XV.
Reading edition
De Bijbel herneemt zijn plaats.
Luther ging nu niet meer naar zijn schuilplaats terug. Hij bleef in Wittenberg, trots pauselijken en keizerlijken ban, en vatte er vol moed al zijn werkzaamheden weer op; zijn onderwijs aan de hoogeschool, zijn prediking 's Zondags en in de week, het schrijven van boeken; en bij dit alles werkte hij, geholpen door Melanchton, met onvermoeiden ijver aan zijn Bijbelvertaling voort.
Nog in September verscheen het Nieuwe Testament in druk. Voor één en een halven gulden was het te koop; en de menschen waren er zóó begeerig naar, dat reeds in December van datzelfde jaar een tweede druk noodig was. Want alle vrienden van het Evangelie, rijke en arme, in de stad en op het land, wilden een N. Testament hebben. „Gij hebt ons Christus gepredikt” zeiden ze tot den hervormer, „nu willen wij Hemzelf hooren spreken.” En begeerig grepen ze naar het Boek, dat hun door Rome zoolang onthouden was, en gingen ze zich in het lezen oefenen; want die kunst verstonden nog maar betrekkelijk weinigen.
Terwijl het Nieuwe Testament nog gedrukt werd, begon Luther al met de vertaling van het Oude; en hoewel hij er onafgebroken aan voortwerkte, was eerst na twaalf jaren, in 1534 dus, het geheele werk voltooid. Maar de menschen behoefden gelukkig met het lezen er van zoolang niet te wachten; want het verscheen bij gedeelten, naarmate het werk vorderde. Was een deel vertaald, dan werd het dadelijk gedrukt en uitgegeven, om maar zoo spoedig mogelijk het verlangen er naar te bevredigen en het voor de armen gemakkelijker verkrijgbaar te maken.
Zoo werd Luthers Bijbel al spoedig het meest gelezen volksboek. De menschen droegen het bij zich en bestudeerden het zóó, dat ze er in korten tijd geheel in thuis waren, het om zoo te zeggen van buiten kenden. Ze konden nu ook zelf zien, waarin de leer des Bijbels verschilde van die der priesters, en dat Luthers hervorming geheel in overeenstemming was met Gods Woord. Eenvoudige mannen en vrouwen, kinderen en soldaten, wisten meer van den Bijbel dan priesters en geleerden.
„'t Wordt toch àl te erg,” klaagde een vijandig geestelijke. „Schoenlappers en werkvrouwen, ja zelfs leerjongens, durven met onze priesters over het geloof en het Evangelie te redetwisten. En daar ze alles alleen uit de Schrift bewezen willen hebben, zooals die Luther hun dat geleerd heeft, doen ze onze geleerdste mannen met beschaamde kaken staan.”
Hetzelfde dachten al de tegenstanders, met groote vrees en ergernis. Ze blaakten van woede over dit nieuwe werk van Luther; want in dien volksbijbel zag Rome zijn meest geduchten vijand. Hertog George van Saksen verbood in zijn land het lezen en verkoopen er van en gaf bevel, dat elk exemplaar bij de Overheid gebracht moest worden. In andere Roomschgezinde staten werd hetzelfde geboden. Hier en daar werden er al brandstapels van gemaakt. Maar het hielp niet. „Zelfs na mijn verbod zijn er in mijn staten al duizenden exemplaren verkocht en gelezen,” moest hertog George getuigen. Het Woord kòn niet gebonden worden. Als God werkt, wie zal het dan keeren?
En zooals het in Duitschland ging, ging het ook in de andere landen van Europa. In àl meer talen werd het Boek der boeken overgezet en verspreid. In de Nederlanden, in Zweden, Spanje, Italië, enz. En waar de Bijbel kwam, kwam de Hervorming; niet alleen in de Kerk, maar ook in de huizen en harten van de menschen. Het overbrengen van den Bijbel in de volkstaal is wel het gewichtigste werk van Luther voor de Hervorming geweest, en tot een onberekenbaren zegen geworden voor heel de wereld.
Evenals in den tijd van de eerste Christenen werd ook nu met den dag het aantal grooter van hen, die in den Heere Jezus geloofden als hun eenigen Zaligmaker; en die nieuwe belijders hielpen dan in hun omgeving weer mee de „nieuwe leer” of beter gezegd de „oude leer”, de leer der apostelen, verbreiden. Evangelischen werden ze genoemd, omdat ze zich altijd op het Evangelie beriepen; en dien naam droegen ze 't liefst.
Dit waren in de eerste plaats priesters èn monniken. Want ook in de kloostercellen was het licht van het Evangelie doorgedrongen, en de meeste monniken waren overtuigd geworden, dat het kloosterleven in strijd was met Gods wil en het Christelijk leven. Dikwijls waren het de priors zelf, die hun monniken het voorbeeld gaven, de kloostergelofte te breken; en zoo liepen de meeste kloosters leeg; want nieuwe broeders mochten niet meer aangenomen worden. Alleen die er waren en blijven wilden, mochten dit doen; maar de verstandigsten en beschaafdsten onder de monniken ontdeden zich van pij en kap en gingen een nuttiger leven leiden. Zooals b.v. die Franciskaner, die met zijn bedelbus in de hand in een smederij om een aalmoes kwam.
„Waarom werk je niet liever voor je brood?” vroeg de smid, den stevigen monnik eens flink in de oogen ziende.
„Je hebt gelijk,” zei de monnik. En zijn kleed met de lange mouwen afwerpend, vatte hij een hamer in zijn sterke vuist, en liet dien met kracht op het aambeeld neerkomen.
Zoo'n knecht kon de smid juist gebruiken. En de onnutte bedelaar was een eerlijk handwerksman geworden. Zijn bus en monnikskap werden naar het klooster teruggebracht.
Anderen gingen het Evangelie verkondigen. En wie daarvoor te dom waren, maar zich toch ook nuttig wilden maken voor de goede zaak, na een leven van luiheid, gingen boeken over de Hervorming venten. Heele landstreken liepen ze af; tot in de kleinste dorpen en hutjes brachten ze de geschriften van Luther en zijn vrienden. Want dezen gingen maar voort met schrijven, en de persen—gelukkig dat de boekdrukkunst een eeuw vroeger uitgevonden was—de persen drukten maar. Terwijl er in 1513 en 1517 slechts vijf en dertig en zeven en dertig boeken uitgegeven waren, nam hun aantal al dadelijk na Luthers stellingen verbazend toe. In 1518, dus één jaar later, verschenen er reeds een en zeventig; en in 1523 niet minder dan vierhonderd acht en negentig,—waarvan honderd drie en tachtig door Luther geschreven—tegenover twintig in datzelfde jaar van Roomschen kant.
En overal werden die geschriften met gretigheid gelezen. Dit gebeurde meestal 's avonds, na gedaan dagwerk, bij den haard, dikwijls bij den schoolmeester. Was men soms in twijfel over het gelezene, dan werd de Bijbel geraadpleegd. En daaruit zag men dan, dat die boeken de waarheid zeiden, en dat men zelf altijd verkeerd onderwezen was. En wie tot hiertoe nog geweifeld had tusschen Rome en de Hervorming, liet de oude leer varen en schaarde zich van heeler hart aan de zijde van de nieuwe.
't Gaf niets of de keizer en de vorsten al strenge edicten tegen de boeken der hervormers uitvaardigden. Als er door de Inquisitie huiszoeking gedaan zou worden, stopten de kooplieden, in 't geheim onderricht, ze zorgvuldig weg. En daar een mensen gewoonlijk 't meest verlangt naar wat hij niet hebben mag, werden die veroordeelde boeken daarna nòg gretiger gekocht en gelezen.
Maar niet enkel op de boeken, ook op de verspreiders en de lezers er van had Rome het gemunt, inzonderheid op de predikers. Soms moesten ze om de vervolging hun woonplaats verlaten. Kwamen ze dan ergens, waar men nog weinig van de Hervorming wist, dan spraken ze in de woning, die hen herbergde, over het Evangelie; lazen er den bijeengeroepen buren en bekenden iets uit voor; preekten in de kerk, als het hun vergund werd; en als ze de kerk niet hebben mochten, op een andere plaats. Alle plaatsen werden nu kerken. Een markt, een kerkhof, een heuvel, een weiland dicht bij de stad—overal kon men de blijde boodschap hooren van Gods vergevende zondaarsliefde voor allen, die met oprecht berouw hun heil in Christus zochten. De menschen behoefden nú niet met hun geld in de hand te staan om van hun zonden verlost te worden. „We hebben het om niet ontvangen we geven het om niet,” was de leus van de predikers. En zoo bracht dan de vervolging aan de zaak der Hervorming juist vóór- inplaats van nadeel toe.
En zoo ging het weer niet alleen in Duitschland, maar ook in Frankrijk, Engeland, ja overal waar de Bijbel onder het volk kwam.