DE RANKPOOTIGEN (Cirripedia).
Reading edition
Een zeer eigenaardige verandering van gedaante ondergaan de Schaaldieren, die men naar hunne in gelede takken—ranken (cirri)—gesplitste pooten Rankpootigen (Cirripedia) heeft genoemd. Alle oudere schrijvers hebben hen wegens hun schelpachtig omhulsel tot de Weekdieren gerekend. Ontmaskerd, in den letterlijken zin van ’t woord, werden zij eerst, toen men hun ontwikkelingsgeschiedenis leerde kennen. De toestand, waarin zij onmiddellijk na het verlaten van het ei verkeeren, wordt door de achterstaande afbeelding verduidelijkt. Nadat deze larve eenigen tijd vrij rondgezwommen en eenige malen van huid verwisseld heeft, maakt zij aanstalten om zich voor geheel haar volgend leven vast te hechten. Onmiddellijk na de vervelling, die aan de vasthechting voorafgaat, is zij, op de wijze van Cypris, door een van de rugzijde uitgaande, aan de buikzijde geopende, tweekleppige schaal omgeven, die men als een sterk vergroot rugschild kan beschouwen. Met de buiten de schaal uitstekende sprieten klemt zij zich vast aan ’t voorwerp, waarmede haar kopeinde zich weldra steviger en over een grootere oppervlakte zal verbinden door het afscheidingsproduct der zoogenaamde „cementklier”, die aan het grondstuk der voorste sprieten uitmondt. In het rugschild, dat zich eenigermate afscheidt van de overige lichaamsdeelen en nu „mantel” genoemd wordt, ontstaan in den regel kalkplaten; deze vormen te zamen een soort van schelp, die aan de buikzijde een spleet overlaat, waardoor de veelledige ranken van de pooten (in den regel 6 paar) uitgestoken worden.

Larve (Nauplius) van Lepas bij 200-voudige vergrooting.
Men kent tegenwoordig meer dan 220 soorten van Cirripediën, die alle de zee bewonen en een zeer uitgestrekt verbreidingsgebied hebben, omdat vele van de levende of levenlooze voorwerpen, waaraan zij zich vasthechten, drijven of zwemmen, en, evenals hare kleine larven, zich gemakkelijk verplaatsen of door de stroomingen worden medegevoerd. Dit en de groote vruchtbaarheid van deze dieren maakt het begrijpelijk, dat men de rotsen van kusten, die op honderden mijlen afstands van elkander liggen, langs de strandlijn met millioenen exemplaren van dezelfde soort van Zeepokken bezet vindt.
De schaal is uit verscheidene platen samengesteld en kan hermetisch gesloten worden, zoodat het dier zonder nieuwen toevoer van water geruimen tijd in ’t leven kan blijven. In ’t water houdt het de schaal geopend en brengt door voortdurende beweging der ledematen een maalstroom teweeg, die allerlei kleine zeedieren naar den mond voert.

Eendenmossels (Lepas anatifera) op puimsteen. Ware grootte.
De Eendenmossels (Lepadidae), die, van buiten gezien, veel gelijken op sommige Mossels, danken het eerste gedeelte van haar naam aan het oude wanbegrip, dat uit deze dieren Rotganzen zouden ontstaan. Zij zijn aan een buigzamen gespierden steel gehecht en hebben een platte, driezijdige schelp. Naar het aantal en de meerdere of mindere ontwikkeling der kalkplaten onderscheidt men een groot aantal geslachten. Tot de meest gewone behooren Lepas en Otion. Ongeveer de helft van alle Lepadiden-soorten hechten zich vast op voorwerpen, die zich in het water bewegen, op de kiel van schepen, op stukken wrakhout, enz., of op dieren, die dikwijls van plaats veranderen. Anelasma squalicola b.v. leeft parasitisch op Noordsche Haaien, in welker huid zij met haar steel is doorgedrongen; met Lepas anserifera en eenige andere soorten zijn de schepen bij hun terugkomst uit nagenoeg alle zuidelijke en tropische zeeën niet zelden begroeid.
*

Zeepok (Balanus) Ware grootte.
De Zeepokken of Zeepuisten (Balanidae) zijn aan andere voorwerpen bevestigd met de bodemvlakte van hun ongesteelde, cilinder- of kegelvormige schaal, die gesloten kan worden door een dekselvlies, waarin 1 of 2 paar platen voorkomen. Zoodra de eb invalt, kan men dit o.a. zien bij Balanus balanoides, die op onze kusten veelvuldig voorkomt. In warmere zeeën is Balanus tintinnabulum, die vele verscheidenheden vertoont (o.a. kan de kleur van bleekrood tot donkerpurperrood afwisselen), een van de meest gewone soorten. Haar eigenlijk gebied strekt zich uit van Madeira tot aan Kaapland en van Californië tot Peru. Dikwijls vindt men deze dieren in wonderbaarlijk groot aantal vastgehecht aan schepen, die van West-Afrika, West- en Oost-Indië en China in Europeesche havens terugkeeren.
Sommige groote Cetaceën worden door bepaalde soorten van Zeepokken, minder dikwijls door Eendenmossels, bij voorkeur tot verblijfplaats gekozen. Daar Diadema balaenaris op den Keporkak of Groenlandschen Bultrug geregeld voorkomt en zelfs zeer jonge dieren bewoont, beweren de Groenlanders, dat de jongen er reeds in ’t lichaam van de moeder mede bezet zijn. Twee andere soorten—Coronula balaenaris en Tubicinella trachealis—schijnen uitsluitend den Gladden Walvisch van het Zuidelijk halfrond (Leiobolaena australis) te bewonen. Daarentegen vestigen zich nooit Cirripediën op de huid van den Gladden Walvisch van het hooge noorden (of Groenlandschen Walvisch); evenmin worden op Vinvisschen Balaniden gevonden.
De Wortelkoppigen (Rhizocephala), die in haar eerste levenstijdperk met de larven van andere Lagere Schaaldieren overeenkomen en dus achtereenvolgens in den Nauplius- en den Cypris-toestand verkeeren, verkrijgen een zakvormigen mantel met kleine opening, nadat zij zich op een der Hoogere Schaaldieren hebben vastgehecht. De ontaarding ten gevolge van de parasitische levenswijze gaat bij haar zoover, dat slechts geringe sporen van spijsverteringsorganen overblijven en geen enkele eigenaardigheid meer aan den Arthropodentypus herinnert. Voordat men haar ontwikkelingsgeschiedenis kende, hield men ze voor Zuigwormen (Trematoden).

Krabbezakje (Sacculina carcini). b. Mantelopening. a. Afvoeropening.
Sacculina carcini hecht zich in het Cypris-stadium vast aan de onderzijde van den staart van de Strandkrab (Carcinus maenas), welker bloed zij zuigt. Zij verkrijgt hier een nieuw omhulsel; de holle wortelvormige aanhangselen, die de mantelopening (a) omgeven, groeien uit en omstrengelen de buikingewanden, doch laten de organen, die voor het leven en gedijen van den gastheer (en bijgevolg van den gast) volstrekt noodig zijn—het hart, de kieuwen en het zenuwstelsel—ongemoeid; deze blijven dus op normale wijze werkzaam.—Meestal vindt men op de uitverkoren Krab slechts 1 Sacculine, vrij dikwijls 2, zelden 3.—De geheele zakvormige lichaamsholte van het woekerdier wordt ingenomen door de eierstokken en hunne afvoerwegen, waarin de eieren zich ophoopen. Het geheele dier is dus niet veel meer dan een zich voedend voorttelingsorgaan. De jongen, die zich in dezen zak tot Nauplius-larven ontwikkelen, verlaten hun geboorteplaats door een opening (b), die tevens water in den mantel toelaat.
Vooral op Eremietkreeften parasiteeren de 7 soorten van Peltogaster, welker langwerpig, zakvormig lichaam vastgehecht is met wortelvormige aanhangselen, die in het lichaam van haar gastheer een spons- of viltachtige massa vormen.