← Table of contents
Minnebrieven; Over Vrijen-Arbeid in Nederlandsch Indië; Indrukken van den dag

Editorial note — Derde Sprookje.

Reading edition

Laat Duymaer van Twist toch eens antwoorden op deze vragen, als-i beweert beter te rekenen dan ik. En dat hy dan tevens berekene hoeveel fortuinen met buitenplaatsen, enz. van gewezen Gouverneurs-Generaal, er noodig zyn om de fouten van één plichtvergeten Landvoogd te boeten?

Ik konstateer—heden 16 Juli 1865—dat niemand protest heeft aangeteekend tegen het punt van uitgang myner berekening: den staat van gestolen buffels in de Lebaksche afdeeling Parang-Koedjang, gedurende Februari 1856.

Wil men ’t nog doen? ’t Is my wel. Men zal, na myn vertrek uit Lebak, toch niet alle getuigen vermoord hebben! En al ware dit zoo... ik ben tot dupliek bereid en gereed. Maar ik zou beginnen met de vraag: waarom men vier jaar lang gezwegen heeft?

Dit zwygen veroordeelt! Op ’t internationaal kongres, waar ’t beschaafd Europa kon geacht worden vertegenwoordigd te zyn, vraagde de heer Dumonceau van Luik, of er onder de aanwezige Nederlanders niemand opkwam tegen myn aanklacht? Hy zou dit betreuren, zeide hy, wyl dan de vreemdelingen Nederland moesten verlaten onder den indruk dat ze gastvryheid hadden genoten van roovers. Die vraag en die vrees waren gepast en gegrond.

Na my sprak de heer Rochussen ’n redevoering uit, waarin hoofdzakelyk werd betoogd dat Nederland veel voordeel trekt uit Indië, wat ik volmondig toestem. De Indépendance, in den verkeerden waan dat de heer Rochussen myn beschuldigingen wilde weerleggen, noemt die rede: un discours ministre. De scherpte dezer kwalifikatie treft geen doel, als men weet—zooals ik verzekeren kan—dat het voornemen des heeren R. geenszins was om myn grieven te behandelen, evenmin als hy ’t verdedigen of vergoelyken op zich wilde nemen van de gruwelen die in Indië plaats vinden. Dat die Staatsdienaar onmiddellyk na my optrad, was toevallig, en ’n gevolg van de ordre du jour, gewyzigd trouwens op ’n verzoek van den heer Povin van Brussel, die na my had moeten spreken, maar aan den heer R. had verzocht te mogen ruilen van beurt.

De heer Rochussen heeft een statistisch-ekonomische bydrage geleverd, en... en... ziedaar: ik geloof dat die oud-minister, wanneer hy de zaken had aangeroerd, waarover ik klaag, aan myn kant zou geweest zyn, en niet tegen my!

Ik blyf gelooven dat de heer Rochussen, die hart heeft in-plaats van dordroge deugdzaamachtigheid, gehoor zou hebben gegeven aan Havelaar, en dat er recht zou geschied zyn, indien hy gouverneur-generaal ware geweest, in de dagen toen van Twist zich ter-ruste legde op ’t christelyk hoofdkussen van al te goedkoopen vrede met z’n “Heer.”

Neen, de heer Rochussen zou en zal my niet bestryden. Hy staat niet vast genoeg in ’t geloof om schelmery aantezien zonder wrevel of om zonder wroeging party-te-trekken tegen iemand die opstaat tegen schelmery. Om te slikken en te verteeren, wat zoo’n van Twist kan verdragen, is godsdienst noodig, veel godsdienst... als in ’t vers voor die dame. (Idee 527).

En dat ook inderdaad de rede van den heer R. niet werd opgenomen als antwoord op myn beschuldigingen, blykt onder anderen hieruit, dat ’n hoofdambtenaar uit den Haag—de referendaris van Alphen, meen ik—met zeker élan, het woord vraagde, en stamelend van drift, de hoop uitte: “dat men my toch eens zou tegenspreken!”

Nu ja, dit hoopte ik al lang! Maar op-nieuw konstateer ik, dat men ’t niet doet.

Het eenige wat men kan en durft, is onders’hands uittestrooien, dat “die Havelaar zoo ’n byzonder slecht mensch is.” Dit is wat al te gemakkelyk, vind ik. Nederlanders! Zult ge dan nooit wakker worden?

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings