← Table of contents
Een vaste burg is onze God

VII.

Reading edition

Tetzel en zijn aflaten.

In 1512, kort na Paschen, keerde Luther te Wittenberg terug, en nog datzelfde jaar werd hij er tot doctor in de godgeleerdheid bevorderd. Bij deze gelegenheid legde hij, volgens zijn eigen woorden, den eed af aan „zijn dierbare en heilige Schrift”, en beloofde hij, „haar getrouw te verkondigen, zuiver te leeren, gedurende zijn gansche leven te beoefenen en tegen alle valsche leeraars te verdedigen”.

En aan die belofte is Luther trouw gebleven, zijn leven lang. Hoe beter hijzelf de waarheid leerde verstaan, hoe vuriger hij haar predikte aan anderen; hoe meer hij zag wat al onwetendheid en dwalingen er onder de menschen heerschten, hoe meer hij zijn best deed, die te bestrijden.

Van goede werken als middel om de zaligheid te verdienen, wilde Luther niets meer weten.

„Ik, doctor Martin Luther, onwaardig Evangeliedienaar van onzen Heere Jezus Christus, belijd, dat het geloof alleen voor God rechtvaardigt zonder de werken. Dit is het ware Evangelie, dat niemand voor onze zonden gestorven is dan Jezus Christus, Gods Zoon. En indien Hij alleen het is, die de zonden wegneemt, kunnen wij het niet doen met onze werken. Maar de goede werken volgen de verlossing, gelijk de vruchten zich vertoonen aan den boom. De begeerte om zichzelf rechtvaardig te maken is voor het hart een bron van angst en vrees. Maar wie Christus als Verlosser aanneemt, heeft den vrede; en niet alleen den vrede, maar ook de reinheid des harten. Alle heiligmaking is een vrucht van het geloof; want het geloof is een goddelijk werk, dat door den Heiligen Geest ons hart vernieuwt en nieuwe menschen van ons maakt.—Dit is onze leer. Het is die, welke de Heilige Geest leert. Wij bewaren haar in den naam van God. Amen!”

Zoo bracht Luther aan groote scharen van toehoorders de „Blijde Boodschap”, zooals hij die zelf had leeren verstaan. En het klonk alles zoo eenvoudig en waar wat hij zeide van het geloof in den Heere Jezus, dat de menschen zich verwonderden, het vroeger zelf niet zoo te hebben ingezien.

Vooral voor de hoogeschool was hij tot zegen. „Als Luther voor zijn studenten de Schriften verklaarde,” zegt een van zijn vrienden, „was het of er na een langen, donkeren nacht een nieuwe dageraad opging over de leer.” En dat begrijpen we, als we Luther zelf hooren zeggen: „In mijn hart heerscht alleen, en moet ook alleen heerschen, het geloof in mijn Heere Jezus Christus, die alleen het begin, het midden en het einde is van al de gedachten, die nacht en dag mijn geest vervullen.”

Dat Luther in zijn prediking anders leerde dan de Kerk, was hij zich toen nog niet bewust, en als gehoorzame monnik was dit ook allerminst zijn bedoeling. Tot er iets gebeurde, dat hem voorgoed met Kerk en paus in botsing bracht.

Paus Julius II was begonnen in Rome een buitengewoon prachtige kerk te bouwen, de St. Pieterskerk; en zijn opvolger, Leo X, wilde dit werk voltooien. Maar dit kostte ontzaglijk veel geld en—de schatkist was ledig.

Dit was trouwens niets nieuws. Paus Leo, vriendelijk en innemend, maar zonder éénigen godsdienstzin, was een bijzonder pracht- en kunstlievend man, en verspilde onnoemelijke schatten, niet alleen voor zichzelf, maar ook voor zijn op vermaak en feesten beluste hovelingen. Ook schonk hij veel weg aan familie en armen, die bij hem aanklopten, want hij was erg goedgeefsch. Zoodoende had Rome altijd gebrek aan geld, niettegenstaande het er uit alle landen binnenstroomde.

Ook nu zat de Heilige Vader danig in de war. Hij had, behalve voor de St. Pieterskerk, ook een groote som noodig voor een aangekocht handschrift van een van de oude Romeinsche geschiedschrijvers; en om nu aan geld te komen, schreef hij, op raad van zijn neef, den kardinaal Pucci, een aflaat uit, waarin algeheele vergeving van zonden werd toegezegd aan een ieder, die door het koopen van zulk een aflaat geld voor den kerkbouw aanbracht. Ook zou deze aflaat van kracht zijn voor de dooden, zoodat hun zielen uit het vagevuur verlost zouden worden, wanneer er voor hen zulk een brief gekocht en betaald werd.

Oorspronkelijk was zoo'n aflaat of vrijlating een kwijtschelding van straf, door de Kerk opgelegd, als boete voor een begane zonde. Die kwijtschelding werd dan geschonken op het verrichten van een zoogenaamd verdienstelijk werk, en kon ook verleend worden tegen betaling van geld voor eenig kerkelijk doel. Maar het volk verstond er doodgewoon onder, dat je voor geld vergeving van zonden koopen kon, als een broodje bij den bakker. En de verkoopers lieten dat maar zoo, en gingen het ten slotte zelf prediken.

Die aflaathandel was zeer winstgevend. Als de pausen dus geld noodig hadden, schreven ze, onder een of ander voorwendsel, maar zoo'n aflaat uit. En zoo deed Leo X nu ook.

De aartsbisschop van Mainz, Albrecht, mocht er op zijn verzoek in Duitschland mee werken en daarvoor de winst met den paus deelen. Want ook hij had geld noodig om de dertigduizend gulden van zijn bisschopsmantel af te doen, waarvoor hij nog altijd bij Rome in het krijt stond. De Dominicaners, die er ook wel wat aan verdienen wilden, zouden zich met de uitvoering belasten, en zonden hun afgevaardigde, Johann Tetzel, naar Mainz, om zijn diensten aan te bieden.

Deze niet ongeleerde monnik was een door en door slecht mensch. Hij was al eens door keizer Maximiliaan veroordeeld om, in een zak gebonden, in den Tiber geworpen te worden, en had het aan de voorspraak van keurvorst Frederik te danken, dat hij nog leefde. Maar hij was welbespraakt als de brutaalste kwakzalver, die ooit op een markt had gestaan, en voor dit baantje als geknipt.

Deze man reisde met zijn aflaatkraam heel Duitschland door, in een mooi gemakkelijk rijtuig gezeten, door drie ruiters en een groot gevolg begeleid. Kwam hij bij een stad, dan liet hij de overheid zeggen, dat de genade van God en van den Heiligen Vader voor de poorten verschenen was. Aanstonds werden dan alle klokken geluid en met veel eerbetoon haalde men den aflaatkramer in.

Zoo kwam hij in October 1517 ook te Jüterbog, een stad, vlak bij de Saksische grens.—In Saksen zelf mocht hij van den keurvorst niet komen.—Dadelijk kwam alles, wat loopen kon, er op de been. De Raad, de geestelijkheid in plechtgewaad, de gilden met hun vaandels, de onderwijzers en hun scholieren met brandende waskaarsen in de hand, traden hem eerbiedig tegemoet en leidden hem in plechtigen optocht naar de hoofdkerk.

De pauselijke aflaatbul werd op een fluweelen kussen, met goud omboord, vooruitgedragen. Dan volgde Tetzel, met een groot, rood houten kruis in de hand, dat, met de pauselijke wapenen omhangen, vóór het altaar in de kerk werd geplaatst, waar van alle kanten, ook uit het dichtbijgelegen Wittenberg, het volk toestroomde om hem te hooren.

Tetzel beklom den kansel. En wat hij daar dan met kracht en klem den menschen stond wijs te maken, was in één woord allerverschrikkelijkst.

„De aflaten,” zoo begon hij met bulderende stem, „zijn het kostbaarste en hoogste geschenk van God! Dit kruis”—hier wees hij op het roode—„heeft evenveel kracht als het kruis van Christus zelf.” En dan ging hij zijn hoorders de brieven aanprijzen, waarin hun de zonden vergeven zouden worden, niet alleen die ze gedaan hadden, maar ook die ze nog zouden willen doen. Berouw deed er minder toe. Koopen en betalen, dàt was de hoofdzaak. „Menschen, ge hebt zooveel doodzonden gedaan, dat ze niet te tellen zijn, en voor elk daarvan zoudt ge zeven jaar in het vagevuur moeten branden!” donderde het over de hoofden. „Maar door zoo'n genadebrief wordt elke schuld uitgedelgd, al is die ook nòg zoo groot. Koopt ook voor uw vader, of moeder of vrienden, die in het vagevuur kermen! Hoort gij het niet? „Erbarm u!” roepen ze. „We lijden vreeselijke pijn! Een kleine aalmoes zou ons verlossen!”—Helpt hen dan! Op hetzelfde oogenblik, dat het geld in de kist klinkt, stijgt hun ziel ten hemel!” En zoo ging hij maar door, met nòg gruwelijker leugens.

't Was wel dwaas van de menschen om al dien schandelijken onzin maar voor goede munt aan te nemen. Maar ze hadden van kind af geleerd, alles blindelings te gelooven wat van Rome kwam. En hoe meer leven en vertoon daar bij was, hoe meer indruk het maakte. Daarbij viel zoo'n leer bij velen wel in den smaak, omdat die een gemakkelijk middel aan de hand deed om het geweten te sussen. Na het „Legt in, legt in, legt in!” aan het einde van zoo'n toespraak uitgebruld, „alsof er een wilde stier bulkte”, volgens Luther, régende het dan ook geldstukken in de offerkist naast het kruis. De spotters hadden er al een rijmpje op:

„Zoodra het geld in 't kistje klinkt, Het zieltje in den hemel springt.”

Want niet allen lieten zich die zotteklap op de mouw spelden. Wie echter aanmerkingen durfden maken, werden door den redenaar zonder complimenten „in den ban” verklaard.

De aflaatkramers werden zelf ook wel eens leuk beetgenomen of in hun leugens gevangen. Maar de ernstige, verstandige lieden bedroefden zich, dat het arme volk zoo het geld uit den zak geklopt en, erger nog, op een dwaalweg gebracht werd. Doch er was niemand, die het openlijk durfde uitspreken.

Tetzel deed intusschen goede zaken. In één stad kreeg hij in drie weken niet minder dan twee millioen gulden bij elkaar. Wagens vol geld gingen de Alpen over. „Allemaal zonden van de Duitschers,” spotten de Italianen.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings