← Table of contents
Minnebrieven; Over Vrijen-Arbeid in Nederlandsch Indië; Indrukken van den dag

AAN DEN UITGEVER.

Reading edition

Ik breek eensklaps af. Ik verzoek u dit eerste gedeelte myner brochure, eindigende met de vroeggeboorte van een myner conclusiën, terstond uittegeven.

Ik verneem—en geloof—dat het ministerie zal aftreden, en dat de Kamer ontbonden wordt.

Het drukken, corrigeeren, reviseeren duurt me te lang.

Wanneer deze brochure nà die verandering uitkomt, zou ’t kunnen schynen dat ik door ’t bestryden van vryen arbeid, gevallen grootheden aantastte, en hof-maakte aan een nieuw gezag.

Dit mag niet.

Kondig S. V. P. oogenblikkelyk het tweede gedeelte aan, waarin ik den Vryen arbeid op andere wyze zal behandelen.

Zoo waarlyk de Havelaarszaak neêr komt op: “de koffiveilingen van de Nederlandsche Handelsmaatschappy” zoo waarlyk de titel van dat andere boek overeenstemde met den inhoud... zoo waarlyk zal men later inzien dat deze brochure geschreven is over, en wel tegen... Vryen Arbeid.

Brussel, 11 Januari 1862.

De bescherming der inlandsche bevolking tegen willekeur, van wien ook, is een der gewichtigste plichten van den Gouverneur-Generaal.

Hy zorgt dat de besturende ambtenaren de daaromtrent bestaande of nader uittevaardigen verordeningen stiptelyk nakomen, en dat den inlanders overal gelegenheid gegeven worde om vryelyk klachten inteleveren.

Art. 55. Indisch Regeerings-reglement.

De kwestie over Vryen arbeid is geen kwestie. Besteel den Javaan niet, plunder hem niet, vermoord hem niet ... dan zal er over eenigen tyd blyken of hy vrywillig arbeiden wil.

Ik.

THAT is the question!

Shakespeare’s Hamlet.

There is something rotten in the State! Zoo eindigde het eerste gedeelte dezer brochure, die ik eensklaps afbrak om reeds dadelyk als m’n innige overtuiging te verklaren dat Vrye-arbeid in Indië, op dezen oogenblik leugen is. Ik wilde die meening publiceeren voor ze ’t uitvloeisel kon schynen van eigenbelang.

Ja, daar is verrotting in den Staat, en de naam van die verrotting, Nederlanders, is LEUGEN. Van boven tot beneden heerscht leugen.

De troonrede spreekt van ongestoorden vrede, van rust en geluk, op den oogenblik als duizenden daarginder bezwyken onder hongersnood, of neêrzygen onder de klewang-bajonetten uwer voor hoog handgeld gehuurde soldaten. Die troonrede spreekt dus leugen, Nederlanders!

Uw Tweede-Kamer beraadslaagt met voorgewende deftigheid wat zy zal antwoorden op dien leugen, en brengt na ’t hooren van ’n zestigtal geachte maar onverstane sprekers, met kunst en moeite den leugen voort, dat ze dien opgedischten anderen leugen met genoegen heeft vernomen. Daarop houdt ze zich bezig mee het beoordeelen der wetten, haar voorgelegd door Ministers die zich alweer niet kunnen staande-houden zonder leugens. En de beraadslaging, die reeds leugenachtige donneés behandelt, dit beraadslaging zelve is leugenachtig. Want by uw Vertegenwoordiging, Nederlanders, wordt niet gevraagd naar de strekking der behandelde wetten, de vraag is of ’t belang van de PARTY meebrengt, dat deze of geene Minister aan ’t bestuur blyve. Er wordt in uwe Kamer handel gedreven in stemmen. Men biedt hulp in ’n accynskwestie, ter betaling voor ’t zwygen over ... dat andere. Delft zal Twenthe steunen in z’n linnenkraam, à titre de revanche voor Delftsche boter. De eikenkroon voor den neef van ... zekeren heer, is de belooning voor ’t intrekken van dat laatste amendement. ’n Lange straatweg die uitloopt op X. en de buitenplaats voorbygaat van ’n geacht lid, wordt betaald met ’n nog langer redevoering die alles voorbygaat, en op niets uitloopt. Uw Tweede-Kamer, Nederlanders, is ’n markt van stemmen. Wie ’t meest biedt, mynt. Wie zelf niet bieden kan, associëert zich met een-of-andere compagnieschap die ze “staatkundige party” noemen. Als er evenwicht is tusschen bod en behoefte, ontstaat er ’n ministerieele krisis. Wordt dit evenwicht verbroken, dan komt de meerderheid op ’t kussen, en blyft daar tot de minderheid op haar beurt weêr hooger bod kan doen.

De waar die men op deze markt verkoopt, is nooit de tentoongestelde of geannonceerde. ’t Is daarmeê als met sommige winkeliers, die handschoenen of sigaren voor ’t venster leggen als pretext voor ’t handeldryven in meisjes achter de toonbank.

Op die markt spreekt men over eerlykheid, en bedoelt winst. Over begrippen, meeningen, inzichten, overtuiging, en bedoelt belang. Over rechtskwestiën, en bedoelt onrecht. Over staathuishoudkunde, en bedoelt diefstal. Over vryheid, en bedoelt dwingelandy. Over menschenrecht, en bedoelt moord.

De schoonste redevoering, die ooit gehouden werd in ’n vergadering van vertegenwoordigers, is van Cromwell. Schrikt niet, lezers, lang is ze niet, ziehier:

“You are no parliament! I say You are no parliament! Begone, and give place to honester men. What shall we do with that bawble? Take it away ...

To honester men ... maakt plaats voor eerlyker lui! Juist. Cromwell had een zeer eigenaardige manier om plaats te maken, maar dewyl gy, Nederlanders, nu eenmaal langzamer te-werk gaat, raad ik aan toch alle middelen die u ten-dienste staan te beproeven, om Cromwell’s doel te bereiken, hoe langzaam en vervelend dan ook de middelen werken. Ge hebt de zoogenaamde vryheid van verkiezingen. Maakt daarvan nu-en-dan eens gebruik, en verbeeldt u niet dat ge ’t doet, door uw candidaten te zoeken op de voorzyden uwer couranten, of in de aanbevelingslysten der kieskollegiën. Tracht door eigen inzicht te geraken tot honester men in uwe Kamer. Toont dat ge misselyk zyt van al ’t gekibbel over voorgewende kwestiën. Toont dat ge waarheid eischt, en u verzadigd voelt, tot walgens toe verzadigd, van parlementaire leugens.

Want het zyn leugens, de kwestiën waarmeê ze zichzelf en u bezig-houden, Nederlanders!

’t Is de vraag niet of de Javaan moet worden uitgezogen door liberale of door behoudende bloedzuigers. De vraag is: of hy moet mishandeld worden, door wien ook?

En op deze vraag is slechts één antwoord mogelyk; neen!

Dit staat duidelyk geschreven in het Regeeringsreglement, en duidelyker nog—o veel duidelyker!—in ’t hart van ieder die daarin ’n betere godsdienst omdraagt, dan er valt van-buiten te leeren uit ’n oud boek.

Zoolang men in uwe Kamers die vraag niet durft te-berde brengen ... zoolang daar niet zal opstaan de oprechte DERDE PARTY, DE PARTY VAN WAARHEID, de party die zonder vasthouden aan kinderachtige stelseltjes, de hoofdzaak behandelt, en aan die hoofdzaak alle byzaken ondergeschikt houdt ... zoolang men in die Kamer vragen zal: zyt ge behoudend of liberaal, insteê van plichtsvervulling te eischen van liberalen en behouders beiden ... zoolang men daar luistert naar onverstane redevoeringen over Vryen-arbeid en Kultuurstelsel, en intusschen door stilzwygen goedkeurt dat uw prachtig Indië wordt bedorven door onbekwame gouverneurs ... zoolang men daar blyft doorwawelen over Art. 56 van ’t Indisch Regeeringsreglement, in plaats van voldoening te eischen aan ’t oneindig belangryker 55e artikel van datzelfde Reglement ... zoolang men in die Kamer duldt dat de Slymeringen worden beloond, en de Havelaars gestraft ... zoolang men daar traagheid, lauwheid, eedverkrachting en misdaad blyft steunen tegen yver, plichtsbesef, eergevoel en moed ... zóólang zal ik blyven zeggen: begone, and give place to honester men!

En meent nu niet dat ik uw Tweede-Kamer te hard val, Nederlanders. Ik heb ’n antecedent voor my, dat in hevigheid myn vonnis te boven gaat ... het antecedent dat uitging van die Kamer zelf, waarin men, ge hebt het gehoord, elkaâr over-en-weer heeft genoemd: Droogstoppels, d. i. zonder de minste vryheid in ’t vertalen: ELLENDELINGEN.

Ik die Kamer hard vallen? Eilieve, ik sprak nog alleen van de leugens die men daar behandelt, ik roerde alleen de onzedelykheid van uwe vertegenwoordiging aan. Hoe zou ’t wezen als ik lust had eens het talent en de werkzaamheden van al uw geachte sprekers te schatten? Dat gy, Nederlanders, by-voortduring tevreden zyt met onwaarheden, kan ik nog beter begrypen, dan dat ge niet opstaat tegen ’t byna totaal gemis aan talen in uwe Kamer. Leugens, ik beken dit, kunnen iets aantrekkelyks hebben, vooral wanneer de opvoeding altyd daarheen leidde. Maar eergevoel en eigenliefde moesten u aandryven om eens ’n ander soort van menschen naar den Haag aftevaardigen. Bedenkt toch dat de vergadering van geachte sprekers gecenseerd wordt de monsterkaart te wezen van alles wat uw land uitstekends bezit, en dat de vreemdeling—wanneer-i eens in ’t hoofd kreeg achttegeven op uwe Kamers—zich al zeer spoedig de vraag zou voorleggen: zóó zyn de knapsten, wat moet ik denken van de rest?

Welke redenaars heeft uw parlement opgeleverd sedert 1816? Welke staathuishoudkundigen? Welke schryvers? Welke karakters? Welke groote mannen?

O, zeker... ge zult in antwoord op die vragen ’n paar mannen noemen, maar ge moest u bezinnen voor ge die noemde. Dit had niet noodig moeten zyn, en ’t blyft de vraag nog of ge ’t recht hadt die mannen te noemen, al vergaf ik u ’t bezinnen.

Inderdaad, Nederlanders, òf ge telt weinig uitstekende mannen onder u, òf ge stelt hen te hoog om ze te veroordeelen tot vyfjarigen dwangarbeid op de parlementaire galei. Maar in dit geval, waar blyven ze dan? Ge kunt ze toch niet allen griffiers maken, zooals met Sloet geschied is, wiens onderkoninkschappelyk genie jaren lang zoo deerniswaard begraven bleef onder proces-verbalen van de zittingen der Geldersche Staten. We hebben immers maar elf provinciën in ons land.

Bedenkt toch, bid ik u, wanneer ge dan geen prys stelt op de eer en het belang van de Natie, dat ge misschien eenmaal naar den Haag zult gaan, gy of uw kinderen, en dat de mannen aan de poort u en uw familie zullen beoordeelen naar de modellen die ge jaar-in jaar-uit daarheen zondt uit uwe stad. Waarachtig, men zal er u op aanzien, en ’t zal u weinig baten in de opinie der tollenaars, dat ge u verschuilt achter de hoofdartikelen van uw krant die u de modellen aanprees als: “zoo byzonder achtenswaardig.”

Leugen. Dit is de naam van de ziekte, de rottende ziekte waaraan de Natie lydt. Wie naar waarheid streeft, wordt gescholden, belasterd en mishandeld. Wie zich aansluit aan ’n party die leugens uitvindt tegen-over de leugens der andere party, wordt gesteund, verheven, beloond.

Leugens ontvangt de Gouverneur-Generaal in Indië, van de residenten. Leugens geeft hy den Minister. Leugens geeft deze ter herkauwing aan de Tweede-Kamer.

Leugens verspreiden de dagbladen onder hun abonnés.

Met leugens houden de partyen zich staande.

Met leugens wordt het Volk gevoed.

Leugens doen adressen teekenen.

Met leugens wekt men kunstmatige agitatiën op.

Zoo waarlyk ik veel gedragen heb, ik zegge u, daar is verrotting in den Staat, en de naam van die verrotting is leugen!

Ge zoudt onrechtvaardig handelen, Nederlanders, my te vloeken om deze uitspraak. Ik heb ’t recht, luid te spreken voor de waarheid waaraan ik door veel lyden verbonden ben.

En ook ware ’t onbillyk my euvel te duiden dat m’n toon anders is dan de toon die aan leugens passen zou. Ge begrypt immers dat juist de gladde gemanierde schuifelende effenheid der onware woorden noodig was om u voortdurend al die onwaarheden te doen slikken als goede spyze? Ge begrypt immers dat er ’n andere taal dan de gewone noodig is, om u wakker te schudden uit uw slaperigheid? Ge begrypt immers, in één woord, dat ik niet schryven kàn als ’n ander, juist òmdat ik u de waarheid zeg?

Maar wilt ge die hooren? Is ’t u inderdaad om waarheid te doen?

Ik weet het niet. Jazelfs ge noopt my dikwyls daaraan te twyfelen.

Doch dit is uwe zaak. Myn zaak is u die waarheid te zeggen.

Neemt ze aan, o handeldryvende Nederlanders ... al waar ’t om de goedkoopte alleen. Ge betaalt uw leugens duur, zeer duur, en my betaalt gy niets. Dit niet-betalen moge nu oneerlyk wezen ... de uitgestelde schuld aan my, moge schandelyk vuile plekken nalaten, als gy ze in uw boeken durft doorhalen met gewetenlooze pen ... dit doet er weinig toe. Wat men niet betaalt, is altyd goedkoop. Ik beken dan ook dat het u moeielyk vallen zou my alles te betalen wat ge my schuldig zyt, ook al waart gy eerlyk genoeg om het te beproeven.

Waarheid? Wat is dan hier waarheid? Wàt is waarheid over de zaken die thans aan de orde van den dag zyn? Ik wil trachten u dit te zeggen, schoon ’t me moeite kost, lezer. Herhaaldelyk heb ik u toegeroepen dat ik teksten schryf, en geen preêken. Is ’t u inderdaad om waarheid te doen? Waarlyk, wezenlyk, waarachtig?

Welnu, sla deze bladen toe, leg dit kleine boekje ongeopend voor u, lees den titel op den omslag, lees ...

Laat het boekje gesloten liggen, zeg ik u.

Weet ge nu nòg niet, lezer, wat de waarheid is?

Dan wanhoop ik aan ’t slagen van elke poging om u die waarheid aan ’t verstand te brengen. Dan ontken ik de oprechtheid uwer begeerte om die waarheid te weten.

Dan verklaar ik u te diep verleugend om behoefte te kennen aan waarheid, om besef te hebben van waarheid, om eerbied te voelen voor waarheid. En als ik te-werk ging naar den indruk van ’t oogenblik, dan legde ik hier de pen neêr.

Wie na ’t lezen van de drie motto’s op den titel, nòg niet weet wat waarheid is omtrent de zoogenaamde kwestie van den dag, kan zich de moeite van ’t verder lezen sparen. Hy zoeke z’n “voorlichting” elders. Ge weet wel, waar? En als er geen krant by de hand is, dan maar in ’s hemels-naam in ’t byblad.

“Als ik te-werk ging naar den indruk van ’t oogenblik!” maar ik ga niet naar den indruk te-werk. Ik ben methodischer dan er gemeend wordt door lieden die geen geestdrift begrypen zonder kortstondige naar krankzinnigheid zweemende drift van geest. Ik denk zeer lang voor ik handel, en ik overyl me zelden. Myn leven—dat een geheel is—zou dit bewyzen aan ieder die wat meer menschkunde bezat dan er noodig is tot het ontcyferen van al te dagelyksche karakters.

Ik handel niet naar den inspraak van ’t oogenblik, en zal dus voortgaan u zoo lankdradig en vervelend als maar eenigszins mogelyk, aan ’t verstand te brengen dat:

VRYE ARBEID WENSCHELYK,

maar:

DAT DE KWESTIE OVER VRYEN ARBEID, NONSENS IS,

om daarna te besluiten met eenige toepasselyke beschouwingen, waaruit misschien zou kunnen blyken:

dat het niet juist de vry-arbeiders zyn, die den Javaan zullen opleiden tot vrywilligen arbeid.

Verleent my hiertoe ... neen, dit behoeft niet.

Vrye arbeid is wenschelyk. Staat me by, alle goede geesten van kansel en balie! Helpt me met uw verrukkelyke bewysvoeringen en lankzinnigheden, gy allen die ooit middel vondt om ’n mur-mitoyen te begraven onder pleitredenen van zeven uren gaans!

Staat me ter-zy, redenaars in de afschaffings-genootschappen, die ’n heelend avend kunt vullen met het betoog dat het beter is nuchter dan dronken te zyn! Helpt me, gy allen die de kunst verstaat veel woorden te wyden aan weinig zaaks ... steunt me, redt me, staat me by!

Geeft me ’n adjektief by elk substantief.

Geeft me ’n bywoord by elk adjektief. En by elk werkwoord, ’n bywoord.

Blaast me lange volzinnen in ’t oor, overal waar de korte te duidelyk zouden wezen voor ’t begrip.

Overlaadt my met uw nogtans, uw niettemins, uw hoezeers en uw niettegenstaandighedens.

Geeft my de kracht om tot a te zeggen: o, gy eerste der vierentwintig letteren! Het talent, om dertienmaal achtereen ’t zelfde te betuigen met andere woorden.

Tot u vooral wend ik my, prins der preêkers, tot u wend ik my om hulp. Want zie, ook ik ga eens ’n preek maken. Men wil dit zoo. Uw voorbeeld richte my ... uw kracht sterke my ... uw geest beziele my ... dit hoop ik!

En gy die me hoort, vergeeft dat ik niet terstond my verheffen kan tot de hoogte dergenen die levenslang zich toelegden op lankheid en overbodigheid.

Bedenkt, bid ik u, dat ik my altyd bezig-hield met kort en goed te zeggen wat er te zeggen viel, en dat men niet opeenmaal meester worden kan in alle kunsten.

Ik begin tegen m’n gewoonte met ’n captatio benevolentiae: ik beken schuld. Reeds veel vroeger had ik my moeten toeleggen op de nooit genoeg te waardeeren handigheid, de waarheid vervelend te maken opdat ze u zou aanstaan. Ja daarin beken ik schuld. Ik beloof beterschap ... en tot bewys: ziehier!

VRYE ARBEID IS WENSCHELYK.

Om dit te bewyzen, waarde hoorders, zal ik beginnen met te zeggen dat het niet waar is. En ik heb nòg ’n confidentie te doen. Ik zeide u zoo-even dat ik methodisch was, en lang nadacht voor ik handelde of sprak ... welnu, ook dit is niet waar. Vrye-arbeid is niet wenschelyk, en ik ben niet methodisch. Wat ik heden zeg, trek ik morgen in. Ik bestryd vandaag de stelling die ’k gister opstelselde. Ik moet dit nu wel erkennen, wyl ik voor ruim twee jaren de domheid gehad heb openlyk te verklaren dat Vrye-arbeid ’n goede zaak was. Natuurlyk zag ik deze inconsequentie liever bedekt met den mantel der vergetelheid, maar ik vrees dat dit niet gelukken zou, omdat een uwer misschien in ’t bezit is van ’n exemplaar der Amsterdamsche Courant van 9 December 1859 No. 294 (avondeditie) waar we—met gepasten eerbied—o. a. het volgende lezen:

«De vraag van den dag is: vrye-arbeid of gedwongen arbeid.

Gewis! Maar ... wie twyfelt daaraan?

Wie twyfelt er aan, of absentie van roof, moord, diefstal, echtbreuk, luiheid, wenschelyk ware?

Wie twyfelt er aan, of het goede beter is dan het kwade?

Maar die vragen zyn oiseus.

De vraag is niet: wat hier het betere zy? De vraag is: of het betere kan bereikt worden? En, zoo ja, langs welken weg?”

Helaas, zoo schreef ik voor ruim twee jaren! En wat het ergste is, m’n naam staat er onder. O, had ik toen kunnen voorzien dat de eischen des oogenbliks my in Januari 1862 zouden dwingen tot de verklaring—en ’t bewys—dat vrywillige arbeid niet wenschelyk, dat ze integendeel onaangenaam is, nadeelig, onzedelyk, onvoordeelig en verfoeielyk... o had ik...

Maar naklagen baat niet. Het staat er nu eenmaal. Zou ik kunnen beweren dat er tekstvervalsching plaats had? Of dat de redaktie der Amsterdamsche Courant m’n schrift, m’n styl had nagebootst... neen, dit kan niet. En bovendien, dan had ik vroeger moeten protesteeren tegen de onzinnige kettery die daar te lezen staat, met m’n naam er onder in volle letters.

Neen, geen omwegen! Ik heb ’t gezegd. Ik hèb verklaard dat vrywillige arbeid beter is dan gedwongen werk. Daaraan is niets te veranderen. Maar nu trek ik die dwaling in, en beweer dat niets schandelyker en nadeeliger is dan vrywillige arbeid.

“En hoe zyt ge geraakt tot deze nieuwe overtuiging?” zal men vragen ... naar ik hoop. Want als men het niet vraagt, zou het den schyn hebben alsof m’n preek den hoorder evenzeer verveelde als myzelf.

Hoe ik daartoe gekomen ben? Zeer eenvoudig. Neen, neen... om-godswil, vergeef me, niet eenvoudig! Ik vergat daar dat eenvoud m’n kerk leegschrikt, en dat alleen omslag gewild is. Volstrekt niet eenvoudig dus. Op zeer ingewikkelde wyze ben ik genezen van m’n dwaling, en wel ... raadt eens door wien? Door kleinen Max.

Dat kind is goed en zacht en gehoorzaam. O, ik vrees hy is àl te goed, àl te zacht! En, hoorders, als uw kinderen op hun ouders gelyken, dan zal myn kind ter-zyner-tyd de straffe dragen die de wereld toepast op goedheid, om wraak te nemen over het verschil.

Hoe dit zy, hy is willig en gehoorzaam. De kleine plichten die z’n leeftyd hem oplegt, vervult hy gaarne. Zelden of nooit behoeft men hem iets te bevelen. In één woord, tot-nog-toe arbeidde hy geheel en al vrywillig.

Voor eenige dagen sloeg het uur waarop hy gewoonlyk door z’n moeder wordt ter-ruste gelegd. In-plaats van als altyd op dat uur z’n speelgoed wegtebergen, zich uittekleeden en ons goeden-nacht te wenschen, kwam hy tot me, en zei:

—Papa, ik heb ’n idee!

Ik schrikte.

—Arme jongen, dit moet niet dikwyls gebeuren. Het zou je hinderen in de wereld. Wat is het?

—Wel ’t is tyd om te slapen ...

—Is dit je idee?

—Neen, luister! Toen ’t gister bedtyd was, heb ik me terstond gereed gemaakt, en u vroolyk goeden nacht gewenscht. Ge hebt me vriendelyk geantwoord, my opgenomen, naar-achter gedragen, neêrgelegd, toegedekt, en toen ge met moeder, de kamer verliet, was uw laatste woord, zoo-als altyd: goeden nacht, beste jongen ...

—Zeker, dit alles is waar, en moeder zei dat ook, en jyzelf hebt ons vriendelyk nageroepen: goeden nacht! Is dit dan zoo verkeerd? Wat wilde je anders? Heb je daarna niet goed geslapen?

—Ik heb goed geslapen, maar ... die manier van naar bed gaan, deugt niet. De werkster heeft ’n zoontje zoo oud als ik, en ik heb gehoord dat dit jongetje ’s avonds niet naar bed wil. Dan moet z’n moeder hem door slaag dwingen. Beste lieve papa, ik ben toch niet minder dan ’t kind van die werkster! Wilt ge my ook dwingen om naar-bed te gaan?

—Maar kind, hoe kan ik je dwingen tot iets wat je doet zonder dwang?

—O, heel gemakkelyk. Ik zal niet willen.

Ik beken dat ik ’t kind niet begreep, maar dewyl ik zoo dikwyls genoodzaakt ben hem sommige uitspanningen te ontzeggen, besloot ik ditmaal aan z’n verlangen te voldoen. En het doet me nu genoegen toegegeven te hebben in ’n wensch die:

1o. het kind gelukkig maakt.

2o. ’n aangename afwisseling te-weeg brengt in m’n huiselyk leven, en

3o. my genezen heeft van de dwaling dat vrywillige arbeid ’n wenschelyke zaak is, zooals ik twee jaar geleden meende.

Na dien tyd namelyk gaat m’n kind nooit dan gedwongen te-bed. Ik sla en mishandel hem, eerst om hem te ontdoen van de goedaardige gedweeheid die hem zou te-bed dryven ook zonder slaag, en daarna mishandel ik hem nog-eens om hem te dwingen tot naar-bed gaan. En meer nog. Ik pas die mishandeling toe op alles wat er voorkomt. Ik maak hem al zyn plichtjes zóó onsmakelyk, dat-i de vervulling weigert, om daarna hem tot die vervulling te dwingen door mishandeling. Alle vrywilligheid ten goede wordt uitgeroeid, en ik heb de aangename voldoening dat m’n kleine jongen, die vroeger op vervelend eenvoudige wyze deed wat-i doen moest, nu tot niets kan gebracht worden dan langs den allerverrukkelyksten omweg van honger en slaag.

Men heeft geen begrip van de streelende verpoozing die deze stryd tegen den vryen wil my verschaft. Gisteren nog:

—Wat doeje daar, Max?

—Papa... ik heb...

—Zeg op... spreek... wat deed je daar?

—Papa... ik heb... adem gehaald?

—Waarom deed je dit, ongelukkig kind?

—Papa... ik deed het... omdat... omdat...

—Je deed het zeker omdat je ’t wilde?

—Ach ja, Papa!

—Vervloekte erfzondige verdorvenheid! Terug dien adem, terug, zeg ik je ... terstond ... oogenblikkelyk! Ik zal je leeren ademhalen uit vryen wil!

Daarop sloeg ik hem tot z’n longen waren teruggebracht in statu quo ante. En vervolgens:

—Haal nu adem omdat ik het je gelast! Maar, zei ik er fluisterend by, gehoorzaam niet terstond.

Het kind begreep me volkomen, en weigerde adem te halen, voor ik het daartoe gedwongen had door ’n flinke herhaling van straf.

Nu valt-i by-den-dag af, als iemand die op ’n ministeriëele beschikking zit te wachten. Hy smelt weg, en vergaat als kamfer. Z’n lastige vroolykheid is geknakt. Het eenige wat-i nog van-tyd tot-tyd vrywillig doet, is schreien en zuchten. Ik zal hem gelasten zich ook deze uitspanningen te ontzeggen, zoolang ik ze hem niet uitdrukkelyk voorschryf.

Maar, zegt men misschien, dit zyn slechts huiselyke zaken. Nu ja! Doch evenals Newton uit het vallen van ’n appel, tot de wet besloot, die ’t Heelal regeert, besluit ik tot de noodzakelykheid eener algemeene dwangwet uit de opmerkingen die ik maak in myn gezin.

Vergunt my u al terstond meetedeelen hoe ik getracht heb de manier, die sedert eenige dagen myn huis tot ’n waar paradys maakt, op de algemeene zaak toetepassen.

Ik ben zeer bevriend met ’n agent van policie, die in z’n leêgen tyd wysgeer is. Dezen heb ik myn stelsel uitgelegd, en hy begreep het terstond, omdat ik ’n oogenblik had waargenomen van leêgen tyd. Niet alleen begreep-i my, maar reeds den volgenden dag paste hy m’n heerlyke uitvinding toe. Ziet hier, geachte hoorders, een extract uit zyn dagboek:

Brussel, 12 Januari. De persoon A. van de trottoir gegooid, om daarna hem te dwingen op de trottoir terugtegaan.

De huisvrouw van B. uit hare woning gehaald, en haar daarheen teruggebracht. Drie uren geschilderd voor de deur van ’t gemeenschappelyk domicilie, om ze te dwingen t’huis te blyven.

Zy beweerde dat ze er niet aan dacht om uit-te-gaan, maar van dien vryen wil heb ik ’n afkeer.

Een koetsier gelast z’n paard aantedryven tot hollen, om hem dat te verbieden.

Eenige faro-drinkers die voor bezetten tyd de estaminet wilden verlaten, daarin opgesloten tot middernacht, en ze daarna gedwongen naar huis te gaan.

Iemand die zich verstoutte rustig by den weg te gaan, met stokslagen gemoveerd tot onrust, en hem daarna gearresteerd als schuldig aan rustverstoring.

Zoo-ver ’t dagboekje van m’n vriend den wysgeer-agent van policie. Maar er is meer.

Ge weet nog niet ten-halve, beste hoorders, hoe diep myne ontdekking over de wenschelykheid van dwang, ingrypt in de belangen van stad, land, werelddeel en heelal.

Ik zal ’t laatst het eerst nemen, dan zult ge ook al ’t andere wel gelooven.

’t Heelal ... zeker! Hebt ge er wel eens aan gedacht, hoorders, hoe schandelyk het is voor ons allen dat de zon geheel vrywillig stilstaat, en dat de aarde, die kleine eigenwyze aarde maar altyd-door in de rondte draait, zonder dat wy haar dit bevolen hebben?

Ziedaar nu de gevolgen van onze berispelyke onachtzaamheid. Maar beter ten-halve gekeerd dan geheel verdwaald. We zullen de zon dwingen tot stilstaan. Niets is gemakkelyker. Men geve haar eene Tweede-Kamer als de onze, dan sta ik borg dat ze geen stap van de plaats komt. En de aarde die zich, wie weet hoe lang al, met aanmatigende eigenwilligheid veroorlooft te draaien tot eigen genoegen, wy zullen haar dwingen tot draaien. Om al deze verbeteringen intevoeren, wacht ik slechts op het ééne vaste punt dat Archimedes gezocht heeft, en ... ik beloof u ’n heerlyke toekomst.

Alles zal gedwongen zyn. Door dwang zal ’t kind z’n ouders beminnen. Door dwang zult ge spreken, zwygen, staan, liggen, loopen, slapen, eten, geldwinnen. Dwang zal heerschen in de Natuur, in den Staat, in uw huis, aan uw sponde. Al wat kwaad is zal niet zyn, omdat al ’t goede dwang wezen zal.

Heerlyke, heilige, goddelyke dwang!

Ook de Javaan zal gedwongen worden het goede te doen, dat is: te arbeiden ...

“Maar eilieve, roept hier toch naar ik hoop de lezer uit, dit alles is ... absurd, ongerymd, dwaas, krankzinnig en nog meer ...

Juist!

WAT TE BEWYZEN WAS ... geachte hoorders!

Ik kan overgaan tot het tweede gedeelte van myn preêk.

De kwestie over vryen arbeid is nonsens.

’t Is ’n ondankbaar werk voor u te schryven, Nederlanders. Of ik goed schryf, weet ik niet. En dit scheelt me ook weinig. Maar dat gy niet lezen kunt, is zeker. En dat ge—hoe gebrekkig dan ook—lezen zult wat ik schryf, is ook waar. Beproef eens neen te zeggen.

Maar, zeer geachte hoorders, dit is ’n parenthesis die ik u verzoek niet te verstaan. Verbeeldt u daartoe dat ge in de Tweede-Kamer zyt, dan zal ’t wel wennen.

Ik heb u dan in ’t eerste deel myner rede, op uwe wyze—nog-eens: niet op myne wyze—aangetoond dat vrye wil beter is dan dwang. Ik verzoek nu, eens-voor-al, dit punt als afgehandeld te mogen beschouwen.

We zyn genaderd tot het tweede deel myner rede, waarin ik zal trachten te betoogen: dat de kwestie over vryen wil om te arbeiden ... NONSENS is.

Ik vraag vergunning hier te supprimeeren wat er zou te zeggen vallen over den oorsprong van den arbeid. Ook zal ik den zondvloed overslaan, en zelfs my onthouden van onderzoek naar den Sanskritschen wortel van ’t woord non-sens, dat zeer oud schynt te wezen. In ’t kort, ik doe afstand van alle gewone hulpmiddelen om u te boeien en te overtuigen. Wanneer ik dus in ’t tweede deel myner rede u minder verveel dan gevorderd wordt door deftigheid, gewoonte en smaak, bedenkt dan dat ik ruimte van plaats en tyd moet overhouden voor de “eenige beschouwingen” van m’n derde deel, die misschien zullen aantoonen dat er nog-al verschil van beteekenis bestaat tusschen “vrywilligheid” en “particuliere ondernemingen.”

Na alles wat ik onlangs in het eerste gedeelte dezer brochure te kennen gaf, zou ’k dit heele middelstuk myner preêk kunnen overslaan, of wel het inkrimpen tot deze eenvoudige opmerking: daar ge nu eindelyk met my eens zyt dat vrywilligheid beter is dan dwang, begrypt ge dat het redeneeren over de vraag:

“of er moet bepaald worden dat de Javaan voortaan die vrywilligheid zal bezitten?”

gevoegelyk zou kunnen worden gerelegeerd naar de duitenplateryen van den dag.

Maar zie, dan was m’n preêk te kort. Erasmus heeft u geprezen, hoorders, uit dankbaarheid misschien voor uw smaak in lankdradige betoogen. Want hy was meester in vrye kunsten, en zulke menschen hebben dikwyls behoefte aan débouché voor lange redevoeringen.

Ik ben meester in geen enkele kunst. Maar op de welsprekendheid leg ik me toe. Dit ziet ge.

We zullen dus maar weêr beginnen met de bewering dat niets nuttiger is, niets billyker, niets waardiger, niets zielverheffender dan vasttestellen by de wet, dat de Javaan arbeiden zal uit vryen wil.

Ik beveel myne opmerkingen hieromtrent dringend aan in de attentie van Volksvertegenwoordigers die verlegen zyn om een speech. Men zal zien dat myne stelling in nauw verband staat met ... alles—meer kan men niet verlangen—en dat ze gelegenheid biedt tot uitweidingen die ’t geduld zouden vermoeien van den trouwsten hoorder, den yverigsten slaper in welke kerk ge maar verkiest.

Vrye wil tot arbeid is “iets goeds.”

Het is goed, wenschelyk, nuttig, enz. “iets goeds” vasttestellen by de wet.

’t Is dus goed, wenschelyk, nuttig, enz. by de wet vasttestellen dat de Javaan vrywillig zal arbeiden.

En nu de algemeene conclusie, die ik ’t eerst zal behandelen om daarna terugtekomen op de byzondere:

’t Is goed, wenschelyk, nuttig enz. “al wat goed is” vasttestellen by de wet.

Leent me daartoe ... neen, dit hoeft weêr niet. Leent me niets.

Gierig, hebzuchtig, belangzoekend, was ik nooit. Of ’t by ’n wet bepaald was, weet ik niet, maar als ik wat had, gaf ik gaarne. Welnu, hoorders, heden geef ik aan alle tegenwoordige en toekomende Volksvertegenwoordigers de schema’s voor de redevoeringen die zy zullen te houden hebben over alle voorgestelde wetten die het Volk ... wat zeg ik ... die de heele Natuur zullen dwingen tot “iets goeds.”

“Ziehier hoe men zal kunnen spreken:

»Hoe, myne heeren, hoe ... zouden we weigeren den minister te steunen—voor wien ik persoonlyk de meeste achting heb, doch met wien ik niet in de minste relatie sta, want by my op ’t dorp trouwen wy altyd onder elkaêr—zouden we hem onze hulp ontzeggen, nu hy ons de vrucht voorlegt van zyn nachtwaken? Mogen wy—wy die ’t Nederlandsche volk vertegenwoordigen—mogen wy het eenige redmiddel van-de-hand wyzen, dat den beklemden Staat zal verlossen uit de geweldig-innypende, dooréén-beroerende, van-uit-elkander-gescheurde, tegen-opgeslingerde ... (niet hoorbaar). Daar liggen zy, de treurige slachtoffers van ’t misbruik. Loeiende, brullende, schoppende, oogverdraaiende, liggen zy daar. Ik zeg dat ze daar liggen ... (niet hoorbaar). De voorgestelde wet is het heil van den Staat, myne heeren! Ik zeg dat de Staat ... (niet hoorbaar).

Doch ik zal niet toegeven in de aandoeningen die my overstelpen. Met kalmte en waardigheid zal ik trachten de zaken te ontwikkelen. En, myne heeren, als ’t hier-en-daar mocht schynen, myne heeren, dat ik spreek in het belang der party waartoe ik de eer heb te behooren, myne heeren (hier moet de spreker links buigen, en rechts ook, en naar ’t midden ook) dan, myne heeren ... (niet hoorbaar).

De zaak is zakelyk deze, myne heeren. De zaak is, ons goed voortestellen wat de zaak was, wat de zaak is, wat de zaak wezen kon, en wat de zaak worden zal, als de zaak die we thans behandelen door ’n wet zal zyn vastgesteld. Dit is de zaak myne heeren!

De veestapel, myne heeren, ik zeg dit uit diepe overtuiging, en niet dan na lang daarmeê te hebben omgegaan, de veestapel ... (niet hoorbaar). Ik zeg: zonder koeien geen melk. Zonder vee, geen vleesch. En dat vee ... (niet hoorbaar) zoover ik de eer heb het te vertegenwoordigen, myne heeren, is geloovig, godsdienstig, gehecht aan den roem en de bezittingen zyner voorvaderen, myne heeren! Daarom ... (niet hoorbaar) wat zegt de voorgestelde wet? Laat ons haar bedaard lezen, zonder verhitting, zonder partygeest ... kalmte, myne heeren, kalmte! Wat zegt de wet? Ziehier:

»Eenig Artikel. Alles gehoord en gelezen, is verstaan te bepalen dat voortaan elk rund tweemaal zal worden geslacht en opgegeten voor ’t dood is,

Onze Ministers zyn belast met de uitvoering.”

Zóó zegt de wet, myne heeren! En gy zoudt die wet, die heerlyke onvolprezen wet afkeuren? Ge zoudt ... maar neen ... ik verwacht iets anders van uwe vaderlandsliefde. Ik heb gesproken met overtuiging. Mocht ik hier-of-daar, in ’t vuur der improvisatie, iemand hebben gekrenkt of beleedigd, ik vraag daarvoor verschooning, myne heeren! Ik verzeker al de heeren in ’t algemeen van m’n zeer byzondere hoogachting, en hiermede ... ik heb gezegd!

Anders:

»Ik zou het woord niet hebben gevraagd, myne heeren, dewyl de behandelde zaak geheel-en-al buiten myn werkkring ligt, wanneer ik my niet verplicht voelde ernstig te protesteeren tegen de insinuatiën die er misschien zouden kunnen gelegen hebben in de woorden van den geachten spreker uit X., wiens doorwrochte redevoering ik niet heb kunnen verstaan. De heilige zaak die ik op my nam—in onze sociëteit de Gezelligheid—toen al de leden ... toen al de Kiezers my de belangen opdroegen van ons distrikt, verbindt my tot de verklaring dat ik niets toestem van wat er in die redevoering misschien stuitends of onaangenaams mocht voorkomen voor de leden der ... voor de Kiezers van myn distrikt. Ik behoud my ’t recht voor, hierop terugtekomen, zoodra ik wellicht te-eeniger-tyd zal mogen vernemen wat de spreker uit X.—wien ik persoonlyk de meeste achting toedraag—eigenlyk gezegd heeft.

En, myne heeren, wat de voorgestelde wet aangaat, met het oog op de heilige afspraken die ik maakte met den kruienier op ons dorp, verklaar ik plechtig, vóór die wet te zullen stemmen, zoodra de Regeering kan goedvinden het getal der avatara’s van onze geachte runderen te bepalen op drie.

Myn geweten schryft me dit amendement gebiedend voor, en de conciërge—voor wien ik persoonlyk de grootste achting heb—zal iets in dien smaak deponeeren op ’t bureau.”

Anders:

»Het goede, myne heeren! By ons in den achterhoek—het zy gezegd zonder den minsten blaam te willen werpen op andere hoeken—by ons leven wy voor ’t goede. De voorgestelde wet is door al m’n Kiezers, wat de strekking aangaat, met genoegen vernomen. En ikzelf zou daarmede instemmen, wanneer ik niet de eer had (hier moet de spreker buigen naar de rechterzy, en naar de linkerzy, en naar ’t midden) wanneer ik niet, zoo als ik de eer had te zeggen, de eer had Lid te zyn van deze Kamer, welker leden ik allen persoonlyk de meeste achting toedraag.

De zaak is deze, myne heeren!

Wat zegt de wet die ons wordt voorgelegd door den tegenwoordigen minister, wien ik persoonlyk de meeste achting toedraag? Die wet zegt:

»gehoord enz.» »te bepalen dat alles goed zal zyn.»

En, myne heeren, de ministers moeten dat uitvoeren. Nog-eens, myne heeren, al m’n Kiezers—en zelfs de kastelein van onze sociëteit, ’n man van zaken!—al m’n kiezers keuren de strekking van die wet goed. Maar, myne heeren, ikzelf als lid van deze Kamer, welker leden ik allen persoonlyk de meeste achting toedraag, ikzelf stem tegen de redactie. Immers zoodra eens-voor-altyd al ’t goede zal vastgesteld wezen, zoodra eens-vooral de ministers zullen belast zyn met de uitvoering van alles goeds, zullen er geen latere wetten meer noodig zyn. En, myne heeren, met de hand op m’n mandaat, met het oog op den zetel des voorzitters, met den mond geopend als tot het doen eener vernietigende, verpletterende, tegen-zelfmoord-waarschuwende vraag, voel ik me verplicht u voortehouden:

Waar blyven wy dan?

(eenige poozen. Aandoening. Beweging. Onsteltenis en suikerwater.)

Vergeeft me, myne heeren, ’t onwillekeurig afbreken myner rede. Men is Lid van de Kamer, ja, maar men is ook mensch. Ik zal voortgaan. Ik zal trachten m’n hartstochten te betoomen naar behooren. Ik zal gebruik maken van ’t voorschrift diens grooten meesters in de redeneerkunst, die den redenaar tot eersten plicht maakt niet te schreien onder ’t preeken, en ik zal u, zonder tranen, maar even bewogen als-óf ik schreide, nogmaals vragen:

Waar blyven wy dan?

Ja, ik vraag u, Leden van deze Kamer, die ik allen persoonlyk zoo byzonder hoogacht, wanneer eens-vooral het goede ... al het goede ... niets dan ’t goede, ware vastgesteld by de wet ... ik vraag het u in ’s hemels naam:

Waar blyven wy dan?

(Indruk. Verpoozing. Rumoer. De spreker geeft ’n teeken aan de »juffrouw” op de tribune, die hy ’n kaartje gaf onder verband van flauwvallen. Ze valt flauw. Opschudding. De »juffrouw” is weggebracht door twee knechts, voor wie ze persoonlyk de meeste achting heeft. De spreker gaat voort met wat hols in de stem).

Waar blyven wy dan. Ik heb persoonlyk de meeste achting voor al de leden, maar ik durf, ja, ik moet hun ernstig en plechtig—en dezen keer zelfs kort en goed—afvragen: waar ze blyven zouden?

Gy, geacht medelid uit Z ... waar zoudt gy blyven? Zou men op uw dorp genoegen scheppen in uw omgang, nadat ge hier finaal hebt afgeleerd verstaanbaar te spreken?

Gy, even-geacht medelid uit Y ... denkt ge dat de opzieners uwer fabriek u zouden verstaan, begrypen, gehoorzamen, nadat ge u in deze eerbiedwaardige vergadering met zooveel succes hebt geoefend in onbegrypelykheid?

En gy, nog geachter medelid uit X.—dit zy gezegd zonder de minste bedoeling om mindere achting uittedrukken voor de andere leden, die ik, ieder voor zich, nog meer acht dan ik al de andere te-zamen acht—gy, boven alles geacht lid uit X., meent ge dat uwe vrouw, die met PRUD’HOMME uwe verkiezing den eeresabel van haar hart noemde, meent ge dat zy u by ongekozen terugkeer, zou tegenwalmen met de vrouwenziel-kenmerkende juichtonen die geschreven staan in ’t vrouwen onderdanigheid-voorschryvende artikel des burgelyken wetboeks? Meent ge dat de herboren onderdanigheid—herboren op den oogenblik uwer roemryke apothéose in de Gezelligheid—meent ge dat die herboring niet zou neêrvallen, in-eenzakken, vervliegen en verdampen, zoodra ze in u omarmen moest een aan ’t strand gespoeld, gebersten, bedorven, gespleten, vergaan, geknakt, gescheurd, bemorst, kleurloos, vormloozig, onbruikbaar stuk houts, dat deel maakte van ’t verongelukte vaartuig onzes dierbaren parlements, voor welks leden ik persoonlyk de meeste achting gevoel?

Meent gy geachte spreker uit X, dat de kinderen in uwe stad, en de dochteren van de arbeiders uwer stokeryen, uwer spinneryen, uwer bouwlanden en uwer branderyen: meent ge dat die allen u zullen tegemoetstroomen met zoetgalmend gejuich? Meent ge dat de turfdragers ten-uwent de paarden zullen afspannen van uw wagen, als ge ongekamerd terugkeert? Denkt ge dat de notaris en de ontvanger u ’n feest zullen aanbieden, ’n feest met schildpadsoep, met toasten en leve-de-konings, alsof gyzelf de koning waart? Denkt ge dat één boer u zal toeroepen: »gnavend samen» als-i weet dat ge door de thans voorgestelde wet zyt veroordeeld tot overbodigheid? Meent ge dat de burgemeester u de vuurtest zal reiken voor uw pyp, als die pyp in treurige kamerloosheid niet meer branden mag tot heil van ’t vaderland! Meent gy in ’t eind ... doch wat behoef ik verder te vragen, geacht lid uit X ... ik zie dat gy getroffen zyt. Ik zie dat m’n rede uit het hart is gegaan tòt het hart, en ik zal de fyngevoeligheid der vergadering—welker leden ik allen persoonlyk de meeste achting—de yselykheden sparen der schildering van ’t lot dat ons allen wacht ... wanneer de voorgestelde wet mocht tot-stand komen.

Maar zeer geachte leden, het is niet de strekking dezer wet, het is de gebrekkige redaktie die over ons al de ellende zou uitstrooien waarop ik nu nog slechts ter-loops gewezen heb, doch die my stof geven zou tot ’n redevoering, nog langer dan de andere ... die ge nooit kunt vergeten omdat gy ze nooit hebt gehoord.

De redactie deugt niet, myne heeren! Al m’n kiezers zyn ’t hierover eens. En zelfs onze kastelein ... (onhoorbaar). Wel mocht al het goede worden vastgesteld by de wet, maar, myne heeren zeer geachte medeleden, dit moet niet geschieden by ééne wet!

Juicht, geachte medeleden uit X, uit Y, uit Z ... juicht! Schryft aan uwe vrouwen, boeren, arbeiders, Kiezers en medeleden van alle mogelyke Gezelligheden: al het »goede» zal worden vastgesteld by de wet en tòch zal er altyd ’n parlement noodig zyn, tòch zal er, altyd-door, behoefte wezen aan nieuwe wetten.

De aantooning hiervan, myne Heeren, zal me stof geven tot het tweede deel myner redevoering.

(Verbazing en suikerwater).

Ja, al »het goede» zal worden bepaald, vastgesteld, geschapen door de wet! Maar, zeer geachte leden, dit alles moet niet geschieden door ééne wet.

De thans voorgestelde getuigt van eene onvergeeflyke, in bureau-mannen onbegrypelyke—en, ik moet dit erkennen, zeer ongewone—kortheid. Ze moet worden afgestemd, doch onder uitdrukkelyke verklaring dat de kamer zich geheel-en-al vereenigt met het principe des Ministers, voor wien de Leden der Kamer persoonlyk de meest mogelyke achting koesteren. Vervolgens behooren wy dien Minister—ditmaal onder betuiging onzer zeer byzondere achting—in overweging te geven, het “goede” te verdeelen in zooveel onderdeelen als eenigszins mogelyk is, om dan voor elk onderdeel een nieuwe op-zichzelf-staande wet ter-tafel te brengen.

Ziedaar, geachte medeleden, de oplossing van het vraagstuk, hoe wy al het “goede” kunnen vaststellen by de wet, en toch altyd-door behoefte blyven houden aan nieuwe wetten, dat is: aan geachte leden van dit parlement.

(Hier wenkt de spreker naar de tribune. Gejuich op de tribune.)

Wat my betreft, myne heeren zeer geachte medeleden, ik wil toonen dat ik ’n man van zaken ben, ’n vyand van holle theoriën: en ’n vurig aanhanger tevens van onze gezegende grondwet, het kostbaar instrument dat aan ’n zeventigtal ingezetenen, die wellicht anders voor ’n groot deel niets zouden wezen, den schyn waarborgt dat ze iets zyn.

Ja, myne heeren, dit wil ik u toonen. Ofschoon ik eigenlyk kapitalist van beroep, en dus niet gewoon ben my intelaten met het oplossen van moeielyke vraagstukken, heb ik den weinigen tyd dien myn bedryvige werkkring my overlaat, benuttigd om ’n twintigtal wetten uittedenken, die allen het “goede” bevorderen, wat zeg ik, die het “goede” vaststellen. ’t Spreekt vanzelf, myne heeren, dat er nog meer te maken zyn ... dit is ’t voornaamste! Schryft gerust naar huis, dat het onderwerp niet Kamer-vernietigend uitgeput is. Volstrekt niet! Onze kastelein ...

(Hier behoort de spreker te hoesten. Hy haalt ’n rol uit den zak en leest:)

Eerste wet. Alle jonge dochters zullen, te beginnen met ... gy begrypt toch myne heeren, dat de tyd van ingang afhangt van ’t oogenblik waarop de wet behandeld wordt? Ook verzoek ik verschoond te mogen blyven van de herhaling der clausule dat de Ministers zullen zorg-dragen voor de uitvoering. Eens-voor-altyd, de ministers voeren alles uit. Alle jonge dochters dan, zullen voortaan zachtmoedig zyn, geduldig, inschikkelyk, tevreden en schoon.

Nota van toelichting. Ik heb er niet tegen, deze wet te splitsen in zooveel deelen als er deugden kunnen bedacht worden. Mocht men overigens nog bovendien verkiezen afzonderlyke wetten te maken voor de blonde, voor de bruine, voor de onzekerharige, ’t is my wel. Nog ’n andere, zeer nuttige splitsing is mogelyk. Men kan de meisjes verdeelen naar provinciën, naar steden, dorpen, gehuchten, huisgezinnen, naar geboorte-dagen of uren, naar hebbelykheden of godsdienstige en andere meeningen, jazelfs men zou elke jonkvrouw tot het onderwerp kunnen maken van zooveel wetten als er hoedanigheden bestaan. Ik gis, maar hiervan ben ik niet zeker, dat die hoedanigheden, nog zouden kunnen worden gesplitst in onder-hoedanigheden. Hoe dit zy, men ziet dat myn denkbeeld over de verdeeling van “het goede” onuitputtelyk vruchtbaar is. Ik verzoek de heeren dit naar huis te schryven.

Tweede wet. Er zal geen hagel vallen zoolang ’t gewas op het veld staat.

Nota van toelichting. Men kan hiervan ’n boekweitwet maken, ’n tarwewet, ’n roggewet, ’n haverwet, enz. En, na ’t aangegeven idee over de splitsing van de jonkvrouwelyke deugden, vermeen ik hier, even als by de volgende wetten, eens-vooral de opmerking te mogen achterwege laten, hoeveel duizende wetten er te maken vallen uit elke wet die ik voorstel.

Derde wet. Niemand zal z’n been breken.

Vierde wet. Bankroeten zyn afgeschaft.

Vyfde wet. Al de leden van de Tweede Kamer zullen bekwaam zyn, en verstaanbaar spreken.

Zesde wet. Alle verkeerde begrippen worden ingetrokken.

Zevende wet. Ieder inwoner van den Staat zal behoorlyk gevoed worden.

Achtste wet. Er zal geen inbraak plaats hebben by diefstal.

Negende wet. Alle landeryen worden vergroot.

Tiende wet. Elke ingezetene zal voortaan juist zoo denken als de Ministers die den Staat regeeren.

Elfde wet. Een gouverneur-generaal in Indië, zal Engelsch verstaan om Pope te kunnen lezen.

Twaalfde wet. Kostschoolkinderen, militairen en gouvernements-arbeidslui zullen zich ontdoen van alle begeerte naar voedsel.

Dertiende wet. Er wordt voortaan niet geonweêrd voor twaalf uren in den nacht, (middelbare tyd.)

Veertiende wet. Alle ziekten die onaangenaam zyn voor de patiënten worden ingetrokken.

Vyftiende wet. Geen jeugdig Nederlander zal onbekwaam en lummelig zyn.

Zestiende wet. Geen bejaard Nederlander zal onbekwaam wezen, en saai.

Zeventiende wet. Er zullen dertien witte boonen groeien in één snyboon.

Achttiende wet. Men zal voor weinig geld zich even veel gemakken aanschaffen, als voor veel geld.

Negentiende wet. Alle visch uit de Indische zee zal in Holland te verkrygen zyn om-niet.

Nota van toelichting. Deze wet heb ik van ’n vriend die hoogleeraar is in de protéïne.

Twintigste wet. De Javaan zal arbeiden uit vryen wil.

Maar dit is domheid, dwaasheid, onzin, krankzinnigheid en nonsens!

Juist, dat is NONSENS.

Wat te bewyzen was alweer ... geachte hoorders!

Vrywillige arbeid is wenschelyk.

Het is even ongerymd te redeneeren, te discussieeren, te parlementeeren over—onverschillig vóór of tegen—zulk ’n wet. (Duitenplatery).

Ik meen u gebracht te hebben tot de erkentenis van deze waarheden, en alweder moet ik u verzoeken dit eens vooral te mogen constateeren, opdat ik dáárop althans niet zal moeten terugkomen.

Om verschooning te verdienen, of juister om u te doen inzien dàt ik verschooning verdien voor de soort van bewysvoering door my toegepast op de stellingen, die ik alzoo de vryheid neem met dagbladschryvers-lankdradigheid vooroptestellen, voel ik my verplicht, vóór ik mag overgaan tot het derde deel dezer verhandeling, u ’n kleine geschiedenis te verhalen, die nooit gebeurd is.

In zeker land heerschte beweging, onrust, tweespalt... agitatie. Er bestond ’n verschil van gevoelen, dat zeer diep ingreep in alle mogelyke “eerste beginselen”. Vaders haatten en onterfden hun zoons. Vrouwen verlieten hun echtgenooten. Winkeliers, hun toonbank en geldlâ... neen, zóóver ging de agitatie niet, maar ze ging toch héél ver.

Omdat deze agitatie nadeelig werkte op den loop der zaken—zoo-als alle agitatiën—werden er zeventig wyze lieden benoemd—septuaginta, ’n omineus getal!—zeventig wyzen alzoo, met witte haren en overvloeiende van persoonlyke geachtheid om de zaak die ’t volk zoo agiteerde, tot klaarheid te brengen.

Die wyzen dachten diep na, en spraken veel. Zy spraken veel, en dachten soms zeer diep na. Eenigen hunner spraken veel, zonder zoo heel diep natedenken. Ook waren er die spraken zonder nadenken in ’t geheel.

En onder hen die spraken, waren er die verstaan werden van-tyd tot-tyd.

Maar onder de sprekers die verstaan werden, werd er geen enkele begrepen.

Ik laat nu daar, of ze niet wilden begrepen worden, d.i. of men zich in ’t land waarvan ik spreek, toelegde op duitenplatery. Maar zeker is ’t dat het volk, na lang getwist, na veel gespreks, even wys bleef als te-voren.

Vaders hielden zich onophoudelyk bezig met onterven hunner zoons. Vrouwen gingen voort haar mannen te verlaten. Winkeliers ... neen, zóóver ging de agitatie niet, maar toch altyd-door, heel ver.

En de wyzen werden hoe langer hoe witter van haren. En hunne persoonlyke achtenswaardigheid werd gedurig achtenswaardiger en persoonlyker. En ze spraken ... ze spraken ... Maar de agitatie duurde voort. Het volk werd niet wyzer. De vaders ... ge weet de rest.

De deftigheid der septuaginta klom tot hoogen ernst.

Hun ernst werd plechtig.

De plechtigheid ging over in ’t aandoenlyke.

’t Volk was dan ook aangedaan. Maar het was dit door de zeer onprettige gewaarwording die men agitatie noemt, en geenszins door de meer gewenschte aandoening der erkentelykheid voor bekomen licht in de duisternis.

En de vaders... ja, dit weet gy al.

Met verfoeielyke tuchteloosheid heb ik verzuimd u meetedeelen, waarin dan toch het verschilpunt gelegen was. Ziehier. De vraag die ’t volk agiteerde, die de zoons onterfde, die de vrouwen afdreef van de mannen, die de winkeliers ... neen, de winkeliers niet. De vraag die de septuaginta zoo bezighield—met behoud van persoonlyke achting—de vraag was deze:

“heeft de heilige Dionysius, na z’n dood, gewandeld met z’n hoofd onder den rechter-arm of onder den linker-arm?

Het volk gooide dien man met vuil. Dit spreekt vanzelf. Ook de onterfde zonen gooiden meê. Ze hadden dit niet moeten doen, zy voóral niet. En ziet, de verzoeking om met vuil te werpen, werd zelfs den winkeliers te sterk. Ditmaal verlieten ze voor ’n oogenblik geldlâ en toonbank.

Maar de man die niet persoonlyk geacht was en geen witte haren had, bedacht een middel om een eind te maken aan de nuttelooze agitatie van ’t volk, en aan de even nuttelooze—onverstane en onbegrepen—deftigheid der septuaginta. Hy nam een stoel ging er op staan, en sprak:

“Hoort, burgers, hoort het woord dat tot u gesproken wordt over, en wel dóór den heiligen Dionysius. Hy is my verschenen in den droom, en heeft me verzocht u allen te groeten. Hy laat u zeer bedanken voor uwen yver in de rechter-linkerkwestie. Doch die goede heilige wil niet dat gy te ver zoudt gaan in uw vurig streven naar waarheid, en dat ge ’t offer worden zoudt van uw onleschbaren dorst naar gerechtigheid. Daarom, o edele vaders, onterfde zonen, weggeloopen vrouwen, en wat dies meer zy, hoort wat de heilige man my gezegd heeft, en maakt terstond ’n eind aan uw agitatie:

Ter voorkoming van na-yver tusschen zyne beide armen, heeft de onvolprezen Dionysius na z’n onthoofding, z’n lichaam tusschen de tanden genomen, en zóó is-i voortgewandeld!”

’t Volk juichte. De redenaar werd bekranst. Ieder was tevreden. Ieder ... behalve de Septuaginters die ietwat verloren hadden van hun gewicht, hun aanzien en hunne persoonlyke geachtheid ...

Of gy nu, zeer geachte hoorders, juichen zult, en my bekransen, nadat ik u in de twee eerste deelen myner rede het bespottelyke heb onder ’t oog gebracht van uw rechter-linkerkwestie, weet ik niet. Ik twyfel daaraan omdat ik weinig reden heb staat te maken op uwe rechtvaardigheid. De vertelling over Dionysius had geenszins ten-doel u toejuiching of kransen aftelokken voor zotternyen, nadat ge my die toejuiching hadt ontzegd voor al den ernst dien ik u gaf. Ik wapen me slechts tegen de beschuldiging dat ik m’n toon zoek ...

Ziehier: (Havelaar pag. zooveel.)

«Vervloekt dat verontwaardiging en droefheid zoo vaak zich kleeden in ’t lappenpak van de satire! Vervloekt dat ’n traan, om begrepen te worden, moet verzeld gaan van gegryns! Of is ’t de schuld myner onbedrevenheid, dat ik geen woorden vind om de diepte te peilen van de wonde die er kankert aan ons staatsbestuur, zonder m’n styl te zoeken by Figaro of Polichinel?

Styl... Ja! Daar liggen stukken vóór my, waarin styl is. Styl die aantoonde dat er ’n mensch in de buurt was, een mensch wien ’t de moeite waard geweest ware de hand te reiken. En wat heeft die styl den armen Havelaar gebaat? Hy vertaalde z’n tranen niet in gegryns, hy spotte niet, hy zocht niet te treffen door bontheid van kleur, of door grappen van den uitroeper voor de kermistent. En wat heeft het hem gebaat?

.............................................................................................................................................................................................................................................................................................................................

Weg met gemoedelyke taal! Weg met zachtheid, rondborstigheid, duidelykheid, eenvoud, gevoel! Weg met al wat herinnert aan Horatius, justum ac tenacem! Trompetten hier, en scherp gekletter van bekkenslag, en gesis van vuurpylen, gekras van valsche snaren, en hier-en-daar ’n waar woord, dat het meê insluipe als verboden waar, onder bedekking van zooveel getrommel en zooveel gefluit.

Styl! Hy had styl!

En wat heeft het hem gebaat?

Als ik dus wil worden gehoord—en verstaan vooral—moet ik anders schryven dan hy!»

Ja, dan moet ik anders schryven, zeer geachte hoorders! En anders spreken ook. Hieraan hebt gy die treffende historie van Dionysius te danken. Vermaakt er u meê.

En nu, dunkt me, kan ik overgaan tot het derde gedeelte myner preek, waarin ik eenige beschouwingen wensch medetedeelen ...

Naar den duivel met die preêk en die beschouwingen in ’n derde-deelig lystje! Naar den duivel met uw gareel waarin ’k niet loopen wil, gy die geen paard begrypt zonder juk, geen leest zonder keurslyf, geen taal zonder spraakkunst, en geen waarheid zonder peperhuis, waarin ze ligt opgerold, toegevouwen, platgedrukt, inééngefrommeld, als ’n theater-affiche van den vorigen keer!

Naar den duivel met uw schoolmeestery, gy die meent dat schryven of spreken iets anders is dan ’t weergeven van de indrukken der ziel! Gy die dáárom van de ziel ’n talent hebt gemaakt, om uw aangeleerd, verschoold talent voor ziel te doen doorgaan, en alzoo dat talent te maken tot grondstof van ’n beroep “dat wat gééft!”

Voort ... terug naar de schoolbank, gy meesters in dingen die men niet leert, gy volleerden in zaken die ge hadt moeten voelen, vóór gy iets leerdet! Weg, preêkers, babbelaars, redevoeringhouërs, preek- praat- redeneer- vertoog- pleit- verhandelkranen, à raison van zooveel woorden in ’t uur, van zooveel centen ’t woord! Weg handelaars in de waarheid, tegen honderd liters in de minuut. Debitanten en splitsers van gevoel in volzinnen groot en klein, by den emmer en by ’t maatje ...

Gy hebt het Volk bedorven! Gy, schriftgeleerden gy, gy, gy ...

Gy, met uw gepraat over dingen die vanzelf spreken. Gy, met uw gepraat over dingen die in ’t geheel niet spreken. Gy, met uw rechterzy en uw linkerzy. Gy met uw behoud en uw liberalisme. Gy, met uw “eerste beginselen” die onmisbare bondgenooten van elke beginselloosheid. Gy, met uw deftigheid en witharige wysheid. Gy, met uw duitenplatery, dat is: gy met uw bedrog ... GY hebt het Volk bedorven!

En ge huist, als vuil ongedierte, niet alleen in de plooien van de “toga der Volksvertegenwoordigers—ge nestelt overal waar ge kunt plaats vinden tusschen naad of vouw der bedekking van de een-of-andere deftigheid. Gy, sprekers, praters, schryvers, redenaars, preêkers ...

AAN DEN UITGEVER.

Waarde d’Ablaing!

Neen, er zal niet gezegd worden dat niemand beproefde den vloek te bezweren die er rust op het Volk. ’t Zal niet gezegd worden dat niemand de ziekte aantastte, de rottende ziekte waaraan dat Volk lydt: de LEUGEN. Ik zal doen wat ik kan.

Ik verzoek u de uitgaaf op u te nemen van ’n werk dat ik zooeven bedacht heb. Ik zal u elke week ’n vel druks leveren. Ja, als ik ’n kamer heb waar ik rustig zitten kan, twee vellen in de week. Ik verbind my voorloopig tot schryven van zes-en-twintig vellen, dat is dus—als ik geen goede kamer heb—voor ’n half jaar.

Geef dat uit naar uw goeddunken. By inteekening, zonder inteekening ... voor veel geld, voor weinig geld ... het scheelt my niet.

Ik zal in dat schryven trachten naar waarheid.

Dit is m’n program. Dit is m’n eenig program.

Ik zal geven: verhalen, vertellingen, geschiedenissen, parabelen, opmerkingen, herinneringen, romans, voorspellingen, mededeelingen, paradoxen ...

Ik hoop dat er ’n idee zal liggen in elk verhaal, in elke mededeeling, in elke opmerking.

Noem dus m’n werk: Ideën. Anders niet.

En schryf er boven: “een zaaier ging uit om te zaaien.”

Kondig het terstond aan. Dat werk zal de vaan wezen die ik ophef en hooghoud: parceque suivre bannière ne peux!

Ja, dat zal ik doen. En nu de vrye arbeid!

Ik zou u op schoolsche gronden kunnen betoogen, lezer, dat de zysprong dien ik my zoo-even veroorloofde, volstrekt noodig was in myn bewysvoering. En ik, die zoo op-eenmaal den weg verliet, waarop wy te zamen wandelden, begin intezien dat ik waarachtig meer talent bezit dan ikzelf wist. Let eens goed op, ik zal u een kykje gunnen achter de schermen.

Toen ik ’n paar bladzyden geleden, den Havelaar opsloeg, om de passage uitteschryven, waarin ik my beklaag over de ellendige noodzakelykheid om u grappen te verkoopen, wyl ge anders niet zoudt luisteren, werd ik innig bedroefd. Want ik las daar ... ik las ... ik las ...

Alles kwam my zoo voor den geest terug! Ik riep gedurig: myn god, het is toch wáár wat ik daar schreef! ’t Is toch wáár dat ik daar m’n plicht deed in levensgevaar. ’t Is toch wáár dat ik arm en onmachtig van Lebak vertrok met vrouw en kind! ’t Is toch wáár, dat ik sedert dien tyd niet heb opgehouden bitter te lyden om ’t vervullen van m’n plicht! ’t Is toch wáár dat we alles hebben gedragen met geduld, met waardigheid en met moed ...

Dat alles is toch de waarheid, o myn God!

En ’t staat toch geschreven in dat boek. En al staat daarin niet alles geschreven, omdat alles niet geschreven worden kàn, er staat toch genoeg in dat boek, om te doen begrypen ook wat ik niet schreef ...

En dat boek was “zoo mooi” zeiden ze. En ze lazen dat zoo gretig, met zooveel ingenomenheid, en zoo overal!

En toch... toch... toch is er geen recht gedaan! Tòch ben ik even ver alsof m’n boek niet “mooi” was geweest! Even ver als-of er niet zooveel tranen waren gevallen op dat handschrift...

Toen ben ik verdrietig en bitter geworden.

En ik zocht de oorzaak die ’t rechtdoen in myn zaak in den weg staat, en ik vond die in de ziekte waaraan ge lydt, Nederlanders, ik vond die in uw rottende ziekte, in... leugen.

Immers, ik heb u waarheid gezegd, en gylieden hebt niet gehoord.

En dagelyks verkondigt men u leugens, en ge luistert.

Dááróm ben ik op-eenmaal ter-zy gesprongen, en legde m’n vloekbrief neêr voor de woning dergenen die u bedriegen. Dáárom spykerde ik in ’t voorbygaan de konde myner vete aan de poort van de roofridders die op geestelyk gebied uw gemoed prysverklaren, en hun hoogheid ophouden door diefstal.

In de middeleeuwen nam men ’t Volk geld en goed af. Dat heette adel in die dagen.

Hoe hooger het roofslot, hoe onbereikbaarder de dief... hoe hooger adel.

Thans neemt men u de waarheid af. En dit heet geleerdheid, staatkunde, godsdienst, bekwaamheid, in deze dagen.

En hoe hooger de preêkstoel, hoe verhevener de katheder, hoe deftiger ’t gestoelte... hoe meer geleerdheid, hoe meer godsdienst, hoe meer zedelykheid, hoe meer invloed, hoe meer gezag, hoe meer bederf!

Toen de boeren der middeleeuwen te-hoop liepen, bleek er spoedig dat de ridders de sterksten niet waren, en dat ze alleen den meester spelen konden, zoolang de goê-gemeente vergat dat er verzet mogelyk was.

En gy, eenvoudige lieden van gezond verstand, bedenkt dat de tabbert der geestroovende leugensprekers onzer dagen niet van sterker maaksel is, dan de harnassen der goed- en geldroovende dieven van adel.

Er is maar één adel. Eén adel, die harnas behoeft noch tabbert. Zyn strydperk is het licht. Zyn schild is de waarheid. Zyn kampvechter de Geschiedenis der menschheid. En zyn zwaard is het WOORD.

Dàt woord zal ik naar de mate myner kracht tot u spreken in deze brochure, en in IDEËN die ik van plan ben uittegeven. Daarin zal ik neêrleggen wat er omgaat in m’n ziel...

“Ei,” zegt ge, “en uwe verdediging van den zysprong? Uw beloofd kykje achter de schermen?”

’t Is waar. Ik had niet van ziel moeten spreken. Die zysprong was maar een oratorische kunstgreep om u vertrouwen inteboezemen op alles wat ik verder zeggen zal. Dit is nu wat de heeren noemen: “talent.”

Lezer, als ge goed hebt opgelet, dan verstaat ge nu die kunsten ook. En als ge niets anders te doen hebt, kunt ge terstond Ideën uitgeven, en meêschryven over Vryen-Arbeid. Maar, eilieve, nu ik u zoo goedmoedig in-staat stel om evenveel talent te hebben als de beste, nu ge by-ondervinding weet dat zoo’n talent ook voor den minst bevattelyken mensch te verkrygen is in een paar minuten tyds, nu ik u getoond heb dat het maar ’n “weet” is, zooals ’t volk zegt, nu zult ge toch wel, eens-vooral hoop ik, ophouden een hoedanigheid te verheffen die veel algemeener is dan laarzenmaken. Dàt leert ge zoo gauw niet.

En als ge nu weêr spreekt van talent, houd ik uw geroep daarover,—ja, ik deed dit reeds lang—voor ’n gehuichelde “exceptie” terechtsweigering.

“O, dat Kultuurstelsel!” roepen de Vry-arbeiders.

Ja, dat Kultuurstelsel werkt inderdaad noodlottig. En ik ben er tégen. Maar ik ben alleen dáárom tegen dit stelsel wyl ik ... geen nationaliteit bezit. ’t Woord is er uit. Ik kan ’t niet helpen, en ik neem het niet terug. My is Aristides nader dan de achtkante boer, al zy ’t dan dat deze m’n landgenoot was. Ik stel het recht boven buurtgenootschap, boven provinciegenootschap, boven landgenootschap, boven werelddeelgenootschap. En ik ben verwaand genoeg om ieder die hierover anders denkt, ieder die Aristides niet voortrekt boven dien ander, te beschuldigen van verregaande verwaandheid. Partytrekken voor landgenooten omdat ze landgenooten zyn, noem ik zelfverheffing par ricochet. Ik verklaar rondborstig, en naar ik meen nederig, dat het me nooit in ’t hoofd is gekomen my hooger te schatten dan ’n ander, omdat-i niet in Nederland geboren was. Deze nederigheid nu oefent ’n grooten invloed uit op m’n opinie over ’t Kultuurstelsel. Want ik hoor spreken van “Nederlandsche standpunten” d. i. van punten waarop ik niet sta... ik die maar ’n mensch ben. En zelfs dit geeft me geen “standpunt” op m’n eigen hand. Want als ik ’n hond zie mishandelen door myn medemensch, dan trek ik party voor den hond. Ja, dit zou ik doen, al had my ’t beest gebeten, en al waar ’t geboren in ’n andere buurt.

Maar ik begryp, Nederlanders, dat ge niets weten wilt van zoo’n verregaande standpuntloosheid. Welaan, ik zal beproeven u tot aandacht te nopen door ’t spreken van uw taal. Ik zal me voor ’n oogenblik houden als-of ik aandeelen had in uwen Staat, en belang by uw welvaart. Ik zal, voor ’n oogenblik altoos, geloof-slaan aan alle vaderlandsche deugden, en me aanstellen, alsof ikzelf met die deugden behebt was. Ik zal ’t Kultuurstelsel beschouwen van nederlandsch standpunt ...

Welnu, dan moet ik betuigen, voor-zoo-ver ik heb kunnen nagaan, nooit in eenig land ter-wereld, nog op eenig blad der Geschiedenis van die wereld, een zoo kunstmatig-schoon organismus te hebben aangetroffen, als wy, Nederlanders “met Gods hulp” in Indië hebben tot-stand gebracht. Wy ’n kleine natie van drie millioen zielen, hebben middel gevonden om te heerschen over twaalf millioen Javanen, en hen te dwingen tot geregelden arbeid. Wy hebben orde geschapen, waar ordeloosheid bestond, nyverheid waar luiheid heerschte, veiligheid—voor Europeanen, tenminste, en van nederlandsch standpunt is dit veel waard! waar vroeger niemand veilig was.

En hoe is dit geschied? Niet dóór het Kultuurstelsel, wel-is waar, maar toch door aanwending van ’t hoofddenkbeeld des Kultuurstelsels, door dezelfde mekaniek die dit stelsel zoo praktisch maakte. Dat stelsel brengt koffi voort, niet waar? Welnu, de toepassing van ’t zelfde principe waaraan wy die koffi te danken hebben, brengt iets anders voort dat méér beduidend zal zyn dan koffi, zoolang ’t geheel grooter is dan een der deelen. Het brengt voort: HET GEZAG.

Hoe heet dit kostbaar hoofdbeginsel? Ziehier, en laat nu in ’s hemels-naam eenvoud niet gelden als verkeerdheid. Ge hebt aan dien eenvoud uw GEZAG in Indië te danken, en daardoor ... de koffi.

Ik zal u dit duidelyk uitleggen, zoo duidelyk ’t my mogelyk is. Maar begin dan met u te doordringen van de waarheid dat het regeeren van groote volkeren door ’n klein volk, op verren afstand, met ’n heel klein leger niet gemakkelyk is. Zeg niet, zonder nadenken: o dit zou ik ook wel kunnen, en denk aan ’t ei van Columbus ...

Het hoofddenkbeeld van ’t Kultuurstelsel en van ons GEZAG in Indië, is dit;

De Gouverneur-Generaal houdt ’n teugel in-handen, die van afstand tot afstand zich verdeelt in onderdeelen, welker splitsing weêr op-nieuw onderscheiden lynen en koorden daarstelt, die—weêr op hun beurt gesplitst—zich rechts en links uitstrekken, en na herhaalde weêrverdeeling ten laatste elk individu bereiken, in-toom houden, dwingen ... dat is: REGEEREN.

Nog eens: sit ut est, aut non sit.

Neen dit stelsel is niet uitgevonden. Als ’t uitgevonden was, zou ’t niet zoo goed wezen. Om dit te begrypen trachte men, met voorbygang van duitenplaterige dagkwestiën, terugtekeeren tot den oorsprong van de zaak. Als by de algebra—die heerlyke logica in kort begrip—hebbe men slechts de opgave uittedrukken in den eenvoudigen vorm.

Wat is die opgave? “Ik wil koffi.” Goed:

“Javaan, ik wil koffi!”

“Dan moet je maar koffi planten, drogen, oogsten, schillen, roosten, malen. En daarna, doe ’r water op, ... naar ik hoor, want ik drink geen koffi, en heb dus geen reden om ze te planten.”

Men ziet dat ik tracht primitief te wezen. Ik spreek van den Javaan, die zelf geen koffi dronk. Nu doet hy ’t. Maar toch is ’t antwoord dat ik hem in den mond leg, niet goed. Gy zegt:

“Javaan, ik wil koffi.”

De Javaan staart u onverschillig aan, wentelt z’n sirie op den rooden lip ’n halven slag om, spuwt, kykt naar de lucht, en wentelt daarna zichzelf om. Want hy lag. En wie hem dat liggen kwalyk neemt, is onrechtvaardig, en vergeet dat hyzelf meestal zou liggen, als hem de nood niet dwong tot loopen, staan of kruipen.

En wie ’t kwalyk neemt dat de Javaan niet antwoordt op de vraag: Javaan, ik wil koffi ... is óók onrechtvaardig, en vergeet dat hyzelf erger zou doen dan niet antwoorden, wanneer die Javaan hem kwam zeggen: “Hollander, ik wil kaas.”

Hoe ’t zy, de Javaan antwoordt niet, en geeft geen koffi.

Daar komt ’n man aan, gevolgd door andere mannen, die allen wat dragen. De een, ’n beteldoos. De tweede, ’n zonnescherm. De derde, ’n lans. De vierde ... ’t doet er niet toe. Genoeg, ze gaan, allen iets dragende, achter den man die niets draagt.

En zie, uw Javaan, die niet antwoordde, die naar de lucht keek, die z’n sirie omwentelde—en zichzelf—richt zich op. Neen, oprichten is ’t woord niet. Maar hy ligt niet meer, dat is waar. Hy hurkt en buigt, en vouwt zich, slaat de handen tegen elkaêr, en houdt ze laag ... laat z’n hoofd neêrzakken op die handen ...

“Wat is dat?” vraagt ge verwonderd.

De man die niets draagt, wenkt. Oogenblikkelyk dagen er van rechts en links gewapende mannen op—neen, gewapend hoeft niet—die u—alweêr op ’n wenk van den nietsdragenden man—aangrypen, binden, mishandelen en ’t land uitgooien.

Daarop gaat ge naar huis! ’t Moet wel. Wat anders? Ge doet verslag aan de Kamer van Dordrecht of, aan de Kamer van Enkhuizen ...

Lieve hemel, ik merk daar dat ik de geschiedenis vertel van de oude “edele” Oost-Indische Compagnie. Des-te-beter!

Ge doet verslag van uw wedervaren aan die Kamer. Daar ’t ’n Kamer is, spreekt het vanzelf dat ze begint met u niet te begrypen, en dat ze daarop verhandelingen houdt over zaken die volstrekt niet dienen tot de zaak. Eindelyk zegt ’n lid:

“Dat ’s ’n idee!” roept de heele kamer van Dordrecht of Enkhuizen.

Nu sla ik honderd jaar over, of meer.

Na wat sukkelen is het u gelukt bevriend te worden met den man, voor wien de liggende Javaan opstond en neêrhurkte. Ge begrypt elkaêr als ... neen, ik wil schryven als Nederlander. Ge begrypt elkaêr wel, maar niet comme deux larrons en foire. Ge begrypt elkaêr als twee heele brave mensen en die samen eene speculatie bespreken.

Wie nu meent dat de Javaan—op dezen oogenblik—tot opstaan, neêrhurken, weer opstaan en koffi planten te dwingen is op andere wyze dan ik meêdeelde in m’n zeer verkorte geschiedenis van de “edele” Compagnie, bedriegt zich.

Ei, en gyzelf hebt gezegd, dat-i zou arbeiden uit vrye keuze, als men hem niet ...

Zwyg, bid ik u ... laat ons Nederlanders blyven, en dus ’t woord niet noemen, dat ge noemen woudt. Ja, dat hèb ik gezegd. De Javaan zal arbeiden uit vryen wil, zoodra hy ... of liever eenigen tyd nadat hy zal verlost wezen van—ik zelf weet niet hoe ik ’t zeggen moet in ’t nederlandsch—nadat hy zal bevryd zyn van—ja, zoo is ’t!—nadat hy verlost zal wezen van ’t ondergààn der nederlandsche deugden. Beter, nederlandscher, kan ik me niet uitdrukken.

Maar zoolang die deugden den Javaan overstelpen met modest genot van ontbering, zoolang die deugden hem alle welvaart doen schuwen uit onbekendheid, alle weelde als schadelyk voor de ziel, alle hebzucht als ’n onmogelykheid ... zóólang zal de Javaan zich niét omkeeren, niet opstaan, niet planten, dan op den wenk van den man, die niets draagt.

Ik hoop dat alle vroegere, tegenwoordige en toekomende Gouverneurs-Generaal my zullen vergeven dat ik hen voor ’n oogenblik tot de automedons maakte van ’t groote voertuig dat Insulinde heet. Ik had die vergelyking noodig om eenigermate aantetoonen hoe—en hoe alleen—’t gezag kan worden gehandhaafd. Maar om de wyze te schetsen, waarop de vruchten van dat gezag worden ingeöogst, heb ik een beeld noodig dat ik zoeken moet in anderen kring dan de stalhouëry.

Gy hebt hoop ik dien hoofdteugel voor den geest, waarvan ik sprak, met al die by- onder- en neventeugels? ’t Is een cat o’ nine tails, vind ik, maar met oneindig meer dan negen staarten. Welnu, verander al die lynen in buizen, zet de twaalf-millioen dunne twintigmaal onderverdeelde by-buisjes op de borst van twaalf millioen Javanen, breng ’n zuiger, ’n flinken stoomzuiger aan op de hoofdbuis, en daarna ... Pomp, pomp, pomp, zeg ik u. Pomp voor den duivel ... en voor Nederland.

Dit is ’t Kultuurstelsel. Men moet ’n Hottentot wezen, of ’n mensch, om ’t niet mooi te vinden. Maar van nederlandsch standpunt blyf ik beweren, dat het overvloeit van de katholieke schoonheid. Sit ut est, aut non sit.

Sit ut est. Het blyve zóó als ’t is. Ja, zóó moet het blyven tot de Javaan ... enz. want we zyn nog zoo ver niet.

Zóó moet dat stelsel blyven. Zóó als ’t beschreven staat. Zóó als de bedoeling was, en tevens zoo als de zeer duidelyk uitgedrukte bedoeling was van den wetgever, van de Indische Staatsbladen.

Maar als ik zeg: zóó moet het stelsel blyven, beweer ik daarmeê niet: de in dat stelsel door slymerige Residenten of onbekwame en luie Gouverneurs-Generaal tusschengeschoven domheden. Die moeten niet blyven. Dáártegen trok ik te velde in m’n Havelaar, en niet tegen ’t stelsel zelf.

Want, op dezen oogenblik, kunnen we dit stelsel niet missen. Het is noodig dit stelsel te behouden, niet omdat het ons koffi geeft, maar omdat het ons GEZAG geeft, en als ’t gezag verloren is, valt er niets meer te stelselen.

De wetgever—ik heb een hekel aan dit woord, maar ik sta nog altyd op m’n nederlandsch standpunt—de wetgever heeft niet bedoeld het gezag-stelsel te geven als iets vriendelyks, iets liefelyks, iets sentimenteels. Er wordt byv. in de staatsbladen niet gesproken van Arkadie. Maar hy heeft, geleid door de opmerking dat tweemaal twee vier is, en dat de Javaan z’n hoofden gehoorzaamt, dat stelsel uitgev ... neen, waarachtig niet. Hy heeft onder woorden gebracht, met name genoemd, en gereglementeerd: wat-i vond. En hy heeft begrepen, voorzien en gevreesd, dat de drang der omstandigheden—de noodzakelykheid—hier-en-daar nadeeligen invloed hebben zou op de algemeene welvaart, en daardoor op de geregelde, practische, voortdurend produktieve werking van dat stelsel.

Dit moet hy voorzien hebben. ’t Kán niet anders. Het is te bewyzen, a priori en a posteriori.

A priori: een buis op de borst, en ’n stoompomp op de hoofdbuis ...

Zelfs geen wetgever is zóó dom, dat-i niet begrypen zou hoe onaangenaam dit voor zoo’n borst wezen moet.

A posteriori: De Staatsbladen vloeien over van menschlievende bepalingen. Een oogenblik! Dit heb ik meer gezegd. Ik citeer myzelf gaarne, als ’t dienen kan om aantetoonen dat ik methodischer ben dan men voorgeeft te meenen, en dat ik niets uitvind pour le besoin de la cause van ’t oogenblik.

Neen, ’k wil niet bladeren in dat boek. Zoek maar op in den Havelaar, lezer, of ik niet reeds daarin gezegd heb, ja, of niet, dat het heele boek overvloeit van bewyzen: dat de bepalingen zoo slecht niet zouden wezen, als ze maar werden gehandhaafd? Dat er zooveel eeden en verzekeringen en betuigingen worden gevorderd: dat men den geringen man beschermen zal! Zie voorts dat allerbelangrykste vyf en twintigste artikel van ’t Regeerings-reglement, dat ik drukken laat op het titelblad dezer brochure. Lees zelf, als gy ze krygen kunt, de indische staatsbladen ... overal zult gy vinden verzachtende, goedaardige, welwillende, menschlievende, beschermende bepalingen ...

O, in menigte. Maar ...

Ze worden niet gehandhaafd.

Dit ziet gy in den Havelaar. Althans dit hadt ge in dat boek kunnen zien, wanneer ’t u om waarheid ware te doen geweest. De Havelaarszaak is geen stryd tegen de wet, maar ’n stryd tegen ’t verkrachten van de wet.

Overal bemerkt men dat de wetgever, de in dit geval zeer bekwame wondheeler die de buizen zetten en besturen moest, medelyden met den patiënt heeft. Gedurig spreekt-i dezen een vriendelyk woordje toe. Gedurig vermaant hy de omstanders—d. i. de personen die hem moeten helpen: de indische ambtenaren—tot kalmte, tot inschikkelykheid, tot zachtheid. Telkens waarschuwt hy tegen overdryving. En overal zegt-i: “Sjt, de lyder wil spreken, we willen hooren wat-i te zeggen heeft.” (”De Gouverneur-Generaal zorgt dat iederen inlander overal de gelegenheid worde gegeven, vryelyk zyn klachten intebrengen. Regeerings-reglement, en alle Indische reglementen. Is dit duidelyk?”)

Maar die omstanders, die onderbuisvoerders, weten dit alles beter. Zy hebben uitgevonden—pour tout de bon: uitgevonden ditmaal—een “geest van ’t gouvernement” die den wetgever onbekend was. Een sleur, die ’t gezagstelsel tot ’n vloek maakt, in-plaats van een zoo mild mogelyk toegepast noodzakelyk kwaad van tydelyken aard, zoo-als ’t anders wezen zou. Een “geest van ’t gouvernement” die ’t schipperen voorschryft als wysheid, het toeknypen van den keel des lyders als politiek. Het “niet-bemoeielyken” van deze of gene Excellentie, als diplomatische courtoisie. Een geest, die—dit beken ik—’t beste middel aangeeft om op den ouden dag heel prettig en kalm te leven van ’n makkelyk verdiend—neen, van een onverdiend—pensioen ... dat de natie gewillig betaalt!

De wetgever—d. i. de in Indië bestaande toestanden, uitgedrukt in de bepalingen—heeft begrepen dat er vóór alles, orde noodig was. Die orde heerscht dan ook. De Javaan moest gewoon gemaakt worden aan gezetten arbeid. Goed. De betaling voor dien arbeid was gering. ’t Zy zoo. Ze kon later stygen, zoodra nederlandsche nood zou hebben plaats gemaakt voor ... deugden van andere soort dan de nederlandsche. Maar de geringe belooning van den Javaan moest hem dan ook inderdaad worden uitbetaald. Hy moest niet worden mishandeld, geplunderd, vermoord. Ook bedoelde de wetgever niet, dat men “klagers” in de rivier zou werpen, om ze te laten afdryven als een “groetgeschenk van de haaien in ’t binnenland aan de haaien in zee.”

Dit alles bedoelde de wetgever niet. Zyn meening—en vooral z’n belang—was niet dat de patiënt bezwyken zou.

Overal blykt dat die wetgever gepoogd heeft het noodzakelyk kwaad van ’n eenvoudig maar praktisch gezag en kultuur-stelsel—dat ik trachtte te karakteriseeren door vergelyking met teugels en buis—zoo dragelyk te maken als maar eenigszins mogelyk was. En al die voorzorgen leveren ’t volkomen bewys a posteriori, dat de toepassers van dit stelsel zeer goed begrepen tot welke misbruiken het zou aanleiding geven. Elke lastgeving tot menschelykheid, bewyst vrees voor wreedheid. Elk voorschrift dat beveelt den Javaan te hooren waar hy klaagt, bewyst dat men op die klachten was voorbereid, en tevens op den onwil om ze aantehooren. Uit elken wenk tot matiging blykt wantrouwen op gematigdheid, en vrees voor overdryving. Elk beschermend besluit of staatsblad, elke menschlievende resolutie, draagt het bewys in zich dat er bescherming, dat er aansporing tot menschlievendheid noodig was.

Al die staatsbladen, al die besluiten en resolutiën kunt ge lezen. Is ’t niet of men in een nabyliggende kamer gedurig op ’n toon van gezag hoort roepen: “Niet te erg! Langzaam en voorzichtig, zeg ik u!” “Spaar hem!” Goed—d. i. ik benoem u tot... enz.—maar belooft eerst by God Almachtig dat ge zult zorg dragen dat hy niet bezwykt—ambtsëed; dat men ’t niet te erg zal maken...

“Niet te erg!”

Wanneer ge zoo-iets gedurig hoort aanbevelen in ’n kamer naast u, dan springt gy op... vergeef me, van een nederlandsch standpunt bezien, richt gy uw blik langzaam naar ’t beschot! en ge roept... vergeef me nog-eens, ge maakt de zeer beredeneerde opmerking:

“Het schynt dat men daar bezig is, iemand stelselmatig “niet te erg!” te mishandelen...

Niet te erg!

G ............ ik geloof ’t graag! Daar wordt iemand gemarteld in die kamer, als men het te erg deed, was ’t gauw gedaan met de koffi.

Alle Staatsbladen nu schryven voor: niet te erg.

Van lamme, luie, pensioenjagende residenten, van vrome, kuische, rustlievende, gewetenlooze Gouverneurs-Generaal spreek ik ditmaal niet. Ik heb me nu eenmaal neêrgebogen tot de kwestie van den dag. Ik spreek dus van ’t Stelsel zoo-als dit is gereglementeerd in de Staatsbladen, en niet over de afwyking van dat stelsel.

In de vergelykingen—die ik niet loslaat, want straks zal ik ze nog-eens noodig hebben—wil dit zeggen dat de uiteinden der dunne onderbuizen die rechtstreeks in aanraking komen met den Javaan, omzwachteld zyn, en zoo afgerond mogelyk van vorm. Dit wil tevens zeggen, dat de dunne fyne uiteinden der hierarchische splitsing van den gezag-stroom, veerkrachtig moeten wezen, en van een stof die niet te ruw is op ’t gevoel.

Want de wetgever meende, en hy had gelyk:

Dat het gezagstelsel ’n noodzakelyk kwaad is.

Dat het, om te kunnen blyven bestaan zoolang ’t noodig zal wezen, moest getemperd worden door allerlei maatregelen van voorzorg: NIET TE ERG!”

Alle regelen—ho, alle eerste regelen!—van styl, enz. schryven voor, dat men ’n vergelyking niet te lang moet voortzetten. Ik sprak reeds veel van buizen en teugels. En ik zal daarvan nog eenmaal spreken, wanneer wy ...

Daar vliegt op-eens ’n bende toehoorders m’n kamer in, die my op deurwaarders-manier sommeeren om het derde deel van myn preek te leveren, dat achterwege bleef omdat het preêken me verveelde. ’t Is waar: ik had beloofd: eenige beschouwingen die zouden aantoonen “dat het niet juist de vry-arbeiders zyn die den Javaan zullen opvoeren tot vrywilligen arbeid.” O, die tuchteloosheid! O, dat gebrek aan school! O die finale afwezigheid van methode...

Daar, leest! zei ’k tot de derdedeelbegeerige menigte.

Ze lazen, maar riepen: hm! Precies als gy, lezer, op pagina zooveel van den Havelaar, waar ik zoo boos op u werd.

Ze lazen, doch waren niet tevreden. Weêr even als gy, by ’t lezen van zoo menige andere bladzy die ik schreef, maar die ’k niet intrek om uw verstoordheid.

En toen ze gelezen hàdden, riepen ze met ’n eenparigheid van gevoelen, die zeldzaam is by kerkgangers;

“Al wat ge daar zegt, doet niet tot de zaak. Wy eischen ons derde deel, en de executie van de vry-arbeiders. Denkt ge dat wy uw eerste deel zouden hebben ondergaan met geduld, en uw tweede deel met onderworpen berusting, als ’t ons niet ware te doen geweest om uw derde deel?”

Ik werd bang voor al die menschen. Lezer, ge hebt geen begrip van de woede eener menigte die ’t derde deel van ’n preêk vraagt.

Zoo-als altyd, heeft m’n vrouw my uit den nood geholpen.

—Wel zei ze, daar is het!

—Wat?

—Uw derde deel!

—Waar?

—Dáár! Zie...

En ze las:

“De Gouverneur-Generaal houdt ’n teugel in-handen...”

—Ja, dat weet ik wel. Ikzelf heb hem koetsier gemaakt.

Maar ze beweren dat dit het kultuurstelsel aangaat.

—Dan hebben ze slordig gelezen. ’t Gaat het stelsel van gezag aan. Maar hoor verder.

En, na de alinea te hebben uitgelezen waaraan ze begon, sloeg ze wat over, en las:

“Wilt ge veranderen, wilt ge hier-en-daar ’n zyteugel in andere hand geven, dan in de hand die den hoofdteugel houdt... wilt ge bykoorden afsnyden, onderlynen scheiden van de moederlynen waarvan ze uitgingen... of—erger nog wilt gy de onderdeelen van den hoofdteugel dwars-uittrekken... rechts... links... naar-boven... naar-beneden... heen-en-weer... scheef en schots... zóó dat de paarden dol worden...”

—O, ik begryp... riep ik, en ik preêkte:

Geachte Hoorders! Derde deel. Wilt ge dat de paarden dol worden... neem dan Vry-arbeiders. En nu laat ons te zamen...

—Neen, zei m’n vrouw. Uit is ’t nog niet. Ik heb de buizen nog. En ze las:

“Verander al de lynen van de cat o’ twelve million tails in buizen, zet een flinken stoomzuiger op de hoofdbuis...”

—Ik begryp u, riep ik, en preêkte nog-eens:

“Geachte Hoorders. Tweede deel van m’n derde deel. Geef elken aventurier toegang tot de machine, tot de hoofdbuis, tot de onderbuis, tot de kleine nevenbuisjes...”

Sta hem toe dat hy zyn eigen stoommachine doe werken rechtstreeks op de bron...

Vergun hem z’n eigen buizen, z’n eigen primitieve, ditmaal ongezwachtelde buizen...

Van niet te erg is geen sprake meer ...

... vergun hem die buizen, de buizen van de WELEDELE HEEREN DROOGSTOPPEL EN CONSORTEN, te plaatsen op de borst van twaalf millioen Javanen...

Laat hem boren dóór die borst, tot hy ’t hart raakt...

En dan... ja, dan... Pomp... pomp... pomp... voor den duivel... en voor de vry arbeiders... ziedaar uw derde deel!

O, gy wien ’t inderdaad in deze zaak om waarheid te doen is, veroordeel de wyze niet waarop ik die waarheid trachtte te uiten. Bedenk hoe ik begon met de verklaring dat de kwestie over VRYEN ARBEID geen kwestie is. Bedenk dat er ’n eigenaardige betoogtrant vereischt wordt tot het bewyzen van zaken, die alleen daarom bewys noodig hebben, omdat ze gedurig—en met opzet!—worden gesteld in valsch licht. Men betoogt niet het bestaan der zon... men toont de zon. En waar dit niet baat, blyft ook den meest ernstigen beschouwer niets over dan de geesel van sarcasme.

Maar dikwyls ligt er droefheid in spot, en de vlym der satire wondt niet naar-buiten, voor ze ’t eigen hart griefde waarin die satire geboren werd. Jazelfs, waar dat hart goed is, moet er véél geleden zyn, en làng gedragen, voor dit laatste, maar scherpste, wapen zich keert naar uitwendigen vyand.

Zulke smart heb ik bedoeld, toen ik sprak van den “menschenvriend, die vurig belangstelt in het welzyn zyner medemenschen. Die beurtelings hoopt en vreest, by ’t gade-slaan van elke verandering. Die zich opwindt voor een schoon denkbeeld, en van verontwaardiging gloeit, als hy ’t ziet wegdringen en vertrappen door wie—voor ’n oogenblik slechts, naar we hopen—sterker zyn dan schoone denkbeelden.”

Op die smart doelde ik by ’t aanhalen van “den wysgeer die van uit z’n cel aan ’t Volk tracht te leeren wat waarheid is, als hy bemerken moet dat z’n stem overschreeuwd wordt door piëtistische huichelary of gewinzoekende kwakzalvers.” Toen ik sprak van “SOKRATES, zoo bitter bedroefd by ’t drinken van den giftbeker, niet omdat hy dien ledigen moest, maar wyl hy zich ’n bederver der jeugd hoorde noemen, en ’n verachter der goden.”

Die droefheid heb ik bedoeld by ’t noemen van “den Christus die zoo treurig staart op Jeruzalem, en zich beklaagt dat het niet gewild heeft!”

“Zulke kreten van smart—vóór giftbeker of kruishout, heb ik gezegd—vloeien niet uit ’n ongedeerd hart. Dáár moet geleden zyn, dáár is ondervonden!”

En lezer, hebt gy ’t recht aanmerking te maken op den toon van iemand die tot u sprak op allerlei wys... en altyd te-vergeefs? Reeds in den Havelaar zeide ik, dat m’n boek zoo bont was wyl ’t ’n staalkaart wezen moest, opdat ik, die sedert jaren gezocht had naar den toon die verstaan wordt en begrepen, weten zou in ’t eind, hoe ik moest spreken om ingang te verschaffen aan de waarheid.”

Hebt gy ’t recht te klagen over wanklank, gy die zelf de snaren van m’n gemoed hebt ontstemd? Gy die de muziek myner ziel hebt beantwoord met nog snydender wanklank dan natuurlyk sarcasme, met ’n oneerlyk mengsel van gejuich en lauwheid, van niet verdienden smaad en verraderlyken lof?

Maar, ook vóór dien tyd... ik vraag u—en meermalen nog zal ik dit vragen—welke fouten van voordracht zyn er in den brief aan den afgetreden Gouverneur-Generaal, dien ik u te lezen gaf? Welk voorwendsel levert u dát schryven tot niet-begrypen, tot niet weten, tot weigering van rechtspraak? Wat antwoordt gy, als men na ’t lezen van dien brief vraagt: “zou ’t dan toch wáár zyn, dat andere zaken behoorden onderzocht te worden, dan de Vry-arbeiderskwestie waarmede men zoo lang reeds ons bezig-houdt? Zou ’t wáár zyn dat er ’n booze geest van bederf rondwaart, die z’n ziektegevenden adem heenblaast over onze huishouding in Indië? Zou ’t wáár zyn wat er staat in dien brief, die nooit weersproken is, en nog minder wederlegd? En wanneer dat alles waarheid is...

Ja, dat is de waarheid. En óók waarheid is de gevolgtrekking die hieruit onmisbaar voortvloeit:

er is verrotting in den staat, en de naam van die verrotting is LEUGEN.

Of meent ge dat er geen verband is tusschen de Havelaarszaak en de kwestiën van den dag! Dit verband is nauw, innig. Maar ’t is geen verband van eenheid of gelyksoortigheid... ’t is verband door tegenstelling.

De Javaan wordt mishandeld. De Havelaarszaak heeft aan die waarheid ’n lichaam gegeven, en een naam die tot de Geschiedenis behooren zal. Maar de “kwestiën van den dag” worden thans nog, als vóór den Havelaar, gebruikt om de hoofdzaak te bedekken, te verbergen, te smoren... dat is: om het volk van Nederland te bedriegen.

Daarom moest ik, vóór ’t behandelen der zaak die ik uitdrukte op den titel, beginnen met de aantooning hoe men opzettelyk vermeed de hoofdzaken te noemen, en tevens van de onwaardigheid dergenen die, tot spreken geroepen, zich voortdurend schuldig maken aan misdadig zwygen. Ik moest met ruwe hand—hoe kon het anders?—maskers van deftigheid afrukken, en hier-en-daar ’n opperkleed scheuren, dat in wyde magistrale plooien nietigheid bedekte—of dikwyls erger nog—MISDRYF.

Want leugen te geven, of leugen te steunen door zwygen, waar men geroepen is te spreken voor de waarheid, is misdryf.

Welk vertrouwen kan men schenken aan Ministers, Kamerleden, Dagbladschryvers, aan allen die zich moeien met de publieke zaak, wanneer ze by-voortduring met kunstmatige angstvalligheid vermyden die zaak te behandelen van den kant, waar ze het meest gevaar loopt? Welke oprechtheid, welke zuiverheid van bedoeling kan men veronderstellen in publieke mannen, die hun yver, hunne kunde, hun talent besteden aan ’t behandelen van de onderdeelen der volksbelangen—en dikwyls zelfs aan deze niet—terwyl ze met opzettelyk verzuim niet gewagen van de vreeselyke katastroof die het Volk te-gemoet gaat ...

Indië zal voor Nederland verloren gaan, met of zonder Kultuurstelsel, met of zonder Vry-arbeid. Mèt dien vryen arbeid spoediger nog, maar verloren gaan zal ’t zéker, als Nederland niet zorgt dat den Javaan recht wordt gedaan.

Dit is de kwestie, de ware kwestie van den dag! Dit is dus de kwestie, Nederlanders, waarover niet wordt gesproken in uw dagbladen, niet in de redevoeringen uwer Kamerleden, niet in de programmen uwer Ministers.

Ik weet wel dat de partymannen beweren dat hun systeem—och arm!—de hoofdzaak insluit. Ik weet hoe by-voorbeeld de voorstanders van Vryen-arbeid voorgeven—en sommigen misschien inderdaad gelooven—dat de arme Javaan zoo byzonder zou gebaat worden door ’t triomfeeren van hun stelsel. Maar deze dwaling berust op ’n woordspeling die al zeer gemakkelyk valt optelossen.

Het Stelsel van gouvernements-kultuur schryft arbeid voor. Men noemt de daaruit voortvloeiende werkzaamheden van den Javaan: gouvernements-arbeid, gedwongen arbeid, dwang-arbeid. En die benamingen zyn juist.

Toen het denkbeeld ontstond dat de Javaan ook zou kunnen worden te-werkgesteld op andere wyze, moest er voor die andere wyze een naam bedacht worden, die haar onderscheidde van de gewone. Er was een tegenstelling noodig. Tegen-over gouvernements-arbeid vond men natuurlyk het woord: particuliere arbeid. En ook deze uitdrukking is juist. Maar het werk van den Javaan voor ’t gouvernement droeg nog andere namen. Ook dáártegenover moesten passende uitdrukkingen gevonden worden, en alzoo is onze taal en de kring onzer denkbeelden verrykt met de woorden: vry-arbeid en vrywillige arbeid, woorden die gemak geven in ’t gebruik, maar tevens aanleiding tot groot misverstand. Aan dit misverstand, Nederlanders, hebt gy te wyten dat het mogelyk geweest is dien Vry-arbeid te maken tot de DUITENPLATERY van den dag.

Want: van vryheid, van vrywilligheid is geen spraak by den arbeid dien de Javaan verricht voor ’n particulier. “Die Javaan staat niet op, plant niet, oogst niet, dan op den wenk van den man die niets draagt.” Waar die wenk gegeven wordt, moet zulk ’n Hoofd daartoe genoopt zyn door oorzaken, die, als ze uitgingen van het GOUVERNEMENT, duidelyk beschreven staan in de Indische Staatsbladen, de uitgewerkte compendia van de “boodschap der “edele” kamer te Dordrecht... of te Enkhuizen” en van het menschlievende, of althans voorzichtige “NIET TE ERG.” Maar wanneer de oorzaken die het Javaansche Hoofd tot den onmisbaren wenk bewegen, uitgaan van ’n PARTICULIER, dan staan ze nergens beschreven, en behouden hare werking tot op de de uiterste zeer vèr liggende grenzen:

van de onderdanigheid des Javaans aan z’n Hoofd,

der behoefte van dat Hoofd aan weelde en van

Europeesche hebzucht, die... aan sommige lezers wel bekend zal zyn.

Het produkt van deze drie enorme faktoren noemt men met leugenachtigen schoolklank: VRYWILLIGE ARBEID.

By gouvernements-kultuur is contrôle mogelyk. Waar die contrôle ontbreekt—zoo-als meestal het geval is—door begeerte om te schipperen... door misdadige gemakzucht... door vrees voor ’t bemoeielyken van ’n tragen Landvoogd die niet wil beroofd worden van z’n onkunde, dat vurig bemind voorwendsel om zich bezigtehouden met niets doen... daar is dit alles wel treurig en noodlottig, maar... de contrôle zou toch kunnen worden uitgeoefend, àls er eens ’n Gouverneur-Generaal benoemd werd, die besef had van zyn plicht, en tevens de gaaf om dat besef optewekken en levendig te houden by anderen. Dan immers zou er kunnen gezorgd worden: “dat de Javaan het zyne ontving, al is ’t dan ook wat weinig.”

Maar als men dien Javaan overlevert aan PARTIKULIEREN IN COMPLICITEIT MET DE HOOFDEN, vooral met de lagere Hoofden... dan is geen Contrôle mogelyk, ook al vond men ’n Gouverneur-Generaal die z’n plicht deed.

Ik beweer dit alles uit volle overtuiging; maar erken dat dit niet voldoende is. Om alzoo die overtuiging meetedeelen aan anderen, begin ik met de vraag of ’t die anderen om waarheid te doen is? By de meesten is dit naar m’n treurige ondervinding het geval niet, en waar ik voel stryd te voeren tegen een door eigenbelang voorgeschreven parti-pris, geef ik redeneeringen in den smaak myner parabel over den heiligen Dionysius, of der vergelyking van het droogstoppelig perspomp-systeem. Wie geld wil bekomen dóór den arbeid des Javaans, in stee van waarheid over den arbeid des Javaans, zal m’n geschryf zeer leelyk vinden, en dit kan ik niet helpen.

Maar wèl heb ik gewonen, ernstigen betoogtrant ten-beste voor aanhangers van het vry-arbeidersstelsel die, ter-goeder-trouw verleid door den klank vry, meenen een edele zaak voortestaan. Ik ontsla me dus geheel-en-al van de tegenstanders wier oordeel over de zaak geput is uit hun eigen geld-opbrengende ondervinding. Men zou ’n held moeten wezen, grooter dan er eenmaal in de eeuw voorkomt, om ’n stelsel aftekeuren waaraan men zonder veel moeite een belangryk vermogen te danken had, of waaruit men hoopt zulke voordelen te behalen.

Dus spreek ik tot en over de voorstanders ter-goeder-trouw...

Welnu ... ze zyn BEDROGEN.

En hier wellicht zal men inzien waarom ik by ’t schryven dezer brochure, zoo lang, zoo vaak, en zoo krachtig naar ik meen, ben opgestaan tegen leugen. De leugen heerscht overal, en ook hier heeft ze sommigen op ’n dwaalspoor gebracht.

Hoe is deze leugen geboren, hoe is ze gevoed en opgegroeid? Ze is geboren:

1.) Uit het belang der particulieren, om den door omkooping verkregen dwang geheim te houden.

2.) Uit gelyk belang van de Hoofden, vooral van de lageren waarmeê de particulier meer in aanraking komt.

3.) Uit de onderworpenheid van den Javaan, die niet klaagt voor-i daartoe wordt gemoveerd door de zeldzame zekerheid dat z’n klacht niet zal worden bestraft als misdryf. (Zie den Havelaar, die nooit weêrsproken is.)

Hoe is ze gevoed en opgegroeid?

1.) Door plichtverzuim der Residenten:

a. plichtverzuim, sans phrase.

b. plichtverzuim om hoftemaken aan ’n Gouverneur-Generaal die vryarbeiderig is: pour se donner un genre.

c. plichtverzuim uit nòg grover eigenbelang ... om te deelen in de winst.

2.) Door plichtverzuim van ’n Gouverneur-Generaal die al deze dingen niet begreep, omdat-i met kommiesachtige bekrompenheid en met verwaarloozing zyner hooge roeping, zich vergenoegde met papieren waarheid, dat is: met ONWAARHEID.

Weder alzoo is onwaarheid, weder is leugen de hoeksteen van ’t roofgebouw. ’t Is alweer uit LEUGEN dat de noodlottige dwaling ontsproot, die hier ’t Volk prys-geeft aan gemaakte agitatiën, ginder aan wanhoop, en overal den naam der Nederlandsche natie aan schande.

En wie er twyfelt ... wie meent dat de arbeid van den Javaan voor particulieren, wèl vrywillig geschiedt... wie nooit, als ik, met eigen ooren hoorde, hoe zulk ’n particulier het Javaansch Hoofd inneemt, omkoopt, bederft met zoet walgelyk gevlei, met aandeel in den buit... wie ’t nooit zag, als ik, met eigen oogen, hoe de particulier zich veroorlooft den werkman die zoo zielverkoopig hem “geleverd” werd, aantezetten, voorttezweepen, te mishandelen... wie zonder dit te hooren of te zien, niet in-staat is deze waarheden a priori afteleiden uit de drie gegevens die ik zulke enorme factoren noemde... wien ’t ontbreekt aan menschkunde in ’t eind... dien zal ik zeggen.

Als meermalen wend ik my tot u, Mr. Albertus Jacobus van Twist, oud-Gouverneur-Generaal, vertegenwoordiger des Volks!

Ik wend my tot u, zoo-als ik by opstand of beroering den belhamel vóórriep, om niet door algemeenheid der toespraak te doen leiden tot verzwakking van indruk.

Ik wend my tot u, Mr. van Twist! Ik verneem dat gy in die onzalige, vervelende, geheel beneden hare roeping staande Tweede Kamer, eenige provincieleden sleeptouwt, die uw koelheid nemen voor ernst, uw droogheid voor wysbegeerte, uw styfheid voor standvastigheid, uw zondeloosachtigheid voor deugd.

Vele werken die men u voorstelde als tot-stand gebracht door vrywilligen arbeid, zyn uitgevoerd met den meest onmenschelyken dwang.

Zoodra ik het goedvind, zal ik zeggen welke werken, wáár en hoe. En ik zal ’t bewyzen. Reken daarop.

Misschien zal ik daarby, met niet meer dan drie of vier woorden, aantoonen hoe de geheele tegenwoordige kwestie met den heer Bekking—van beide kanten—nooit by den waren naam genoemd is.

Ook in die zaak speelt leugen de hoofdrol.

En gy, Mr. van Twist, die aan het hoofd schynt te staan van de Vry-arbeidersparty, dat is: van de clique der vry-arbeiders, gy die vrywilligen arbeid predikt voor den Javaan, en niet vrywillig den arbeid volbracht, dien ik u aanwees als voorgeschreven door eerlykheid, plicht en eed ... ik veroordeel by dezen uzelf tot dwangarbeid. Ik sla u het juk van mynen geest om den nek, en span u in het tuig van den ploeg waarmee ik de harde korst opscheur van domheid en vooroordeel. Ik zweep u voort met den geesel myner verontwaardiging ...

En ik zal voortgaan dit te doen, tot uw naam, en het gemis aan denkbeelden dat gy vertegenwoordigt, den Volke zal wezen tot ’n braakmiddel.

“Die brochure is excentriek ...”

Zoo noemt ’n pestwalm de stoommachine die een modderpoel leêgmaalt, en hem komt storen in z’n verdelgingswerk.

Pestwalm? Ja. Want er is verrotting in den staat!

Op... op, gy weinigen, die nog niet geheel zyt verleugend!

Op, jongelieden die nog uw hart voelt kloppen voor het goede! Op ... op, gy die nog niet hebt verleerd te gloeien van verontwaardiging by ’t aanzien van het booze!

Op, vrouwen, die moeders zyt van ’n volgend geslacht dat schaamte zal voelen over ’t vorige!

Op, meisjes, die bestemd zyt moeders te worden!

Gy, jongelingen, gy vrouwen, gy meisjes ... ge zyt MENSCHEN.

Men zegt u dat ge ’t niet zyt. Men behandelt u als-of ge ’t niet waart. Men dwingt u het niet te zyn ...

Maar ik zeg u: Ge zyt menschen. Op u rust menschenplicht!

Die plicht schryft voor: Streven naar waarheid.

En overal heerscht LEUGEN.

Op dan! Ten-stryde tegen den leugen! Op, ten-stryde! Op, ter overwinning! Op, tot het byeenroepen, tot het ordenen, tot het wapenen van de Derde party.

Ja ... en nu aan m’n Ideën.

Amsterdam, 25 Jan. 1862.

Notes in this chapter

Note 1 · Aan deze brochure wedervaart de hooge eer te worden uitgegeven door denzelfden man die voor het eerst “le Testament du Curé Meslier” doet drNote 2 · Zie z’n aanteekeningen op den Bybel (1862).Note 3 · Voor hen die zoo gaarne my willen doen doorgaan voor een opposant quand même, voor een wargeest, voor een afbreker, moet het lastig wezen teNote 4 · Dit wordt inderdaad gezegd in een Haagsch krantje. Den naam van ’t blad weet ik niet. Het is dezelfde courant die m’n heele redeneering overNote 5 · Dit zeide hy in de Amsterdamsche Courant van ruim twee jaar geleden, die ik reeds aanhaalde. En hy zeide ’t later dikwyls, maar altyd te-verNote 6 · Ik weet dat velen die onderworpenheid aanvoeren als ’n bewys voor ’t gevaarlyke om ’n Hoofd te straffen. Hierin ligt ’n dwaling die ik relevNote 7 · Napoleon op St. Helena.Note 8 · Sieur was de titel waarmee sommige beambten der “edele” compagnie werden aangesproken. Heer, mynheer was hooger. Zie Valentyn. Een dominee wNote 9 · Kennis, wetenschap en bekwaamheid. Lezer, vraag eens een uwer Indische kennissen de instructie voor de Kontroleurs by de Landelyke inkomstenNote 10 · Lees den titel op den omslag ... lees voort ... lees voort tot op den naam van den edelen man die de goedheid heeft,—uit liefde tot de waarhNote 11 · Gy vooral, van der Palm, gy vooral, sta me by! Gy die in uw diepzinnige uitlegging der nog diepzinniger Schrift, den Volke hebt meêgedeeld dNote 12 · De theoristen—ik neem aan dat zy allen eerlyk zyn, en dat hunne halzen geen schaafmerk dragen van ’t systeemjuk—de theoristen kunnen met denNote 13 · Ge hebt gezien, hoorders, hoe moeielyk ’t my viel u te bewyzen dat vrywillige arbeid wenschelyk was. Ik heb daartoe ’n aaneenschakeling van Note 14 · Toen kwam er ’n eenvoudig man in ’t land, die geen witte haren had, en persoonlyk volstrekt niet geacht was, waaruit men met het oog op ’t gNote 15 · De Javaan is zeer ondergeschikt aan z’n Hoofden. Onderworpenheid aan den wil van z’n erfelyken heer is zyn godsdienst, ’n godsdienst van te Note 16 · Deze teugel—ik spreek altyd als nederlandsch koetsier—is ’n ware Katholieke kerk van volmaaktheid. Sit ut est, aut non sit. En even als die Note 17 · “Maar, Sieur8 als je in-plaats van den Javaan, die lag en hurkte, eens den man had aangesproken, die ging, en niets droeg? Doe dat eens, groNote 18 · Het “niet te erg”—niet erger dan volstrekt noodig is—bepaalt zich niet tot voorschriften van algemeene strekking. Neen, de wetgever heeft beNote 19 · Het is op dien oogenblik, het is in de toen by my bestaande meening: dat de Heer van Twist waarheid WILDE, dat ik me voornam hem waarheid teNote 20 · Tot u wend ik my, Mr. van Twist, om u te zeggen dat ik voor ’n groot deel getuige ben geweest van het smeden der leugens waarmede men u heef
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings