X.
Reading edition
Het Leipziger twistgesprek.
Intusschen wachtte den hervormer nieuwe strijd. Docter Eck, hoogleeraar te Ingolstadt, nogal een vroegere vriend, ging ook heftig tegen Luthers geschriften te keer. Hij kon het maar niet verdragen, dat de boeken van dien „nietigen monnik” door heel Europa zoo gretig gekocht en gelezen werden en wilde in het openbaar met hem redetwisten, om voor aller oog aan te toonen, dat Luther ongelijk had.
Luther moest nu zijn belofte om te zwijgen wel breken. De vrienden waren weer vol vrees. Niemand had nog ooit Dr. Eck durven weerleggen. En dan het ònderwerp van den twist: Het oppergezag van den paus! Hoe durfde de arme monnik zich dááraan te wagen!
Ook zijn keurvorst was ongerust. Maar Luther sprak al dien vreesachtigen moed in. „De waarheid zal zegepralen,” zei hij; „niet door mijn hand, noch door de uwe, noch door die van eenig ander mensch; maar door de rechterhand van God. Mocht ik ook bezwijken, de wereld zal met mij niet vergaan.”
En zoo ging de dappere man in den zomer van 1519, in gezelschap van zijn Wittenbergsche vrienden en een menigte studenten, naar Leipzig, waar het twistgesprek zou gehouden worden in de groote ridderzaal van het hertogelijk kasteel Pleissenburg, ten aanhoore van hertog George van Saksen, een groote schare van graven, abten, ridders en andere aanzienlijke en geleerde mannen.
De hoogmoedige Eck, prat op zijn geleerdheid, hield zich vooruit al van de overwinning verzekerd. Het ging, als gezegd, voor een groot deel over het oppergezag in de Kerk. Eck zei, dat de paus het opperhoofd was, als stedehouder van Christus, en grondde al zijn beweringen op de uitspraken van de Kerkvaders. Maar Luther antwoordde: „Christus zelf is het Hoofd en niet een mensch. Christus moet als Koning heerschen, zegt de Bijbel. En wanneer alle Kerkvaders anders leerden, zou ik mij tegen hen allen aankanten, steunende op het gezag van de H. Schrift.”
Luther beriep zich trouwens bij alles op den Bijbel. De Bijbel was zijn eenig wapen in elken strijd. En daar kon zijn tegenstander niet tegenop. „Dr. Eck is bang voor den Bijbel en loopt over de H. Schrift heen als een spin over het water,” verweet Luther.
En dat was waar. Eck moest het dan ook tegen Luther afleggen. Hij deed wel alsof hij het gewonnen had, maar in zijn hart wist hij wel beter; en de verstandigen dreven den spot met hem, zelfs in zijn eigen land; vooral met de pen. Maar dit keurde Luther niet goed. „'t Is beter openlijk aan te vallen dan achter een heg verscholen te bijten,” zei hij.
Dat Leipziger twistgesprek, dat bijna drie weken geduurd heeft, had voor de zaak der Hervorming heerlijke gevolgen. Want het pas ontstoken licht der waarheid, dat door Luthers belofte aan Von Miltitz, in Duitschland althans dreigde gedoofd te worden, vlamde er opnieuw hoog door op. En dat niet door toedoen van Luther, die uit zichzelf het zwijgen niet verbroken zou hebben, maar juist door zijn tegenstanders. Wel een krachtig bewijs, dat de Hervorming geen menschenwerk, maar Gods werk was.
De kleine prins George von Anhalt, een jongen van pas twaalf jaar, die te Leipzig studeerde, was ook onder de toehoorders geweest, en had er, op een van de voor het Hof bestemde zetels, met alle aandacht geluisterd. Een groote dorst naar kennis, en vooral naar waarheid, leefde er in dat jongenshart. „Een vorst past geen leugentaal,” was een van zijn leuzen. Gedurig smeekte hij God om toch zijn hart tot de waarheid te neigen. „Doe met Uw knecht naar Uw barmhartigheid en leer mij Uw inzettingen,” bad hij vaak onder tranen. Door den dood van zijn moeder, een vrome vrouw, die in stilte de nieuwe leer aanhing, was hij in het bezit van al Luthers geschriften gekomen. En wat hij nu op den Pleissenburg tusschen die beide geleerden had hooren verhandelen, had hem, zoo jong als hij was, ernstig aan 't denken gebracht en een oprechte genegenheid voor Luther doen opvatten. Met volle overtuiging en zonder eenige vrees schaarde die lieve jongen zich openlijk aan de zijde van het Evangelie, zonder zich te laten weerhouden door de schoone beloften noch door de bedreigingen van zijn voogden en zelfs van hertog George. De Hervorming heeft in hem steeds een trouw vriend gehad. Later, als regeerend vorst, heeft hij zelf aan zijn onderdanen het Evangelie verkondigd.
Ook voor den hervormer zelf was die redetwist van groot belang; want door die nieuwe verdediging van de waarheid tegen de dwaling, leerde hij de waarheid nòg weer beter verstaan. Hij was nu ook tot de volle overtuiging gekomen, dat hij met de Roomsche Kerkleer breken moest. „Mijn besluit is genomen,” zei hij. „Ik wil met Rome geen gemeenschap meer hebben. Ik veracht zijn woede en ik veracht zijn gunst. 't Is nu uit met mijn toegeeflijkheid.”
Luther gevoelde zich nu tegenover Rome volkomen vrij; en in een ernstigen, gemoedelijken brief deelde hij den paus de reden mee van zijn scheiden. Hij schetst daarin het bedrog van Rome en zegt dan: „O, voortreffelijkste Leo! wel verre van ooit een slechte gedachte omtrent u gekoesterd te hebben, wensch ik u voor de eeuwigheid de kostbaarste goederen. Ik heb slechts één zaak gedaan: ik heb het Woord der waarheid gehandhaafd. Ik ben bereid om voor allen in alles te wijken; maar dat Woord wil en kan ik niet laten varen. Wie anders van mij denkt, denkt verkeerd. 't Is waar dat ik het Hof van Rome aangevallen heb; maar noch gijzelf, noch eenig mensch op aarde kan ontkennen, dat er aangaande de goddeloosheid die er heerscht, geen hoop op genezing bestaat. Ja, ik ben met schrik vervuld geweest, ziende dat men onder uw naam het arme volk van Christus bedroog.... O Leo, mijn Vader! hoor niet naar de vleiers, die u zeggen dat gij niet een mensch, maar een halve god zijt, en dat gij alles kunt bevelen, wat u behaagt. Ik ben mogelijk te stoutmoedig, maar de liefde dringt mij en ik moet een stem van waarschuwing en heil doen hooren.... O Leo, mijn Vader! gij zetelt op den gevaarlijksten troon. Ik zeg u de waarheid, omdat ik u hartelijk genegen ben.... Ziedaar waarom ik tegen dien zetel, die den dood aanbrengt, uitgevaren ben. Wel verre van tegen uw persoon op te staan, heb ik er door voor uw behoud meenen te werken.... Maar ziende dat al mijn zorgen om den Stoel van Rome te hulp te komen vergeefsch waren, heb ik hem den scheidbrief gegeven en gezegd: Vaarwel, Rome!...” En dan biedt hij den paus een boekje aan, dat hij pas geschreven had: De vrijheid van een Christenmensch. „Ik ben arm en heb niets anders om u aan te bieden,” zegt hij; „maar hebt gij iets anders nóódig dan geestelijke gaven?.... De Heere Jezus behoede u eeuwig. Amen!”
Terwijl Luther aldus afscheid nam van Kerk en paus, was Eck, uit wraak over zijn nederlaag, op hooge beenen naar Rome gereisd en had daar weten te bewerken, dat er een banbul tegen Luther uitgevaardigd werd, waarin de paus beval, al zijn als kettersch verklaarde schriften in het openbaar te verbranden, hem het prediken, onderwijzen en schrijven te verbieden, en, zoo hij binnen zestig dagen niet herriep en zich met de Kerk verzoende, hem en zijn aanhangers als vervloekte ketters gevangen te nemen en naar Rome te brengen.
Eck zelf bracht de bul in September 1520 in triomf naar Saksen, om daar te worden afgekondigd. Maar hij legde er niet veel eer mee in. In de eene stad werd ze aangeplakt op een plaats, waar niemand haar kon lezen; in andere steden plakte men haar in 't geheel niet aan. De studenten, op een relletje belust, maakten het er den overbrenger zoo lastig om, dat hij de wijk moest nemen en naar hetzelfde klooster vluchtte, waar Tetzel een schuilplaats had gezocht. Toen ze den man zelf niet meer te pakken konden krijgen, vergenoegden ze zich met een liedje op hem te maken en dit langs de straten te zingen. Eck hoorde het in zijn gevangenis. Later, toen hij zijn kans schoon zag, kwam hij met zijn bul in Erfurt. Maar de studenten dáár verscheurden al de exemplaren en wierpen de stukken in het water. „Een bul1) moet zwemmen,” zeiden ze.—„Nu is het een echte bul”, grapte Luther, toen hij er van hoorde.
Intusschen werden er reeds in onderscheiden plaatsen buiten Duitschland brandstapels opgericht voor de schriften van den ketter. Die zouden er den schrik wel inbrengen, hoopten Rome's dienaren.
Zoo ook te Leuven. „Luther”, zoo kwamen daar de leeraren van de hoogeschool zich bij Margaretha, de landvoogdes der Nederlanden beklagen, „Luther keert het heele Christelijke geloof om.”
„Wie is die Luther?” vroeg de landvoogdes.
„Een domme monnik,” was het antwoord.
„Welnu”, luidde haar raad, „gij, die geleerd en met zoo velen zijt, schrijft tegen hem. De wereld zal eerder vele geleerden dan één dom mensch gelooven.”
De geleerden vonden echter gemakkelijker de werken van dien „dommen monnik” te verbranden dan ze te bestrijden. En terwijl ze daarmee onder veel bekijks bezig waren, kwamen studenten en burgers met nog meer boeken aandragen. De geleerde stokers verheugden zich reeds over dien bijval. Maar hun blijdschap sloeg in woede over toen ze ontdekten, dat men hen beet had en het Roomsche boeken waren, die daar lagen te branden in hetzelfde vuur, dat de werken van den ketter verteerde.
Luther was de eenige, die rustig bleef temidden van al het rumoer. „Laat men mijn werken maar vernielen,” zei hij. „Ik heb eenige zielen tot den Bijbel willen leiden. Als ze dien kennen, hebben ze mijn schriften niet meer noodig.”—Vrees kende hij niet, want hij vertrouwde onder alles op God. „Geen blad van een boom valt op de aarde zonder den wil van onzen Vader,” bemoedigde hij zijn bezorgde vrienden, „hoeveel minder dan wij! Het zegt weinig, voor het Woord te sterven, daar het Woord vleesch voor ons werd en voor ons gestorven is. Ik verblijd mij, dat ik voor de beste zaak wat kwaad te lijden heb.”
Zoo had zelfs Rome's banbul hem niet kunnen verschrikken. Zijn eenig antwoord daarop was een nieuw geschrift: Tegen de bul van den Antichrist. Zoo noemde hij nu den paus.
LUTHER VERBRANDT DE PAUSELIJKE BUL.

Maar Luther meende nog meer te moeten doen. Hij had in het openbaar tegen den aflaathandel gestreden, thans wilde hij in het openbaar de gehoorzaamheid aan den paus opzeggen. Sinds het hem duidelijk was geworden, dat de paus Gods Woord niet eerde en de dienaren van Christus vervolgde, kon hij hem niet langer gehoorzaam zijn. En zoo liet hij den 10den December, in de vroegte, aan den muur van de hoogeschool te Wittenberg een kennisgeving aanplakken, dat doctor Martin Luther voornemens was, dien morgen te negen uur, buiten de Elsterpoort, de pauselijke bul en andere Roomsche geschriften te verbranden, en iedereen uitnoodigde om daarbij tegenwoordig te zijn.
In minder dan geen tijd wist heel de stad het; en op het bepaalde uur stroomde alles er heen; professoren, studenten, en een groote menigte volks, ouden en jongen, rijken en armen, voor- en tegenstanders. Een houtmijt werd opgericht. Een der leeraren stak die aan. En na eerst de andere schriften verbrand te hebben, nam Luther de bul, hief die omhoog en wierp ze voor aller oog in de vlammen, met de woorden: „Omdat gij de heiligen des Heeren bedroefd hebt, zoo vertere u het eeuwige vuur!”