← Table of contents
Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 5

DE SPLEETVOETIGEN (Schizopoda).

Reading edition

De naaste verwanten van de Decapoden zijn kleine, weekschalige, bij oppervlakkige beschouwing aan Garnalen herinnerende Crustaceën, die op verschillende diepten de zee bewonen en onder bovenstaanden naam tot een orde zijn samengevat. Bij hen hebben 1, 2 of 3 paar van de ledematen, die bij de Decapoden als kaakpooten dienst doen, denzelfden vorm als de volgende ledematen van het kopborststuk, waardoor het aantal paren gangpooten tot 6, 7 of 8 toeneemt; elk dezer pooten heeft aan de buitenzijde een lang, veelledig aanhangsel en is dus als ’t ware in twee takken gespleten. In onze zeeën is de genoemde orde vertegenwoordigd door eenige soorten van Aasgarnaaltjes (Mysis), vooral door het Kleine (Mysis vulgaris) en het Groote (Mysis flexuosa).

De leden van dit geslacht missen de kieuwen geheel, hun ademhaling geschiedt hoofdzakelijk door het dunwandige rugschild; bij de overige geslachten komen aan de pooten pluimvormige kieuwen voor, die echter niet door de zijstukken van het rugschild overdekt worden.

Deze diertjes, die voor ’t meerendeel niet langer zijn dan 25 mM., vormen, daar zij op vele plaatsen in ontzaglijke groote menigte voorkomen, een belangrijk bestanddeel van de voeding der Visschen en andere Waterdieren. Zelfs de groote Groenlandsche Walvisch (Balaena mysticetus) onderhoudt zijn reusachtig lichaam met deze kleine wezens, die in de noordelijke zeeën zoo veelvuldig zijn, dat de Walvisch slechts den bek heeft te openen om het materiaal voor millioenen vetdrupjes in zich op te nemen.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings