← Table of contents
Een vaste burg is onze God

VIII.

Reading edition

De Slotkerk te Wittenberg.

De treurige gevolgen van Tetzels schaamtelooze bedriegerij werden ook door Luther ondervonden. Als de menschen bij hem kwamen biechten en hij hun, alvorens de vrijspraak te geven, ernstig afvroeg, of het nu ook hun oprecht voornemen was, de beleden zonden te laten en hun leven te beteren, kreeg hij gewoonweg ten antwoord, dat dit niet noodig was, want dat ze aflaatbrieven gekocht hadden bij Tetzel.

Dat was voor Luther te veel. Had hij tot hiertoe gezwegen uit eerbied voor den paus en de kerkelijke instellingen, nu kòn hij het niet langer. Reeds de eerste maal dat hij door zijn vriend Staupitz van den schreeuwerigen aflaatkramer hoorde, had hij gezegd: „Zoo God het wil, zal ik een gat in zijn trommel slaan.” En nu achtte hij het oogenblik daartoe gekomen. Hij rekende het zijn heilige plicht, tegen zulke goddeloosheden openlijk de stem te verheffen en het misleide volk te waarschuwen; niet zoozeer nog tegen den aflaat zelf als tegen de schandelijke wijze waarop daarin handel gedreven werd. Hij had er in de kerk voor het volk al tegen gepreekt. Maar het had weinig gebaat; Tetzel bleef ongehinderd zijn goddeloos bedrijf voortzetten. Nu zou Luther zich tot de leeraars wenden.

DE SLOTKERK TE WITTENBERG.

DE SLOTKERK TE WITTENBERG.
DE SLOTKERK TE WITTENBERG.

't Was 31 October geworden, de dag vóór Allerheiligen, een gewichtige feestdag, die overal in de kerken met veel plechtigheid werd gevierd; vooral te Wittenberg, in de Slotkerk, die keurvorst Frederik er gesticht had. Want in die kerk waren door den keurvorst een menigte dingen bijeengebracht, zoogenaamde overblijfselen van heiligen, waaraan groote waarde werd gehecht; b.v. stukjes hout, naar het heette van het kruis des Heeren, beenderen en tanden van apostelen of andere heiligen, lapjes van kleederen, die ze gedragen hadden, doosjes zand, met bloed van martelaren gedrenkt, en zooal meer. Reliquieën heetten die dingen; en op Allerheiligen werden ze in de Slotkerk vertoond.

Geen wonder dus dat op dien dag de goedgeloovigen bij massa's daarheen togen; niet alleen om er al de heiligen aan te roepen, maar ook om die reliquieën te zien en te vereeren; te meer wijl er met dit kerkbezoek nog een bijzonderen aflaat te verdienen was.

't Was in den morgen van dien 31sten October, dat keurvorst Frederik, op zijn kasteel te Schweinitz, aan zijn broeder, hertog Johann, een droom zat te vertellen, dien hij dien nacht had gehad, en dien hij nooit zou vergeten, zei hij, al leefde hij ook nog duizend jaren.

„Ik droomde,” zoo vertelde hij, „dat er een monnik bij mij kwam met verzoek, iets op de deur van de Slotkerk te mogen schrijven. Ik gaf mijn toestemming, en de monnik ging heen en begon te schrijven. Maar hij dit deed in zulke groote letters, dat ik het hier vandaan lezen kon, en met een pen zóó lang, dat het einde er van tot aan Rome reikte, tegen de ooren van een rustig daar liggenden leeuw1) stootte en de kroon op het hoofd van den paus aan 't waggelen bracht. Al de kardinalen en vorsten schoten toe om haar tegen te houden; gij en ik hielpen mee. Onderwijl ging de leeuw, in zijn rust gestoord, zoo geweldig aan het brullen, dat heel Rome en al de staten van het heilige rijk toeliepen om te zien, wat er gebeurde. De paus verlangde, dat men dien monnik het schrijven verbieden zou, en wendde zich in de eerste plaats tot mij, omdat het in mijn land gebeurde. Toen liepen gij en ik en al de rijksvorsten naar Rome, om die pen in stukken te breken. Maar hoe meer moeite we deden, hoe sterker ze werd. Eindelijk gaven we 't op. Ik liet toen aan den monnik vragen,—want ik was nu eens in Rome en dan weer in Wittenberg—vanwaar hij die pen had en hoe zij zoo sterk kwam. Toen antwoordde hij: Die pen is afkomstig van een oude gans in Bohemen en al honderd jaar oud. Ik kreeg haar van een vroegeren schoolmeester. En dat ze zoo sterk is, komt, omdat men haar het merg niet ontnemen kan. Ik sta er zelf over verbaasd.—Toen de monnik dit gezegd had, hoorde ik opeens een geducht leven. Uit die groote pen waren een menigte kleine pennen gekomen.... Toen werd ik wakker.”

Hertog Johann vond het een wonderlijken droom. „Hadden we nu maar een Jozef of een Daniël hier,” zei hij.

„Ik heb al wel over een uitlegging gedacht, maar ik bewaar die voor mij. Misschien zal de tijd nog eens leeren of ik goed gedacht heb,” zei de keurvorst, weinig vermoedend dat de tijd reeds bezig was zulks te doen.

Onderwijl de oude vorst op zijn kasteel over zijn droom bleef voortpeinzen, zat Luther in zijn kloostercel te Wittenberg met een stuk wit papier voor zich. Hij had het feest van Allerheiligen afgewacht als de beste gelegenheid om velen tegelijk tegen de leugenleer van „den grooten beurzendorscher”—zoo noemde hij Tetzel—te waarschuwen. Daarom schreef hij, wat hij er tegen in te brengen had, op dat papier, in vijf en negentig stellingen, die hij, zeide de inleiding, bereid was aan de universiteit in het openbaar te verdedigen. Met een hamer gewapend ging hij er mee naar de Slotkerk en sloeg ze daar aan de hoofddeur aan, waar ze door iedereen gezien en gelezen konden worden.

Daar stond onder meer voor aller oog:

„De aflaatkramers zijn bedriegers wanneer zij zeggen, dat de pauselijke aflaat van alle straf bevrijden en den mensch behouden kan.

„Onder volkomen vergeving van zonden, bedoelt de paus niet een opheffing van elke straf, maar slechts van die, welke hijzelf opgelegd heeft.

„De kwijtschelding en vergiffenis van den paus moet niet veracht worden, want zijn vergiffenis is een verklaring van de vergiffenis Gods.

„Het is een dwaze prediking, te beweren, dat de ziel uit het vagevuur opstijgt op hetzelfde oogenblik, dat het geld in de kist klinkt.

„Zij, die zich verbeelden van hun zaligheid verzekerd te zijn door middel van aflaten, gaan naar den duivel, met hun onderwijzers.

„Ieder Christen, die oprecht berouw heeft over zijn zonden, ontvangt volkomen vergeving van schuld, ook zonder aflaatbrieven.

„Men moet den Christenen leeren, dat hij, die den armen geeft en den behoeftigen leent, beter doet dan hij, die een aflaat koopt.

„Men moet den Christenen leeren dat hij, die zijn naaste gebrek ziet lijden en een aflaat koopt inplaats van hem te helpen, zich het goddelijk ongenoegen op den hals haalt.

„De ware en kostelijke schat der Kerk, is het heilig Evangelie van Gods heerlijkheid en genade.

„Te zeggen, dat een kruis met de pauselijke wapenen versierd, even machtig is als het kruis van Christus, is godslastering.

„Men moet den Christenen leeren, dat, indien de paus het villen en plunderen der aflaatpredikers kende, hij liever den Dom van St. Pieter tot asch verbrand zou zien, dan opgebouwd van de huid, het vleesch en de beenderen zijner schapen.”

Uit deze stellingen blijkt duidelijk, dat Luther toen nog grooten eerbied had voor den paus en zich geroepen gevoelde het voor hem op te nemen, in de vaste overtuiging, dat de Heilige Vader onkundig was van wat door Tetzel in zijn naam gedaan werd.

Zooals zich denken laat, wekten zijn stellingen groot opzien. Hij had ze in 't Latijn geschreven, maar ze werden onmiddellijk in 't Duitsch vertaald en in nog geen veertien dagen door geheel Duitschland verspreid. Niemand kwam om ze te weerleggen. Maar de duizenden, die ze op Allerheiligen gelezen hadden, deden niets dan er over spreken; in huis, op de reis, op de markt, in de herberg, wáár men elkander maar zag. Inplaats van aflaten namen de bedevaartgangers ze mee naar hun woonplaats. Iedereen was er vol van en wilde ze lezen en laten lezen. Ze werden afgeschreven, in andere talen overgebracht en bij duizenden gedrukt en verkocht. Naar paleizen, studeervertrekken, kloostercellen, en zelfs naar het Vaticaan vonden ze hun weg. Binnen vier weken wist rijk en arm, geleerd en ongeleerd, in heel Europa en nog verder, er over mee te spreken. „'t Was of de Engelen uitgezonden waren om ze wijd en zijd over de aarde te verkondigen,” zei een tijdgenoot van Luther.—Zou keurvorst Frederik, bij het vernemen er van, niet aan zijn droom hebben gedacht?

De Dominicaners, met Tetzel aan het hoofd, waren woedend, dat die vermetele Augustijner hen in hun bedrijf was komen storen, en maakten hem uit voor den grootste aller ketters, die niet anders dan den brandstapel verdiende.

Ter weerlegging van zijn stellingen liet Tetzel door een van zijn handlangers een aantal stellingen vóór den aflaat vervaardigen. Eén daarvan luidde, dat al wie zegt, dat de ziel niet uit het vagevuur vliegt, als het geld op den bodem van de geldkist klinkt, in dwaling verkeert. Te Frankfort aan de Oder, waar hij met zijn aflaatkraam heengetrokken was,—'t begon hem zoo dicht bij Wittenberg te benauwd te worden,—liet hij op een openbare wandelplaats een preekstoel en een houtmijt oprichten. Op dien preekstoel ging hij, omhangen met de teekenen van zijn waardigheid als inquisiteur, tegen Luther staan razen; en toen dit afgeloopen was, verbrandde hij op de houtmijt Luthers stellingen. Maar de Wittenbergsche studenten, gloeiend van verontwaardiging over den smaad, hun zoo geliefden en vereerden meester aangedaan, wisten een aantal exemplaren van Tetzels stellingen in handen te krijgen, en stookten daarvan op hun beurt een vreugdevuurtje.

Zooals dat gewoonlijk gaat, koos de één vóór, de ander tegen Luther partij. Velen gingen de oogen open voor het verkeerde van den aflaathandel en verheugden zich, dat er eindelijk iemand gekomen was, die den moed had er tegen te getuigen. Anderen werden er door verbitterd. Zelfs onder Luthers vrienden waren er, die het afkeurden, uit vrees voor de gevolgen.

Maar Luther zei: „Indien de zaak niet in den naam van God gedaan is, zal ze vallen. Indien wèl, laat ze voortgang hebben.”

En ze hàd voortgang, en heeft het nòg. De Heer zelf zorgde er voor, want het was Zijn werk.

't Is nu juist vierhonderd jaren geleden, dat Maarten Luther zijn stellingen aansloeg aan Wittenbergs Slotkerk. En onder Gods bestuur is dit de beslissende stoot geweest tot het groot en gezegend werk der Kerkhervorming. 't Begin, voor zoover men in deze van een begin spreken kan. Daarom wordt 31 October Hervormingsdag genoemd en jaarlijks in de Protestantsche kerken met dankbaarheid herdacht.

Thans, nu we 1917 schrijven en dus het Vierde Eeuwfeest der Hervorming vieren, heeft die dag voor ons natuurlijk nog een bijzondere beteekenis.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings