V.
Reading edition
In het klooster.
Werkelijk dacht Luther hier, binnen de kloostermuren, vrede te zullen vinden voor zijn onrustig hart. Met vreugde was hij er ontvangen. De monniken waren niet weinig vereerd, dat zoo'n beroemde doctor in de wijsbegeerte de hoogeschool verlaten had om in hun klooster te komen wonen. Maar hij moest zich niet verbeelden, dat hij meer was dan zij. Ze deden hem dit maar dadelijk gevoelen en legden hem het laagste werk op.
Klok luiden, kerk vegen, de cellen van de andere monniken schoonhouden, deuren openen en sluiten, hout en water aandragen, vuur aanleggen en zooal meer, werden nu Luthers dagelijksche bezigheden. En was hij hiermee klaar, dan was het: „Met den zak door de stad!” en moest hij barrevoets, in een grove monnikspij, met een zak op den rug huis aan huis gaan bedelen. Zijn woonvertrek was een kleine cel, die hij alleen verliet om al die karweitjes te doen of in de kerk de mis bij te wonen. Bij het gaan moest hij de oogen naar den grond houden en de handen over elkaar geslagen in de mouwen. En verder moest hij weinig spreken, veel in zijn gebedenboek lezen en dagelijks biechten.
Dat hem zoodoende niet veel tijd tot studeeren overbleef, is te begrijpen. Maar dat was minder, zeiden de monniken. Niet met studeeren, maar met bedelen werd het klooster gediend. Voor den jongen man, wiens grootste genot was om over zijn boeken te zitten, was dit wel het ergste. Maar met hart en ziel onderwierp hij zich aan alles, wat men hem oplegde, meenende dat hij daardoor aan God behagen en Zijn gunst verdienen zou. Gelukkig voor hem kwam er na eenigen tijd verandering. De hoogeschool bemoeide zich er mee; en door deze tusschenkomst werd hij door den prior van die vernederende diensten ontslagen.
Tot zijn groote blijdschap vond Luther ook hier een Bijbel, aan een ketting vastgemaakt, voor het stelen. Want zoo'n Bijbel was toen ter tijd verbazend duur. Zoo dikwijls hij kon, ging hij er in lezen. Heele stukken er van leerde hij uit het hoofd. Met de hulp van een der kloosterbroeders, met wien hij bijzonder bevriend was, ging hij aan 't leeren van Hebreeuwsch en Grieksch, om den Bijbel ook in de oorspronkelijke talen te kunnen lezen.
't Was een wonder zooals dat Boek hem aantrok. Eten, drinken, slaap, vermoeienis, alles vergat hij er voor, tot zijn gebedenboek toe. Dit laatste kwelde hem het meest. Eens durfde hij in zeven weken haast niet te slapen, omdat hij zoo dikwijls verzuimd had in zijn getijboek te lezen, en hij dit verzuim wilde inhalen. Lichaam en geest martelde hij af om voor zijn zonden te boeten en toch maar heilig te leven. Midden in den nacht stond hij op, om biddende, op zijne bloote knieën, over den grond van zijn cel te kruipen. Hij nam een touw met knoopen er in en geeselde zich daarmee, om het kwaad, zoo mogelijk, er uit te sláán. Eten deed hij weinig en uiterst sober. Een stuk brood en een haring was doorgaans zijn heele maal. „Als het nog langer geduurd had, zou ik mij zeker doodgemarteld hebben,” heeft hij later zelf van dien tijd gezegd.
Eens had hij zich in zijn cel opgesloten en dagen lang niemand bij zich willen laten. Toen het àl te lang duurde en er op het herhaald kloppen geen antwoord meer kwam, begon men zich toch ongerust te maken. Ze braken zijn deur open, en zie—daar lag broeder Martinus op den kouden vloer, bewusteloos. Langen tijd trachtte men tevergeefs hem tot bewustzijn te brengen. Eerst op het gezang van eenige koorknapen, die geroepen waren, sloeg hij de oogen op en kwam hij weer bij.
Of het den jongen Luther ook ernst was om tot eer van God te leven en heilig te worden! Maar zijn pogingen baatten hem niet. Den zoo vurig begeerden vrede voor zijn hart kon hij ook in het klooster niet vinden. Hij bleef gevoelen dat hij een zondaar was, en dat hij wel zijn kleed, maar niet zijn hart kon veranderen. Dat hart rein maken kon hij met al zijn boetedoeningen en zoogenaamde goede werken niet. „Hoe langer wij ons wasschen, hoe onreiner wij worden,” klaagde hij.
LUTHERS KLOOSTERCEL IN ERFURT.

Bij een bezoek van den vicaris-generaal, dat is de overste van de Orde, doctor Johann Von Staupitz, had deze al aanstonds opgemerkt, dat die nieuwe broeder Martinus geen luie monnik was, en den prior verzocht hem gelegenheid tot studeeren te geven, en hem met zachtheid te behandelen.
De vriendelijke man gevoelde zich bijzonder aangetrokken tot dien jongen monnik met zijn droefgeestig, vermagerd gelaat en ingevallen oogen, en had al spoedig zijn vertrouwen weten te winnen; en deze op zijn beurt vereerde den ouderen vriend, die hem zooveel belangstelling toonde, als een vader, en legde geheel zijn hart voor hem bloot.
Veel spraken ze samen over wat hem bezwaarde. „Zie op de wonden van den Heere Jezus, en op het bloed, dat Hij voor u gestort heeft,” onderrichtte hem zijn vriend; „hierin zal Gods genade zich aan u vertonen. Vertrouw alleen op Zijn gerechtigheid. Niet door het lichaam te pijnigen kunt ge van de zonde verlost worden, maar door u te werpen in de armen van den Verlosser. Heb Hem lief, die u eerst heeft liefgehad.”
De gesprekken van dezen vromen, verstandigen man waren Luther tot grooten zegen. Hij leerde gelooven dat God in Christus een liefhebbend Vader is, en niet uit vrees voor straf, maar uit dankbare wederliefde gediend en gehoorzaamd wil zijn. Ook kreeg hij den wijzen raad, voortaan al zijn godgeleerdheid uit den Bijbel te putten. En toen Von Staupitz Erfurt weer ging verlaten, zag Luther tot zijn onuitsprekelijke blijdschap zijn hartewensch vervuld, en kreeg hij van zijn vriend een Bijbel ten geschenke.
In het tweede jaar van zijn verblijf in het klooster werd Luther ernstig ziek; en in het gezicht van den dood kwam al zijn onrust en vrees over zijn zonden met kracht weer boven. „Mijn zonden, mijn zonden, mijn zonden!” klaagde hij. Maar door de trouwe zorg des Heeren kwam er een oude, vriendelijke monnik bij hem. Deze zette zich naast den zieke neer, hoorde zijn klachten aan, en ging toen heel eenvoudig aan het praten over het woord uit de Geloofsartikelen, dat hemzelf eens vertroost had: Ik geloof de vergeving der zonden. „Maar,” zei hij er bij, „het is niet genoeg te gelooven, dat de zonden aan David en aan Petrus vergeven zijn. 't Is Gods bevel, dat wij gelooven zullen, dat ze ook aan ons zijn vergeven.”
Dit eenvoudig woord werd Luther tot troost. O, hoe heerlijk klonk dit bevel hem in de ooren! Dagelijks bad hij den Heer hem te helpen om het te gehoorzamen; en in zijn Bijbel zocht hij alles op, wat zijn geloof in de vergeving zijner zonden versterken kon.
De rust, die zijn ziel daardoor kreeg, werkte ook genezend op zijn lichaam. Hij herstelde nu spoedig, en kort daarop was het Kerstfeest. Luther had nog nooit zoo blij Kerstfeest gevierd.
Den 2den Mei 1507 werd Luther tot priester gewijd. Zijn vader was uitgenoodigd om de plechtigheid bij te wonen. Hij nam het aan, maar niet met zijn zin. Aan het feestmaal verklaarde hij rondweg, dat hij liever thuis was gebleven. Hij kon er nog maar geen vrede mee hebben, dat zijn knappe Maarten, aan wiens studie hij zooveel opgeofferd had, vergeten binnen de kloostermuren zat, inplaats van in de wereld te schitteren met zijn kunde als rechtsgeleerde. Hij had hem in al dien tijd nog niet gezien, maar boos was hij toch niet meer. Als bewijs daarvan gaf hij hem twintig gulden ten geschenke. Moeder Margaretha was zelfs overgelukkig een zoon te hebben, die priester was.
Na zijn priesterwijding bleef Luther niet lang meer in het Erfurter klooster. Frederik de Wijze, de keurvorst van Saksen, had kort tevoren te Wittenberg een hoogeschool opgericht, en op aanraden van Von Staupitz werd pater Martinus door den vorst tot hoogleeraar aan deze universiteit benoemd.
Zoo kwam dat Luther in 1508 Erfurt verliet en in het Augustijner klooster te Wittenberg ging wonen; want hoewel hoogleeraar bleef hij toch monnik.
Luther was toen vijf en twintig jaar.