Note 25 — Minnebrieven (continued 2)
Reading edition
»In zyn laatste jaren verwyderde Hertog Reinald II zich van zyne gemalinne, die den meesten tyd te Rozendaal doorbracht, welk huis door haar werd vergroot en merkelyk versierd, dus men haar, hoewel verkeerd, de stichting daarvan heeft toegeschreven. Veel was zy ook te Nymegen. Deze verwydering was lang de oorzaak van een aandoenlyk en zonderling tooneel, dat niet lang voor ’s Hertogs dood voorviel. Eleonora was opdragtig en hoog van kleur, dus men haar van melaatschheid beschuldigde, welke ziekte den Hertog tot een voorwendsel verstrekte, zich van bed en tafel te scheiden. Op eenen dag, dat Reinald met een luisterryk gezelschap te Nymegen aan tafel zat, kwam Eleonora, geen ander gewaad aan hebbende dan een fyn zyden hemd, en eenen mantel daar boven, aan elken hand eenen harer zonen, Reinald en Edouard, houdende, de zaal binnentreden. Zy wierp op eens den mantel af, en ontblootte het geheele bovenlyf; toen keerde zy zich in het rond, en sprak, klaaglyk in tranen uitbarstende, tot den Hertog en de omstanders25: »O myn lieve here nu bidde ick uch dat yr van dem gebrechen ind van der kranckheit, die myr so wrevelich is tzo gegeven, dat ick dae mit bevleckt sy, wilt vlyslich ansynen ind ondersoichen; want ich byn as andere vrauen, ind hain gheyn gebrech van der genaden godes in myne lyve. Siet hie syn ure tzwen soene starck ind gesunt, als yr dye siet hier stain vur uren ougen. Ind der weren mit der genade ind hulpe godes waill mere, wer idt sachen dat urent halve gheyn hindernisse dae van gewest ware. By aventuren idt mach noch die tzyt kommen, dat dat Geldresse volk sall beschryven unser twyer scheydinge, so wanne sy syen werden dat sy gheynen lands heren van unseren blode mere hauen.»—Van Berchem verhaalt, dat de Hertog en ’s Lands Edelen van Eleonoraas zuiverheid overtuigd, schaamrood waren, en vervuld werden van droefheid, maar hy voegt er by, dat de Hertog na dat voorval niet lang leefde.»