DE MOSBEERTJES (Tardigrada).
Reading edition
Het is twijfelachtig, of de Mosbeertjes (Tardigrada), die vroeger tot de Raderdieren, later tot de lagere Schaaldieren worden gerekend, in de klasse der Spinachtigen het best op hun plaats zijn. Het langwerpige, wormvormige lichaam van deze microscopisch kleine wezens, waarvan slechts enkele soorten 1 mM. lang worden, vertoont zoomin geleding als verdeeling in kopborststuk en achterlijf; het is van voren verlengd tot een zuigbuis, waaruit twee dolkvormige kaken naar buiten gestoken kunnen worden en wordt gedragen door 4 paar ongelede voetstompjes, die in verscheidene klauwen eindigen; het laatste paar komt achter aan ’t lichaam voor. Zij voeden zich met planten of met diertjes, die nog kleiner zijn dan zij en houden zich op tusschen mos en algen (wieren), vooral op daken, die met mos begroeid zijn, of in dakgoten; enkele soorten leven in het water. Zij hebben een zekere vermaardheid gekregen door de eigenschap om bij bevochtiging te herleven uit den schijndood, waarin zij vervallen, wanneer het noodige water hun ontbreekt. Ook bij vele andere, op soortgelijke plaatsen voorkomende dieren neemt men dit verschijnsel waar, o.a. bij de Raderdiertjes, die een hoofddeel van het voedsel van sommige Mosbeertjes uitmaken. Het 15-tal soorten, dat men kent, is over verschillende geslachten verdeeld. Macrobiotus dankt aan een reeds genoemde eigenschap zijn naam („Langlevende”). In het mos van dakpannen en goten vindt men bij ons veelvuldig het Gewone Waterbeertje (Macrobiotus ursellus).