← Table of contents
Een vaste burg is onze God

IV.

Reading edition

Luther als student.

Te Eisenach, zijn „lieve stad”, zooals hij haar is blijven noemen, bleef Luther tot zijn achttiende jaar. Toen ging hij naar de hoogeschool te Erfurt, destijds de beroemdste van heel Duitschland, waar zijn vader, die intusschen in beteren doen was gekomen en hem nu zelf onderhouden kon, hem verder wilde laten studeeren. Daar maakte hij zulke snelle vorderingen, dat zijn leeraars zich er over verbaasden. „Onze philosoof”, wijsgeer, noemden zijn medestudenten hem. Hij was dan ook niet tevreden, zooals de meesten, met wat er in de boeken stond maar werktuiglijk van buiten te leeren; hij wilde er inkomen, de schrijvers begrijpen, zich hun wijsheid eigen maken. En zoo bleef alles, wat hij las of hoorde, hem bij, alsof hij het zelf gezien had.

Maar Maarten Luther had ook een groot verstand en een uitstekend geheugen van den Heer gekregen. En daarbij gebruikte hij steeds het beste middel om te slagen, het gebed. Elken dag begon hij met den Heer om Zijn zegen te vragen over zijn werk, niet alleen met zijn mond, maar ook met zijn hart. En zùlk bidden vindt altijd verhooring. „Goed gebeden is meer dan half gestudeerd”, placht hij te zeggen. En hij kòn het zeggen; want hij wist bij eigen ervaring dat het waar was. Na zijn morgengebed ging hij naar de kerk. En dan aan den arbeid, zonder den ganschen dag een oogenblik verloren te laten gaan.

't Was de wensch van Luthers vader, dat zijn zoon rechtsgeleerde zou worden; en hijzelf wilde dit in 't eerst ook. Maar de Heer, die het lot der menschen bestuurt, had anders besloten. Luther moest in Gods hand het werktuig worden, om het groote werk der Kerkhervorming tot stand te brengen. Maar daartoe moest hij eerst zelf hervormd worden. Hoe dit geschiedde, zullen we verder hooren.

Bij die hoogeschool van Erfurt behoorde een bibliotheek of boekerij; d.i. een vertrek, waarin zich een verzameling boeken bevindt. Biblia is het Grieksche woord voor boeken.

Luther zat daar dikwijls te lezen. Hij vond het heerlijk, in al die geleerde werken te snuffelen en met de verschillende schrijvers bekend te worden. Maar eens vond hij tusschen die oude, bestoven boeken er een, dat wel heel bijzonder zijn aandacht trok—een Latijnschen Bijbel.

Luther had nog nooit een Bijbel gezien. Begeerig slaat hij hem open en gaat er in bladeren, een en al verbazing er zooveel meer in te vinden dan de Evangeliën en Brieven, waar in de kerk voor het volk uit gelezen werd. Hij had altijd gedacht dat dit de hééle Bijbel was. Het eerste, waar zijn aandacht zich bij bepaalt, is het gebed van Hanna, de moeder van Samuel. O, wat vindt hij dat mooi! Wat boeit hem heel die geschiedenis van Samuel en alles wat hij verder leest. Want hij blijft maar doorlezen, bladzij na bladzij. 't Is alles nieuw voor hem. O, wat is hij blij met zijn vondst! „Mocht God mij zùlk een Boek nog eens in eigendom geven,” was zijn verzuchting onder het naar huis gaan.

Elk oogenblik, dat hij van zijn studie kon uitsparen, ging Luther nu naar de bibliotheek om nader met dat kostelijk Boek bekend te worden; óvergelukkig, als iemand, die een verborgen schat heeft ontdekt. En dat hàd hij ook. Want al had de jonge student nog geen flauw vermoeden van de grootsche taak, waartoe God hem eenmaal roepen zou, en van den ontzaglijken strijd, die hem daarbij wachtte, in dien Bijbel deed de Heer hem hier, in die stille boekerij, het wapen vinden, waarmee hij straks zou strijden èn overwinnen.

Kort daarop werd Luther ernstig ziek. Hij dacht niet anders dan te zullen sterven; en deze gedachte joeg hem vrees aan; want hij had nog geen vrede met God. Maar een oude priester, die hem op zijn kamer bezocht, stelde hem gerust. „Houd maar moed, mijn jonge vriend!” zei hij. „Ge zult aan deze ziekte niet sterven. Onze God zal van u nog een man maken, die voor velen tot troost zal zijn.”

En die voorspelling is heerlijk vervuld. Maar vóór hij anderen bekend kon maken met den eenigen troost in leven en sterven, moest hij dien eerst zelf leeren kennen. En tot die kennis was de vlijtige student, bij al zijn geleerdheid, nog niet gekomen.

Op zijn een en twintigste jaar, in 1505, werd Luther met groote plechtigheid tot doctor in de wijsbegeerte bevorderd. Dat werd een groot feest. Een fakkeloptocht kwam hem hulde brengen. Heel de hoogeschool verheugde zich in den roem van den jongen doctor; want allen, professoren en studenten, hielden evenveel van hem.

Alleen Luther zelf was met zijn eigen niet tevreden. Ondanks al zijn ijver en plichtsbetrachting begon hij meer en meer te gevoelen dat hij een zondaar was. Hij wilde heilig zijn en hij kon niet, en leefde in gedurige vrees, dat God hem daarvoor zou straffen. Want dat de heilige God in Zijn Zoon een barmhartig Vader is, die uit genade, om niet, de zonden vergeeft aan een ieder, die met oprecht berouw tot Hem komt, wist Luther nog niet. Hij dacht dat hij zijn zaligheid verdienen moest, en besloot alles te doen, wat hem daarin kon helpen. Vroeger al was door het lezen van den Bijbel en de woorden van dien ouden priester, toen hij zoo ziek was, de vraag bij hem opgekomen, of hij niet beter zou doen, zijn loopbaan als rechtsgeleerde er aan te geven en monnik te worden. Maar hij sprak er met niemand over, want hij wist maar al te goed dat zijn vader niets ophad met monniken, die hij gewoon dagdieven noemde, omdat de meesten zulk een lui leven leidden, en dat hij dus nooit zijn toestemming zou geven.

En zoo bleef Luther voor de menschen de vroolijke, levenslustige student, en liet hij niemand iets merken van de innerlijke onrust, die hem kwelde. Tot er in den zomer van 1505 iets gebeurde, dat een heele omkeering in zijn leven bracht.

Eerst het plotselinge sterven van een van zijn beste vrienden, (door welke oorzaak is niet met zekerheid bekend).

Luther was daar diep door geschokt. Hij hield zooveel van zijn goeden Alexius. En wat hij vooral zoo vreeselijk vond, was het plotselinge van zijn dood. „O”, dacht hij, „als ik nu eens zoo onverwacht opgeroepen was om voor Gods Rechterstoel te verschijnen!” Zijn onrust werd er nòg grooter door; en met een droevig en bezwaard hart ging hij kort daarop naar Mansfeld om zijn ouders te bezoeken; want het was in de vacantie.

Op zijn terugtocht, dicht bij Erfurt, werd hij door een hevig onweer overvallen. Met groot geweld ratelde de donder boven zijn hoofd; helle bliksemstralen, die zijn oogen verblindden, zetten hem in een vuurgloed. 't Was Luther in die oogenblikken of de wereld zou vergaan. Als de stem van een vertoornd God klonken hem die donderslagen in de ooren. Eensklaps slaat er een bliksemstraal vlak vóór hem in den grond. Een volgende kan hemzelf treffen en dooden! En dan komt het oordeel! En dan?.... O, werd hij toch uit dit gevaar verlost! Dan zou hij de wereld vaarwel zeggen en zijn verder leven geheel aan God wijden. En in zijn doodsangst werpt hij zich op de knieën en schreeuwt hij het uit: „Help me, lieve St. Anna! Ik zal monnik worden!”

Het onweer dreef langzaam over. Luther kwam behouden te Erfurt. Maar wat er op den weg gebeurd was, vergat hij niet. Er was daar te Erfurt een klooster, aan den heiligen Augustinus gewijd; en daar wilde hij zijn verder leven gaan doorbrengen. Want al had hij later wel spijt van zijn overhaaste gelofte, vooral wanneer hij aan zijn vader dacht, verbreken wilde hij haar toch niet.

Hij hield zijn plan stil. Maar veertien dagen later verzocht hij zijn vrienden voor 't laatst nog eens bij zich. Na een gezellig avondje, waarbij hij nog eens voor hen had gespeeld en er door allen braaf gezongen was, maakte hij hun zijn besluit bekend.

Ze stonden allen verbluft. Eerst hielden ze het voor een grap. Doch toen ze zagen dat het ernst was, deden ze al het mogelijke om hem van zijn voornemen af te brengen.

Maar Luther was niet te bepraten. Den volgenden morgen, 17 Augustus, toen het nog donker was, verliet hij zijn kamer en ging hij naar het klooster, heel alleen, met niets bij zich dan twee boeken, Virgilius en Plautus, zijn lievelingsschrijvers; een Bijbel had hij nog niet. Hij klopte aan de poort en verzocht den prior om toegelaten te worden, wat deze natuurlijk gaarne toestond. Hij trad binnen; de zware deur werd achter hem gesloten en—Maarten Luther werd Augustijner monnik.

Enkele vrienden waren dien morgen al vroeg naar zijn kamer gegaan, in de hoop hem nog te kunnen overreden. Maar ze vonden er den vogel gevlogen; en alles wat ze te weten kwamen was, dat doctor Martin dien morgen vóór het aanbreken van den dag naar het Augustijner klooster was gegaan.

De vrienden in allerijl er heen, om hem zoo mogelijk terug te halen. Maar ze werden niet eens binnengelaten. Door een kiertje kregen ze te hooren, dat de nieuwe broeder in geen maand iemand van de buitenwereld mocht zien. Toen ze nog wat wilden vragen, ging de deur voor hun neus dicht. Ze hoorden de zware grendels er vóór schuiven. En of ze er nog een tijdlang met hun vuisten op bleven trommelen, alles bleef daarbinnen stil als het graf.

Verslagen gingen ze heen, echt bedroefd dat die aardige, knappe Martin, de glorie van de hoogeschool, zich in een klooster was gaan begraven.

Maar nog veel bedroefder waren de ouders, bij het ontvangen van den afscheidsbrief van hun zoon. Vooral de vader. De doodstijding van zijn Maarten, zijn vreugd en zijn trots, had hem niet méér kunnen doen ontstellen, niet dieper kunnen smarten dan dit bericht. Hij schreef hem een boozen brief terug. Hans Luther wilde vooreerst niets meer van zijn zoon weten.

Dat de Heer zelf hem in het klooster had gebracht, en dat hij juist dáár zijn eerste vorming tot hervormer moest ontvangen, wisten vader Luther, en de vrienden, en de jonge monnik zelf nog niet.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings