DE VLOOKREEFTEN (Amphipoda).
Reading edition
Ongeveer 600 soorten vormen deze over de geheele wereld verbreide orde, welker leden meestal tot tallooze scharen vereenigd voorkomen. Gezamenlijk heeten zij Vlookreeften, omdat zeer vele zich bij rukken, zwemmend en springend, buitengewoon vlug door ’t water bewegen en daarbuiten dolle sprongen maken, welker hoogte dikwijls het honderdvoud bedraagt van de lichaamslengte. Vele soorten hebben een zijdelings samengedrukten stam en herinneren hierdoor eenigermate aan Garnalen, hoewel deze en de andere Tienpootigen een aanmerkelijk verschillende geleding vertoonen. Een juistere voorstelling dan een beschrijving kan geven, levert de beschouwing van den Gewonen Vlookreeft, ook wel Zoetwaterslikvloo of Zoetwatergarnaal genoemd (Gammarus pulex), die men bij duizenden onder steenen, hout en rottende plantendeelen, op den bodem van stroomend water en aan de oevers van meren en groote plassen kan vinden.

Gewone Vlookreeft (Gammarus pulex).
De kop, die 2 zittende (ongesteelde), in facetten verdeelde oogen, 2 paar sprieten en 3 paar kaken draagt, is vergroeid met den voorsten borstring, waaraan 1 paar kaakpooten voorkomt. De beide vrije „borstringen” gelijken op de 5 voorste „achterlijfssegmenten” en vormen met deze het „middellijf” (pereion), dat 7 paar „ware” pooten draagt. De volgende afdeeling van den stam heet pleon (post-abdomen of na-achterlijf) en bestaat uit 6 segmenten met ledematen en het pootlooze staartlid (telson). De 3 voorste paren „valsche” pooten, die in vorm en functie van de 3 achterste paren (of staartpooten) verschillen, voeren onophoudelijk water toe aan de plaatvormige aanhangselen van de heupen der middelste ware pooten (gewoonlijk die van het 2e tot 6e paar); hun voortdurende beweging valt spoedig in ’t oog, wanneer de andere ledematen in rust verkeeren. De Vlookreeften hebben veel lucht noodig; de gevangen exemplaren sterven spoedig, tenzij de planten, die in het door hen bewoonde water groeien, een voldoende luchtverversching teweegbrengen. Aan de heupen van sommige ware pooten komen bij het wijfje plaatvormige aanhangsels voor, die een onder de borst gelegen broedholte omgeven.
De grootste Amphipoden worden meer dan 10 cM., de meeste echter nauwelijks 1 cM. lang; vele blijven kleiner. In zoetwater leven slechts weinige soorten. Verreweg de meeste houden zich bij de kust op en zijn dan onder den naam van „Strandvlooien” bekend, of leven in de volle zee. In de noordelijke zeeën spelen de tallooze scharen van Vlookreeften een belangrijke rol door het uit den weg ruimen van rottende stoffen. De lijken van Cetaceën en andere groote waterdieren, die bij langzame ontbinding het water ver in ’t rond verpesten en hierdoor den dood van een menigte jonge Visschen veroorzaken zouden, worden in korten tijd door de millioenen Vlookreeften, die zich op hen verzamelen, tot op de beenderen afgekloven. In de zee oefenen zij een soortgelijk sanitair toezicht uit en bewijzen soortgelijke diensten als de Aasgieren met zooveel ijver in de tropische gewesten verrichten; zij verdelgen echter een veel grootere hoeveelheid schadelijke stoffen dan hunne ambtgenooten.

Keelpootige Vlookreeft (Caprella). Vergroot.
Bij de Zwemmende Vlookreeften (Gammaridae), kan het klauwvormige eindlid van de beide voorste paren ware pooten naar het voorlaatste lid teruggeslagen worden, zoodat beide te zamen een grijphand vormen. Voor het zwemmen dienen vooral de 3 eerste paren valsche pooten. Zooals reeds gezegd is, leeft de Gewone Vlookreeft op den bodem van ondiep, zuiver water, liefst onder groote steenen en stukken hout, en voedt zich hoofdzakelijk met plantaardige stoffen; in den herfst o.a. skeletteert hij op meesterlijke wijze de in ’t water vallende bladen. Bij het plotseling optillen van een in ’t water liggenden steen vindt men er dikwijls Watervlooien onder; gewoonlijk zitten en liggen groote en kleine exemplaren dicht opeengedrongen bijeen. Dadelijk stuiven zij echter in alle richtingen uit elkander om zich achter het eerste, het beste voorwerp te verbergen. Zij, die aan den opgetilden steen blijven kleven, maken krachtige bewegingen met het achterlijf om zich zijwaarts te verplaatsen en zoo weer in hun eigenlijke element terug te komen. Als hun dit niet spoedig gelukt, sterven zij door het verdrogen der kieuwen, die vooral bij zonneschijn snel verschrompelen. Zij worden trouwens niet uitsluitend door vrees voor een vijand, maar vooral door lichtschuwheid tot een snelle vlucht genoopt. In een glas met water is hun eerste zorg onder een blad of een steentje het donkerste plaatsje op te zoeken, dat hier te vinden is. Zij overwinteren in den grond; het voorjaar is hun voortplantingstijd; de eieren ontwikkelen zich in den broedzak van het wijfje, dat haar kroost gedurende geruimen tijd leidt en hoedt.—De meeste soorten dezer familie zwemmen in zee.
Verscheidene soorten van Springende Vlookreeften (Orchestidae) bewonen onze zeekust; een der meest bekende is de Strandvloo of Springer (Talitrus locusta); deze begeeft zich nooit te water, maar volgt het bij ebbe en bij vloed over het strand, of blijft bij eb in den lagen dam van aangespoelde waterplanten achter. Hier maken deze 10 mM. lange, helder witte diertjes dikwijls sprongen van een voet hoogte; wegens hun groot aantal is de beweging reeds op eenigen afstand zichtbaar. Dit geldt echter alleen voor ’t warme jaargetijde; ’s winters verbergen de bewoners van de kusten der noordelijke zeeën zich in de rottende algen, die bij gewoon hoog water niet door de golven worden medegenomen. Allerlei Vogels en ook een op het strand veelvuldig voorkomende Loopkever (Cephalotes vulgaris) maken jacht op de Springer. Het laatste paar staartpooten is in deze familie korter dan de overige; bij de Gammariden bestaat de omgekeerde verhouding.
Eenige familiën kan men samenvatten onder den naam van Nestenbouwende en Gangengravende Amphipoden (Domicola). Het laatste paar staartpooten en soms ook het telson is bij hen meestal voorzien van haakvormige organen, waarmede zij zich vasthouden in hun woning. Deze vervaardigen zij van stukjes hout of steen en ook wel van slib; als metselspecie dienen hunne eigene excrementen. Daar hun lichaam niet of niet sterk zijdelings samengedrukt is, kunnen zij zich loopend voortbewegen, zonder dadelijk om te vallen, zooals de leden der vorige familiën. Amphitoë littorina (7 mM. lang) maakt een nestje van samengerolde stukjes algen; Podocerus pelagicus (6 mM. lang) bouwt een buisvormige woning uit slijk. De (8 à 11 mM. lange) Diksprietgarnaal (Corophium longicorne), die soms in grooten getale op ons zeestrand voorkomt (Ritzema Bos), graaft met hare dikke, 12 mM. lange sprieten gangen in het slijk, dat bijna of geheel bij eb drooggeloopen is. De hier genoemde Corophiidae zijn onschadelijke dieren: zeer schadelijk is daarentegen de werkzaamheid van de Borende Vlookreeften (Cheluridae), welker eenige, 4 à 5 mM. lange vertegenwoordiger (Chelura terebrans), evenals de Boorpissebed, in dokken en dammen het houtwerk van den bodem tot den waterspiegel door zijne 1.5 mM. wijde, cilindervormige gangen beschadigt. Men heeft hem aan de zuidelijke en westelijke kusten van Europa, in West-Indië en in Noord-Amerika waargenomen, aan onze kust echter slechts éénmaal in een drijvend stuk wrakhout.
De Parasitische Amphipoden (Hyperiidae en Phronimidae) onderscheiden zich door een eigenschap, die men gewoonlijk bij parasieten niet aantreft; zij hebben n.l. zeer groote oogen; hierdoor en omdat zij zeer goed zwemmen, is het hun mogelijk dikwijls van gastheer te veranderen. De Hyperia’s en hare verwanten leven in de zakvormige holten van de onderzijde der Kwallen. Gedurende den zomer laten zij zich door hunne gastheeren rondvaren; in den winter leven zij vrij op den bodem der zee. Op en in Kwallen aan onze kust werd de 8 mM. lange bruinachtige Hyperia galba gevonden.—Phronima sedentaria heeft een andere levenswijze; het wijfje althans kiest Ribkwallen of Manteldieren van de geslachten Doliolum en Pyrosoma tot woonplaats en vreet deze zoover uit, dat er slechts een glashelder huidje overblijft, waarin zij met haar kroost woont. Het mannetje heeft men nog niet anders dan vrij zwemmend aangetroffen.

Walvischluis (Cyamus). Ware grootte.
Een afzonderlijke onderorde vormen de zeer zonderling gebouwde Spookkreeftjes, die Keelpootigen (Laemadipoda) worden genoemd, omdat door vergroeiing van den kop niet slechts met den eersten maar ook met den tweeden borstring, het eerste paar ware pooten schijnbaar aan den kop is gehecht. Het achterlijf is bij hen zeer weinig of niet ontwikkeld en bezit geen of slechts rudimentaire ledematen. De talrijke, meestal niet meer dan 15 mM. lange Caprella’s, waarvan eenige ook aan onze kust gevonden zijn, leven op ondiepe plaatsen op zeeplanten. Hare werkzaamheden leveren een aardig schouwspel op. Zij zijn de beste acrobaten van hare klasse; behendig als Apen en met vele buitelingen en lichaamsverdraaiingen bewegen zij zich langs en tusschen de takken van de onderzeesche miniatuurwouden. Door haar voortdurende bedrijvigheid steken zij gunstig af bij de verwante Walvischluizen (Cyamus), welker eivormig, van boven naar onderen samengedrukt lichaam een klein, smal kopgedeelte heeft. Aan de huid van de Dolfijnen en andere Walvischachtigen, waarop zij parasieteeren, zijn zij met hare krachtige klauwen vastgehecht.