Note 42 — Derde Sprookje.
Reading edition
[Noot van 1865.] Welnu, de aangeklaagden hebben gezwegen ten einde toe! De Max Havelaar verscheen in Mei 1860, en heden 14 Juli 1865, zal dan toch wel de termyn van antwoord verstreken zyn. Zoo neen ... wanneer? Ik wacht sedert lang niet meer op antwoord, en beweer dat het niet-antwoorden ’n duidelyk antwoord is.
De natie die, blijkens dagblad- en tijdschrift-litteratuur van 1860 en 1861, zoo gesteld was op haar eer, is met wapens en bagage overgeloopen naar den kant der schande. Men heeft gezag, invloed en geld,—ja, geld vooral: een javasche rykworder is Minister van Koloniën!—men heeft invloed, geld en gezag aangehangen, in-plaats van den man te steunen, die alleen tegen allen den moed had z’n plicht te doen. Mag men my euvel duiden, dat ik hoogmoedig ben? Begrypt men niet hoe onmogelyk ’t wezen zou, zich niet hoog te stellen tegen-over zooveel laagheid?
Het is nu eenmaal waar, o brave Nederlanders, dat Havelaar ’n byzonder slecht mensch is. ’t Is wáár dat-i alle meisjes verleidt ... dat hy z’n lieve, edele vrouw mishandelt ... dat-i z’n schulden niet betaalt ... dat-i altyd dronken is ... dat-i liederlyk leeft ... dat-i verkwistend is ... dat-i met gemeen volk omgaat,—schoon hy nooit in de kerk of op de beurs komt—dat hy ... dat hy ... kort-om, Havelaar is ’n antichrist! Dit kan men vernemen van ieder wien hy in den weg staat. Maar Nederlanders, dit alles is de vraag niet! De vraag is: of Holland ’n gemeene roofstaat was onder de Konservatieven, en of Holland ’n gemeene roofstaat bleef onder de liberalen? Dit is de vraag! Met bakerpraatjes beantwoordt men geen beschuldiging als die welke hy u in ’t aangezicht wierp. Gy komt my voor als de dief die zich zou willen ontschuldigen door de beweering dat de publieke aanklager ’n leelyke pruik draagt ...
Of Havelaar’s pruik zoo leelijk is, zal misschien later blyken, als ’t hem schikt zich neertebuigen tot openbaring. Maar eerst de zaken, Nederlanders, en dan uw oud-wyvenvertellingen.
Een beetje menschkunde, als ge die bezit! Kàn Havelaar wezen, zoo-als ’t belang der van Twisten en konsorten—d.i. de personen en cliques die hy vry naakt uitkleedde—meebrengt hem voortestellen?
Menschkunde? Ik vergis me. Ik vergat dat ge beter weet, en eerloos handelt uit lafhartigheid. ’t Is goedkooper, niet waar—billyker zeggen verduitschte kooplui in winkeltaal—’t is billyker, den alleen-staande te schelden, dan met hem party te trekken voor recht, tegen de bende die hy aantastte.
Menschkunde! Het nageslacht zal oordeelen, of ’t u dááraan haperde, of ... aan hart? Och, wat zoudt ge een fyn gevoel voor recht hebben, zoodra ge inzaagt dat er by dat recht wat te verdienen viel!
De weinigen die me hartelyk aanhangen, hoef ik niet by naam uittezonderen. Hen dank ik voor de trouw aan ’t heilig recht, hen de edele hovelingen en «courtisanes» van den tegenspoed! Hen, wien ik niet hoef te zeggen, dat ik niet klaag, wyl hun liefde en trouw ruimschoots opweegt tegen de schandelyke desertie van ’t gros der Natie. Voor de tiende maal: M’n verwyt is geen klacht, het is aanklacht. Ik heb niet te klagen, want ik geniet veel groote liefde, al draag ik van zoovelen den kleinen haat.
Met Nederland overwinnen? Deze hoop gaf ik reeds op, zes maanden na ’t verschynen van den Havelaar. Tegen Nederland ... ja! Ik heb ’t beloofd, en men meene niet dat ik m’n woord brak, indien ik mocht komen te bezwyken vóór ’t bereiken van m’n doel. Ik zal zorg dragen nooit geheel te sterven. M’n geest zal leven en overwinnen, lang nadat de koninkjes en ministertjes van heden zullen vergeten zyn. Ziedaar nu, christenen, myn onsterfelykheid!