DE ROEISPRIETIGEN (Copepoda).
Reading edition
Deze vormenrijke, meer dan 1000 soorten omvattende groep van microscopische of althans kleine, hoogstens 1 à 3 cM. lange Schaaldieren bestaat voor een deel uit vrij levende, met goed ontwikkelde monddeelen uitgeruste wezens, voor een deel uit parasieten, die door hun levenswijze alle uitwendige geleding verloren hebben en monddeelen bezitten, die tot een zuigsnuit vervormd zijn. Roeisprietigen heeten zij, omdat bij alle vrij zwemmende soorten de voorste sprieten een paar krachtige roeiorganen vormen. Het achterlijf is duidelijk van het kopborststuk gescheiden en draagt tweetakkige pooten. Het lichaam eindigt in twee gaffelvormig uiteenwijkende platen, aan welker top verscheidene lange staartborstels voorkomen. Organen die meer in ’t bijzonder voor de ademhaling dienen, zijn niet aanwezig, de dunne huid is over ’t geheele lichaam voor deze verrichting geschikt.
De ontwikkeling der parasiteerende vormen gaat met teruggaande gedaantewisseling gepaard, met het afdalen tot een lageren trap van organisatie, het te niet gaan of rudimentair worden van sommige lichaamsdeelen. Alle larven hebben een ovaal lichaam, met onparig voorhoofdsoog en 3 paar ledematen in de omgeving van den mond, zooals de afgebeelde larve van Lepas. Met een aantal vervellingen gaat het allengs ontspruiten voor middellijfs- en achterlijfsringen en van ledematen gepaard. Sommige parasiteerende soorten hechten zich onmiddellijk na de eerste vervelling vast, andere, nadat zij eenige vervellingen hebben ondergaan en reeds een hoogeren trap van organisatie bereikt hebben; in beide gevallen gaat daarna aan het geheel eivormig wordend lichaam alle geleding verloren; de roeiorganen verminderen tot kleine stompjes of gaan geheel te niet, evenals het oog, dat zulke goede diensten bewees gedurende de jeugd.
De onderorde der Echte Roeisprietigen (Eucopepoda) omvat nagenoeg alle leden der orde en wordt in 2 groepen verdeeld naar de monddeelen. Alle Kauwende Eucopepoden zwemmen vrij rond en voeden zich met dierlijke stoffen: zij azen op lijken van groote dieren, of maken kleinere wezens buit. De wijze van beweging en de verblijfplaats is voor de leden van verschillende familiën ongelijk, in verband met het voedsel, dat zij gebruiken. De langwerpige, slanke Calaniden en Pontelliden zijn de beste zwemmers en bewonen bijna uitsluitend de zee; met vlugge sprongen, veroorzaakt door het gelijktijdig achteruitslaan van de roeisprieten, schieten zij soms pijlsnel door het water. Soms rusten zij van den arbeid uit, zonder zich ergens op neer te zetten. Aan één punt vastgehecht, doch overigens in evenwicht te midden van het water, wegens het geringe soortelijk gewicht van hun lichaam, brengen de aanhoudende, snelle schommelingen van de vedervormig behaarde bovenkaken intusschen een maalstroom in ’t water teweeg, waardoor de tot voeding dienende kleine diertjes haar in den mond gevoerd worden. Vele soorten leven voortdurend in de bovenste waterlaag; sommige zijn hier niet zelden ontzaglijk sterk vertegenwoordigd en maken een aanzienlijk deel uit van de voeding van allerlei waterdieren, zelfs van zeer groote; de Groenlandsche Walvisch b.v. bevredigt soms zijn reuzenmaag door haar te vullen met tallooze exemplaren van Calanus finmarchicus. Wel is het opmerkelijk, dat de Copepoden der arctische zeeën niet slechts door verscheidenheid van soorten en talrijkheid der individuën, maar ook door grootte uitmunten.

Eénoog (Cyclops): a) Wijfje (rugzijde: van de ledematen zijn alleen de beide paren sprieten zichtbaar). 8-voudige vergrooting.—De naam Cyclops, die vroeger aan alle Zoetwater-Copepoden gegeven werd, dient thans tot aanduiding van een meer dan 50 soorten omvattend geslacht, waarvan slechts een enkele ook in de zee aangetroffen wordt. Alle hebben slechts één oog op het voorhoofd en ontleenen hieraan hun naam. Dit kenmerk hebben zij echter gemeen met alle overige Cyclopiden en zelfs met de meeste Eucopepoden. (De Corycaeïden hebben, behalve het voorhoofdsoog, in den regel 2 zijoogen.)—Aan het voorste deel van het na-achterlijf hangen de beide eierenzakjes. Cyclops vulgaris, die overal veelvuldig in stilstaand water (zelfs in regenbakken en goten) aangetroffen wordt, vult ieder eierenzakje (dat ongeveer 30 eieren bevat) in de zomermaanden om de 14 dagen opnieuw.—b, b) Larven van verschillenden leeftijd, bij 150-voudige vergrooting.
Een andere levenswijze hebben de Cyclopiden, die wel vlugge sprongen doen, maar met de monddeelen geen maalstroom in ’t water veroorzaken; de borstels van de kleine sprieten dienen haar tot steun, wanneer zij tegen waterplanten rusten. In nog hoogere mate zijn de Harpacticiden en Peltidiën aan het leven op en tusschen wieren en andere waterplanten gebonden. De zoetwatervormen dezer familiën vindt men het veelvuldigst in welig met planten begroeide, ondiepe poelen en slooten, de „marine” vormen minder dikwijls in de volle zee dan dicht bij den oever tusschen zeeplanten, ook wel bij planken en andere stukken rottend hout, voorts tusschen Sertularinen, Tubularinen en andere polypenstokken.
Bij de Corycaeïden, die, evenals de Calaniden, in de volle zee leven en uitmuntend zwemmen, zijn de kaken in steekorganen veranderd, maar niet door een zuigbuis omsloten. De wijfjes worden veel in Salpen aangetroffen. In verband met het maaksel der monddeelen en der voor ’t vastklemmen geschikte sprieten levert dit gegronde redenen op voor ’t vermoeden, dat zij tijdelijk een parasitisch leven leiden. Een tot deze familie behoorende soort (Sapphirina fulgens) verdient een afzonderlijke vermelding wegens de wijze, waarop de vrij in zee rondzwemmende mannetjes hun tegenwoordigheid verraden. Zij zijn afgeplat eirond en 3.5 à 5 mM. lang. „Wanneer men”, schrijft Gegenbauer, „op kalm water uit een boot in de diepte kijkt, vertoont zich niet zelden een schouwspel, dat, zij het dan ook minder imposant dan de meeste verschijnselen, die de zee oplevert, door weinige overtroffen wordt, wat liefelijkheid en gratie betreft. Men ziet ontelbare lichtende stipjes oprijzen, schijnbaar hoog genoeg om ze gemakkelijk te bereiken, en toch minstens een vadem onder den waterspiegel. Nu eens in deze, dan weer in een andere richting, ook wel omhoog of omlaag beweegt zich iedere vonk met korte, doch snelle rukken; zij schittert achtereenvolgens met saffierblauwen, goudgroenen en purperen glans, een nu eens sterker dan weer zwakker licht verbreidend. Het is als ’t ware het lichten der zee op klaarlichten dag! Iedere beweging brengt een verandering van tooneel te weeg, bij iederen riemslag wordt de boot over nieuwe scharen van vonkjes gevoerd, totdat een windvlaag, die den waterspiegel rimpelt en golven doet ontstaan, een einde maakt aan het schouwspel en het naar de diepte doet zinken”. Het lichtgevend vermogen is uitsluitend aan de mannetjes eigen; het zetelt in de laag cellen, waardoor het huidpantser wordt gevormd en houdt op, zoodra het dier dood is.

Vischluizen:—a) Botluis (Caligus). Wijfje: rugzijde.—Een breede zoom aan het voorhoofd wordt gevormd door vergroeiing met den stam van de wortelgedeelten der voorste sprieten, die met zuignapjes bezet zijn en in 2 of 3 vrije leden eindigen. De achterste sprieten en de beide paren kaakpooten zijn van haken voorzien. Van de 4 paar pooten zijn de 3 eerste voor ’t zwemmen ingericht: het 2e is, evenals het 3e, tweetakkig, het 1e ééntakkig; het 4e is voor ’t kruipen geschikt; het 3e en het 4e zijn aan de rugzijde zichtbaar.
b) Lernanthropus. (Wijfje, buikzijde.) De omtreklijn herinnert aan die van een mensch, vandaar de naam. Het kopborststuk is klein en met 8 paar hechtorganen uitgerust. De beide voorste paren achterlijfspooten zijn nagenoeg verdwenen; de beide achterste paren zijn zeer groot en plaatvormig. Dit geslacht behoort tot de familie der Dichelestiden, van welker 50 soorten sommige op zoetwater-, andere op zeevisschen parasiteeren.
c) Karperluis (Argulus foliaceus). Wijfje.
Alle afbeeldingen 10-voudig vergroot.
De Eucopepoden, die op andere dieren leven en hieraan haar voedsel ontleenen, worden gewoonlijk samengevat onder den naam van Vischluizen. Zij kenmerken zich door het bezit van een zuigbuis, die de stiletvormige, in steekorganen veranderde kaken omgeeft, en door de vervorming van één paar sprieten en één of meer paren kaakpooten in hechtorganen. Meer of minder innig zijn zij verbonden met de Visschen, die van alle waterdieren het meest door haar begunstigd worden. Het eene uiterste is, dat de Vischluis het door haar bezochte dier naar verkiezing kan verlaten, het andere, dat de gast met zijne hechtorganen of met het voorste deel van zijn stam zoo ver in den gastheer doordringt, dat er een mes noodig is om den parasiet in onbeschadigden toestand los te maken. De laatstgenoemde wijze van vasthechting gaat altijd, althans bij de wijfjes, gepaard met teruggaande gedaantewisseling, waarbij alle voor een zelfstandig leven vereischte organen verloren gaan en van de oorspronkelijke geleding geen of slechts onbeduidende sporen overblijven. Zoo verkrijgen de Kieuwwormen (Lernaeidae, Lernaeopodidae)—b.v. de 4 cM. lange Schelvisch-kieuwworm (Lernaea branchialis), en in nog meerdere mate het 1 cM. lange, op dezelfde Visschen levende Ankertje (Anchorella uncinata)—hun zonderlinge gedaante, verfraaid of ontsierd door allerlei knobbels en getakte of gelobde uitwassen. De meestal niet misvormde mannetjes zijn dwergachtig in verhouding tot hunne wanstaltige levensgezellinnen, waaraan zij na den larvetoestand levenslang vastgeklemd blijven en met welker levensvocht zij zich voeden.
De familie der Botluizen (Caligidae) omvat 150 soorten, die haar naam eer aandoen, eensdeels, omdat zij zich vrij kunnen bewegen en in het bezit zijn van krachtig ontwikkelde klauwen, hechttoestellen en zuigorganen, anderdeels, wegens de platte gedaante van haar lichaam, dat uit een groot, schildvormig kopborststuk en een klein, meestal ongeleed, in twee vorkplaatjes eindigend na-achterlijf bestaat. De middelste afdeeling van het achterlijf (met de geslachtsopening aan de buikzijde) loopt naar achteren uit in 2 lange eierenzakken, die ieder één reeks van eieren bevatten. Volgens Van Beneden spelen deze Crustaceën bij de Visschen, waarop zij leven, dezelfde rol als de Haar- en Vederluizen bij de Zoogdieren en Vogels. Door zich te voeden met afscheidingsproducten van de huid, zorgden zij als ’t ware voor het toilet der door hen bewoonde zeedieren en zijn dus geen parasieten in den gewonen zin van het woord. „Terwijl de echte parasieten een onbehaaglijken, zonderlingen vorm verkrijgen, behouden de Caligiden levenslang de jacht- en reisbenoodigdheden, die zij gedurende haar jeugd verwierven en het bevallig voorkomen dat aan dezen leeftijd eigen is. Zelfs de wijfjes verschillen alleen door meerdere grootte van de mannetjes, zijn, evenals deze, altijd met een sierlijk borstpantser bekleed en met groote, slanke pooten uitgerust; zij maken een bekoorlijken indruk gedurende haar beweging en niet minder, terwijl zij stil zitten. Hoewel stevig vastgehecht aan de huid van allerlei Beenige Visschen, hebben zij haar vrijheid niet geheel ten offer gebracht. Tal van dieren van dit slag vinden de visschers in hun schuit bij het aan wal brengen van de gevangen zeebewoners. Iedere vischsoort herbergt haar eigen vormen van Caligiden; deze gaan zelfs de Haaien en de Roggen niet voorbij, ondanks de hardheid van hun huid. Soms is de Kabeljauw met deze commensalen bij wijze van schubben bedekt.”
Tot de onderorde der Kieuwstaartigen (Branchiura) brengt men een 18-tal voor ’t meerendeel op zoetwatervisschen levende Schaaldieren, die, naar de meest bekende soort, gewoonlijk Karperluizen worden genoemd. Volgens Van Beneden komen zij met de Caligiden in levenswijze overeen en moet men ze niet als echte parasieten beschouwen. Zij bewegen zich vlug en verhuizen dikwijls van het eene dier naar het andere. De Gewone Karperluis (Argulus foliaceus) is groenachtig van kleur en 5 à 6 mM. lang; zij heeft een schijfvormig kopborststuk en een rudimentair, in 2 lobben verdeeld na-achterlijf. Twee groote, samengestelde oogen zijn aan de rugzijde zichtbaar. De sprieten komen aan de buikzijde voor: het voorste paar is haakvormig, het achterste 4-ledig. Vóór den mond bevindt zich een stekel. De beide paren priemvormige organen in de zuigbuis worden als boven- en onderkaken beschouwd. Daarop volgen 2 paar kaakpooten, waarvan de voorste in groote, voor vasthechting dienende zuignappen vervormd zijn; daarachter treft men 4 paar langwerpige, tweetakkige zwempooten aan. Het wijfje bergt de eieren in een tusschen de pooten voorkomenden zak.—Behalve op verschillende Karperachtige Visschen, wordt deze soort veelvuldig gevonden op Stekelbaarzen, zeldzamer op Snoeken, Baarzen, Zalmforellen, soms zelfs op larven van Padden en Kikkers.