IX.
Reading edition
De strijd ontbrandt.
Het razen van Luthers vijanden noodzaakte hem, zich tegen hun aanvallen te verdedigen. Hij bemerkte, dat zijn stellingen niet door allen goed begrepen waren en achtte het daarom, vooral voor de onpartijdigen, noodig er nog eens een duidelijke verklaring van te geven.
Deze „Verklaring” zond hij ook aan den paus, met een brief, waarin hij den „Allerheiligsten Vader” meedeelde, wat hem bewogen had zijn stellingen te schrijven, en hem ootmoedig verzocht, zijn zaak te willen onderzoeken. Wanneer dit geschiedde, zoo vertrouwde hij, zou zij wel tot een goed einde worden gebracht. Want hij geloofde nog altijd in 's pausen rechtvaardigheid en waarheidsliefde.
Leo X liet er zich echter niet veel aan gelegen liggen. Hij dacht dat het maar een twist tusschen monniken was, en dat die wel spoedig geëindigd zou zijn, ook zonder dat hij zich er mee bemoeide. Maar toen er telkens nieuwe aanklachten tegen dien lastigen monnik bij hem inkwamen, begon het hem te vervelen en kreeg Luther, in plaats van een antwoord op zijn brief, waarop hij nog altijd vol vertrouwen wachtte, een dagvaarding namens den paus, om binnen zestig dagen in Rome te verschijnen. „Op het oogenblik dat ik den zegen wachtte, zag ik den banbliksem op mij neerdalen,” zeide hij.
Als Luther gegaan was, zou het waarschijnlijk met hem gedaan zijn geweest. Maar zijn keurvorst wist te bewerken, dat hij voorloopig in Duitschland mocht blijven, waar hij dan verhoord zou worden door den kardinaal Cajetanus, den pauselijken gezant, die te Augsburg was voor den Rijksdag.
Niettemin had Rome hem reeds, onverhoord, voor een ketter verklaard en bij voorbaat zijn ondergang besloten. Want Cajetanus was van een bevelschrift voorzien, waarin de paus hem machtigde, den monnik, indien hij binnen zestig dagen niet herriep, gevangen te nemen en naar Rome te voeren en, zoo hij mocht ontsnappen, hem en al zijn aanhangers en beschermers in den ban te doen.
Met groote vrees zagen Luthers vrienden hem op den bepaalden tijd gaan. Allerlei onrustbarende geruchten waren hun ter oore gekomen van gevaren, die hem dreigden. Maar Luther stelde zich in Gods hand en liet zich niet afschrikken. Gedurig was het hem, als hoorde hij de stem van zijn Meester: Die Mij belijden zal voor de menschen, dien zal Ik ook belijden voor Mijn Vader, die in de hemelen is. En vol moed schreef hij aan een van zijn vrienden: „De wil des Heeren geschiede. Zelfs te Augsburg, zelfs temidden van Zijn vijanden voert Jezus Christus heerschappij. Christus leve; Luther sterve. De naam des Heeren zij geprezen!”
In October 1518 kwam hij te Augsburg en had daar een belangrijk gesprek met Cajetanus. Deze was eerst heel vriendelijk; maar toen Luther weigerde te herroepen, zoolang men hem niet van dwaling overtuigde, werd hij norsch en dreigde hij hem met de strengste straffen.
„Men doe met mij, wat men wil,” antwoordde Luther onverschrokken. „Maar al had ik vierhonderd hoofden, zoo zou ik ze liever alle verliezen, dan herroepen wat ik getuigd heb van het heilig Christelijk geloof.”
„En als de paus u in den ban doet en geen vorst u meer in zijn rijk zal dulden, waar zult ge dan blijven?” werd hem gevraagd.
„Onder den hemel,” antwoordde Luther met een rustigen glimlach en de oogen naar boven gericht.
Op deze samenkomst volgden nog twee andere; maar Cajetanus, zelf druk redeneerend, gaf zijn tegenpartij nauwelijks gelegenheid om aan het woord te komen; en na nog veel bedreigingen riep hij toornig: „Herroep, of kom niet terug!”
Luther antwoordde met een buiging en—vertrok.
Zij zagen elkander niet weder. Luther schreef den kardinaal nog een onderdanigen brief, waarin hij zich op de uitspraak van den paus en de Kerk beriep. Maar toen er na vier dagen nog geen antwoord op gekomen was, verliet hij Augsburg op raad van zijn vrienden; want het was duidelijk, dat het op zijn leven was gemunt. Hij deed het in alle stilte, vóór het aanbreken van den dag, op een paard van een zijner vrienden. En zoo kwam hij 31 October behouden in Wittenberg terug, juist een jaar na het aanplakken van zijn stellingen.
Paus Leo was heel ontevreden op Cajetanus, dat hij niet beter gezorgd had, den ketter tot andere gedachten te brengen of hem in handen te krijgen. Hij zou het nu door een ander beproeven en zond zijn kamerheer Von Miltitz naar Duitschland, een eersten pluimstrijker, die met vleien en zoete broodjes bakken zijn doel hoopte te bereiken.
Maar Luther wist wel wat er achter die vriendelijkheid schuilde en liet er zich niet door van de wijs brengen. Hij bleef bij zijn verklaring, dat hij niets herroepen kon, maar beloofde, verder over die geschilpunten te zullen zwijgen en de zaak te laten doodbloeden, als zijn vijanden het ook deden en hem met rust lieten. Want nog altijd was het Luthers oprechte wensch, een gehoorzame zoon van Kerk en paus te blijven en, zoover zijn geweten het toeliet, niets te doen, wat met die gehoorzaamheid in strijd was of den vrede verstoren kon.
Von Miltitz deed alsof hij met deze belofte tevreden was. Hij noodigde Luther heel vriendschappelijk aan den avondmaaltijd en deze nam het aan. Beiden waren opgewekt en vroolijk, en bij het scheiden omhelsde de pauselijke legaat den ketterschen doctor, die maar deed of hij die Italiaansche manieren niet begreep, bijzonder hartelijk. Maar in stilte kwam hij met Cajetanus overeen hem naar Trier te lokken. Was hij eenmaal daar, in het gebied van een aartsbisschop, dan hadden ze hem in hun macht en zou hij spoedig in Rome zijn.
De aartsbisschop, die als scheidsman in Luthers zaak dienst zou doen, verzocht dus den keurvorst hem naar Trier te zenden. Maar keurvorst Frederik dacht er niet over. Zou hij het kort geleden misschien niet hebben durven weigeren uit vrees voor den paus, nu waren de bakens verzet. In Januari was keizer Maximiliaan gestorven en Frederik van Saksen regent geworden van het Duitsche rijk. De oude keurvorst was thans in Duitschland opperste gebieder, en als zoodanig was het nu de paus, die noodig vond den vorst te vriend te houden en te ontzien. Bovendien had Leo het nu veel te druk met staatszaken om zich met de zaak van een monnik bezig te houden. De aartsbisschop van Trier, een gematigd man en daarbij een vriend van Frederik, wilde er zich ook liefst maar niet verder mee inlaten, en kwam met den keurvorst overeen, het onderzoek uit te stellen tot den eerstvolgenden Rijksdag. En die bleef nog twee jaar uit.
Zoo deed Gods Voorzienigheid te juister tijd alle omstandigheden medewerken om het groote gevaar af te wenden, dat den hervormer en de Hervorming bedreigde.
Luther bleef dus te Wittenberg. 't Was er rustiger nu de aflaatventers uit den omtrek verdwenen waren. Hun handel bracht trouwens nergens geld meer op. Tetzel zelf, bij Von Miltitz aangeklaagd als de eigenlijke oorzaak van al de beroeringen, viel in ongenade bij den paus. Hij durfde niet eens te verschijnen, toen hij door diens gezant ter verantwoording geroepen werd, maar verborg zich in een klooster, waar hij, met verachting en schande overladen, wegkwijnde door gewetenswroeging en verdriet. De arme man, zelfs door zijn vrienden verlaten, vond bij niemand medelijden of troost dan bij Luther. „Ik heb medelijden met Tetzel,” schreef Luther aan zijn vriend Spalatin. Van dezen „vijand” kreeg de ongelukkige nog een roerenden brief, waarin hij werd gewezen op de barmhartigheid Gods voor berouwhebbende zondaren.
Zoo betoonde Luther zich een echt Christen, gehoorzaam aan het bevel van zijn Meester: Hebt uw vijanden lief. 't Was trouwens niet de persoon, maar het werk van Tetzel, dat hij haatte. Hij had het vroeger al eens gezegd: „Laat hij mij maar kwalijk bejegenen, ik zal daarom zijn vijand niet zijn; ik zal voor hem bidden als voor een vriend. Maar het is onmogelijk te dulden, dat hij de H. Schrift, onzen troost, zoo mishandelt.”
Was Tetzels schijnglorie alzoo in duisternis ondergegaan, Luthers invloed vermeerderde met den dag. Aan de Wittenbergsche hoogeschool was nauwelijks plaats meer voor de àl maar nieuw-aankomende studenten. Ook de kerken werden er te klein. De nieuwe leer vond steeds meer aanhangers, ook buiten Duitschland. Te Bazel waren door een boekdrukker al de werken van Luther uitgegeven en met snelheid, ook in andere landen, verspreid. Zelfs de bisschop van Bazel juichte den hervormer toe. En een zeker kardinaal riep, na zijn werken gelezen te hebben: „O Luther! gij doet uw naam eer aan. Gij zijt een echte Luther—louteraar.”