Note 4 — AAN DEN UITGEVER.
Reading edition
Ge hebt gezien, hoorders, hoe moeielyk ’t my viel u te bewyzen dat vrywillige arbeid wenschelyk was. Ik heb daartoe ’n aaneenschakeling van zotternyen noodig gehad. De keuze myner bewysvoering stond niet aan my. Myn smaak zou me niet leiden tot zooveel omhaal by ’t bewys eener waarheid die zóó voor de hand ligt, dat ik niet dan met weêrzin ben overgegaan tot ’n betoog—en welk betoog!—dat ge my hadt moeten sparen, maar dat ik niet sparen mocht aan u, die naar ’t schynt niet in staat zyt iets te bevatten dat wordt voorgedragen met eenvoudigheid. Ik verklaar u dat ik heel graag ’t Heelal met rust zou gelaten hebben, en m’n vriend den policie-agent ook. Wat m’n besten kleinen jongen aangaat, ik verzeker u dat ik hem volstrekt niet sla. Ik moet deze verzekering wel uitdrukkelyk geven aan ’n publiek dat “onzedelykheid” heeft weten optedelven uit de Minnebrieven, en dat daarin heeft gevonden: eene aansporing aan ’t volk om horlogies te stelen.4