XIX.
Reading edition
De eerste martelaren der Hervorming.
Is Duitschland de plek, waar het gezegend werk der Kerkhervorming tot stand is gebracht, aan de Nederlanden was de eer beschoren, de eerste martelaren daarvoor te geven. We mogen ons boekje niet eindigen zonder ook van deze dappere geloofsgetuigen eenigen te hebben herdacht.
Hendrik Voes en Johannes van Essen heetten ze, twee Augustijner monniken uit Antwerpen, van dezelfde orde dus als Luther. 1 Juli 1523 werden ze op de markt te Brussel levend verbrand.
Ze waren vol moed. „We sterven als Christenen!” riepen ze het volk toe op weg naar den brandstapel. En terwijl de vlammen om hen heensloegen zongen zij het Te Deum laudamus! (Wij loven U, o God!) ons Gezang 2.
Toen een van hen bemerkte dat het touw, waarmee hij aan den paal was gebonden, losgebrand was, knielde hij neder in de vlammen en bad: „Heere Jezus, Zone Davids, ontferm U onzer!” Zoo zingend en biddend gingen ze de eeuwigheid in.
Deze twee mannen waren de eersten in heel Europa, die hun geloof met hun dood bezegelden; en ze werden door duizenden gevolgd. Ons vaderland heeft heel wat van zulke martelaars zien vallen; vijftigduizend alleen onder de regeering van Karel V en nog wel twintigduizend in latere jaren. Men kan wel zeggen, dat de grond hier doorweekt is van hun bloed. Dat is nu aan den eenen kant wel een treurige gedachte, maar aan den anderen kant geeft het weer stof tot blijde dankbaarheid. Want het is een teeken, dat men ook bij ons tot de kennis van de zuivere leer was gekomen, en dat het geloof der belijders niet slechts bestond in woorden, maar in kracht.
Luther dacht er ook zoo over. Toen hij hoorde wat er in Brussel gebeurd was, schreef hij een troostbrief „Aan de Christenen in Holland, Brabant en Vlaanderen”, waarin hij onder meer zeide: „U is boven de geheele wereld het voorrecht gegeven, niet alleen om het Evangelie te hooren en Christus te leeren kennen, maar de eersten te zijn die voor Christus lijden en sterven mogen.... O, hoe verachtelijk zijn die twee ter dood gebracht; maar hoe heerlijk zullen zij met Christus in eeuwige vreugde wederkomen!.... Bij ons te lande zijn we nog niet waardig geweest, zulk een dierbaar en kostelijk offer voor Christus te worden, ofschoon velen van ons niet zonder vervolging geweest zijn en nog zijn. Daarom, mijn beminden, weest getroost en blijmoedig in den Heer, en laat ons danken voor de groote teekenen en wonderen, die Hij begonnen is onder ons te doen.... Uw banden zijn mijn banden; uw blijdschap is mijn blijdschap; zoodat ik tegelijk met u lijd en met u blijde ben.”
Ziehier hoe Luther met zijn Nederlandsche vrienden meevoelde. Hij heeft ook een mooi lied gedicht „Op de twee martelaren.”
„Een nieuw gezang, wij heffen 't aan, Het klimt tot God, den Heere!”....
luiden de eerste regels.
Afschrikken deden die brandstapels de ware belijders dan ook niet. Erasmus zeide: „Waar Rome zijn brandstapels opricht, is het of het ketters zaait.”
En zoo was het ook. De geschriften van Luther en de andere hervormers werden hier te lande steeds meer gelezen. De Bijbel werd in het Hollandsch vertaald en àl meer onder het volk bekend en naarstig onderzocht. Sommige Nederlanders gingen naar Wittenberg om Luther persoonlijk te leeren kennen. En als ze dan door den omgang met dien held Gods in hun geloof versterkt waren, kwamen ze terug om, met gevaar en dikwijls ten koste van hun leven, ook predikers te worden van het Evangelie naar de H. Schrift.
Zoo ging het ook met Hendrik van Zutphen, en met een jong priester, Johannes Pistorius, van Woerden, ook Jan de Bakker genoemd, omdat hij later bakker was geworden.
Deze jonge man, hij was pas zes en twintig jaar, was ook eenige maanden in Wittenberg bij Luther geweest. In Woerden teruggekeerd predikte hij er in de huizen. Maar door den priester daar van „Lutheranije” beschuldigd, werd hij heimelijk opgelicht, naar 's Gravenhage gebracht en daar op de Gevangenpoort, zwaar geboeid, in een donker hol opgesloten. Eerst werd hij daar eenige dagen geheel alleen gelaten, en toen kreeg hij allerlei bezoekers, die hun best moesten doen om hem van zijn geloof af te brengen. Maar alle pogingen waren vergeefsch. Zelfs zijn vader moest hem er toe zien te bewegen. Maar het geloof en den moed van zijn zoon ziende, kreeg de vader zelf ook moed om voor zijn geloof uit te komen.
„Ik ben bereid, naar het voorbeeld van Abraham, mijn lieven zoon, die nooit iets tegen mij misdaan heeft, aan God te offeren,” betuigde hij; wat den zoon natuurlijk nog meer versterkte in zijn geloof.
Vier maanden lang heeft Jan de Bakker in zijn kerkerhol doorgebracht. Toen, 15 September 1525, werd de brandstapel voor hem gereed gemaakt, in het gezicht van de andere gevangenen, om hen, zoo hoopten de rechters, daardoor af te schrikken. Met mannenmoed stapte hij er heen. „Houdt goeden moed,” riep hij zijn medegevangenen toe, „als dappere krijgsknechten van Jezus Christus! Laat mijn voorbeeld u opwekken en verdedigt de waarheid van het Evangelie tegen allen die haar miskennen!”
De gevangenen hoorden het, en opgewekt door de geloofstaal van hun moedigen medestrijder, klapten ze in de handen en zongen ze hem door de tralies hun eenparig antwoord toe in het oude Kerklied: „O, zalig feest der martelaren!”
Toen hij op de houtmijt stond en aan den paal werd vastgemaakt, riep hij: „Dood, waar is uw prikkel? Graf, waar is uw overwinning? De dood is verslonden door de overwinning van Christus!” Daarop hoorden de toeschouwers hem bidden: „Heere Jezus, vergeef het hun, want ze weten niet, wat ze doen!—Jezus Christus, Zoon van God, gedenk mijner! Ontferm U mijner!” Toen de vlammen zijn lichaam verteerden, was zijn ziel al in den Hemel.
Maar het waren niet alleen mannen, die voor hun geloof durfden sterven, ook vrouwen beklommen onverschrokken het moordschavot.
Een van deze was Wendelmoet Klaesdochter, een weduwe uit Monnikendam. Toen een van haar familieleden haar in de gevangenis kwam bezoeken, en al zijn geredeneer om haar tot andere gedachten te brengen niet hielp, riep hij uit: „Ge schijnt niet bang te zijn voor den dood; maar dat komt omdat ge hem nog niet geproefd hebt.” Als het er op aan komt, zult ge er wel anders over denken, wilde hij zeggen.
Maar het antwoord was: „Ik zal den dood in ééuwigheid niet proeven, want Christus heeft hem voor mij geproefd. Hij heeft het zelf gezegd: Zoo iemand Mijn woord zal bewaard hebben, die zal den dood niet zien in eeuwigheid.”
„Mijn lieve Wendelmoet,” raadde een andermaal fluisterend een aanzienlijke dame, „waarom zwijgt ge maar niet liever, als ge er langer door leven kunt? Ge kunt immers voor uzelve denken en gelooven wat ge wilt, al spreekt ge het niet uit.”
„Zuster,” was het antwoord, „ge weet niet wat ge zegt. Met het hart gelooft men ter rechtvaardigheid, en met den mond belijdt men ter zaligheid.”
Toen de rechters haar met den vuurdood dreigden om haar tot afval te bewegen, zei ze: „Is u die macht van boven gegeven, ik ben bereid om te lijden.”
En dit heeft de moedige vrouw kort daarop, toen de vlammen rond haar opstegen, standvastig getoond.
Tot besluit nog iets over Guido de Brès, geboren te Bergen in Henegouwen, een volbloed ketterhater, tot hij ongezocht een Bijbel in handen kreeg, dien las en—zelf een „ketter” werd. Eerst glasschilder werd hij toen Evangelieprediker. Maar ook te Bergen brak de vervolging uit en De Brès moest vluchten. Dan was hij hier, dan daar; en overal maakte hij de menschen bekend met den schat, dien hijzelf in den Bijbel had gevonden.
Zoo kwam hij ook in de landen van die beide andere groote hervormers, Ulrich Zwingli in Zwitserland en Johannes Calvijn in Frankrijk, tijdgenooten van Luther, wier geschriften ook in ons land met graagte gelezen werden. De Brès leerde daar die mannen en hun werken kennen, en met nieuwe wetenschap toegerust kwam hij zich te Valenciennes vestigen, waar hij met grooten zegen werkzaam was. Maar 31 Mei 1567 viel hij in handen van zijn vervolgers en werd hij veroordeeld tot den strop. Zoo werd ook hij een martelaar voor het Evangelie.
Doch ook na zijn dood bleef Guido de Brès tot zegen voor onze vaderlandsche Kerk. Hij had namelijk een geschrift opgesteld, waarin hij aantoonde, dat het geloof der Hervormden in de Nederlanden op den Bijbel gegrond was en overeenkwam met de leer der hervormers. In 1562 werd het gedrukt. Ook den koning van Spanje, Philips II, die zijn vader Karel V in 1555 als Heer der Nederlanden opgevolgd was, werd een exemplaar ervan toegezonden, met een mooien brief er bij, opdat de koning weten mocht, welke de leer was, die hij zoo doodelijk haatte. Maar te oordeelen naar de voortgezette vervolgingen van haar belijders, heeft het weinig invloed op den koning gehad.
De Nederlandsche Geloofsbelijdenis werd dit geschrift genoemd. En als zoodanig is het door onze Ned. Herv. Kerk aangenomen.