← Table of contents
Een vaste burg is onze God

XVII.

Reading edition

Het klooster geen klooster meer.

Dat Luther van kinderen hield, bleek wel uit zijn brief aan de Raadsheeren, en meer nog uit den omgang met zijn eigen troepje, in den huiselijken kring; als hij met hen speelde en zong, hun vertelde en leerde; en uit de aardige brieven, die hij hun schreef als hij van huis was.

Want Luther was geen eenzame monnik meer. In October 1524 legde hij voorgoed zijn monniksgewaad af. En in Juli van het volgende jaar trouwde hij met Catharina von Bora, een gewezen non, van adellijke geboorte, die haar klooster ontvlucht was, toen ze met de leer van het Evangelie bekend was geworden.

De tegenstanders spraken schande van Luthers daad; zelfs enkele vrienden deden bedenkelijk; want geestelijken mòchten niet trouwen, leerde de Roomsche Kerk. Maar ook hierin wilde Luther „hervormer” zijn. „Ik wil niet alleen van Gods Woord getuigen door mijn woorden,” zei hij, „maar ook door mijn daden. Het huwelijk is een instelling van God; maar het verbod er van is een instelling van Rome. En van Rome wil ik in mijn leven niets overhouden.”

Luthers vriend Bugenhagen zegende zijn huwelijk in; en zijn ouders kwamen mee bruiloft vieren. Het gezicht van vader Luther stond nu heel wat vroolijker dan toen hij, achttien jaar geleden, in het klooster te Erfurt, bij de priesterwijding van zijn Maarten, aan den feestmaaltijd zat.

Nu eerst kreeg Luther een gezellig tehuis; want hij had een lieve, vrome, zorgzame vrouw in zijn Käthe, zooals hijzelf zeide. „De morgenster van Wittenberg” noemde hij haar grappend, omdat ze 's morgens voor dag en dauw opstond. Reeds een jaar tevoren had de keurvorst hem het klooster, dat door al de monniken verlaten was, en waarin Luther op 't laatst nog maar alleen was overgebleven, ter bewoning gegeven. En zoo werd thans het somber verblijf van een hoop luierende, babbelende, ook wel eens krakeelende monniken herschapen in de woning van een gelukkig, bedrijvig, christelijk huisgezin.

Inplaats van langzame, zware monnikenstappen deden zich nu in die oude kloostergangen allerlei prettige geluidjes hooren van trippelende kindervoetjes en heldere kinderstemmen. Want drie jongens en drie meisjes schonk de Heer hun. „Wat ben ik toch een rijk man! Wat een grooten schat heeft God mij toch gegeven!” juichte de gelukkige vader.

Hun eersteling was een Hans; de anderen heetten Paul en Maarten; en de meisjes Magdalena, Elisabeth en Margaretha. Elisabeth is heel jong gestorven, nog vóór het jaar. En „Leneke”, vaders oogappeltje, een bijzonder lief, vroom kind, ging op haar dertiende jaar van hen heen.

O, wat waren de arme ouders toen bedroefd. „Lieve God,” klaagde Luther, toen hij zag dat het sterven werd, „ik heb haar zeer lief; maar als het Uw wil is, haar van ons te nemen, dan verheugt het mij te weten dat ze bij U zal zijn.”—Tot de zieke zelf zei hij: „Magdaleentje, mijn dochtertje, je blijft graag bij je vader; maar je wilt toch ook wel graag naar je Vader in den Hemel gaan?”

LUTHER BIJ HET LIJK VAN ZIJN DOCHTERTJE.

LUTHER BIJ HET LIJK VAN ZIJN DOCHTERTJE.
LUTHER BIJ HET LIJK VAN ZIJN DOCHTERTJE.

„Ja, lieve Vader; zooals God het wil,” kwam zacht het antwoord.

Toen ze gestorven was, zei Luther: „'t Is wonderlijk, te weten dat ze in vrede en tot haar bestwil heengegaan is, en toch zoo bedroefd te zijn.”—„Lieve Käthe, laat ons toch bedenken wáár ze is en hoe goed ze 't nu heeft,” troostte hij zichzelf en de schreiende moeder. Tot zijn vrienden zei hij: „Ik heb een heilige naar den Hemel gezonden.”—Het lieve kind had haar ouders nooit het minste verdriet gedaan.

Behalve zijn eigen kinderen had Luther gewoonlijk nog meer jong volkje in huis, kostjongens, die te Wittenberg studeerden; waaronder ook een zoon van zijn vroegere weldoenster, mevrouw Cotta, uit Eisenach. 't Was er maar zelden zonder bezoekers; want geen gastvrijer huis in heel Wittenberg dan Luthers gezellige pastorie. Wie kwam was welkom. De vrienden hadden te allen tijd vrijen toegang. En bezoekers van buitenaf—en er kwamen niet weinigen om den grooten man te zien—werden, 't zij rijk of arm, bijna altijd aan zijn tafel genoodigd; wat de huismoeder wel eens in het nauw bracht, als ze op geen onverwachte gasten gerekend had. En wat de gastheer dan zooal sprak, was het luisteren en onthouden óverwaard. Een paar huisvrienden vonden het dan ook jammer, dat zooveel leerzame, geestige, pittige gezegden, uitingen van zijn vroom, opgeruimd, liefhebbend gemoed, niet door nòg meerderen gehoord konden worden, en hebben ze daarom zooveel mogelijk opgeteekend en na zijn dood uitgegeven. Dit was wel een goede gedachte. Zoo zijn „Luthers Tafelgesprekken” ook voor het nageslacht bewaard gebleven, en kunnen ook wij, na vierhonderd jaren, er nog van meegenieten.

„Frau Käthe” had den naam van nogal zuinig te zijn; maar dat moest ze wel. De vrienden noemden het al lachend een geluk voor het gezin, dat zij het roer in handen had; want haar man zou alles maar weggegeven hebben aan wie in den nood tot hem kwamen, tot zijn kleeren en meubelen toe. 't Gelukte haar echter niet altijd om daar een stokje voor te steken. Ondanks haar vermanenden blik gaf hij eens aan een student, die naar huis moest en geen reisgeld had, zoo maar zijn zilveren beker weg, dien hij eens van een vorst had gekregen. „Ik hoef niet uit zilver te drinken,” verontschuldigde hij zich.

Aan muziek ontbrak het ook niet in de gezellige woonkamer met het groote raam, dat op den kloostertuin uitzag. Als we er bij waren geweest, wanneer Vader zijn luit nam en met zijn mooie barytonstem een van zijn liederen inzette, en ouden en jongen zoo van harte meezongen, zouden we er zelf ook niet lang stil bij gebleven zijn. Geen wonder dat men zich gaarne vinden liet bij de vriendelijke, blijmoedige bewoners van het oude klooster, dat geen klooster meer was.

LUTHER IN DEN HUISELIJKEN KRING.

LUTHER IN DEN HUISELIJKEN KRING.
LUTHER IN DEN HUISELIJKEN KRING.
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings