maar hoe kom ik er aan? Schryven voor geld? Aan wien? Wat? Moet ik schryven aan menschen die niet lezen kunnen? Na ’t boek van Multatuli heb ik eigenlyk niets te zeggen. Ik wacht antwoord, en ik dacht ...

Ziehier wat de Tielsche Courant schreef ... had ik geen recht op antwoord van de natie?

IS NEDERLAND EEN ROOFSTAAT.

»Vier maanden zijn reeds voorbijgegaan, sinds Multatuli, een oud-Oost-Indisch ambtenaar,—naar hij beweert, miskend, vervolgd en tot aftreding gedwongen door zijne superieuren, in zijn »Max Havelaar of de koffiveilingen der Ned. Handelmaatschappij,» de gezaghebbers in onze Oost-Indische koloniën openlijk aanklaagde dat zij hun pligt verzaken, hun eed schenden, de stem der menschelijkheid en der godsdienst, van het geweten en de eer smoren,—dat zij de Javanen, wier bescherming hun is opgedragen, met lafhartigheid, maar vooral ook uit eigen belang, willens en wetens, ten prooi laten aan de knevelarijen en afpersingen hunner hoofden, dat zij hen stelselmatig laten vertrappen en uitzuigen in onzen naam, en gelijk het heet, tot ons voordeel—dat zij valsche rapporten uitbrengen om het moederland van dien ons onteerenden toestand onkundig te laten,—en dat zij den zeldzamen ambtenaar, die zich niet tot hun medeplichtige leenen, maar zijn eed gestand doen, en zijn plicht volbrengen wil, tegenwerken, verdacht maken, vervolgen, ontslaan.

Ontzettende beschuldiging voorwaar! Zoo zij gegrond ware, zoo de schatten, die ons uit onze koloniën, toestroomen, slechts verkregen werden ten koste van het zweet en het bloed onzer Javaansche broeders, dan zouden wij met den schrijver moeten uitroepen, dat Nederland den naam van “roofstaat” verdient, dan zou ons eene wonde zijn ontdekt, waarvan de diepte bijna niet te peilen, de genezing niet genoeg te bespoedigen zou zijn!

Maar is die beschuldiging gegrond?

Als wij dus de vraag herhalen: »is die beschuldiging gegrond?» dan moeten wij antwoorden: »wij durven noch bevestigen noch ontkennen.” Een zeer onbevredigend antwoord voorzeker! Want de zekerheid van het nietbestaan der kwaal zou ons gerust stellen; de zekerheid van haar bestaan zou de genezing mogelijk maken; de onzekerheid alleen doemt tot vrees en tot werkeloosheid.

Waarom zwijgen zij, die de waarheid kennen? Waarom laten zij ons, vier lange maanden in de onzekerheid?

Tweede Kamer der Staten-Generaal! de handhaving van de eer der natie behoort tot uwe roeping. Als zij, die in ’t bezit zijn van de waarheid, voortgaan met hun majestueus stilzwijgen, interpelleer dan den verantwoordelijken man, die door zijn post tot spreken geroepen is. Vraag den Minister van Koloniën, of Neêrlands eer in de O. Indiën met voeten getreden wordt!

Volk van Nederland. Eerlijk volk, christelijk volk! blijft niet onverschillig in deze zaak. Het zijn uwe broeders, die niet tot uw voordeel, maar tot uwe schande, zouden worden vertrapt en uitgezogen in uwen naam. Gij hebt regt om te weten of die aanklagt gegrond of valsch, of uwe eer bevlekt of zuiver is! Gij hebt regt om te eischen, dat er een einde kome aan die onzekerheid, waarin gij wordt gelaten. Het is beter het ergste te hooren, dan niets. Het is geen schande krank te zijn, maar het is schandelijk, om, als men u toeroept: «Gij zijt ziek!» onverschillig te blijven, en zonder naar uw vermeende kwaal onderzoek te doen, in flaauwheid den tijd tot herstel geschikt te laten voorbijgaan. Als het zwijgen der O.-Indische ambtenaren mogt voortduren, als ook uwe Vertegenwoordigers onverschillig mogten blijven, herinnert u dan, dat gij geregeerd wordt door een Koning, die het licht lief heeft, en de duisternis haat.

Dagbladpers van Nederland, ondersteun onze pogingen! Laat niet af, met gelijk wij te vragen om licht, dat ons in plaats van de vraag: «Is Nederland een roofstaat?» den kreet zal kunnen doen uiten: «Nederland is Goddank geen roofstaat!» of wel: «Nederland wil met Gods hulp ophouden een roofstaat te zijn!»

Wat mogt men nu verwachten toen deze laatste, de heer Duymaer van Twist, het woord opnam? Dat hij zich thans van de aanklagt zou zuiveren? Geenszins: zoo iets kon niet te pas komen bij eene discussie over het antwoord op de Troonrede. Doch men had althans mogen verwachten, dat spreker zich onthouden zou van die ons onbegrijpelijke verklaring, dat hij Multatuli nooit weerleggen zal—eene verklaring, die, schoon niet met ronde woorden uitgesproken, evenwel moet worden afgeleid uit sprekers ondubbelzinnige woorden: «ik meen dat uit ’t geen de schrijver van dat boek gelieft te zeggen, voor mij geen verpligting tot verantwoording kan ontstaan.»

Voor zooverre nu een voortdurend stilzwijgen alleen de eer van de beschuldigden in gevaar zou kunnen brengen, is het hunne zaak: wij zijn niet geroepen voor particuliere belangen op te treden. Doch de «Max Havelaar» heeft ook door gansch Nederland ongerustheid en verontwaardiging verwekt. Dit is een feit dat niet kan worden geloochend, en nog daar te boven door den heer van Hoëvell in ’t openbaar is geconstateerd. Uit dit feit nu vloeit onmiddellijk voort, dat ieder Nederlander, die de ongerustheid kan wegnemen, verplicht is om dat te doen. Kan dan één hunner zich van dien pligt ontslaan door de verklaring: «dat uit ’t geen de schrijver van dat boek gelieft te zeggen, voor hem geene verpligting tot verantwoording ontstaan kan?» Wij betwijfelen het.

Vreemdsoortig is ook het argument, waarmede de heer D. v. T. dat stilzwijgen schijnt te willen regtvaardigen. «Ik meen,» zeide hij, «dat ’t geen ik over dat boek zou kunnen zeggen, den schijn van partijdigheid niet zou kunnen ontgaan.»

Dit is eene overdrevene kieschheid. Waar het verdediging geldt, kan het verwijt van partijdigheid niet treffen. Een advokaat b.v. kan in zijn pleidooien nooit den schijn van partijdigheid ontgaan; hij is partijdig reeds daarom, omdat hij voor eene bepaalde partij optreedt. Is hij daarom verpligt of zelfs gerechtigd een deftig stilzwijgen te bewaren?

Eindelijk nog iets over de redevoering van den heer Myer. Het doel van dezen spreker was, gelijk hij zeide, niet om de aangeklaagden te verdedigen (’t geen hij en teregt, aan hen zelven overliet). Van dit programma week hij niet af, toen hij een feit mededeelde, waaruit blijken moest en ook werkelijk blijkt, dat er soms in Oost-Indië regt wordt gedaan en het onregt gestraft. Want dit feit, hoe waar ook, verzwakt in geenen deele de aanklagt van Multatuli. Dat er SOMS regt geschiedt, is nog geen reden om over het voorkomende onregt heen te stappen. Op dit gebied wordt geen compensatie toegestaan. In de 18de eeuw zijn er in Frankrijk misschien duizende rechtvaardige vonnissen geveld; toch zal dit de verontwaardiging over den gerechtelijken moord van Jean Calas niet verminderen? Zoo het bleek, dat Multatuli’s klacht gegrond was, dan zou alleen de mogelijkheid, dat er zulke schreeuwende onregtvaardigheden kunnen gebeuren, (’t zij dan stelselmatig of niet) reeds eene onverwijlde hervorming in het O.-Indisch bestuur noodzakelijk maken. En als de heer Myer, toegevende dat er in Oost-Indiën misbruiken bestaan, beweert, dat die in alle Oostersche Staten worden aangetroffen, dan antwoorden wij dat het dan hoog tijd is, om eens te beproeven of er ook een Oostersch volk zonder onregt kan geregeerd worden, en dat in elk geval Nederland geen deel wil hebben aan schatten ten koste van het regt verkregen.

Maar wèl week de heer Myer van zijn programma af, toen hij deze woorden uitsprak: »ik kan begrijpen dat een werk in eenen zoo schoonen, wegslependen stijl en met zooveel talent geschreven, op vele onkundigen en ligtgeloovigen, of bij dezulken die gaarne aannemen wat ten nadeele van het bestuur in N.-Indië gezegd wordt, een ongunstigen indruk heeft gemaakt.” Dit is eene Seitenhieb op «Max Havelaar» dien wij betreuren, want de schrijver—al dwaalt hij welligt ook in zijne voorstellingen—behoort toch ongetwijfeld tot die weinige mannen, die aan het algemeen belang boven het eigenbelang de voorkeur gevende, voor eene in hunne oogen goede zaak, hunne carrière hebben opgeofferd en den haat der grooten hebben getrotseerd. Het is ook een aanval op ons, en op allen die met ons uit den «Max Havelaar» stof tot ongerustheid hebben geput; wij ongerusten moeten volgens die voorstelling òf dom òf slecht zijn. Wij achten ons niet verplicht de insinuatie te weerleggen.

Integendeel, wij nemen ze aan. Wij zullen doen als de Geuzen en den scheldnaam aangrijpen! Welaan dan! Wij behooren tot die turbe van onkundigen en ligtgeloovigen! Wij zijn verleid, verblind!... Maar geeft ons dan tegengift, gij, oud-ambtenaren, die dat tegengift bewaart! Of zult gij onmenschelijk genoeg zijn spottende uit te roepen: zij zijn vergiftigd en ons dan het tegengift weigeren? Wij zijn dom, onkundig, lichtgeloovig, al wat gij maar wilt? Zult gij dan nog voortgaan ons uw licht te onthouden?...

Helaas, helaas, niemand antwoordt! Als ik eens aan den Koning schreef? Dit dééd ik ... tweemalen reeds! Hy heeft niet geantwoord. En Multatuli zond hem z’n boek over de veilingen! Zou de Koning ’t gelezen hebben? Zeker!

Dan immers had hy gezegd: IK WIL WETEN OF DIT ALLES WAAR IS! Ja, dan zou hy me geroepen hebben, en ik had hem getoond: DAT ALLES WAAR IS!

Ik ben bedroefd dat ik u niets kan zenden, Tine! Tracht nog wat uit te houden ... misschien antwoordt de minister. Leidt de kinderen wat af, als ze vragen ... o god!

Ik ben moe.

VAN TINE AAN FANCY.

Fancy ... ik smeek u ... kom hem te-hulp! ...

AAN TINE.

Ik heb u in lang niet geschreven, omdat ik ... omdat ik ... ik weet het niet. Ik geloof dat ik niet wèl ben. ’t Zal wel overgaan. Houd u maar goed, myn kind. Vraag aan dien man van ’t huis waarin Multatuli dat boek schreef. Hy zal u wel wat eten geven voor de kinderen,..

VAN TINE AAN FANCY.

Fancy!

VAN TINE.

Beste Max! Wees maar opgeruimd, alles gaat heel goed. De kinderen zyn volmaakt wèl, àl te vrolyk eigenlyk, al te dartel! Zy zien wat bleek ... maar dat komt van ’t wisselen. Zy eten als wolven. Wees gerust, Max. Ook ik ben wèl, héél wel, en goed gestemd ... we wandelen veel ... o, ge moest het zien ... zoo levenslustig!

VAN TINE AAN FANCY.

Fancy ... om-godswil ... Fancy!

AAN TINE.

Zóó! Dán is ’t goed. Ik dacht dat ge in grooten nood waart. Dit is zoo niet, zegt ge, dan is alles goed! Wat my betreft, ik word nog geplaagd door dien droom over leegte ... zonderling! Ik drink te veel koffi misschien. Nog gedurig kryg ik zotte brieven...

Ik heb ’n bezoek gehad van dien domine. Hy heeft een paar uur by me gezeten. Hy wilde dat ik zyn geloof aannam. ’t Was zoo jammer, zeid-i dat ik geen Christen was, overigens was ik zoo’n goed mensch. Dan is ’t veranderen de moeite niet waard, dacht ik. Maar ’n paar dagen later schreef hy, dat-i zooveel kwaads van me gehoord had, en dat ik verdoemd was. In-godsnaam.

Ik kan u niets zenden, lieve Tine! ’t Doet me innig genoegen dat uw brief zoo vrolyk is, en dat de kinderen wèl zyn. Dat beurt me wat op. Ik was ’n beetje moe. Maar ik wilde toch dat ik u wat zenden kon, want me dunkt ... hoe maakt ge ’t toch?

Ik wou zoo graag dat ik ’n ambacht verstond ... maar ’t moest iets wezen, waarby weinig of niets te denken viel. ’t Denken wilde ik graag voor óns houden. Vindt ge ook niet? Ik zou wel boekbinder willen wezen ... neen, tòch niet, dat is te verleidelyk. Maar steenzagen zou wel gaan, als ik daartoe sterk genoeg was. Ik vrees neen, want ik ben wat uitgeput. We zouden van zoo’n ambacht wel kunnen leven, dunkt me, als we maar geen schulden hadden. Maar ze zouden my de zaag afnemen ... neen, de wet waarborgt ieder het bezit van de gereedschappen, die noodig zyn voor z’n bedryf. Ook van de kleêrtjes die de kinderen aanhebben ... om de decentie, denk ik. Dat is toch lief van de wet.

Maar al liet men my de zaag, ik kan daarmee niet genoeg verdienen om onze schulden te betalen. En als ik klaag, antwoorden ze: schryf!

O, aan U schryven,.. dit is wat anders! Wilt ge dat ik wat schryf aan U? Wilt ge dat ik U iets vertel ... sprookjes, geschiedenissen ... heel graag, Tine! Ik zal gauw wat voor u maken, maar vertel ze niet aan kleinen Max. Hy begrypt ze niet ... evenmin als groote menschen, al heeft hy dan by ’t niet begrypen geen belang.

Notes in this chapter

Note 1 · De dochters van myn man hebben bekend ........ 18Note 2 · Ik ben liberaal, en tegen alle protektie in den handel. Aan de wonderen geloof ik niet, maar de zedeleer van den bybel is mooi. En als ge deNote 3 · VAN EEN TANTE.20Note 4 · VAN EEN ANDERE TANTE.21Note 5 · VAN EEN ANDERE TANTE.22Note 6 · Ik merk uit uw laatsten brief23 dat ge weer geen geld hebt. Dit is zeer verdrietig. Wilt ge dat ik schryf voor geld? Hoe moet ik dat doen? INote 7 · »In zyn laatste jaren verwyderde Hertog Reinald II zich van zyne gemalinne, die den meesten tyd te Rozendaal doorbracht, welk huis door haarNote 8 · “O, godzalige Nederlanders, m’n Engelsch hart is verliefd op uw GESCHIKTHEID26. Waarmee zal ik u vergelyken? Hoe zal ik lucht geven aan de bNote 9 · Het lydt geen twyfel dat de welvaart van Nederland voor ’n zeer groot gedeelte afhankelyk is van de voordeelen die wy genieten uit Indie. ZeNote 10 · Ik heb om te schryven négligé noodig, zoo-als Buffon z’n lubben van echte kant. Hy wist zeer goed wat hy zei, met dat: (“le style c’est toutNote 11 · Dierbare broeder in Christus! Ja, ge zyt my dierbaar, al sluit ge uw oor ................30Note 12 · VAN EEN ANDER MEISJE.31Note 13 · Broeder! Uit innig gevoel des harten voel ik me gedrongen, u te verzoeken, my toetestaan persoonlyk kennis met u te maken. Ik ben van plan, Note 14 · VAN EEN ANDEREN DOMINE.33Note 15 · Er is nu ’n nieuwe Gouverneur-generaal benoemd.34 Hy wordt geprezen of gelaakt, al naar men behoort tot de party van behoud of van oppositieNote 16 · Ach, ik herinner me dat ook de laatstvoorgaande Gouverneur-generaal, die zich nu bezighoudt met rusten, byzonder geprezen werd! Ik heb neigiNote 17 · Als Nederlander, als mensch, valt het moeilijk het te gelooven. Doch aan den anderen kant (en wij beroepen ons hier op allen, die den »Max HNote 18 · Oud-Gouverneurs-Generaal, Oud-Residenten, Oud-Assistent-Residenten, gij allen die door Multatuli zijt beschuldigd, breekt het stilzwijgen afNote 19 · Ga vrijmoedig tot hem, en zeg aan den Keizer van Insulinde: «Sire, laat een onderzoek instellen! Geef ons licht! Als Multatuli een valsch aaNote 20 · In die merkwaardige zitting der Tweede Kamer, waarin onze volksvertegenwoordigers zoo treffend hebben getoond hunne roeping te begrijpen, waNote 21 · De aanleiding daartoe werd gegeven door de HH. van Hoëvell en Myer. Eerstgenoemde constateerde het door ons reeds aangewezen feit «DAT DOOR Note 22 · Ook na de verklaring van den heer Duymaer v. Twist, blijven wij dus volharden bij ons vroeger ontwikkeld gevoelen, dat de aangeklaagden het Note 23 · Misschien hecht men weinig aan ons oordeel, en blijft ons vernieuwd verzoek om licht, nog door geen ander dagblad ondersteund, zonder uitwer
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings