← Table of contents
Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 5

DE PISSEBEDDEN (Isopoda).

Reading edition

Illustration from Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 5: De Spinachtigen

Sprinkhaankreeft (Squilla mantis). Een weinig verkleind.

De Isopoden en de op hen volgende Amphipoden hebben, evenals alle vroeger behandelde Schaaldieren, een uit 19 segmenten samengestelden stam (de aarsplaat of „telson” wordt niet als een segment beschouwd); zij missen echter de bij deze nagenoeg altijd voorkomende oogstelen en dragen daarom den gemeenschappelijken naam van Hedriophthalmata. Bij beide orden ontbreekt een rugschild, zooals bij de vorige Crustaceën (de Podophtalmata) gevonden wordt. Deze heeten daarom ook wel Grootschaligen (Thoracostraca), gene Ringschaligen (Arthrostraca). De kop (die ook hier uit 5 vereenigde segmenten bestaat) is n.l. met slechts 1 (of hoogstens 2) borstsegmenten tot een kopborststuk vergroeid. De 7 volgende segmenten, die het „middellijf” (pereion) vormen, zijn in den regel vrij en dragen ieder 1 paar pooten. Het „achterlichaam” (pleon) bestaat uit 6 (soms gedeeltelijk vergroeide) meestal ledematen dragende segmenten (en den telson). Een belangrijk verschil tusschen de Pissebedden (Isopoda) en de Amphipoden, hare naaste verwanten (van welke zij zich bovendien door haar in den regel van boven naar onderen afgeplat lichaam onderscheiden), is gelegen in de vervorming der valsche of na-achterlijfspooten in dubbele plaatjes, die als ademhalingsorganen dienen. Die van het laatste paar hebben dikwijls een afwijkenden vorm en worden daarom „staartpooten” (uropoden) genoemd. De middellijfspooten van de wijfjes dragen plaatvormige aanhangsels, die een broedholte begrenzen, waarin de eieren uitkomen en de jongen hunne eerste dagen doorbrengen. Deze gelijken veel op hunne ouders, maar missen nog het laatste segment van het middellijf en de daarbij behoorende ledematen. Over ’t algemeen behooren de Pissebedden tot de kleine Schaaldieren; haar lengte bedraagt gemiddeld 18 à 26 mM. Zij voeden zich hoofdzakelijk met rottende stoffen en hebben zich gewijzigd in overeenstemming met zeer verschillende levensomstandigheden. Men vindt onder hen echte landdieren en echte waterbewoners; deze zoowel in zoetwater als in de zee, gene op vochtige zoowel als op droge plaatsen. De meeste leven vrij, sommige parasiteeren echter op andere Schaaldieren of op Visschen. Er zijn ongeveer 800 soorten bekend, waarvan ongeveer het derde deel op het land leeft.

Een kenmerk van de familie der Landpissebedden (Oniscidae) is o.a., dat een der takken van elk der beide uropoden stijlvormig verlengd is, zoodat twee staartjes aan weerszijden voorbij de spits van het achterlijf uitsteken. Alle overige valsche pooten hebben twee bladvormige takken, waarvan de achterste, dunste en kleinste als kieuw dienst doet en door den voorsten beschut wordt. De meeste soorten moeten, om te kunnen ademen, door een met waterdamp verzadigde lucht omgeven zijn en houden daarom gewoonlijk verblijf op vochtige plaatsen, aan den voet van muren, onder groote steenen, in kelders en dergelijke donkere ruimten; zij mijden het licht. Sommige soorten, o.a. van de geslachten Oniscus en Armadillidium, die op volkomen droge en zelfs op zonnige plaatsen leven, hebben, naar het schijnt, behalve de bedoelde, zwakke kieuwademhaling, ook nog een soort van luchtademhaling, die tot stand komt, doordat de beide voorste kieuwdekselplaatjes een stelsel van holten en fijn vertakte kanaaltjes bevatten, welke door spleten met de buitenwereld in gemeenschap staan. Algemeen bekend zijn Muurpissebedden of Kelderpissebedden, in sommige deelen van ons land ook wel Varkentjes genoemd (Oniscus murarius), en de door haar korrelige lichaamsbekleeding gekenmerkte Ruwe Pissebedden (Porcellio scaber). Beide worden door sommige lieden als afschuwwekkende wezens beschouwd. Daar zij, behalve rottende, ook wel gave plantendeelen aantasten, richten zij in tuinen schade aan. Een veel bollere rugzijde hebben de Rolpissebedden (Armadillidium), die het vermogen hebben om zich bij dreigend gevaar tot een kogeltje op te rollen. Het meest vindt men in tuinen onder bloempotten, doch ook wel vroeg in ’t voorjaar op straatwegen de Gewone Rolpissebed (Armadillidium vulgare). Een verwante soort uit Zuid-Europa, Noord-Afrika en Klein-Azië (Armadillo officinarum) werd vroeger als geneesmiddel gebruikt en kwam daarom in gedroogden toestand in de apotheken voor.

Illustration from Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 5: De Spinachtigen

1) Ruwe Pissebed (Porcellio scaber).—2) Rolpissebed (Armadillidium vulgare). Ware grootte.

Van de Landpissebedden verschillen de Waterpissebedden (Asellidae) door den meer langwerpigen vorm van het lichaam, dat nagenoeg overal even breed is; de segmenten van ’t achterlijf zijn kort, met uitzondering van het laatste, dat lang en schildvormig is. Deze dieren bewegen zich loopend en niet zwemmend. Bij de Gewone Zoetwaterpissebed (Asellus aquaticus) bestaat het achterlijf nagenoeg geheel uit een enkel groot, schildvormig segment, waarachter 2 rolronde, tweetakkige staartpooten uitsteken. De grootste mannetjes zijn 14 mM. lang, de wijfjes 7 à 8 mM. Zij komen voor in slooten en grachten, waar planten groeien of bladeren rotten, zitten dikwijls op de wortels en wortelstokken van oever- en waterplanten en voeden zich hoofdzakelijk met rottende stoffen. Daar zij gewoonlijk in ondiep water leven, komt het niet zelden voor, dat hun woonplaats in den zomer uitdroogt; zij kruipen dan zoo diep mogelijk in den modder en vervallen hier in een soort van zomerslaap, die voortduurt, totdat een regenbui hen tot nieuw leven opwekt.

De Zoetwaterpissebedden bewonen allerlei niet te snel stroomende wateren. De soorten, die men in onderaardsche en diepe meren aantreft, missen de oogen.

De Zeepissebedden (Idotea) hebben een lang en smal lichaam; de 3 of meer laatste segmenten zijn tot een lang staartschild vergroeid. De meest gewone soort aan onze stranden, de langwerpig ovale, 20 à 30 mM. lange Idotea tricuspidata, vertoont veel verscheidenheid van vorm en kleur. Zij is donkerbruin onder de bruinzwarte blaaswieren (Fucus), lichtgroen onder de groene watervliezen (Ulva). De Zeepissebedden gebruiken zoowel dierlijk als plantaardig voedsel.

De beide volgende familiën (Sphaeromidae en Cymathoidae) kan men onder den naam van Zwemmende Pissebedden (Natantia) samenvatten, daar de staartpooten plat zijn en met het eindlid van ’t lichaam een voor ’t zwemmen geschikte staartvin vormen.—Een algemeen verbreid, doch vooral aan de kusten der warme zeeën talrijk vertegenwoordigd geslacht wordt gevormd door de Kogelpissebedden (Sphaeroma), zoo genaamd, omdat zij zich bij aanraking tot een bal ineenrollen. Veelvuldig vindt men bij ons aan ’t strand en in brak water de 10 mM. lange Sphaeroma rugicauda, die zeer snel (dikwijls ook op den rug) zwemt en gezellig onder steenen rust.—Merkwaardig is de 4 à 5 mM. lange Boorpissebed (Limnoria terebrans) door de verwoestingen, die zij in verschillende zeeplaatsen (o.a. te Havre en te Plymouth) heeft aangericht. Zij knaagt n.l. in het hout van havenwerken cilindervormige gangen van hoogstens 2 mM. middellijn, die zoo dicht bij elkander liggen, dat er slechts dunne schotten tusschen overblijven; eerst wordt de buitenste laag, later het geheele voorwerp in een sponsachtige massa veranderd. Men heeft haar aangetroffen op verschillende plaatsen van de Europeesche kust, van de Middellandsche Zee tot aan de oostkust van Sleeswijk-Holstein. Ook bij ons komt zij nevens den Paalworm geregeld voor.

Tot de Cymathoïden, die zich van de vorige familie onderscheiden door de beweegbaarheid van den binnensten tak der staartpooten, behoort o.a. de hoogstens 7 mM. lange en 3 mM. breede Agaatpissebed (Eurydice pulchra). Haar vorm is langwerpig eirond, op den rug tamelijk bol, de kleur wit, met sierlijke, bruine figuurtjes op verscheidene afdeelingen van het lichaam; de schitterende, donkerzwarte oogen zijn gefacetteerd, half aan de buikzijde, half aan de rugzijde gelegen en dus geschikt om gelijktijdig in alle richtingen te kijken; de achterste sprieten zijn zeer lang en reiken tot voorbij het begin van den staart. Van de levenswijze geeft Ritzema Bos de volgende interessante beschrijving: „Aan ’t strand van Rottum zag ik ze op eenigen afstand van den vasten wal steeds bij ebbe over het water rondzwemmen. Nooit vond ik ze ver in zee, maar ook nooit in poelen of kreekjes, waar minder dan ongeveer 1 voet water stond. Het meest zag ik ze daar rondzwemmen, waar bij ebbe het zeewater het strand nog ter hoogte van 2 à 3 voet bedekte. Naarmate het water verder terugweek, gingen zij ook verder zeewaarts op. Zij zijn dus geen eigenlijke stranddieren, maar leven meest pelagisch en wel aan de oppervlakte van laag water. Zij zwemmen zeer snel en herinneren van verre gezien aan de Draaikevertjes onzer slooten: dezelfde vlugge beweging over de oppervlakte des waters, dezelfde grootte, dezelfde glans, als de zon hen beschijnt. Zij zijn zeer vraatzuchtig en schijnen uitsluitend van dierlijk voedsel te leven. Ongeveer een twaalftal vond ik op en in een klein scholletje; zij waren druk bezig het te verslinden. Sprinkhanen en Kevers, die van de duinen in zee waren gewaaid of gevlogen, werden geheel leeggevreten, zoodat slechts het huidskelet overbleef. Ook vond ik ze op en in Kwallen, zoo levende als doode. Als men gaat baden, dan hechten zij zich graag op de huid vast en bijten vrij gevoelig. Met het leven van dierlijk voedsel zijn de krachtige, van scherpe tanden voorziene bovenkaken in volkomen overeenstemming. Zoo is het ook met de zeer groote, bijkans het geheele „middellijf” vullende kauwmaag, wier wand dikke spierlagen bevat en waarvan de binnenste bekleeding van scherpe, tandvormige, chitineuze uitsteeksels voorzien is.”

De leden van het typische geslacht Cymothoa parasiteeren op Visschen.

De parasitische levenswijze heeft ook uit Pissebedden wezens van zeer zonderlinge gedaante doen ontstaan. Voorbeelden hiervan leveren de familiën der Garnalenpissebedden (Bopyridae) en der Krabbenpissebedden (Entonicidae). Bij beide zijn de mannetjes veel kleiner dan de wijfjes, langwerpig van vorm, regelmatig geleed, symmetrisch, kortom nog duidelijk als Pissebedden te herkennen. De wijfjes, die in haar prille jeugd een dergelijk voorkomen hadden, dalen allengs tot een veel lageren trap van organisatie af. Die der Bopyriden verkrijgen een afgeplatte, asymmetrische gedaante, naar rechts of naar links gebouwd al naar de plaats, die zij op haar gastheer innemen; gewoonlijk vestigen zij zich in de kieuwholte van Garnalen en Steurkrabben (gelijk Bopyrus squillarum), zeldzamer in die van Krabben.—Een nog zonderlinger vorm van parasitisme komt bij de Krabbenpissebedden voor. De gastheer van Cryptoniscus pygmaeus is niet de Krab zelf, maar een op haar levende parasiet, de vreemdsoortig gebouwde Peltogaster paguri. Alleen de wijfjes ontaarden door parasitisme tot ongelede, dikwijls asymmetrische, worst-, buis- of blaasvormige wezens, zonder ledematen.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings