DE ZEESPINNEN (Pantopoda).
Reading edition

Oeverzeespin (Pycnogonum littorale). Vergroot.
Waarschijnlijk moeten de Zeespinnen (Pantopoda, Pycnogonidia) als een afzonderlijke klasse tusschen de Spinachtigen en de Schaaldieren geplaatst worden. Achtereenvolgens heeft men ze als leden van deze en van gene klasse beschouwd, zonder dat door een van deze wijzen van rangschikking de verwantschapsbetrekkingen dezer dieren op bevredigende wijze werd uitgedrukt. Men vindt ze aan de zeekust onder steenen, tusschen zeeplanten (waarmede zij zich laten ronddrijven) en ook wel vastgehecht op andere dieren. Het grootste deel van haar lichaam bestaat uit de veelledige pooten; want het achterlijf is nietig klein en het vierledige voorborststuk, dat aan den voorrand 4 oogen draagt, schijnt niet grooter dan volstrekt noodig om een steunpunt aan de ledematen te verschaffen. Aan de buitenste oppervlakte van den aan een kop herinnerenden zuigsnuit zijn de schaarvormige kaaksprieten aangehecht, die soms echter geheel ontbreken, evenals het eerste paar kaaktasters; het volgende paar tasters vertoont hetzelfde maaksel als de 3 paar overige ledematen; deze bestaan uit 7 à 9 leden en eindigen in een stevigen klauw.—De jongen verkrijgen bij verreweg de meeste soorten eerst na verscheidene vervellingen de gedaante hunner ouders; bij de geboorte is hun lichaam ongeleed en met slechts 2 paar pooten uitgerust; bij sommige loopen de kaaksprieten ieder in een langen zweep uit.
Veelvuldig vindt men in de Europeesche zeeën (meer bepaaldelijk ook in de Noordzee) onder steenen en tusschen waterplanten langs de kust de 13 mM. lange Oever-zeespin (Pycnogonum littorale); soms wordt zij op Visschen gevonden. Het roestige of bleeker gekleurde lichaam heeft een doffe, korrelige oppervlakte.