← Table of contents
Minnebrieven; Over Vrijen-Arbeid in Nederlandsch Indië; Indrukken van den dag

Derde Sprookje.

Reading edition

Komt mee, komt mee, daar wordt ’n man gekruist,

Daar is wat schoons te zien op Golgotha!

Werpt beitel neer en spade, o burgerluî,

En roept uw dochters en uw knapen van hun spel.

En laat uw werk, uw werk maar, voor van-daag!

Werpt hamer, troffel, schaaf en weefspoel neer!

Komt allen mee ... daar is wat fraais te zien!

Komt allen mee ... hoerah voor Golgotha!

Hoerah, hoerah voor Golgotha!

—Dat zal, by God, wat schoons zyn deze keer!

Hij schynt nog jong, en heeft iets in z’n blik

Dat taaiheid aanduidt ... zie, daar zygt hy neer:

Hy schynt toch zwak te wezen! ’t Kruis is zwaar...

Ik hoor: het is van ’t allerbeste hout! Men zegt,

(Maar Nathan, of het waar is weet ik niet!)

Ze zeggen dat hyzelf het heeft geleverd,

Toen hy als timmerman nog aan de schaafbank stond...

Want, buurman, vóór hy, ’k weet niet wàt, misdeed,

Ja, òf hy iets misdeed zelfs Nathan, weet ik niet...

Maar vóór hy deed wat men hem euvel nam,

Was hy een timmerman als wy.

—Hoe heet die man?

Of wel, zijn vader was hanootzri. Hy lykt zwak

Voor zulk ’n ambacht, maar z’n werk was goed...

Hy struikelt weer ... (Op-zy wat, Jöchaz!

Ei, laat my ook wat zien ... ge dringt me weg,

Of ’t heele schouwspel waar voor u alleen! Hy zweet:

Ik zeide u wel dat hy niet sterk was, Nathan.

Maar toch geloof ik dat hy taai is, en ons niet

Bedriegen zal, als laatst die and’re dief

Die pas ’n half uur had gehangen, toen z’n hoofd

Op-zy knikte ... en ’t was uit! Hy sprak geen enkel woord

Dat ons beloonde voor de moeite. Waart ge er by?

(Houd kleine Mirjam wat omhoog, Jochébed!)

Zeg waart ge er by, o Nathan ben Daöud,

Toen ons die dief bestal voor zooveel moeite om-niet?

—Ik had dien dag een splinter in myn voet,

En dus geen lust in uitgaan of vermaak,

Maar ’k heb gehoord ...

—Ik was er by, vriend Nathan!

Ik droeg m’n opperkleed van groene zyde,

En had m’n tulband op van kashmirstof

Omdat die koel is ... zie, hy struikelt weer,

Maar staat weer op. Wat zeide ik ook het laatst?

—De dief die u bedroog ...

—Ik weet al. Nu dien dag

Was ’t warm als heden ... neen, zoo warm was ’t niet:

Want ... vindt ge ’t niet ontzettend heet van daag

De zon brandt me op den schedel. ’t Rouwt my wel

Dat ik m’n tulband niet verruild heb voor myn Kashmir,

Die licht van kleur en koeler is ... dat doet de haast:

Ik gunde my geen tijd—daar valt-i weer—

Ik heb er spyt van ... Golgotha is vèr!

Zoo’n donk’re zuigt de warmte broeiend in,

En dáárom heb ik spyt dat Golgotha zoo vèr is...

Wat zeide ik ook het laatst?

—Die slechte dief..

—Ik bèn er! Uren liep ik mee, en hygde als nu...

(Vervloekte hitte ... dringt zoo niet, Jöchaz!)

Ik was vermoeid vóór halfweg ... en de dief

(Let wel hoe schand’lijk die man ons bedroog)

Liep met z’n kruis, als waar ’t ’n palmtak, voort!

Hy zweette niet, en is niet eens gestruikeld ...

Maar toen-i hing, was ’t daad’lijk met hem uit!

En deze—zie, hy struikelt weer—en deze

Is niet zoo zwaar van bouw, zoo forsch van leest...

Hy schynt wel teer van spieren ... doch zyn blik

Toont dat-i veel geleden heeft en droeg.

Maar dat-i langen tyd nog lyden kàn!

’k Ben zeker dat hy spreken zal aan ’t kruis,

En dit is juist het aardigst van de zaak!

De kinderen gaan, om dát te hooren, mee...

Die andere dief was dood, vóór nog m’n vrouw,

Die trager liep—omdat ze zwanger was, dien tyd,

Van Mirjam—(houd het schaapje omhoog, Jochébed!)

Die dief was doód, vóór zy daar aankwam, Nathan!

En ieder zeide dat het schande was!

(Geef Mirjam my, Jochébed! Hier m’n kind,

Hu ... huup ... op vaders schouder! Kunje zien?

Sla ’t kleine handje zóó ... om vaders hals,

En houdje vast!) Wat zeide ik ook het laatst?

—Die and’re dief ...

—Ik weet al! Heel de buurt

Was op de been gekomen, om dien man te zien.

Daar waren met ons, Ruben, Ephraïm,

Baëna met de kind’ren, Hiddal ben Elia,

De dochters van Urias, Schmoel de wisselaar ...

(Ik zie hem juist, hy werpt den man met drek)

Hy is ’t, die laatst verjaagd werd uit den tempel,

Omdat hy schacherde in Jehovah’s huis...

—Wie jaagde ’m weg?

—Ze zeggen zekere Ischa...

Jeshoeah, zoon van Joszof, uit ’n groot

Geslacht, die met ’n zweep hem voortjoeg als ’n hond,

En ’t goud- en zilverkraampje omver smeet, dat de munt

Links, rechts wegspringend, neertikte op den grond

En rollend wegstoof onder ’t volk ...

—Wie gaf hem recht

Tot zulk ’n groot gezag?

—Dit weet ik, Nathan, niet,

Maar ’t is niet goed te schachren in Jehovah’s huis!

Myn Ephraïm ... maar, Nathan ben Daöud,

Ik zeg ’t u in vertrouwen, en ik hoop...

(Daar werpt weer Schmoel den kruisman met z’n drek)

Wat zeide ik ook het laatst?

—Ge spraakt van Ephraïm,

En van de wiss’laars in den tempel...

—Juist!

Ik zeg ’t u in vertrouwen, en ik hoop

Dat ge my niet verraden zult! M’n zoon

Die ’t aanzag, wyl hy juist ’n handel sloot,

Heeft, ylings bukkend, als om hulp te biên

In ’t zoeken—maar verklap me niet, ben Daud!—

Hy heeft met scherp gezicht en vlugge hand..,

In ’t kort, z’n handel was gezegend op dien dag:

Hy kwam met dertig zilverlingen t’huis!

Geloof me, Nathan, die ben Joszof had gelyk ...

’t Is ongeoorloofd dus Jehovah’s tempel

Te ontwyden met ’n goud- en zilverkraam:

jeshoeäh ben Joszof had groot gelyk!

’t Is dáárom ook dat Ephraïm, m’n zoon,

Hem altyd zoekt en naloopt ... of hy weer

Ter zuivring uitgaat van Gods tempel, met ’n zweep,

Maar sinds een week heeft hy hem niet gezien ...

(Daar werpt die Schmoel den kruisman weer met drek)

—Die and’re dief ...

—Ja, juist! Wy allen gingen mee, de heele buurt ...

En toen-i hing, was ’t daadlyk uit, ben Daud!

Och kleine, druk zoo zwaar niet aan m’n hals!)

’t Is warm—hy struikelt weer—hy schynt vermoeid ...

Ik zeg u, dit beteekent niets, vriend Nathan

Ge weet, hoe ’t hout dat maklyk buigt, niet breekt,

En hoe het harde knakt, by ’t minste buigen:

Zóó ook die man ... ik zeg u, hy is taai!

—Eilieve, zie ... die vrouw!... Zou dat z’n vrouw zyn?

De vrouw die schreiend volgt, en neergebukt,

Als-of zyzelve ’t kruis droeg op haar schouder!

Zy steekt de magre hand gedurig uit,

Als wilde zy den kruisman schragen ... Is ’t zyn vrouw?

—Dit weet ik waarlyk niet ... ze schynt my te oud.

En bovendien ... ik zie geen kindren! Neen,

Dat is gewis z’n moeder ... zie, ze waggelt!

Ik heb zoo vaak zoo’n kruisweg meegemaakt,

(De kind’ren zyn er dol op, de arme schapen!

En altyd opgemerkt, dat wie ’n vrouw heeft

En kind’ren, die naar ’t kruis hem weenend volgen,

(Wees rustig, Mirjam: vader is vermoeid!)

Zoo taai niet is als deze, Nathan ben Daöud!

Ik zeg u nog-eens: deze man is taai:

Een vader zou zoo taai niet wezen, Nathan!

Hy is wat moe van ’t gaan, maar als-i hangt,

Is dit terstond voorby! Vriend Nathan, help me ’t kind

Eens overzetten, op dien andren schouder ... zóó!

Het drukt zoo op-den-duur, al schynt het licht in ’t eerst!

(Zit stil, m’n kind!) Ja, deze is wat vermoeid,

Misschien wat zwak ook door het bloedverlies,

(Schuif niet zoo heen-en-weer, m’n kind: dat doet me pyn!)

Men zegt dat-i gegeeseld is ... Ziet ge zyn rug?

Tracht heentekyken over ’t volk, vriend Nathan!

—Ik heb Jöchaz voor my ...

—Kunt gy ’t zien, Jöchaz?

—Ik zie alleen den top en d’ arm van ’t kruis

Dat slingrend voortschuift als-i waggelt, maar verdwynt

Zoodra hy neerzwikt ... zie, daar valt het weer,

En ryst nu langzaam weer omhoog!

—Dat zie ikzelf

Zoo goed als gy dat ziet, Jöchaz! Maar ik wensch

Te weten of z’n rug ... zoo’n kind is vreeselyk zwaar!

Wees niet zoo woelig, kleine: uw vader is vermoeid ...

Kunt gy z’n rug zien, kind, zyn naakten rug?

Den rug des mans, die ginds dat kruis draagt, kind,

En die door Schmoel geworpen wordt met drek?

Ik houd u hoog ... zie goed ... maar zie wat snel,

Omdat ik moe ben, Mirjam! Nu?

—Die rug is rood ...

Ge hoort het, ben Daöud ... dàt maakt hem zwak!

Men heeft hem eerst gegeeseld, dat maakt zwàk!

Maar ’t gaat wel òver, als-i hangt. Hij zal

Gewis zoo gauw niet knikken met het hoofd ...

(Zit stil, myn kind, ge drukt me ontzettend zwaar!)

Ik zeg u, Nathan, deze man is taai!

’t Is jammer dat ik niet myn Kashmir heb ...

(Zit rustig kind, of vader zet u neer:

Ik ben vermoed!) En ieder zei, ben Daöud:

Het was ’n schande ... dáádlyk was het uit!

Maar deze zal zoo gauw niet sterven aan het kruis,

Hy zal gewis wat spreken voor-i knikt!

Dat praten dan de kindren jub’lend na,

En maken grappig spel van wat-i zeide,

En spelen kruisman, weken naderhand!

Dit beurt wat op, in dezen slechten tyd!

Maar als-i zwygt aan ’t kruis, is ’t niet de moeite waard

Zoo vèr te gaan—het is zoo vreeslyk heet,

Als ’t weer gebeurt, zet ik m’n Kashmir op!—

Ik zeg u dat-i taai is, ben Daöud!

Hy valt weer ... dit is niets! Wacht tot-i hangt,

(Zit stil, Mirjam!) dan zult ge zien en hooren ...

Neem ’t kind terug, Jochébed: ik ben moe ...

Maar houd het schaapje omhoog ...

Komt mee, komt mee, daar is wat schoons te zien!

Komt allen mee ... daar wordt ’n man gekruist!

Wat hy misdeed? ’k Weet niet wat hy misdeet ...

Er zyn er zelfs die zeggen dat-i wèl deed ...

Maar dit ’s om ’t even! Werpt uw grootboek neer,

Vergeet uw koffi en uw suiker, burgerlui ...

Uw beurs, uw oefning, en uw monsters van tabak,

Uw winkel van gestolen kruinierswaren,

Uw Evangelie en uw batig saldo!

Laat liggen voor ’n wyl uw handel en moraal,

Theologie ... moderne, antieke ... ’t heele zoodje!

Neem uit de kast uw deftigst opperkleed,

Bedast uw hals met allerwitst batist,

En laat uw werk, uw werk maar, voor van-daag,

En roept uw knapen en uw dochters van hun spel ...

Komt mee, komt mee, daar wordt ’n man gekruist!

Daar is wat schoons te zien op Golgotha!

Ik zeg u dat-i taai is, die daar gaat ...

Hy zal zoo gauw niet knikken met zyn hoofd ...

Hy zal, by God, aan ’t kruis niet zwygend sterven!

En voor uw kinderen zal ’t de moeite waard zyn

Te hooren—en het nàtepraten—wat-i zegt!

Beloof hun vry een vroolijk kruismansspel,

Dat beurt wat óp in deze slechte tyden!

Ik zeg u dat-i taai is, deze man,

Dat hy u niet bedriegen zal, als laatst

Die andre dief, die daadlyk knikte met het hoofd,

En toen was ’t uit! Maar deze man is taai,

Al schynt hy zwak van bouw. Het is hem aantezien

Dat hy veel droeg, maar kracht heeft méér te dragen,

Dat hy veel leed, maar lang nog lyden kàn!

Hij spreekt reeds ... luister: “Eli Sabactani!”

Hy roept Elias ... kindren, bauwt hem na,

En sart hem, dat hy nòg wat zegge aan ’t kruis,

En krabt met lange nagels in z’n wonden ...

Of beter, werpt hem—als vriend Schmoel—met drek:

Licht slikt hy walging minder goed dan pyn!

Hu ... huup ... omhoog uw kindren! Dat ze ’t zien.

En dat ze ’t hooren, hoe de kruisman spreekt,

Om stof te garen voor hun kruismansspel ...

Komt allen mee! Hoerah voor Golgotha!

Hoerah, Hoerah voor Golgotha!

Komt mee, komt mee, daar wordt een man gekruist:

Roept Ruben hier, en Nathan ben Daöud ...

Klaas Jakob, Nafthali, Albertus! Eliézer ...

De dames en de heeren uit de buurt,

Verwanten, neven, nichten, broeders, en de rest,

Behouders, Liberalen, mannen van de beurs,

En van de balie of den kansel! Kontraktanten

En Vry-arbeiders, oppozitie en ministers,

De leden van de Tweede-Kamer in den Haag,

En wie er rusten kan, na slecht regeeren,

En wie geen tyd had om z’n plicht te doen,

Maar licht nu tyd heeft voor ’n grappig schouwspel,

Roept Mozes, Issaschar en ’t heele Willemspark,

Piet, Paul, Ezéchiel ... roept al wat naam heeft,

Roept wat gedoopt is, of besneden, mee!

Roept al wat juicht: “ik dank u voor myn braafheid!”

Roept al wat kermt: “wees my genadig, Heer!”

Roept wat verdoemd is, en wat deel heeft aan genade,

Wat loopen, zien en hooren kan (al is ’t wat heet!)

Jezuiten—protestantsche en katholieke—

Van de orde of niet van de orde, Vrye-metselaren,

Die over ’t goede, schoone woorden spreekt,

Maar u onthoudt van stryden tegen ’t kwaad!

Gy die u kind’ren noemt der weduw, maar uw hand

Niet uitstrekt om het kruis te dragen van haar zoon!

Roep al wat bidt of schachert in den tempel,

Al wat er wacht op Nabi Issah’s zweep!

Al wat met scherpen blik en vlugge handen

Hem nasluipt—of soms te grissen viel

Van ’t geld, dat rollend wegstuift onder ’t volk—

En later meepraat over stelsels en principes!

Roept al wat vet werd van gestolen spys,

Al wat er pocht op linzen-eerstgeboorte,

Al wat ’n gouden kalf in ’t wapen draagt,

Al wat er knaagt aan Insulindsche knoken,

Al wat er zuigt aan de Insulindsche koe,

Al wat er hangt aan d’afgestroopten tepel,

Al wat er zwelt van ’t afgezogen bloed!

Komt allen mee ... Jochébed met de kleine ...

(En houdt vooral het schaapje omhoog, Jochébed!)

Roept Janszoon, Pieterszoon, ben Levi, ben Daöud ...

Ben ... dìt, BEN ... dàt, BEN ... ieder!

Roept ook Schmoel ...

Ja, Schmoel vooral, en Judas Judaszoon!

Komt allen mee, komt mee naar Golgotha!

Bij God ... daar is vandaag wat schoons te zien!

Komt allen mee, daar wordt ’n man gekruist!

Komt mee, komt mee ... Hoerah voor Golgotha!

Hoerah, Hoerah voor Golgotha!

Ik ben wat moe, myn beste Tine.

VAN TINE AAN FANCY.

Fancy ... om-godswil ... Fancy !

AAN TINE.

Lieve Tine! Dat ik u in-lang niet schreef, was omdat ik u niets kon zenden. Ik ben niet wèl, en heb ’n vreemd gevoel van leegte, alsof ik me iets herinnerde, maar vatten kan ik ’t niet! Kunt gy me helpen? Ook heb ik pyn in ’t hart. Zou ’t ’n anevrisme wezen? Neen, dit kan niet. Zoo’n kwaal heeft ieder tegenwoordig, en ik zal toch geen ziekte krygen als ’n ander.

Die minister antwoordt niet. Ze kunnen my niet gebruiken, denk ik. ’t Schynt dat men prokureur of griffier moet geweest zyn. Ik zal nog drie dagen wachten op dat antwoord van den minister, en dan ... ja dan weet ik waarlyk niet wat ik doen moet! Ik weet niets, begryp niets! Wat is er toch met ons gebeurd, dat we zoo in moeielykheid verkeeren? Hoor eens, lieve ... als ge volstrekt geen raad meer weet, tracht dan naar den Haag te komen ... al is ’t te-voet en bedelend. Ieder zal u zeker wat geven, als ge zegt dat het is om dáár te sterven met de kinderen. Ik ben er op gesteld dat we dáár sterven. Maar SAMEN, lieve Tine! Ik heb volstrekt geen moed meer om te leven, en te handelen. Moed om te ondergaan en te sterven wèl. Ik ben moe! Kunt ge ’t nog drie dagen uithouden?

Nog geen antwoord van den minister ...

VAN TINE AAN FANCY.

Fancy!!

AAN TINE.

O god, wat is dat vreemd ... ik droom altyd dien droom. Daar dwaalt my iets voor ’t oog ... een meisje, een schim, ’n spook ... Ik reikhals vruchteloos ... ze ontwykt me, en zweeft omhoog ... en lost zich op in niets! M’n hart is leeg, o god!

Ik ben vermoeid.

VAN TINE AAN FANCY.

FANCY!!!

VAN FANCY AAN TINE.

Ik zweef in de buurt van Aldebaran, waar men geen brieven schryft aan Kiezers en Ministers; à bon entendeur salut! Ik ben van te goede familie om saemtewonen met iedereen. Als-i-zich betert, kom ik terug. Intusschen zal ik helpen door hem iemand te zenden. Vrees niet ... wacht tot nieuw-maan!

AAN TINE.

Beste Tine! Ik heb gister ’n genoegelyken avend gehad, en voel me veel beter. Voor ’n dag of drie zat ik te pruilen—heb ik u geschreven dat ik pyn in ’t hart voel?—ik zat te pruilen, en werd aangesproken door ’n artist. O, waren ’t artisten alleen, maar ieder spreekt my aan, en dit is heel vervelend. Gy weet dat ik een hekel heb aan “ieder”. “M’nheer, is uwe Max Havelaar?” Ik ben er misselyk van! Lieve Tine, zoodra we geld hebben om te verhuizen, wou ik op Marken of Urk gaan wonen. Vindt ge dit goed?

’t Is wel zonderling dat ieder zich bemoeit met m’n zaken, maar dat niemand ’n hand uitsteekt om me recht te verschaffen. Daarby is my iets in den zin gekomen over publieke executien. Ik bedoel ’t aangapen. In de vonnissen staat: die man moet hangen ... goed! Neen, eigenlyk niet goed ... men moest nooit iemand ophangen. Dooh hoe dit zy, er staat niet in de vonnissen: die man moet, vóór ’t hangen, bekeken worden door Publiek. Dáártegenover zal ik my opponeeren, zoodra ik lid ben van die Kamer in den Haag. Straks zal ik m’n brief aan de Kiezers afmaken. Ik voel me wat beter.

Die man sprak me aan, en stelde voor naar Ristori te gaan.

Ik zei natuurlyk dat ik geen geld had. Daar hyzelf niet ryk was, bood hy aan m’n plaats te betalen, en dit vond ik goed. Gister avond haalde hy me af. Z’n meisje ging ook mee ... en daar zaten we!

Ristori speelde heerlyk mooi in een heerlyk stuk, dat wel leelyk wezen moest, want het was voor haar gemaakt als ’t byschrift naar ’n prentje. ’t Stuk is onwaar, de grootste fout die ik ken ... ja, de eenige fout in alles! Ge weet dat ik hiermee geen party trek voor ’n plat réalisme. Laat anderen dit maar denken. Ik heb geen lust nu een verhandeling te houden over waarheid in poëzie en kunst. Lees ’t maar na—’t ligt by dien roman in m’n koffer, by Fancy—maar ge weet dit alles wel, zonder dat ge ’t naleest.

Maar zie, de heele Ristori met haar maakstuk boezemde my niet zooveel belang in, als de verloofde van dien artist. Ze had iets dat me byzonder aantrok—ik geloof dat ze geleden heef—en bovendien ze vraagde heel hartelyk naar u. Dat nam me zoo in, dat ik aanhoudend op haar lette. Ze kende u uit dat boek over de koffi, en zei dat ze hoopte haren echtgenoot te wezen, wat gy voor my zyt. Ik wenschte dit niet, omdat daartoe veel ellende noodig is, die ’k haar liever spaarde, maar wel komt my voor, dat ze zich inderdaad flink-houden zou in tegenspoed. Daarby had ze iets kalms, iets rustigs, dat ook my kalmer maakte. Ik dacht aan Saul, en David’s harp. Doch ... Saul was gek. En ik? Zeker zou wat muziek ook my goeddoen ... maar geen orkest! Jammer dat muziek zoo duur is. Gaat ge veel naar ’t park? Hier wordt alleen gespeeld voor geld ... als alles hier.

Ik had grooten lust hoftemaken aan dat meisje, omdat ik iets leegs voel, maar die artist zal er tegen zyn, en zyzelf ook, denk ik. Ik heb haar niets byzonders hooren zeggen, maar ik voelde dat ze “hart” had, wat zoo vaak ontbreekt, en dit deed my goed. Ze heeft me verzocht u te groeten, en te zeggen dat ze u heel lief vindt, waarin ze groot gelyk heeft.

Ik kryg voortdurend allerlei brieven. Ik kan ze u niet alle zenden—’t is te duur—maar ’t wordt een kurieuse verzameling. Ooms en tantes die me uitschelden ... stiefmoeders: idem ... vaders: idem! Er schynt ergens ’n uitgever te zyn, die zich in ’t hoofd gehaald heeft dat ik “Minnebrieven” schryf, en die by hem laat uitgeven. Ik zal hem wat muziek aanraden. Maar sedert ’n paar dagen is er ’n nieuwe variëteit opgekomen in de familie van onbegrepen brieven. ’t Schynt dat Publiek nu gaat vertellen dat ik schatryk ben, en ieder vraagt me om—ge raadt het nooit!—ieder vraagt me om ... geld!

Geld ... neen, neen, ge begrypt het niet! ’t Is niet geld dat ik schuldig ben, o neen! onschuldig geld! Men vraagt me om geld als toen ik ...

O god, o god, Tine, waar is de tyd toen ieder ons vraagde om hulp, en toen wy ieder hielpen? O, dat is hard! Dat moest ik kunnen vergeten! Kunt ge ’t u nog voorstellen? Is ’t niet als ’n droom? Wat was ieder rijk, toen wy nog niet zoo arm waren! ’t Verlies van die weelde drukt me toch zwaarder dan ’t gemis vàn muziek.

Allerlei brieven om geld! Een arme kraamvrouw ... een verongelukte brik met nagelaten zwangere vrouwen ... een brand ... een dreigend bankroet ... een dykbreuk ... lust en roeping om ’n negotie te beginnen in aardappelen ... dood van ’n “kostwinner”—zóó noemen ze hier ’n echtgenoot en vader, Tine!—beenbreukige schildersknechts die van een stelling vielen ... Dat komt er van ... wat doen ze er op!

Ik moet weer m’n kamer uit: ik word weggeschilderd! Zeker zult ge ’t krabben hooren in ’t vervolg van m’n brief aan de Kiezers. Kan ik het helpen?

Allerlei brieven, ja ... behalve van den Minister die niet schryft.

Allerlei brieven om hulp! En weet ge wat zy zeggen? “Och, als ge geen geld hebt, schryf dan maar wat ... zet u even voor uw lessenaar ...

Als-of ik ’n lessenaar hàd. Tine! O, wat is dat wreed!

Hoe moet ik dat noemen van Publiek? Is dat ironie, is dat sarkasme, is dat hoon, of is dat ... domheid? Ik zou ’t laatste gelooven, maar kan dat toch niet over-eenbrengen met z’n wyze van doen in eigen zaken. Dáárin is hy zoo dom niet!

Ik schryven voor aardappelnegotie, of verongelukte brikken ... ik? Myn god, zyn wyzelf niet verongelukt ... zyn wyzelf niet verlegen om crediet voor wat aardappelen? Ik begryp er niets van.

En, let wel, als ik het deed, als ik schreef voor geld, om wat leniging te geven in den nood van anderen, zou diezelfde Publiek nog aanmerking maken op myn geschryf. Hy zou zich ’n oordeel aanmatigen, waarachtig!

En wat nòg erger is—ja dit is het ergst!—hy zou me gaan nàschryven! Dit idée benauwt me. Herinnert ge u dien man te Menado, die altyd den tienden van de maand, ’n denkbeeld voor den dag bracht, dat ik had uitgeslikt op den negenden? Zoo’n man was in-staat my van m’n denkbeelden af te brengen! Wat zagen die er gek uit, als hy ze aankleedde! En Tine, dàt zou Publiek ook doen, als ik schreef. Terstond zoudt ge overal grofheid ontwaren voor rondheid, platheid voor eenvoud, bombast voor poëzie, brutaliteit voor oprechtheid, razerny voor fantazie, naaktheid voor négligé, gekunsteldheid voor Kunst, kunst voor Natuur, en al zoo voort.

Goed schryven kan Publiek nooit, omdat-i geen ziel heeft, en niet leed, wat hetzelfde is. Ook ontbreekt hem de verwaandheid ... waarlijk, verwaand is-i niet! Daartoe is hy te bevreesd dat men hem aan ’t woord houden zou, als-i voorgaf wat te kunnen, te kennen, te weten, of te willen. Orgueil oblige. Hy teekent nooit zoo’n obligatie van den hoogmoed, uit vrees voor den vervaldag.

Ja, hy zou me nàschryven! ’t Ware om alle schoolmeesters dol te maken, en Siegenbeek te doen weeklagen—met één é—uit z’n graf! Weldra zou men “schildwacht” mannelyk maken, “kus” en “weemoed” vrouwelyk, en meer zulke dingen, die ik doe als me dat zoo in ’t hoofd komt ... omdat ik tuchteloos ben, goddank!

Ja, ze zouden dien heelen mannelyken en vrouwelyken winkel, die tot niets dient—aan ’n kant doen—en dit doe ik voortaan om te luisteren: hoe men goed spreekt, in-plaats van te zien: hoe men goed schryft, en dit zou geen bezwaar hebben, als we dan niet waren overgeleverd aan ooren ... ik stem voor Siegenbeek!

Heb ik u al gezegd dat ik weer bezig ben met Sanskrit? ’t Is heel aardig nategaan hoe we aan onze taal gekomen zyn. Ik heb veel vermaak in zoo’n studie die me wat afleidt, en dit heb ik noodig omdat ik moe ben. Bovendien, zoodra ik er wat meer van weet, wil ik my eens ernstig bemoeien met ons Hollandsch. ’t Is verdrietig te zien hoe de menschen alles bederven! Godsdienst—de wezenlijke, ditmaal, wordt theologie. Het Recht wordt “de rechten.” En de taal wordt in ’n kinderpakje gestoken voor ’t plezier van de schoolmeestery. Ik zal daaraan ’n eind maken, zoo-als aan meer wat me verveelt. Die dingen zullen toch niet steviger zyn dan Babylon, en ’t korset van Juffrouw Lannoy!

Nu keer ik terug tot m’n brief aan de Kiezers:

Ik heb getracht u te herinneren aan de waarde die gy in uw eigen belang, aan de Indische bezittingen behoort te hechten. Ik had u liever toegesproken in den naam der menschelykheid en rechtvaardigheid, maar omdat gylieden voor ’t meerendeel menschen van “zaken” zyt, vrees ik te zeer dat gy my zoudt aanzien voor ’n ideoloog, voor ’n onpraktisch mensch, voor iemand die geen verstand heeft van ’t “eene noodige.”

Ook heb ik u gewezen op de noodzakelykheid dat gylieden daarginder vrienden hebt, of althans dat die zwarten u niet volstrekt vyandig gezind zyn, en wel om te voorkomen, dat zy òf uit eigen beweging weigeren langer koffi en suiker voorttebrengen voor U, òf dat ze gemeene zaak maken met anderen, die zeer gaarne die koffi en suiker zouden laten planten voor zichzelf. Ik kan u verzekeren dat, noch in Engeland, noch in Frankryk, iemand zich verzetten zou tegen ’t ontschepen in de havens dier landen, van de ladingen die thans in Amsterdam en Rotterdam worden aangevoerd.

Ik wensch nu met u te berekenen, of de manier waarop die Oosterlingen door uw lasthebbers worden geregeerd, geschikt is tot het aankweeken van de vriendschappelyke gezindheid die gy behoeft, om u in die gewesten staande te houden, om daarna—ingeval uit ons onderzoek mocht blyken dat dit doel niet bereikt wordt—overtegaan tot het beschouwen van de middelen die u ten-dienste staan, tot het aanbrengen van verbetering in wat u minder goed voorkomt. Maar ... ik stuit alweer op de eenvoudigheid van m’n taak.

De Javaan wordt mishandeld! ik wenschte dat dit ware tegengesproken, of wel dat het onwaar was! In dit geval toch, zou ik, beter dan nu, kans zien u te overtuigen, want ik heb opgemerkt dat niets zeldzamer is, dan ’t achtslaan op bekende zaken. Het gaat hiermee als met de Christelyke liefde. Ieder kent het voorschrift: “heb uw naaste lief,” enz. maar juist omdat het zoo banaal is geworden, schynt het opvolgen moeielyk te wezen, en men zou elken “naaste” die in vollen ernst zich op die uitspraak beriep, aanzien voor ’n dwaas. Zoo vrees ik nu ook, dat ge my niet zult gelooven—of althans dat ge niet zult handelen naar dit geloof—wanneer ik u zeg wat ieder toestemt: dat de Javaan mishandeld wordt.

Ik wil echter niet den schyn op my laden, alsof ik door het voorstellen dezer waarheid als ’n erkende zaak, my trachtte aftemaken van ’t bewys, en daarom zal ik u ’n paar bewyzen daarvan geven, schoon ’t my ’n verdrietig werk is. Want, Kiezers, we moesten vèrder zyn dan dat!

Na al de redeneeringen immers, die ge hebt kunnen aanhooren over de wyze hoe er verbetering moet worden gebracht in den toestand van ’t Nederlandsch Bestuur in Indië, is het wel eenigszins vervelend nu nog in ’t breede te betoogen: dat die toestand inderdaad verbetering behoeft. Vergunt my echter niet alle bewyzen hier aantehalen. Ik schryf ’n brief, en geen boekdeelen.

Eerste bewys dat de Javaan mishandeld wordt.

Toen ik magistraat was van Amboina en onderhoorigheden, bemerkte ik spoedig te-doen te hebben met ’n bevolking, die—overigens zeer veel goede eigenschappen bezittende—vry twistziek was. Jazelfs, er bleek me dat velen twist maakten òm te twisten, en dat ze ’t in afgelegen dorpen beschouwden als iets eervols: “met ’n zaak voor de Heeren geweest te zyn.” De oorzaken van deze twisten waren meestal zeer nietig, en ’t zou u zeker vermaken, wanneer ik den tyd nam, daarvan ’n paar staaltjes meetedeelen. Maar vermaken is m’n doel niet. Schelden speelde gewoonlyk ’n groote rol by de politie-gedingen der Amboineezen. Anders begrypen ze elkaar niet. Ze zyn Christenen en vloeken meestal in ’t hollandsch, even als de Javanen op de hoofdplaatsen, die hoezeer nog niet bestraald door het licht van ’t Evangelie, toch meer dan de domme binnenlanders, in aanraking kwamen met uw land- en geloofsgenooten.

Hoe dit zy, de halfwekelyksche politie-rol was altyd voor drie-vierdedeel opgevuld met hhal makki-makki, d. i. scheld-zaken.

—M’nheer, Jozef heeft gezegd dat ik ’n hond ben.

Ik hoorde met ’t zelfde geduld dat ge moest opmerken in dezen brief, o Kiezers, de twaalf of twintig getuigen aan, die inderdaad Jozef hadden hooren betuigen dat Abraham—of ezechiel—’n hond was. De Ambonsche Christenen dragen voor ’t meerendeel bybelsche namen.

—Wèl Jozef, heb jy gezegd dat abraham—of ezechiel—’n hond was?

—Ja, m’nheer de Assistent-Resident. Maar abraham—of ezechiel—heeft gezegd dat ik ’n zwyn was.

En dan hoorde ik weer met gelyk geduld de getuigen aan, die in gemoede verklaarden te hebben gehoord hoe abraham—of ezechiel—jozef had uitgemaakt voor ’n zwyn.

Myn vonnis? Heel eenvoudig:

—Gy beiden hebt volkomen gelyk, o Jozef en abraham—of Ezechiel—gaat nu maar welgemoed naar huis!

En dan vraagden ze gewoonlyk ’n briefje, om in hun dorp te kunnen laten zien dat ze “voor de heeren” waren geweest, en dat ze van-weerszy in hun recht waren.

Ziet-hier myn briefje, o Vry-arbeiders en Kultuurstelselaars... gy beiden hebt volkomen gelyk! Gaat nu welgemoed naar huis als Jozef en Abraham ... of Ezechiel.

Tweede bewys dat de Javaan mishandeld wordt.

De arbeid van den Javaan zou, wat de hoofdzaak betreft, kunnen worden verdeeld in de volgende klassen:

1) Arbeid als heeredienst ten-behoeve der eigenaars van partikuliere landeryen.

2) Arbeid als heeredienst ten-behoeve van Inlandsche hoofden en beambten.

3) Arbeid ten-behoeve van kontraktanten, d.i. van zoodanige personen, als door de edelmoedige Regeering beschonken zyn met het recht, om te beschikken over zóóveel bouws grond, met de werkkracht van zóóveel omliggende dorpen.

4) Arbeid ten-behoeve van partikulieren die aan eigen middelen zyn overgelaten, en zonder bescherming van de Regeering, overeenkomsten sluiten met den Inlander. Dit is de veel besproken vrye arbeid.

5) Arbeid ten-behoeve van het Gouvernement: kultuurstelsel.

6) Arbeid ten-eigen-behoeve. Hiertoe ontbreekt meestal de tyd, en dan komt er hongersnood.

Al deze soorten van arbeid werpen voordeel af, doch alleen de laatste klasse van bezigheid zou den Javaan zelf te-stade komen. De vyf eerstgenoemde kategoriën baten:

aan de landeigenaars,

aan de inlandsche hoofden,

aan de europesche beambten,

aan de kontraktanten,

aan de particuliere ondernemers,

aan het Nederlandsch-Indisch Gouvernement, dat is ten slotte:

aan Nederland.

Hoe-meer nu de Javaan werkt, hoe-meer winst voor die personen, voor die Regeering, voor die natie.

De Javaan gehoorzaamt z’n Hoofden. Deze Hoofden hebben behoefte aan weelde en praal. Wie ’n hoofd te vriend heeft, kan diens ondergeschikte bevolking uitmergelen zooveel hy wil. Wie zoo’n hoofd betaalt—omkoopt!—kan zéker zyn, tiendubbel schadeloos gesteld te worden...

Welnu, Kiezers, gy die menschenkennis hebt, gy die te verstandig zyt om iets aan te nemen op gezag, gy die zoo op leugens gesteld zyt... ’t zal u zeker aangenaam verrassen, wanneer ik hier ’n leugen zeg, die ’k byzonder aanbeveel in uw hoogstverontwaardigd ongeloof:

Al die Landeigenaars zyn braaf. Al die Inlandsche Hoofden, edel. Al die Europesche Beambten, intègre. Al die Kontraktanten grootmoedig. Al die Partikulieren onbaatzuchtig. Dat Indisch Gouvernement is van hoogen zielenadel... en ’t schuld-afdoend Nederland bouwt spoorwegen van ’t batig saldo!

Derde bewys dat de Javaan mishandeld wordt.

Kiezers, ge hebt het boek over de veilingen gelezen. De schryver zegt daarin, dat de vertelling van Saïdjah onwaar is. Hy had die vertelling niet moeten doen, en ik hoop dat hy niet weer in zoo’n fout moge vervallen! Hy vertelt namelyk zóó, dat ge u genoopt voelt hem te benoemen tot uw lyfdichter... wat die arme Dimanche niet wezen wou. Er is spraak van heel iets anders dan van vertellingen om te vermaken, o Kiezers! De schryver zegt daar:

“Ik heb stukken vóór my liggen... doch neen! Liever ’n bekentenis:

“Ja! een bekentenis, lezer! Ik weet niet of Saïdjah Adinda liefhad. Niet of hy naar Badoer ging. Niet of hy in de Lampongs werd vermoord met Nederlandsche bajonetten. Ik weet niet of z’n vader bezweek ten-gevolge van de rottingslagen die hem werden gegeven, omdat hy Badoer had verlaten zonder pas. Ik weet niet of Adinda de manen telde door kerven in haar rystblok...

Dit alles weet ik niet.

Maar ik weet meer dan dit alles. Ik weet, en kan bewyzen, dat er vele Adinda’s waren en vele Saïdjah’s, en dat, wat verdichtsel is in het byzonder, waarheid wordt in het algemeen. Ik zeide reeds dat ik de namen kan opgeven van personen die, als de ouders van Saïdjah en Adinda, door onderdrukking werden verdreven uit hun land. Het is m’n doel niet, in dit werk mededeelingen te geven als voegen zouden voor ’n vierschaar, die uitspraak te doen had over de wyze waarop het Nederlandsch gezag in Indie wordt uitgeoefend—mededeelingen die slechts kracht van bewys zouden hebben, voor wie het geduld had die door te lezen, zoo-als niet verwacht kan worden van ’n publiek dat verstrooiing zoekt in z’n lectuur. Daarom heb ik, in-plaats van dorre namen van personen en plaatsen, met de dagteekening er by, in-plaats van ’n afschrift DER LIJST VAN DIEFSTALLEN EN AFPERSINGEN, DIE VOOR ME LIGT, getracht een schets te geven van wat er kàn omgaan in de harten der arme lieden, die men berooft van wat dienen moet tot onderhoud van hun leven. Of zelfs, ik heb dit slechts laten gissen, vreezende me te zeer te bedriegen in het teekenen der omtrekken van aandoeningen die ik nooit ondervond.

Maar wat de hoofdzaak aangaat? O! dat ik opgeroepen werd om te staven wat ik schreef! O, dat men zeide: “gy hebt dien Saïdjah verdicht... hy zong nooit dat lied... er woonde geen Adinda in Badoer!” Maar dat het gezegd werd met de macht en den wil om recht te doen, zoodra ik zou bewezen hebben geen lasteraar te zyn!»

“O, dat ik opgeroepen werde om te staven!” Kiezers, Nederlanders, Christenen, heeft het uw aandacht niet getroffen dat die schryver niet is opgeroepen om te staven wat hy schreef? Was ’t niet de moeite waard te onderzoeken of die Multatuli ’n lasteraar is? Hadt ge niet aanspraak op zekerheid daaromtrent? Is ’t u niet in het oog gevallen dat uw regeerders—Liberalen of Behouders, om ’t even!—dat ze zwegen als betrapte dieven? Neemt ge daarmede genoegen Kiezers? Is ’t u onverschillig welk antwoord er moet gegeven worden op de door de Tielsche Courant zoo bondig gestelde vraag: of Nederland een roofstaat is?”

Was ’t u niet de moeite waard, aantedringen op dat antwoord? Of waart ge bevreesd voor dat antwoord?

Uitzuigen, plunderen, rooven, moorden ... o, dat is niets voor de nederlandsche gewetens! Maar ’t verleenen van ’n kykjen in de boeken, aan een vreemdeling ... de onjuiste en onvolledige boeking van de heele zwendelary ... ja, dàt zou ’n gruwel wezen! Er is niet meer noodig dan dit, o Volk van Nederland om de manier te kenschetsen waarop ge u laat vertegenwoordigen, ’t gehalte van uw moraal, en de specifieke zwaarte uwer goddienery!

Maar eilieve, schaamt u dan over ’t gedurig voorwenden dat ge uw “broederen” daar-ginder wilt beschaven en veredelen terwyl ge toelaat dat ze door uw lasthebbers op de infaamste wyze worden mishandeld!

Maar schaamt u dan toch over den godsdienst welken ge dien “broederen” wilt opdringen als de eenig-ware, en die tenslotte schynt neertekomen op verfoeielyk eigenbelang!

Maar schaamt u dan over ’t vonnissen van ’n dief of moordenaar, in naam des konings, zoolang de zeepassen der schepen die uw gestolen kruidenierswaren overvoeren, insgelyks worden afgegeven in naam van dienzelfden koning!

Die Multatuli deed verkeerd, u de waarheid te geven met wat omkleedsel. Ge hebt den zang van Saïdjah op muziek gezet, en uw dochters vermoorden met veel gevoel dien armen drommel op de piano ... ziehier ’n nieuwen tekst dien ik in uw muzikale inspiratie aanbeveel. Doch vooraf nog deze opmerking: ge hebt op de geschiedenis van dien Saïdjah—als don Juan aan Dimanche—geantwoord: “wat praat ge aardig, vertel nog eens wat,” en dus de ware of geveinsde ingenomenheid met Dimanche’s voordracht gebruikt als voorwendsel, om voorbytezien wat die vertelling van Saïdjah eigenlyk beduidt. Maar ge kunt voortaan niet loochenen te weten, wat voor den landbouwenden Javaan een buffel is! Gy kunt u niet verschuilen achter onbekendheid met de beteekenis van wat er nu volgt! Ge kunt niet langer zeggen als prototype Droogstoppel: “Wat gaan my die zwarten aan, met hun buffels! Ik heb nog nooit ’n buffel gehad, en toch ben ik tevreden! Ziehier:

LIJST DER IN DE MAAND FEBRUARI 1856 AAN DE BEVOLKING VAN ÉÉN DISTRIKT AFGENOMEN BUFFELS, TOEN MAX HAVELAAR ADSISTENT-RESIDENT WAS VAN DE AFDEELING LEBAK, EN TERWYL DE HEER DUYMAER VAN TWIST, ONDER DE REGEERING VAN WILLEM DEN DERDE, NAMENS DE NEDERLANDSCHE NATIE DE ZOOGENAAMDE NEÊRLANDSCHE-INDISCHE BEZITTINGEN BESTUURDE.

Is ’t u genoeg, Kiezers!

Ziet ge wel, hoe verkeerd ge deedt, dien Multatuli te benoemen tot schrijver, daar de geheele imposante eentonigheid der Saïdjah-vertelling, niets is dan ’n plagiaat, kopie slechts van de treurige werkelijkheid!

Eén buffel! Eén buffel!

Eén buffel! Ja! Maar in ’t geheel: zes-en-dertig buffels! ’t Is zoo véél niet, meent ge?

Eilieve: in één maand! Is ’t u niet genoeg, Kiezers!

Zes-en-dertig buffels in één maand! ’t Is zoo veel niet, meent ge?

Eilieve andermaal: in één distrikt! Is ’t u niet genoeg, Kiezers?

Zes-en-dertig buffels in één maand, in één distrikt! ’t Is zoo véél niet, meent ge?

Vyfmaal zes-en-dertig is honderd-en-tachtig! Is ’t u genoeg Kiezers?

Honderd-tachtig buffels, afgenomen aan de bevolking van de afdeeling Lebak in één maand tyds! ’t Is zoo véél niet, meent ge?

Eilieve tot vervelens toe: er zyn twaalf maanden in een jaar ... vermenigvuldigt, zeg ik u!

Twaalf maal honderd-tachtig maakt ruim tweeduizend! Is ’t u genoeg, Kiezers?

Ruim tweeduizend buffels, afgenomen aan de bevolking van de afdeeling Lebak, in één jaar! ’t Is zoo véél niet, meent ge?

Eilieve, byna voor ’t laatst: De residentie Bantam heeft vyf afdeelingen ... vermenigvuldigt, zeg ik u!

Vijfmaal tweeduizend buffels, is tienduizend buffels! Is ’t u genoeg, Kiezers?

Tienduizend buffels, in één jaar afgenomen aan de bevolking der residentie Bantam! ’t Is zoo véél niet, meent ge? ...

Vier-en-twintigmaal tienduizend buffels, maakt tweehonderd-veertigduizend buffels! Is ’t u genoeg, Kiezers!

Tweehonderd-en-veertigduizend buffels, in één jaar afgenomen van de Javasche bevolking! ’t Is zoo véél niet, meent ge? ...

Eilieve, voor ’t allerlaatst: Java is maar ’n klein deel van Insulinde. Het is moeielyk met juistheid te zeggen hoe klein, maar we mogen aannemen dat de Javasche bevolking in-verhouding tot die van Insulinde, staat als omtrent één tot drie. Daar echter de welvaart elders geringer is, en er in de andere gedeelten van uwe bezittingen—noemt ge ’t zoo niet?—niet zóóveel als op Java gestolen worden kan, stel ik u vóór, ditmaal maar te vermenigvuldigen met twee: vermenigvuldigt, zeg ik u!

Tweemaal tweehonderdveertig-duizend buffels, maakt vierhonderdtachtig-duizend buffels! Is ’t u genoeg, Kiezers?

Vierhonderd-tachtig-duizend buffels, in één jaar afgenomen aan de zoogenaamd Nederlandsch-Indische bevolking! ’t Is zoo véél niet, meent ge?

Eilieve, voor de werkelyk laatste maal: Zoo’n Gouverneur-Generaal blyft daar in den regel vyf jaren ... vermenigvuldigt, zeg ik!

Vyfmaal vierhonderd-tachtig-duizend buffels, maakt byna twee-en-een-half millioen buffels!

Twee-en-een-half millioen buffels, in vyf jaar afgenomen aan de Indische bevolking, onder de Regeering van één Gouverneur-Generaal die z’n plicht niet doet! ’t Is zoo véél niet, meent ge?

Eilieve, nu waarlyk voor de allerlaatste maal: Een buffel kost van vyftien tot dertig gulden. Stel twintig gulden... vermenigvuldigt, zeg ik u!

Twintig maal twee-en-een-half millioen, maakt vyftig millioen.

Vyftig-millioen guldens geldswaarde aan buffels die aan de Indische bevolking werden afgenomen onder de regeering van éen Gouverneur-Generaal, die z’n plicht niet doet! ’t Is zoo véél niet, meent ge?

Eilieve, en dit nu waarachtig voor de allerlaatste maal: Het afnemen van buffels aan de bevolking is het ergste niet! Heeredienst, onbetaalde arbeid, onbetaalde levering van allerlei zaken, bedraagt in geldswaarde méer, véél meer, twintigmaal meer o Kiezers! Vermenigvuldigt, zeg ik u!

Twintigmaal vyftigmillioen maakt Duizendmillioen.

Is ’t genoeg Kiezers?

Is u dit nu eindelyk genoeg, o Kiezers van Nederland?

Mocht het nóg niet genoeg wezen, dan stel ik u vóor, nogeens te vermenigvuldigen met het verhoudingscyfer tusschen de afpersingen die vermeld staan in myn zeer zakelyke, lokale en personele opgave van Parang Koedjang—den grondslag onzer berekening—en het getal van de rooveryen die niet ter myner kennis kwamen, omdat de klagers werden vermoord, en in de rivier gesmeten, op weg naar myn huis!

En tot dien grondslag keer ik nu terug om aan den betrokkene te vragen: welke fouten ik gemaakt heb in myn berekening!

Eén buffel ... één buffel ... één buffel!

Eén buffel, Excellentie! Eén buffel, man van welverdiende rust! Eén buffel, man van “kunde, trouw en yver!” Eén buffel, oud-prokureur of oude prokureur! Eén buffel, geachte spreker! Eén buffel, rechtzinnig Christen! Eén buffel, man van liberalisme en vryen-arbeid! Eén buffel, man van ’t wreede en domme kuisheidsbeluit! Eén buffel, man van ’t rystleverings-kontrakt op Banka! Eén buffel, man van de moorden op Banjermassing! Eén buffel, man van de lafhartige bedelcirculaire voor de slachtoffers van zeeroof! Eén buffel, hoort ge? Eén buffel ... één buffel!

Maar dit kàn ik, dit zàl ik, dit doe ik by dezen: ik gelast en dwing ieder die u ziet, ieder die u hoort... te mompelen in zichzelf:

Eén buffel!

En ik veroordeel U, tot bewustzyn dat men ’t mompelt! Ja, ik gelast u het nàtezeggen in uw binnenste. Beweer dat ge niet gehoorzaamt, als ge durft!

Eén buffel, één buffel!

“Ja, éen! ’t Spyt me dat aan sommige bevoorrechten twée buffels zyn afgenomen.

Eén buffel! ... waarschynlyk de laatste!

Twee buffels ... ’t is minder treffend!

Waar men twee buffels afneemt te-gelyk, wàren nog twee buffels te nemen, en met wat verbeeldingskracht zou men zich kunnen voorstellen dat er nòg meer waren ... dat er nog ’n buffel overschoot?

Neen: éen buffel! Zoo moet het wezen!

Ik stel u voor, o deugdzame Kiezers, iemand naar den Haag aftevaardigen, die ’t ministerie uitnoodigt de Javasche Hoofden te gelasten nooit twee buffels te-gelyk aftenemen aan dezelfde persoon, omdat dit—uit ’n letterkundig oogpunt—die indrukwekkende monotonie breekt, van alle tegenwoordige en toekomende Saïdjah-histories.

Vervloekt alweer, dat ge zoo hard van gehoor zyt, dat ik spot noodig heb om verstaan te worden! Ik hoop dat ge nu eindelyk begrypt, o Kiezers, waarom ik niet gediend ben met het brevet van mooischryver dat ge my uitreikt. Is er styl, is er poëzie, is er geest in de lyst van gestolen buffels? Is die lyst niet nuchter als vóór-beurstyd? Riekt hy minder naar “zaken” dan uw lysten van kaveling? Dan uw notitien van verkoop?

Zoudt ge ’t prettig vinden, wanneer ik aan elken diefstal—aan elken officieelen diefstal namelyk: van onbeambte dieven spreken we hier niet—als ik aan elken diefstal een vertelling vastknoopte? Als ik by elken nieuwen buffel, nieuwe wanhoop uitvond? Als ik nieuwe ellende borduurde op ’t kanevas van elke nieuwe misdaad? Als ik nieuwe liefde en nieuwe vertwyfeling schiep by elk nieuw plichtverzuim? Maar, Kiezers, dit doet gy immers ook niet in uw staten, opgaven, nota’s, en hoe ’t verder heeten moog ...

“No. zóó! Zóóveel pakken, zóóveel balen, zóóveel vaten ...”

Waarom gelooft ge my niet?

Doch ik vorder geen geloof. Er is ’n zeer eenvoudig middel om te onderzoeken of al de kavelingen gestolen buffels behoorlyk aanwezig zyn op ’t zondenregister van wien ’t aangaat. Vergun my dat ik u het adres opgeef:

Vierde bewys dat de Javaan mishandeld wordt.

Ik wend me tot u, Mr. Albertus Jacobus Duymaer van Twist. Ge hebt gelezen wat ik zoo-even schreef aan de Kiezers. Ge kunt niet NIET lezen, ge kunt niet ignoreeren wat ik schryf. Ik veroordeel u tot kennisname van alles wat ik zal te zeggen hebben aan de Nederlandsche Natie. Ik beveel u naar my te luisteren. Ik beveel u dat met het gezag van den man, die z’n plicht deed tegen-over iemand, die z’n plicht NIET deed.

Ik heb u herhaaldelyk geschreven. Ge wildet niet hooren. Ik heb u tyd gegeven tot bekeering. Ge hebt u niet bekeerd. Het oogenblik is gekomen dat ik u zal aantasten zonder genade. Maar verhef u niet op deze eer. Ze is maar schynbaar. Ik tast u niet aan als persoon. De stryd zou niet gelyk wezen, en door ’t groote rangverschil vér beneden my. Gy namelyk, zyt eenvoudig ’n gepensioneerd beambte, die wat geld overgaerde, daarvan rustig leeft, en in de Kamer meespreekt over Vryen-arbeid. Zoo zyn er velen! Ik ben heel iets anders. Ik ben niet gepensioneerd, gaerde geen geld over, leef niet rustig, spreekt niet over Vryen-arbeid in de Kamer, en ik DEED m’n plicht! ’t Verschil is dus te groot dan dat ik u zou aantasten als persoon.

Maar ge zyt geweest: de man op wiens “KUNDE, YVER EN GOEDE TROUW” de Koning staat-maakte- toen hy u—NAMENS DE NATIE altoos—het bestuur in-handen gaf over Insulinde. Ik kies u tot representant van ’t stelsel van uitzuiging dat Nederland zich omtrent dat land veroorlooft, en ik kies daartoe juist u, omdat gy in zekeren zin—straks zult ge zien in welken zin—hooger staat dan vele anderen, voor wier fouten ik meer sympathie voel, dan voor uw deugden. Ge zyt in het bezit eener soort van zondeloosachtigheid die me verveelt, die me walgt, en die meer kwaad heeft berokkend aan Insulinde, dan al de misgrepen van anderen saemgenomen. Ik beschouw u als de type van fatsoenlyk rykgeworden braafheid. ’t Is my onmogelyk aan u te denken, zonder my te verplaatsen in den tempel, waar de één bad: wees my genadig, en de ander... welaan, Mr. van Twist, ik benoem u tot dien ander!

Hebt gy niet ook in de Kamer—“voor-zooveel hoorbaar en verstaanbaar” staat er in de verslagen... eilieve, waarom spreekt ge, als ge niet hoorbaar en verstaanbaar weet te spreken?—hebt ge niet in de Kamerzitting van 25 September 1860 afkeurende aanmerking gemaakt op de betuiging van den minister: dat de toestand van Indië allezins gewenscht was? Hebt ge niet—voor-zooveel verstaanbaar, alweer!—in ’n lange redevoering betoogd—en ik erken: bewezen! dat er onwaarheid was in de betuiging des ministers? en was ’t naïveteit van u, den schyn aantenemen of ge er niet aan dacht, dat al ’t minder gewenschte voor ’n groot deel is te wyten aan UZELF? Aan U, die pas vandaar waart teruggekeerd? Aan U, die zoo-even nog daarginds Natie en Koning representeerde? Aan U, die zoo kort geleden nog, geroepen waart te waken tegen al ’t verkeerde dat ge nu zoo openhartig opsomt? Openhartig? Neen, niet geheel! Ik heb er veel bytedoen, dat ge oversloegt in uwe onverstane redevoering... ja, ’t voornaamste hebt ge achterwege gelaten, zóó zelfs dat het denkbeeld me niet vreemd is, dat uw geheele oprechtheid in de byzaken, ’n krygslist was, om de hoofdzaak wegtegoochelen.

En die hoofdzaak? De Javaan wordt mishandeld! Dàt is de hoofdzaak!

Nu wend ik my weer met de oude tuchteloosheid tot de Kiezers, Mr. A. J. Duymaer van Twist ... maar ge moogt lezen wat ik schryf. Ik zou zelfs zeggen: ik WIL dat ge ’t leest, indien ge ’t niet reeds gelezen hadt. Loochen als ge durft!

Kiezers, vergeeft me den kleinen uitstap naar uw geachten spreker uit Amsterdam, ’n spreker dien ik niet acht, en die niet verstaan wordt àls hy spreekt, waaraan men niets verliest.

Het opschrift van dit gedeelte myner toespraak aan ulieden, heet: vierde bewys dat de Javaan mishandeld wordt. Ik heb u een vraag te doen. Neemt ge ’t als ’n bewys voor deze stelling aan, wanneer ik u overtuig dat de wyze waarop ik handelde te Lebak, met juistheid wordt voorgesteld in dat boek over de Koffi? Ik spreek nu niet van Saïdjah-vertellingen, of minneliedjes... ik spreek met menschen van zaken over zaken.

Welnu, nadat ik te Lebak vruchteloos by uw tegenwoordigen geachten spreker uit de hoofdstad had aangedrongen op recht..... nadat ik met opoffering van bestaan en toekomst, m’n ontslag had gevraagd, wyl ik het onrecht niet dienen wou... nadat er op de meest volledige wyze was gebleken dat er voor m’n ondergeschikten geen voordeel of bescherming was te wachten van my, maar integendeel haat en vervolging te vreezen van de Slymeringen die aan ’t bestuur bleven onder de hooge bescherming van uwen geachten spreker uit de hoofdstad... nà dit alles schreef ik aan den kontroleur der afdeeling Lebak, aan den man die me dagelyks had gadegeslagen, die door lang verblyf beter nog dan ik weten kon wat daar omging, die op ’t punt stond het bestuur dier Afdeeling van my over te nemen... aan dien man schreef ik den volgenden brief. Kiezers, ge behoeft nu niet meer te vragen: is het wáár wat Multatuli schryft? Er is nu antwoord op de flink gestelde vraag van ’t kleine Tielsche courantje, dat—byna alléén onder velen!—begrepen heeft, hoe hier geen spraak behoorde te zyn van ’n boek, van schryverstalent, van romanlezery, maar van ’t recht der Natie op kennis van de waarheid!

Rangkas Betoeng, 29 Maart 1856.

Ik heb de eer u te verzoeken, en des-noods te gelasten: op uwe eer, uwen eed en uw geweten, in margine te beantwoorden de volgende vragen, zonder omwegen, zonder halfheid, met Ja of Neen.

1º Neen.

1º Heb ik, zoover u bekend is, den Regent van Lebak ooit onvriendelyk, onwellevend of onheusch behandeld?

2º Ja.

2º Heb ik niet integendeel bewyzen gegeven van welwillendheid, byv. door hem, als hy om geld verlegen was, en voorschot vraagde op zijn tractement, zulks terstond te geven?

3º Ja.

3º Is ’t u bekend, dat ik zelfs eenmaal, wetende dat hy geen geld in huis had, hem ongevraagd geld heb gezonden?

4º Ja.

5º Was zulks niet kort voor de komst van den Regent van Tjanjor, en heb ik nu niet later gezegd, dat ik daartoe gemoveerd was door de meening dat de Regent zelf dat geld noodig had, wyl hy er zoo op aandrong?

6º Ja.

6º Heb ik niet op den twintigsten Februari, den Regent gevraagd of ik niet iets konde doen, of laten doen, om hem behulpzaam te zyn in de ontvangst van den Regent van Tjanjor?

7º Ja.

7º Heb ik u niet gezegd dat de komst van den Regent van Tjanjor wel eenige reden opleverde om iets door de vingers te zien, want dat ik best begrypen kon, hoe stuitend het voor den ouden Regent was, zoo aftesteken by de vertooning die z’n Neef maakt?

8º Neen.

8º Heb ik ooit, in de vele gesprekken die ik met u had, termen gebruikt, hetzy van minachting, hetzy van kwaadwilligheid omtrent den Regent?

9º Ja.

9º Heb ik u niet integendeel meermalen gezegd dat ik medelyden met hem had, dat hy door de komst des Regents van Tjanjor in zoo moeielyke positie verkeerde, dat hy bovendien zulke slechte voorbeelden had gehad, en dusdanige uitdrukkingen meer, die goedwilligheid te kennen gaven? 10º Ja.

10º Heb ik niet meermalen gezegd, dat de Regent nog beter was dan vele anderen, en dat het me leed zou doen, als juist hy het slachtoffer worden moet van myn wil om kwade praktyken tegentegaan? 11º Ja.

11º Heb ik niet eens, toen ge naar Serang zoudt vertrekken, u uitdrukkelyk verzocht, den Resident het volgende (in substantie) te zeggen: “Dat ik bevreesd was dat hy, hoorende van de misbruiken die hier plaats hadden, meenen zou dat ik onverschillig was, of flauw. Dat ik hem verzocht dit niet van my te denken. Dat ik integendeel zeer veel werk maakte van het tegengaan daarvan, maar dat de Regent in eene zoo moeilyke positie was. Dat ik meende zeemanschap te moeten gebruiken. Dat ik slechts dáárom niet dadelyk officieel rapporteerde, om hem (den Resident) niet als het ware te noodzaken, daaraan terstond te streng gevolg te gaak terstond aan de groote klok te brengen) want dat ik medelyden met den Regent had, en eerst pogen wilde hem met zachtheid tot z’n plicht te brengen?” 12º Ja.

12º Is het u bekend dat ik, toen ik van den Regent inlichtingen wilde hebben omtrent vele misbruiken die me bekend waren, hem ’n dertigtal vraagpunten heb voorgelegd? 13º Ja.

13º Waren die niet alle door myzelf geschreven? 14º Ja.

14º Waren niet die vragen slechts geparafeerd, en was bovendien niet de geheele inrichting daarvan, als het ware in-officieel? 15º Ja.

15º Heb ik u niet later, toen ik genoodzaakt was die vraagpunten met de daarop gegeven antwoorden in uwe handen te stellen, gezegd: “dat ik dit aldus had gedaan, om den Regent niet te doen denken dat ik hem kwaad wilde, en om hem aantesporen tot oprechtheid?”

16º Ja.

16º Is het u bekend dat de antwoorden op die vraagpunten niet door den Regent zelf zyn geschreven, waaruit blykt dat hy minder dan ik vreesde door dat onderzoek gekompromitteerd te worden?

17º Ja.

18º De Pattie heeft al deze vragen met Ja beantwoord, en zelfs ongevraagd gezegd, zulks onder eede te willen bevestigen; hy scheen nog getroffen te zyn door uwe welwillendheid.

18º Ik verzoek u den Pattie te vragen of ik niet by het overgeven dier vraagpunten:

1º heb aangedrongen op oprechtheid,

2º gezegd heb dat de Regent my als vriend kon beschouwen, en dat ik hem zou helpen waar ik kon en mocht.

19º Neen.

19º Hebt ge later—toen ik tot het besluit gekomen was, dat onder’shandsche vermaningen niet baatten—iets bemerkt van publieke onderzoekingen, of van wat het ook zy, dat kompromittant was voor den Regent?

20º Ja.

20º Hebt ge niet integendeel eerst op 26 Februari kennis gekregen van myn brieven, waarin ik den Regent aanklaagde, en wel van den Resident zelf, die de u onbekende brieven voorlas?

21º Ja.

21º Waart ge dien dag niet zeer verwonderd, en gebruiktet ge niet later uitdrukkingen als deze: “Ik wist niet wat er gaande was ... ik begreep er niets van” en dergelyke, alle aanduidende dat myn onderzoekingen en de resultaten daarvan, u onbekend waren gebleven?

22º Ja.

22º Gelooft ge, na uwe opmerkingen omtrent myn handelingen aangaande u of anderen, dat ik lust heb in wèldoen?

23º Ja.

23º Bleek u niet dat ik verheugd was over de armoede der bevolking te Lebak, in dien zin dat ik het als ’n schoone roeping beschouwde, die te doen wyken?

24º Ja.

24º Heb ik niet zelfs meermalen gezegd, dat: “hoe achterlyk ook m’n geldelyke omstandigheden waren, ik ongaarne zoude verplaatst worden, hetzy met bevordering, hetzy naar ’n voordeeliger Afdeeling, want dat ik er zoo’n genoegen in schiep, die arme verdrukte menschen te releveeren?”

25º Ja.

25º Toonde ik niet, in al m’n handelingen, dat ik zulks uit den grond van m’n hart meende?

26º Ja.

26º Bleek u niet, b. v. uit vele kleine arrangementen, dat ik hoopte en wenschte, en trachtte, lang in die arme Afdeeling te blyven?

27º Ja.

27º Heb ik niet zelfs gezegd, dat ik hier wel altyd zoude willen blyven, zonder ooit bevorderd te worden, mits men my toestond om wèl te doen?

28º Ja.

28º Gelooft ge—naar ge my hebt leeren kennen in al m’n handelingen—dat dit oprecht gemeend was?

29º Ja.

29º Heb ik niet by vele gelegenheden gezegd dat ik zoo vele plannen in het hoofd had, ter verbetering van den toestand der bevolking—denk aan heeredienst, aan traktement van inlandsche hoofden, schryfbehoeften, zoutverkoop-pakhuizen, ’n machine om water optevoeren, enz.—doch: dat vóór alles knevelary moest ophouden?

30º Ik verzoek u vriendelijk, mij van het antwoord op deze vraag te verschoonen.

30º Hebt ge den moed, indien hiertoe naar uwe meening moed noodig is, ronduit te antwoorden op de vraag of er knevelary bestaat in Lebak?

Nota by deze vraag. My is het vry onverschillig of gy deze vraag al dan niet beantwoordt, want hoe omzichtig uw rapporten ook waren ingekleed, hebt ge hier-en-daar niet kunnen vermyden, daarop te doelen. Het was dan ook moeielyk die waarheid overal te onderdrukken in schriftelyke opgaven, wanneer ze in gesprekken tusschen ons, als uitgemaakt werd aangenomen.

31º Ja.

31º Erkent ge, my gezegd te hebben: dat ook myn voorganger tegen misbruiken te-velde trok, en dat ge daarop liet volgen: “Als hy langer hier was gebleven ware hij stellig vergeven?”

32º Ja.

32º Erkent ge dat, toen onlangs werd gesproken over vergiftiging, ik u op-eenmaal vraagde: Ah, dat is wáár, ge hebt zusters, waarvoor ge zorgt, is dit ook de reden van uw vrees, van wat ik halfheid noem? en dat ge daarop toestemmend antwoordde?

De bovenstaande antwoorden, die door my zyn geparafeerd, heb ik gegeven in gemoede en naar waarheid. De kontroleur van Lebak, VERBRUGGE.

Ten slotte verzoek ik u nogmaals, de antwoorden eenvoudig in JA of NEEN uit te drukken, en daarbij te bedenken dat, hoe weinig ge ook voortaan met my zult hebben uittestaan, uw geweten niet van verplaatsing of ontslag afhankelyk is.

De adsistent-resident van Lebak, MAX HAVELAAR.”

Is dit voldoende, Kiezers? Zyt ge tevreden?

O, ik heb méér!

Wilt ge, dat ik u aantoon hoe, op de ontvangst van Multatuli’s boek over de koffi, de tegenwoordige Gouverneur-Generaal met spoed naar Lebak is gereisd: “om daar eenige zaken te onderzoeken”—stond er in de Javasche Courant—en hoe dit onderzoek niet geleid heeft tot het zoo gewenschte bewys dat Multatuli ’n lasteraar is?

Zoo’n bewys toch zou iets waard geweest zyn!

Wilt ge dat ik u de houding schets van ’n andere ex-Excellentie, thans: “geacht lid” in de Kamer, natuurlijk, die—voor zooveel hoorbaar en verstaanbaar natuurlyk!—gezegd heeft... “dat hy over dat boek en den schrijver van dat boek wel iets zou kunnen zeggen, maar dat hy zich daarvan onthield uit vrees voor de verdenking van partydigheid?” Ik geloof ’t graag: hy heette van Twist!

Wilt ge, dat ik na dit alles ga betoogen hoe valsch, hoe lafhartig, hoe eerloos men my heeft behandeld?

God-bewaar-me, Kiezers! ’t Zou schynen of ik Publiek erkende als rechter! Dit kàn toch niet!

Neen ... neen over mezelf spreek ik nu niet! Men ga voort my te beschimpen, te beleedigen, te belasteren! Men houde my voor ’n slecht mensch, voor ’n ondier, voor ’n geestverwant zelfs ... en geloove niet ooit die zyde van m’n gemoed te leeren kennen, waar ik de pyltjes opvang die ik—anders treffend!—zal weergeven als de geschikte tyd gekomen is.

Ook over de ellende van den Javaan spreek ik nu niet. Ik weet dat gy van “zaken” houdt: Kiezers! Welnu, ik spreek nu over: “zaken” over niets dan: “zaken”. Ik spreek over duizend millioen! Zyn dat zaken?

Ik heb u aangetoond—maar ik heb meer!—hoe er Duizend millioenen verloren gaan, onder de regeering van één Gouverneur-generaal die z’n plicht niet doet!

Ik heb méér, zeg ik u! Neemt echter voor lief wat ik u heden geef en laat ons nu overgaan tot het laatste gedeelte van m’n brief, waarin ik—heel kort, ik beloof het u—zal nagaan, wat er te doen valt, opdat de Javaan niet langer worde mishandeld, wanneer althans dit onderzoek niet beneden uwe aandacht is ... wat me wel eens zoo toescheen.

DUIZEND MILLIOEN!

Ik weet niet of gy ’t genoeg vindt, o Kiezers, maar ik vind het veel! En ik verzeker u dat de bevolking daar-ginder ’t ook nog-al veel vindt. Er zyn volstrekt geen beginselen van staathuishoudkunde noodig—eerste beginselen, natuurlyk: ’t blyven altyd eerste—om te begrypen dat het voordurend afnemen van die duizend millioenen niet geschikt is om de bevolking van UW Nederlandsch-Indie gunstig te stemmen voor uwe lasthebbers die dat afnemen mogelyk maken, noch voor u, Kiezers, die ’t benoemen van zulke lasthebbers toelaat.

We zyn alzoo genaderd tot de toepassing onzer preek.

Maar laat ons nog eenmaal vaststellen, wat we nu als vastgesteld kunnen aannemen:

Nederland heeft Indie noodig.

Nederland moet dus trachten Indie te behouden.

Daartoe is ’t ’n vereischte, dat de bevolking van Indie dat Nederland ’n goed hart toedrage.

Dit doel wordt niet bereikt, zoolang elke nieuwe Gouverneur-Generaal die bevolking te-staan komt op Duizend millioen schats ... en wat bloed. Maar ’t bloed ga ik voorby, omdat ik begryp met u te moeten spreken over “zaken”.

Het is dus uw belang, te zorgen dat zoo’n Gouverneur-Generaal wat goedkooper wete huis-te-houden met de bezittingen van die bevolking. Dit in de veronderstelling dat ge ’t met my ééns zyt, dat duizend millioen genoeg is ... of te veel! Zoo niet, dan heb ik niets meer te zeggen, en ge kunt de toepassing overslaan.

En die toepassing?

Als ge u eens bemoeidet met uw zaken, o Kiezers?

Als ge eens personen naar de Kamer zondt, die ...

Ik heb ’t u meer gezegd, maar ge hebt er niet op gelet. Misschien omdat ik ’t wat eenvoudig zei en geen vertellingen vastknoopte aan m’n eenvoudigheid.

Ziehier hoe ik ’t eenmaal gezegd heb:

Hart! Ja... Les grandes pensées viennent du coeur!

Kiezers, als men eens trachtte iemand te vinden, die hart heeft?

Als ge eens daaraan de voorkeur gaaft boven de byzondere achtenswaardigheid... die niet spreken kan?

boven de gaven van ’t spreken dergenen, die niets te zeggen hebben, omdat ze niets weten?

boven ’t weten van zoovelen die ’t goede niet willen, omdat het kwade hun voor ’t oogenblik beter te-stade komt?

boven het willen zelfs van de meesten, die niet geboren zyn om hun wil doortedryven?

boven ’t advokatengewawel?

boven die studie van parlementaire vormpjes?

boven de gehechtheid aan ’n party... dat is: aan een der beide cliques, die by afwisseling den Javaan uitzuigen op liberale of behoudende wyze?

boven de aanbeveling van de redaktien der dagbladen, die wèl zouden doen hun pretentie op ’t leiden der publieke opinie te verruilen tegen wat degelykheid, wat kennis, en wat styl?

boven de problematieke bekwaamheden van lieden die niets of weinig geweest zyn?

boven de positieve ònbekwaamheden derzulken die wèl wat geweest zyn, maar nooit iets hadden moeten wezen?

Ziet, Kiezers, hoe zou ’t zyn, als ge in-plaats van dit alles, eens iemand afvaardigde naar den Haag, die in ’t bezit was van wat hart?

Iemand, die in dat hart inspraak, taal en toon vond, om tot de ministers te zeggen:

“ik gedoog niet langer dat ge het Hollandsche volk deelgenoot maakt aan dat geknoei, aan dien perpetueelen broedermoord?”

Iemand, die op de klacht over ’t voorbyzien van parlementaire vormen durfde antwoorden: “dat ook de Javaan vormen kent, die verbieden dat hy zich straffeloos laat villen?” “Dat het evenmin past, in welken zoogenaamd-staatkundigen vorm ook, daarginder gedurig te zaaien, om hier te oogsten... dáár te doen arbeiden, om hier te genieten... dáár te laten lyden, om hier te zwelgen... dáár te moorden, om hier in leven te blyven?”

Iemand, die zoo-iets zou weten te zeggen op ’n toon, die wat ontzag inboezemde aan de kleine mannen van parlementaire vormpjes? Zóó, dat het gehoord werd, en verstaan, en begrepen ook buiten de Kamer?

Iemand, die de ledige hand kan uitstrekken, met de betuiging: “ziet... aan deze hand kleeft het bloed niet!”

Iemand, die de ledige zakken zou kunnen omkeeren, en daarby uitroepen: “ziet... niet hier vindt gy ’t gestolen erfdeel onzer verslagen broeders!”

Iemand, die de vraag durft opperen: MOET NEDERLAND EEN ROOFSTAAT BLIJVEN?

Iemand eindelyk, die wat meer was dan gewezen Gouverneur-Generaal of Minister, of rykgeworden oudgast met ter-juister-tyd geboren principes! Iemand die niet vereerd werd of verheven door ’t innemen eener plaats naast al die “geachte sprekers.” Iemand die de Kamer vereerde door z’n kortstondig lidmaatschap...

Kortstondig... ja! Want, gelooft me, Kiezers... zóó-iemand zou niet heel lang lid willen blyven van uwe glorieryke Vertegenwoordiging, wat men dan ook van zoo-iemand niet vergen mag.

Want vervelend is ’t in uw kamer... dit zult ge toegeven! Zou ’t waar zyn, dat de Keizer van Rusland uw afgevaardigden subsidieert om Europa te doen walgen van den parlementairen regeeringsvorm? Men zegt het. En als ’t waar is, moet men erkennen dat die Keizer behoorlyk bediend wordt voor z’n geld... of neen, ’t helpt niet! Europa komt het niet te weten. Want—en dit is van treurige beteekenis—men geeft zich in Europa de moeite niet, te onderzoeken wat er gesproken wordt door uwe “geachte sprekers” die niet verstaan worden.

Kiezers, ik stel u ernstig voor, u eens te bemoeien met uw zaken.

Daar ge in-den-regel nog al op uw belang let, en wellicht veronderstelt dat ieder aan u in dit opzicht gelyk is, eindig ik met de verzekering: dat ik geen woord tot u heb gesproken in myn belang.

Integendeel!

Myn belang is, dat ge u by voortduring niet bemoeit met uw zaken.

Dat ge ministers, dagbladen, residenten, Gouverneurs, en tutti quanti laat huishouden naar hartelust...

Dat ge Gouverneurs-Generaal naar Indië zendt, die niets geweest zyn, om ’n proef te nemen of ze iets worden kunnen, en wel ter vervanging van anderen, by wie gelyke proef totaal mislukt is...

Myn belang is dat ge voortgaat den Javaan te mishandelen tot hy opstaat....

Myn belang is dat ge u vòlzuigt aan welvaart.... òvervol... méér dan vol... tot ge berst!

En hiermede neem ik voorloopig een allerhartelykst afscheid, in de welgemeende hoop dat ik me nooit zal laten verleiden tot de wanhopige poging om u iets aan het verstand te brengen, waartoe noodig wezen zou... ik groet u!

P.S. Wanneer misschien myn schryven niet naar uw zin is, bedenkt dàn dat ik eigenlyk niet aan U schryf. ’t Is me volkomen onverschillig hoe ge myn geschryf beoordeelt. Spaar u gerust de moeite van dit oordeel. Geloof dat uw afkeuring me byzonder vereert, en dat ik walg van uw lof. De eisch voor my is alleen later aan de Javanen en aan Europa te kunnen toonen dat ik u gewaarschuwd heb. Waarvan ik akte neem by dezen.

AAN TINE.

Vindt ge niet, dat het op ’n preek lykt, lieve? Op een preek met deelen, onderdeelen, halve deelen en bydeelen. ’t Zal zeker algemeen bevallen.

Wat me dat schryven aan de Kiezers zwaar viel! Ik voel zooveel vrees niet begrepen te worden! En toch is ’t eenvoudig. Ja, juist hierom! maar ik heb niets te vertellen dan eenvoudige dingen. Als ik eens ’n systeem maakte? Later, later! Nu ben ik wat moe. Ik heb nog altyd dat zonderlinge gevoel van leegte. Zou ’t van de koffi komen? Of van de maan ... die er niet is, want gister-avond was ’t donker, toen ik wandelde met dien artist en zyn verloofde.

Nog altyd geen antwoord van den minister. Was m’n brief misschien niet goed geschreven? ’t Is wel mogelyk. Alles gaat me zoo slecht van de hand, tegenwoordig. Daar hebt ge dien brief aan de Kiezers... wat een draderig ding! ’t Zal zeker bevallen. Begryp eens: ik ... deelen en onderdeelen! Ik ben niet wèl, dit voel ik aan alles, maar wàt me scheelt, weet ikzelf niet. Ik heb altyd die leegte in ’t hart, alsof me ’n kies was getrokken op die plaats, en dit kan toch niet waar zyn.

En die stortvloed van allerlei brieven houdt aan. En m’n droomen! Dag, beste Tine! Kunt ge ’t nog wat uithouden? De minister zal wel antwoorden ... schryf me hoe het gaat met de kinderen...

VAN TINE.

Alles wèl, Max! De kinderen zyn héél wèl! Ook ik ben héél wèl, Max! Geloof me, alles is héél wel ...

VAN TINE AAN FANCY.

Ik roep u... ik smeek u... ik bezweer u, Fancy, kom hem en my te hulp! Hy bezwykt als ge niet spoedig komt, en zelfs ik, die toch moeder ben, en sterker wezen moest dan ’n man! Fancy ... Fancy!

AAN TINE.

Lieve Tine! Ik ben zeer onwel. Houd u nog wat goed, m’n kind ... ik zal wel beter worden. Houd maar moed, en zeg aan de kinderen ... o God ik ben moe.

VAN TINE.

De kinderen zyn héél wel, Max! En ik ben heel wél ... o héél wel! We zyn opgeruimd en vroolyk ... ge moest eens zien, hoe vroolyk! O, we zyn zoo wel, Max!

VAN TINE AAN FANCY.

Ik roep u ... ik bid u ... ik smeek u: kom!

AAN TINE.

Tine, ik ben boos op u! Ik heb u honderdmaal gezegd, dat ik die wanorde niet wil. Daar ontvang ik allerlei brieven van menschen die me om geld vragen. Ze zeggen dat ik ’t hun schuldig ben! Ge weet ik wil geen schulden hebben! Betaal liever ’n rekening vyfmaal, tienmaal—om ’t even!—dan dat ge my laat manen door kooplui en allerlei volk!

Foei, foei, foei, ’t is schande, dat ge my aan zoo-iets blootstelt door uw slordigheid! Hoort ge, gy, gy, gy stelt me daaraan bloot! ’t Is de schuld van uw slordigheid, dat ik daar brieven kryg, als-of ik ’n onfatsoenlyk mensch was, ’n kwade betaler, ’n bankroetier! Betaal die menschen, en zorg in-godsnaam, dat zoo-iets niet meer gebeurt. Ik verzoek u, winterkleeren te geven aan al de weeskinderen, en zeg dat ze niet hoeven te bidden voor ons, want dat helpt niet, en we hebben geen biddery noodig. Koop wat arme meisjes los, die kronen dragen van modder, en hoerah, hoerah, voor hem, haar Golgotha, van Twist. Fancy...

Fancy ... kent ge Fancy? Lange haren, neen, de stiefmoeder in een verbeterhuis. Wat is er toch! Ik weet het al. Nu weet ik alles. Ze schilderen en schoonmaken! En ze metselen! Bouw maar, bouw maar . . , hoog en nauw ... nauw ... nauwer ... nauwst ... al nauwer, tot het knypt ... met vryen arbeid ... vry vry, vry ... alles vry! Laat dien van Twist maar los ... hy heeft geen lust om te vry-arbeiden met één buffel ... neem hem niets af ... en de schoolmeesters ... tst! tst! tst! ... roep allen mee ... laat hem z’n witten das geven, en ’n blikken ster op de borst ... heet, heet ... och, wilt ge ’t kind overzetten ... op dien anderen schouder ... ’t drukt zoo ... die schouder is rauw ... rood is de rug ... ’t is ’n piet! Ben je de moeder of de vrouw? Waar zyn de kinderen? Zyn de kleertjes al verkocht? Hu, huup ... waar is je tulband? Zingt, kinderen, zingt, uw vader draagt het kruis! Dag Schmoel ... dag, Nathan ... dag Judas! Heb je Fancy gezien? Mee, mee, allen mee ... Jochébed, wil je dien Gouverneur-Generaal wat omhoog houden? Zwaar is hy niet! Geef hem ’n buffel ... één, hoort ge? Laat hem kruismannetje spelen ... ’t arme schaap! Geef hem hier ... kun je zien, vlugge Ephraïm? Heb je nog van je zilverlingen? Bukken, bukken ... gauw ... duizend millioen ... haast je! ... pas op, lief kind, vol yver, kunde en goede trouw! Neem Mirjam terug, Jochébed ... en smyt het neer ... klik, klak ... ’n zweepslag ... zie, daar rolt alles weg onder ’t volk! Hei, hei trap er niet op ... ’t is een vry-arbeider met principes! Duizend millioen zilverlingen voor van Twist! Koop wat vleesch voor de kinderen, en dring zoo niet, Jöchaz! Hoerah! hoerah voor Golgotha en de Hollandsche natie! Hoerah voor één buffel, Excellentie! Eén ... één ... één ... zeg ik u! Eén Excellentie, en één buffel ... zóó moet het wezen ... Hoerah! Ik ben moê!

VAN TINE AAN FANCY.

Fancy ... hy bezwykt! Ik roep u. Ik beveel u: kom hem te-hulp!

Breekt gy aldus de beloften die ge zoo plechtig me deedt, toen ik my aan hem verbond?

Zyt ge als ’n god door de menschen gemaakt, dat ge niet antwoordt aan wie u roepen?

Fancy, in naam der heiligheid van de roeping die ge op u naamt te vervullen, beveel ik: kom hem te-hulp.

VAN FANCY AAN TINE.

Kleinmoedige! Waarover bezwaart gy u? Waarover verwondert gy u? Zaagt ge ooit kiem schieten uit ongespleten korrel? Zaagt ge ooit baren zonder wee?

Wees gerust, ik zal dààr wezen ter-zyner-tyd!

Ik zeg u dat hy taai is, die daar gaat! Hy zal gewis aan ’t kruis niet zwygend sterven ...

Ik zeg u! wees gerust ... het einde is naby!

AAN TINE.

Lieve Tine! Ik ben recht vroolyk! Ge raadt nooit waarom? Ja, lieve, geld kan ik u niet zenden... dáárover is het niet! Ook heeft de minister niet geantwoord. Dáárover is ’t dus ook niet! Neen, maar ik ben den laatsten tyd wat onwel geweest, en Tine, ik geloof zelfs héél onwel. Doch ik voel me nu veel beter, en dit maakt me zoo opgeruimd. Ik kan u niet recht beschryven wat er met my gebeurd is, maar ik heb veel gedroomd en geyld. Ge weet wat Hamlet zei:

There are more things in heaven and on earth, Horatio,

Than are dreamt of in your philosophy...

Welnu, Hamlet had gelyk! Hamlet had gelyk!

In m’n ziekte—want waarachtig, ’t schynt dat ik ziek geweest ben—scheen ’t my dat ik verliefd was. Dit nu is zoo vreemd niet, zult ge zeggen. Maar ’t was ’n zonderlinge liefde... hoor maar! dan eens was ze ’n meisje, dan ’n spook! Dan omhelsde ik haar, zoo-als ik U doe, en dan weer viel er aan geen omhelzen te denken, want ik zag haar niet. Ja zelfs wist ik niet, waar of wie ze was. Dan zat ze ’s avonds by me, en las me wat voor, dan weer kwam ze onder m’n venster spelen op ’n guitaar. Ze sprak Fransch, Hollandsch, Maleisch, Coptisch, Sanskrit, en allerlei talen meer, waarvan ik nu de namen zelfs vergeten heb, maar die ik vlug sprak, en goed verstond. Dan was ’t my, of ze machtig was en sterk... dan weer of ze verdrukt werd, en behoefte had aan myn hulp. En ze vertelde my geschiedenissen ... o! Ik heb niet alles onthouden—ge weet hoe ’t met ylen gaat—maar toch iets, en ik geloof het voornaamste.

Eerst moet ik u zeggen, hoe ik met haar in kennis kwam. Ik heb u de geschiedenis meer verteld, maar ik wist niet dat ze zulke gevolgen hebben zou.

Toen ik tien jaren oud was, wandelde ik op de zoogenaamde Hooge-sluis te Amsterdam. ’t Was op ’n Zaterdag-namiddag. Nog heb ik dat Zaterdagsgevoel: morgen geen school! Kerk ... ja, maar dat duurt kort, schoon ’t altijd lang leek door de verveling.

’t Was zaterdag. Wat al joden op zoo’n dag! En wat ze vroolyk en kleurig gekleed zijn! Nog nu zie ik dat met zooveel genoegen. De joodsche opschik op den Sabbath heeft my altyd meer aangetrokken dan die koude dorre griffermeerdheid. Als ik God was, zou ik ’n profeet zenden met de boodschap dat ik veel hield van lucht, licht, leven, kleuren...en dat ik vermaak schiep in vroolykheid. ’t Denkbeeld is me niet vreemd, dat de joden uitverkoren zyn omdat zy hielden van wat schik. Maar een beetje meer smaak zou niet kwaad wezen. Als ze dat hadden, waren ze misschien uitverkoren gebleven. ’t Is ook wel mogelijk dat ze hun smaak hebben verloren, door ’t lang omzwerven onder de Christenen.

Een joden-jongetje wandelde met z’n zusjes voor my uit. Hy had ’n baretjen op, met schotsruit rand, en scheen recht grootsch daarop. Het waaide sterk en ’t baretje woei af. Och, wat waren die kinderen bedroefd! Publiek riep: ’n pet in ’t water! en vermaakte zich met den angst van ’t jongetje. ’t Was in dien tyd voor Publiek ’n bonne fortune als iemand in nood zat. Hy begreep zeer goed, dat het schotsruit petjen een sabathstooi was, ’n familiestuk, een hoop van ’t huisgezin, een palladium! ’t Was niet: ’n pet, het was: de pet! Nu is er in ’t ongeluk van onze beste vrienden altyd iets dat ons plezier doet. Ga dus eens na, wat ’n vermaak het was voor Publiek, iemand in nood te zien, die geen beste vriend was niet alleen, maar bovendien ’n jongetje van een ander geloof!

Die kinderen wrongen de handen, en Publiek stak de zyne in z’n zakken, zoo diep hy kon.

Een oude metselaar of opperman, met kalkbak en verdere attributen van z’n beroep, zag my aan. Ik voelde dat hy iets zeide en ik verstond hem. Hy antwoordde op de vraag die ik mezelf deed: “Zou ik dat petje niet aan het jongetje kunnen weergeven? ’t Kind is zoo bedroefd ...”

Misschien heb ik ’t antwoord van dien ouden man niet goed begrepen. Misschien was ’t reeds de groote verwaandheid die in m’n binnenste woonde, en me toeriep: “zeker, zeker, gy kunt helpen!” Hoe dit zy, Publiek was niet verwaand. Ik bezorgde dat kind z’n barèt weer, en nog ben ik bly dat ik zoo verwaand geweest ben.

Toen ik weer op de Hooge-sluis stond, zocht ik den metselaar maar vond hem niet. Eene dame glimlachte, en zeide: Zoek niet, ik ben het! En ze noemde my haar naam, dien ik later vergat, maar nu onlangs weervond: Fancy.

—Ik zegen u, zeide zy. Ik geef u thans den wil, later de kracht, en de overwinning in ’t eind!

Dit begreep ik toen niet, omdat ik maar ’n kind was, beste Tine. Als ik haar iets te verzoeken had gehad, zou ik zeker gevraagd hebben: vry van kerk morgen! Anders niet.

Ik vergat de historie nooit, maar wèl werd zy op den achtergrond geschoven door allerlei dingen van schynbaar grooter belang. Meermalen heb ik Fancy weergezien maar altyd anders. Wat nooit veranderde, was haar belofte: “thans de wil, later de kracht, en in ’t eind de overwinning!”

Dit alles weet ge, beste Tine!

Maar zie, onlangs kwam ik in aanraking met ’n jong meisje, dat zich beklaagde over de bekrompenheid van haar omgeving. Ze scheen te lyden. Ge weet, dat ik alles lief heb wat lydt. Daarom zeker heb ik zoovelen liefgehad, en zoovéél! Ze verzocht my haar wat te leeren, en dit stuitte me vreeselyk tegen de borst. Want in den beginne meende ik haar te herkennen als de dame van de Hooge-sluis, en ge begrypt hoe plat ik neerviel in de dagelyksheid van ’n huishouderig meisje, dat ’n examen “leert” voor secondante! Maar aan den anderen kant werd ik aangetrokken door haar verzoek om hulp. Al weet ikzelf dan niet veel, dacht ik, ik kan haar toch wat op den weg helpen, en ik schreef haar allerlei brieven. Wat en hoe ik schreef, weet ik niet meer. Het zal zeker een pedante winkel geweest zyn! Gaande-weg werd ik verliefd, schoon ik haar nooit zag, want ze scheen ’n stiefmoeder te hebben, die gehoord had dat ik zoo’n slecht mensch was, die alle meisjes verleidde en geen goed geloof had. Bovendien zou ik ergens in ’t een of ander Nut, ’n verhandeling gehouden hebben tegen ’t kouzenstoppen. Dit althans schreef my de kleine, maar ik verdenk haar nu van foppery. ’t Was maar ’n voorwendsel om my belang inteboezemen en te beletten dat ik haar opzocht, of by me noodigde. Die kleine domme ondeugende meid moet Fancy geweest zyn! Wat zal ze zich vermaakt hebben met de pedanterie waarmee ik haar wat leeren wilde, en met de verwaandheid die me drong verlossing te beloven uit haar nauw huis!

Men had den laatsten tyd my ’t leven zuur gemaakt. Ik had—ook zonder bestiefmoederde meisjes—veel te denken en te bepeinzen, wat me ernstig bezig-hield, en zie, daar tref ik juist, dat in ’t huis waar ik ’n kamer heb, een groote verbouwing geschiedde. Allerlei werkvolk scheen ’t er op toe-te-leggen, myn arm hoofd in de war te brengen. Als razend liep ik gedurig de kamer af. Ik had veel te doen, en kon niets uitvoeren. Onder anderen had ik te schryven aan den Minister om hem te vragen of de nieuwe Gouverneur-Generaal van my gediend wilde zyn in het tegengaan van al de schelmery die daarginds weldra de positie van de Hollanders onhoudbaar maken zal. Ook herinner ik me, dat ik ’n brief schryven wilde aan de Kiezers, waarin ik hun—voor ik my rechtstreeks wend tot het Buitenland—op ’t hart drukken wou, dat er ’n DERDE PARTIJ te scheppen valt, die zich ten-doel stelt, de twee cliques op-zy te gooien, die nu by afwisseling den Javaan mishandelen. En ik had nog veel meer te doen, dit weet ge!

Ik zat te schryven, en kon niet voortgaan. Zeker heb ik gevloekt! Radeloos liep ik naar ’t venster, en zag ’n opperman die steenen aandroeg. Z’n houding, z’n gelaat, z’n blik ... alles verplaatste my op dien zaterdag! Ik ontstelde, en wilde iets zeggen, maar kon niets uitbrengen dan... Fancy!

Want zy wàs het!

Wèl was dat haar forsch hoofd, langgelokt en fier schuddende, met trilling als van de pyl die zich ’n weg boort in ’t juist getroffen doel! Wèl was dat de blik van haar groot oog, waarmee ze voor lange jaren m’n heele kinderziel in zich opzoog! Wèl was dat de korte bovenlip, die zonder geluid één woord herhaalde: IK WIL!

Fancy, riep ik, waarom liet ge my zoo lang alleen? Wie zyt ge? Waar woont ge?

—Ik was steeds by u, ondankbare! Maar...

Zy wierp ’n bedroefden blik op wat schryvery waaraan ik bezig was... brieven aan koningen, kiezers en ministers, geloof ik.

—Steeds was ik bij u! Is ’t myn schuld dat ge blind zyt,.. menschenkind!

—Ik heb u lief, Fancy! O, al ben ik maar ’n menschenkind... ge weet, dat ik u liefheb! Maar, Fancy, bedenk dat er verschil is, tusschen de mate myner kracht, en de maat van m’n wil!

En op-eenmaal zweefde my ’n aardsche liefde voor den geest.

Ik wilde haar omhelzen, maar ze ontweek me ...

—Ik zal u verlossen, Fancy. Ik zal ...

—Dwaas! niet Ik ben ’t arme mishandelde kind, dat verlossing noodig heeft! Niet IK heb behoefte aan weten en kunnen. ’t Heelal ligt voor my open, als ’n opengeslagen boek. Geen stof sluit me in, geen band houdt me gebonden! Ik ben die is, die was, die wezen zal, van eeuwigheid tot eeuwigheid!

Ik wilde spreken, maar ’n wenk gebood my te zwygen.

—Luister! Veertig jaren lang—o, oneindig langer! maar men moet spreken van tyd met u!—veertig jaren lang sloeg ik u gade. Steeds hebt gy gewild, maar tot nog toe waart ge zwak. Ge hadt allerlei fouten, die me bedroefden! Die my bedroefden juist in U, want ge waart bestemd voor iets beters, dan ’t willen alleen. Gy moet kunnen! Kunnen ... dat is: zóo willen dàt ge kunt!

En haar gelaat toonde my, hoe men moet willen om te kunnen! Maar weer kwam ’t me voor, dat ik haar meer had gezien ... onlangs nog ... en ik voelde smart, omdat ze my gedurig afweerde.

—Maar Fancy, riep ik, waart gy ’t niet, die me hulp vraagde en hulp toezei, ter-zelfder-tyd? Waart gy ’t niet, die me beloofde ... myn God ... het is waar ... die leegte van m’n hart ... nieuwmaan ...

En ik greep naar de lokken die ’t heerlyk hoofd omgolfden ... maar te-vergeefs alweer!

—Wat gezegd is, blijft gezegd, hernam ze. Wat beloofd is, blyft beloofd! En GY, doe uw plicht!

—Ik zàl... ik zàl! Ik zal haar verlossen ... zeg me waar ze is, Fancy, ik zal haar verlossen!

—Zy is dáár! sprak ze ernstig, en wees met plechtig uitgestrekte hand naar de kaart van Insulinde, die aan den wand hing. Ziedaar het stiefkind dat behoefte voelt aan ruimte, aan vryheid, aan beweging! Ziedáár ’t mishandeld schepsel dat aanspraak heeft op wat opvoeding en geluk! Verlos háár... dat is de roeping die ik u opdraag!

—Maar ... Fancy, genius, engel, juist dit heb ik immers steeds gewild ...

—Gewild ... ja! Ik gaf u dien wil ...

O, lieve Tine, toen verdween ze! Is ’t niet jammer? Juist toen ik haar vragen wilde om de kracht!

Ik kan u niets zenden, lieve! Ik heb niets. De minister antwoordt niet. Kunt ge ’t nog wat uithouden? Ga anders naar den Haag. Holland heeft er aanspraak op, u te zien bezwyken. Ieder het zyne. Laeken heeft niet betaald voor zoo’n schouwspel. Ik ben veel beter. Nog altyd voel ik wat pyn in ’t hart, maar ’t is niet meer zoo hevig.

VAN FANCY.

Lieve Max! Hu ... hoe langer hoe erger! Nu vorderen ze van my ’n belydenis dat ik allerlei dingen geloof, die gebeurd zyn voor achttienhonderd jaar! Ik weet er niets van. En als ik ’t niet belyd, worden ze boos en zeggen dat ik ’n slecht meisje ben, dat toch niet waar is.

Ik heb in lang niet van u gehoord. Zoudt ge ziek wezen? Dit zou me zeer spyten. Ik had juist noodig van u te weten, hoe ik me moet afhelpen van die belydenis? ’t Komiekste is, dat ik tegelyker-tyd belyden moet, dat ik altyd de waarheid zal zeggen. Dit klopt immers niet! Ik stel me voor hoe ik ’t aanleggen zou om ’n wilde aan ’t verstand te brengen—ik leer m’n examen voor sekondante—het volgend theorema:

“Om gelukkig te wezen na je dood, moet je gelooven dat er allerlei dingen die niet gebeuren kunnen, gebeurd zyn vóór je geboorte.”

Ik denk dat zoo’n wilde den samenhang niet zou begrypen, en ik ben vreeselyk wild op dit punt.

Lieve Max, tòch kan ik niet alles wegwerpen wat er in dien Bybel staat. Ik vind het Hooglied schoon ... ach, ik zou wel willen trouwen! Sommige Psalmen ook. En ’t boek van de Makkabeën ... dat is ’n waar heldendicht! En ik dweep met Job! Job is m’n man! Maar niet om z’n geduld, neen, om de flinkheid waar med-i opstond tegen den god die hem overleverde in de handen van Satan ...nog-al valsch, vind ik!”

Ik heb in dien Bybel veel gelezen, nadat ge my geschreven hadt dat er zooveel instond dat ’n fatsoenlyk meisje niet weten mag. Die geschiedenis van Simson heeft me byzonder getroffen omdat er iets dergelyks had plaats gehad met myzelf. Neen, ik heb geen Philistynen doodgeslagen ... en met een leeuw gevochten ook niet. Maar m’n haren ... ’t is ’n malle geschiedenis. Verbeeld u dat er op m’n zesde jaar voorspeld is dat ’n lok van myn haar—op nieuw-maansdag geknipt—kracht geven zou ... ik word geroepen, Max! Morgen meer. Dan is ’t knip-dag. Ik zal u dan met-een die historie vertellen. Ik begryp ’t nu beter ... door Simson, weet ge! Ik word geroepen om te rekken. Morgen ...

O, Max, wanneer kryg ik die tiende geschiedenis van gezag?

AAN FANCY.

O, gaarne! Daar ligt ’n roofstaat aan de zee, tusschen oost-friesland en de schelde ...

Maar eilieve, Fancy, ook gy hebt my iets beloofd! Wanneer ontvang ik ...

VAN KAPPELMAN.

Mynheer! Ik ben Kappelman! Myne zaken gaan zeer goed, en ik leid een rustig en gemakkelyk leven. Ik zie, dat gy, in weerwil daarvan, voortgaat, u te bemoeien met de stiefdochters myner vrouw. Dit versta ik niet langer. Myne vrouw mag met die kinderen doen wat zy wil—daarvoor is zy myne vrouw—en ik zal zorgen, dat uw zedeloos geschryf, niet in derzelver hande kome. Ik bevind my zeer goed, by de tegenwoordige inrichting van myn huis, en dit is het voornaamste. Ik ben Kappelman. Ik zal ’t vertellen aan myn vriend den kruienier dat gy een demokraat zyt ... enz.

VAN EEN DOMINE.

God laat niet met zich spotten. Ik verzoek u myn bef terugtezenden, die ik laatst by u heb laten liggen. Uwe verdoemenis is zeker, want er staat geschreven dat men aan de gestelde machten moet onderdanig zyn. Ik verwacht myn bef met den eersten trein. Ik zal de kinderen op de katechisatie voor u waarschuwen, en hen inprenten dat ze u myden als den Antichrist ...

VAN EEN OOM.

Als gy voortgaat de kinderen van myn broer zoo wys te maken, dat het ouderlyk gezag ondermynd wordt, zal ik op de beurs publiek maken, dat uwe denkbeelden kommunistiesch en onfatsoenlyk zyn ... enz.

VAN EEN STIEFMOEDER.

Ik doe met de kinderen van myn man, wat ik verkies, en als gy niet ophoudt hun dingen te vertellen, die zy niet mogen weten, zal ik hen opsluiten. ’t Gaat u niet aan, dat ik uít die kinderen haal, wat er uit te halen is, en dat ik ze voor my laat arbeiden, ’t geen ze bovendien geheel vrywillig doen. Met al uwe geschiedenissen heb ik niets te maken. Dezelve brengen wanorde in myn huis. Als ge niet ophoudt, zal ik de wet tegen u inroepen, en overal kwaad van u vertellen ... enz.

VAN EEN MEISJE.

Ik ben een boetvaardige zondares, en mag u niet langer broeder noemen. Want in-stede van te antwoorden op myn genadedeelachtigheid aanbiedende brieven, stoot gy den Heiligen Geest van u af, en roemt op eigen daden. Ik zegge u, dat gy behoort te roemen in dien eenigen waren onwrikbaren hoeksteen des Geloofs, Jezus, dat is de Christus, die neergedaald is ter-helle en verheven ter rechterhand Gods. Reinig u met het bloed des kruizes. Anders zal ik genoodzaakt zyn een Oefening tegen u op te zetten, en daarin zal ik verkondigen, dat gy de verzenen tegen de prikkels slaat ... enz.

VAN EEN BEHOUDER.

Ik zal rondstrooien dat gy een radikaal zyt, en een oproermaker, en dat ge uw schulden niet betaalt ... enz.

VAN EEN LIBERAAL.

Als ge niet ophoudt, ons huichelaars te noemen, en te zeggen dat onze aangebeden Thorbecke, een onbeduidend mannetje is, zal ik my verplicht achten, u overal uittemaken voor een onverlaat, een dief, een echtbreker, een mooischryver, een gek en een poëet ... enz.

VAN EEN GOUVERNEUR-GENERAAL IN RUSTE.

Ik zal niet antwoorden op al uw beschuldigingen. Als ik trachtte te betoogen, dat ik geen gewetenlooze schurk ben—zoo-als ge van my zegt—zou ik vreezen my schuldig te maken aan partydigheid. Daarom zal ik liever—zoover myn geringe middelen, en de christelyk-plichtmatige zorg voor myn bezittingen, en ’t opzicht over myn buitenplaats toelaten—u overal diskrediteeren, opdat het arbeiden u zwaar valle, en gy eindelyk, als te diep neergebogen door zorg, moedeloos moogt worden, en ophouden my aantevallen in ’t dierbaarst wat ik heb, in myn overgegaard tractement ... Overigens ... enz.

VAN FANCY.

Myn belofte?... Ziehier!...

Maar nu heb ik aanspraak op de TIENDE GESCHIEDENIS VAN GEZAG!

Doch Max, ik wensch dat ge daarin een slot maakt!

Gy kunt het... ja!... nu kunt ge 1

AAN TINE.

Ik heb het... ik weet het... ik voel het. Myn hart is niet meer leeg! Zy zond me...

O God ik begryp alles!

Eerst de wil... nu de kracht en in ’t eind de overwinning!

Tine... ik zal overwinnen! Ik beloof u dat ik overwinnen zal! Wees gerust!

Ga van-tyd tot-tyd eens kyken naar dien m’nheer op nummer zes! had de doctor in de letteren tot den bediende gezegd.

Deze voldeed hieraan, en vond den “man in de kamer” zeer wèl. Hy scheen opgeruimd en vroolyk.

De bediende begreep dat de letterdokter verkeerd geoordeeld had.

En dit begryp ik ook.

Hoe gy dit begrypt, Publiek, is me om ’t even.

Neen, niet geheel! Als ge ’t eens waart met dien bediende en my... zou ik me haasten te veranderen van opinie!

Tot ziens!

Notes in this chapter

Note 1 · Gebed van den Onwetende, opgenomen in de Verspreide Stukken.Note 2 · Misschien had hy Arria moeten raden.Note 3 · De eerste uitgaaf van dit werk is inderdaad verschenen by den Uitgever Günst, die geen bezwaar maakte de acceptatie te honoreeren.Note 4 · Zie de parabel van den goudmaker aan het slot van Idee 527.Note 5 · Motto van den Havelaar.Note 6 · Fancy citeert.Note 7 · God, goden = woden, Wodan. De g en w worden herhaaldelyk verwisseld. Etymologisch staat het woord God nader aan wetten, dan dies aan jour, dNote 8 · Mensch komt van den Sanskrit-wortel man = denken.Note 9 · De beteekenis van het woord dochter—in ’t Sanskrit: thugathêr is melkster.Note 10 · Gune = vrouw.Note 11 · Rock is ’n reuzenvogel in de mythologie van het Oosten. Onze kasteelen in ’t schaakspel waren vroeger Olifanten, nog vroeger: rocks. Van hieNote 12 · Indaloes = Pertjah = Sumatra. Ik denk dat het een Beo was, die over Sumatra van Nieuw-Guinea kwam. Het woord Beo (nababbelaar, naklapper) zoNote 13 · Konstantinopel.Note 14 · Ben = zoon.Note 15 · Idee, 527.Note 16 · Havelaar, blz, 157, uitgaaf 1871.Note 17 · Uit overmaat van goeden smaak heeft de uitgever gemeend hier ’n twintigtal Minnebrieven van Kappellieden te moeten supprimeeren.Note 18 · De overige dozynen stiefbrieven liggen ter dispositie van de schryfsters aan het bureau van de Dageraad.Note 19 · Plaatsgebrek noopt den uitgever ’t vervolg te supprimeeren. De arme dwaas wordt door allen om ’t zeerst uitgescholden, dit spreekt vanzelf! Note 20 · Gesupprimeerd!Note 21 · Gesupprimeerd!Note 22 · Gesupprimeerd!Note 23 · Deze brief schynt te behooren tot de kathegorie die Fancy verbood uittegeven.Note 24 · Ietoe andjing belanda bakelahi sama tahi! d.i. die honden van Hollanders vechten met drek! Dit was de kreet, waarmede de Jakatranen zich oveNote 25 · Noot van den heer Van Lennep. Wy geven de toespraak van Eleonora, om der naïveteits wille, in de oude taal, zoo als die in de Keulsche kronyNote 26 · Zie de parabel van den granaat, op pag. 33.Note 27 · Wys my de plaats, enz.Note 28 · Zoo heeft Buffon gezegd, en niet: «le style c’est l’homme». Er is verschil.Note 29 · Slaapkamerkostuum in Indië.Note 30 · ’t Vervolg door den uitgever gesupprimeerd.Note 31 · Gesupprimeerd, als nog ’n twintigtal andere brieven, waarin zorg voor ziel en zaligheid van den gejaagden dwaas ’n hoofdrol spelen, mais le Note 32 · Een legio bybelteksten ... gesupprimeerd!Note 33 · Gesupprimeerd!Note 34 · (Noot van 1874). De heer Sloet, nu reeds sedert jaren aan ’t rusten.Note 35 · (Noot van 1874.) Dit was de heer Pahud, dezelfde die na ’t verschynen van den Havelaar persoonlyk den toestand te Lebak onderzocht, uit welkNote 36 · [Noot van 1865.] Juist in 1860. Thans, na vier jaren, heeft de kring der schuldigen zich uitgebreid. De geheele Nederlandsche Natie—vroeger Note 37 · Domine Francken.Note 38 · [Noot van 1865.] Zegge vier jaren!Note 39 · (Noot van 1865). Hier is ’n fout in ’t anders zoo schoone stuk. Behalve door bakerpraatjes, waarvan ik geen nota mag nemen, om me niet te laNote 40 · (Noot van 1865). Zitting van den 25sten September 1860.Note 41 · (Noot van 1865). Die man is nog altyd by de Nederlanders zeer geacht. Nu dit is billyk. Zóó’n persoon verdient achting van zóó’n natie! Nog Note 42 · [Noot van 1865.] Welnu, de aangeklaagden hebben gezwegen ten einde toe! De Max Havelaar verscheen in Mei 1860, en heden 14 Juli 1865, zal daNote 43 · (Noot van 1865). Om ook onkundigen te doen begrypen, wat de reden is dat alle personen op eenmaal verdwenen zyn, die in 1860 en 1861 zoo welNote 44 · Hanootzri = Timmerman.Note 45 · (Noot van 1865). Zitting der Tweede Kamer van den 25 September 1860.Note 46 · (Noot van 1865.) Voorloopig heb ik op ’t Internationaal Congres, dat gehouden werd in het paleis des konings te Amsterdam, gezegd dat NederlNote 47 · Deze man was Loerah = klein hoofd. Dáárom zeker nam men hem twee buffels af, dat ook heel billyk was, daar hy de macht had z’n schade te verNote 48 · Of Pasir-aijer. Ik houd van stiptheid in «zaken.»Note 49 · Deze man was dorpshoofd.Note 50 · De juiste verhouding van den veestapel in Lebak, tot dien van ’t distrikt Parang-Koetjang was op ultimo 1853 = 980 : 260 geboorten. VerkiestNote 51 · (Noot van 1865.) Bantam had voor ’n tiental jaren vyfhonderd-duizend inwoners, en de bevolking van Java was toen twaalf millioen.Note 52 · (Noot van 1865.) Velen zullen—met niet ongewone miskenning van de kracht der vermenigvuldiging—dit cyfer van duizend millioen guldens overdrNote 53 · De hier bedoelde brief is die welke later in de Verspreide Stukken is opgenomen.Note 54 · Zie ’t boek over de Veilingen, pag. 93. Men vergelyke overigens alle antwoorden van den kontroleur met dat boek, voor zooveel de hoofdzaken Note 55 · Een inlandsch beambte die den Regent ter-zyde staat, en in casu diens vertrouweling was.Note 56 · «Nog nooit heeft eenig heer aldus gesproken.»Note 57 · Mr. P. Myer.Note 58 · Zie hier wat prof. Veth hiervan zegt in den Gids van Augustus 1863. «Sedert heeft Havelaar met de zynen gebrek geleden, hy is het voorwerp gNote 59 · Brief aan de Kiezers te Amsterdam, by J. H. de Ruyter.Note 60 · (Noot van 1865) «Help ons hierin, dan beloof ik u de stem van dat of dat geacht lid voor die zaak!” Verbeeld u het lid eener jury, die tot ’Note 61 · (Noot van 1865). Ik citeer! Hoe ik denk over dien esprit de clocher, moge uit het volgende blyken. In ’n Friesche courant lezende dat men myNote 62 · —Dit weet ik waarlijk niet, men zegt hy is hanootzri...44Note 63 · Maar, Kiezers; ’t is toch heden wèl de moeite waard, te onderzoeken of de door dien Money opgegeven cyfers juist zyn. Uw “geachte sprekers”—Note 64 · Ik laat nu in ’t midden, of gy de waarheid weten wilt, maar ik verkies u de waarheid te zeggen. Ik doe dit voor myn vermaak, niet uit twyfelNote 65 · NAAM VAN DEN BESTOLENE DESSAH (dorp). KALOERAHAN (kreits). GETAL DER GESTOLEN BUFFELS. Kassik. Kadoe Gawier. Badoer Een buffel. Manggia. TjiNote 66 · Eilieve, nog eens: Lebak heeft vyf distrikten ... vermenigvuldigt, zeg ik u!50Note 67 · Eilieve voor ’t laatst: Java heeft, ik weet niet hoeveel, residentien. ’t Verandert telkens. Neemt de verhouding der bevolking van Bantam, tNote 68 · Duizend millioen Guldens geldswaarde, die aan de Indische bevolking wordt afgenomen, onder de regeering van een Gouverneur-Generaal die z’n Note 69 · Bovendien, ik heb verdriet van u, omdat ge meespreekt in de Kamer. Ik zal bewerken dat dit ophoudt. Er wordt daar véél gesproken wat geen stNote 70 · 4º Heb ik niet, toen de Regent zoo met aandrang verzocht, den onderkollekteur de hem nog kompeteerende gelden uittebetalen, daarin op eigen Note 71 · 17º Heb ik niet later u medegedeeld, dat de Pattie55 my namens den Regent, bedankt heeft voor de delikate behandeling der zaak?Note 72 · 3º Of hy, Pattie, my niet bedankt, en daarby gebruikt heeft de woorden: “Belom ada satoe toewan bitjara bagitoe?”56Note 73 · Wilt ge, dat ik de schoone speech analyzeer van ’n ander “geacht lid” die ook excellent was vroeger57 en nu, party trekkende voor de eer vanNote 74 · Wilt ge, dat ik voor u afschryf de zinsnede uit het Regeeringsverslag over 1856, waarin de gegrondheid myner beweering wordt ERKEND?58Note 75 · «Ik geloof dat er ’n man noodig is van studie, maar niet van studie alleen. Een man van praktyk, doch niet alleen van praktyk. Een man die hNote 76 · boven de kunst om stemmen te verzamelen door ’n soort van ruilhandel.... dat is: boven infame verkrachting van eed en plicht, zoo-als dagelyNote 77 · boven de zekerheid dat “die persoon met de meeste onpartydigheid—komiek!—met de meeste onpartydigheid de belangen zal voorstaan van uw distrNote 78 · Welke fout ik maakte in m’n berekening?Note 79 · Hoeveel er dàn wordt gestolen onder ’t bestuur van één Gouverneur-Generaal die z’n plicht niet doet?Note 80 · Laat Duymaer van Twist toch eens antwoorden op deze vragen, als-i beweert beter te rekenen dan ik. En dat hy dan tevens berekene hoeveel for
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings