Note 41 — Minnebrieven (continued 2)
Reading edition
De aanleiding daartoe werd gegeven door de HH. van Hoëvell en Myer. Eerstgenoemde constateerde het door ons reeds aangewezen feit «DAT DOOR DAT BOEK EENE ZEKERE RILLING DOOR HET LAND GEGAAN EN GROOTE ONGERUSTHEID, JA, VERONTWAARDIGING IN VELER GEMOED ONTSTAAN WAS,» en zag in die, door de Tweede Kamer niet beaamde zinsnede der Regeeringsboodschap: «de toestand der overzeesche bezittingen is in alle opzigten bevredigend» een door den Minister van Koloniën te vergeefs aangewend middel om die ongerustheid en die verontwaardiging weg te nemen. Laatstgemelde (op wiens rede wij straks nog zullen terugkomen) constateerde ook het feit, dat er in dat werk sommige personen—en wel bij name een oud-landvoogd—zwaar worden beschuldigd.41