← Table of contents
De wijzen van het Oosten

Het Boeddhisme.

Reading edition

I. Het leven van Boeddha tot aan zijn openlijk optreden.

In ons overzicht van het Brahmanisme hebben wij gezien hoe er in het oude Indië, hoe langer hoe meer, gevoeld werd niet alleen door verlichte priesters, maar ook door leeken, dat niet in offers en uitwendige vereering der goden, doch in het streven naar verlossing van alle begeerten, naar onderdrukking van alle hartstocht het ware levensdoel kan bestaan. Niet door het streven naar bovennatuurlijke krachten, niet door boetedoeningen om eenig aardsch voordeel te verkrijgen, maar door, tot zichzelf inkeerende, de ongenoegzaamheid van al het aardsche in te zien en dan ook van alle begeerte afstand te doen, komt men tot het hoogste heil. Dat werd gevoeld door vele eenzame vromen in het stille woud, maar lag ook op den bodem van de ziel van het Indische volk; het Boeddhisme zou het straks doen doordringen tot een wijden kring.

Een wijden kring: de godsdienst van den Indische wijze wordt thans nog beleden door ongeveer een derde der geheele menschheid. Uit zijn oude bakermat, Voor-Indië, is het voor het grootste gedeelte later weer door het Brahmanisme verdrongen. Doch in tal van andere landen heeft het zich zeer uitgebreid. Wij noemen onder de voornaamste landen, waar deze godsdienst heerscht: Ceylon, Birma, Siam, Annam, Tibet, China en Japan.

Doch, al wordt in al deze landen Boeddha in eere gehouden, er is een groot verschil. Het Boeddhisme van Ceylon en Birma is in vele opzichten gansch iets anders dan dat van Tibet. ’t Is er mee als met het vrijzinnig-Protestantsch en het Roomsch-Catholiek Christendom. Beiden willen Jezus eeren, doch de eersten beschouwen den stichter van hun godsdienst als mensch en vinden in ’t naleven zijner levensbeginselen de hoofdzaak. De anderen erkennen hem als een Godheid, die door plechtig ceremonieel nog meer wordt gediend dan door overpeinzing en betrachting zijner leer. Zoo is het ook met het Boeddhisme. Komt ge in Birma, dan hoort ge weinig van Boeddha als godheid, maar wordt de beteekenis van zijn strijd en overwinning als mensch diep gevoeld. En in een leven van eenvoud en liefde voor al wat leeft, drukt men de voetstappen des Meesters. Doch in Tibet heeft Boeddha goddelijke eer, ja een plaatsvervanger op aarde, voor wien men zich als voor Rome’s Paus nederbuigt. Daar worden tal van formulier-gebeden voor hem opgezegd, tal van geheimzinnige plechtigheden voor hem verricht. De eeredienst is er oneindig luisterrijker en samengestelder dan in de zuidelijke landen als Birma en Ceylon. En in China en Japan is het Boeddhisme met andere godsdiensten als ineengevloeid en heeft daarbij een deel van zijn oorspronkelijk karakter ingeboet.

Doch, dezen godsdienst in al zijn ontwikkelingen en zijwegen te volgen ligt niet op onzen weg. ’t Is ons voornamelijk te doen om den geest van den wijze, dien Edwin Arnold niet zonder reden het licht van Azië noemde, te leeren kennen.

Doch: waarschijnlijk is deze opvatting alles behalve. Ten eerste omdat gewoonlijk een groote godsdienstige beweging haar oorsprong vindt in een krachtige persoonlijkheid, ten tweede, omdat er toch veel waarschijnlijks en natuurlijks achter het phantastische der levensbeschrijving verborgen ligt. En in de derde plaats vooral omdat inderdaad de oudste Boeddhistische boeken, die wij bezitten, wellicht niet veel langer dan een eeuw na den dood van den stichter van dezen godsdienst zijn opgesteld.

Om nu echter in de Boeddha-legende overal waarheid en verdichting te scheiden—ziedaar een taak, die boven onze krachten ligt. ’t Is er mede als met de levensgeschiedenis van Jezus in de Evangeliën, die ons wel in hoofdzaak het leven van den Meester doen kennen, maar ons toch ook vaak in aanraking brengen, niet met wat de Meester dacht, maar met wat zijn volgelingen gevoelden. Doch: is ook dat niet een sleutel der kennis voor wie een godsdienst wil leeren kennen? We kunnen daarom niet beter doen, ten einde in den geest van den stichter en zijn godsdienst u in te wijden, dan in de eerste plaats een blik te werpen op de levensgeschiedenis van den Verlichte, zooals zijn volgelingen in oude dagen ons die verhaalden. We zullen daarbij zien dat er dikwijls een eigenaardige overeenkomst is, tusschen wat ons van Jezus en van dezen Indischen wijze wordt verhaald.

Boeddha werd geboren in Kapilavastu: de stad van Kapila, ongeveer 550 jaar voor Christus. Lang hebben de geleerden getwijfeld of dit wel een werkelijke stad is geweest: doch in 1893 vond men, in de jungle’s van den Taraï, het machtige woud aan den voet van de Himalaya, overblijfselen van een stad, onder slingerplanten en boomen verborgen. En daarin een zuil, opgericht door koning Açoka—den grooten beschermer van het Boeddhisme—ongeveer 257 voor onze jaartelling, een zuil, die het opschrift behelsde:

„Koning Piyadasi (Açoka) de beminde der goden, bracht hier, toen hij twintig jaar (als koning) gezalfd was, zijne vereering en sprak: Hier is Boeddha (de verlichte), Sākya-Muni, geboren.” En hij zorgde dat een steenen zuil werd opgericht met de verklaring er op: „Hier is de eerbiedwaardige geboren.”

Boeddha, of liever Siddhartha (de eerste naam is feitelijk een eeretitel) de verlichte: werd uit aanzienlijke ouders geboren. Het geslacht der Sākya’s was om zijn ouden adel en zijn rijkdom beide beroemd. Latere legenden hebben Boeddha zelfs tot een koningszoon gemaakt.

De moeder van Siddhartha, Māyā, bracht haar zoon ter wereld en stierf weinige dagen daarna, zoodat de andere echtgenoote van Siddhartha’s vader hem verder opvoedde. In Kapilavastu bracht hij alzoo zijn jeugd door, daar dwaalde hij rond in de schaduwrijke tuinen van zijns vaders paleis. Reeds vroeg trad hij in het huwelijk met eene door lichaamsschoon en liefderijk karakter uitmuntende bloedverwante, gewoonlijk Yaçodhara geheeten, die hem een zoon schonk, met name Rāhula. Dat zijn de bijzonderheden die over zijn jeugd vrijwel vaststaan. Ware hij niet werkelijk gehuwd geweest, dan zou een latere legende—in aanmerking genomen dat de ongehuwde staat voor de Boeddhistische monniken verplichtend is—dit nooit aangaande hem hebben verdicht.

De legende weet echter veel meer te verhalen. Zij spreekt van een wonderbaren droom, dien Māyā voor de geboorte van haar beroemden zoon had: een witte olifant, meer lichtend dan zon en maan, naderde haren schoot. De drie werelden (aarde, hemel en hel) zag zij verlicht door een groot licht, schijnende in de duisternis, en duizende geesten zongen haar lof. Ook werd aan haar echtgenoot bekend gemaakt dat de toekomstige Boeddha op aarde zou komen in Māyā’s schoot. De verlichte was zichtbaar in de moederschoot en toen hij ter wereld kwam zongen hemelsche geesten zijn lof. Na vijf dagen werd hem een naam gegeven en werd hij in den tempel gebracht. Asita—een heilige kluizenaar—die de acht magische vermogens had verworven en daardoor in den geest kon zien wat in de hemelen gebeurt, wordt daar onderricht dat een machtige Boeddha is geboren. Als hij daarna het goddelijk geestesoog laat wijden over de wereld ziet hij het kind in het paleis, glanzend van zuivere daden, door al de werelden vereerd.

Asita gaat naar het paleis. Hij neemt het kind in zijn armen en weent. „Waarom deze tranen, heilige man?” „Ik ween,” is het antwoord, „omdat deze de groote Boeddha zal zijn en ik daarvan geen getuige meer kan wezen.”

Merkwaardig is echter het volgende verhaal, dat ons als in allegorischen vorm doet lezen in het zieleleven van den toekomstigen wereldverlosser.

Waarzeggers door den koning geraadpleegd, verklaarden:

De jongeling zal zonder twijfel òf een koning der koningen of een groote Boeddha worden. Als hij bestemd is een groote Boeddha te worden, dan zullen vier voorteekenen zijn zending duidelijk maken. Hij zal zien:

1. Een oud man.

2. Een kranke.

3. Een lijk.

4. Een heiligen kluizenaar.

De koning Suddhodana, die droomen van wereldsche grootheid over zijn zoon in ’t hart koesterde, werd door die laatste verzekering van de waarzeggers heel wat gerustgesteld. Hij dacht bij zichzelf: Het zal gemakkelijk genoeg zijn om deze vier voorteekenen van den prins verre te houden. Hij gaf dus bevel dat er drie prachtige paleizen, de schoonste op aarde: het voorjaars-, het zomer- en het winterpaleis, zouden worden gebouwd. Zij wedijverden in glans met Vaijayanta, het onsterfelijk paleis van Indra zelf.

Kostelijke paviljoenen werden overal opgetrokken, met prachtige voorportalen en gepolijste deuren. Torentjes en kanteelen verhieven zich in de lucht. Door sierlijke vensters viel het licht in de prachtige vertrekken. Galerijen, balustraden en fijn traliewerk waren in overvloed aanwezig. Duizend klokjes klonken op ieder dak. In één woord: een beeld als van de paleizen in Chineeschen stijl, die naar het schijnt in oud-Indië werden gebouwd. Even prachtig waren de tuinen, waar in koele meren de heerlijkste kraanvogels en zwanen zich verlustigden, en waar de schoonste boomen geur en schaduw verspreidden. De lucht was vervuld met de geur van tube-rozen en jasmijnen.

Rondom de paleizen van Kapilavastu waren voorts sterke wallen om alle ouden van dagen, kranken en kluizenaars te weren en om den prins daarbinnen te houden.

Nog een betere en machtiger bewaking werd te werk gesteld. Toen de prins den leeftijd had bereikt om in het huwelijk te treden werd zijn paleis met schoone vrouwen bevolkt. Doch, een schok trof den koning.

Dit geschiedde als volgt. De koning had een park aangelegd, nog schooner dan de tuin van het zomerhuis. Een ziener had hem verhaald, dat, indien hij den prins er toe krijgen kon om dezen tuin te bezien, deze daar voor altijd met zijn vrouwen zou willen blijven. Geen taak scheen gemakkelijker, en op zekeren dag zou de prins er met zijn wagen heenrijden. Groote voorzorgen waren genomen om alle oude menschen, alle kranken, alle lijken ver uit zijn gezicht te houden. Een heel leger soldaten was er voor opgeroepen, met vlaggen was de stad versierd. De weg, waarlangs de prins kwam, was met bloemen bestrooid en met vazen vol welriekende planten versierd. Prachtige guirlandes en sierlijke klokjes waren overal opgehangen. Doch zie! toen de prins uitreed zag hij eensklaps, bijna onder de wielen van zijn wagen, tusschen de in zijde gekleede edelen en de krijgslieden met schilden en speren een ongewoon schouwspel. Het was een oud man, afgeleefd en verlamd. Zijn aderen en peezen waren zoo gezwollen, dat ze te zien waren, zijn tanden klapperden, het gelaat vol rimpels, het hoofd bijna kaal en de weinige haren spierwit. Zoo strompelde hij voort, bijna dubbel gebogen, leunend op een stok.

„Wat is dit, wagenmenner?” riep de prins. „Een man wiens bloed is opgedroogd en wiens spieren aan zijn lichaam als vastgekleefd zijn. Zijn hoofd is wit, zijn tanden slaan tegen elkaar, nauwelijks kan hij zich bewegen, zelfs niet met behulp van een stok.”

„Prins” zeide de wagenmenner „dit is de ouderdom. Zijn zinnen zijn afgestompt, het lijden heeft zijn geest verstoord, veracht is hij door zijn naburen. Niet in staat om zichzelf te helpen heeft men hem in dit woud aan zijn lot overgelaten.”

„Is dit,” vroeg de prins „een eigenaardigheid van zijn familie of is dit de wet der wereld. Zeg mij dat spoedig.”

„Prins” zeide de wagenbestuurder, „dit is noch een wet van die familie, noch van dit koninkrijk alleen. In ieder wezen wordt de jeugd overwonnen door den ouderdom. Uw eigen vader en moeder zullen in ouderdom eindigen: ook al uw bloedverwanten. Daar is geen andere weg voor de menschheid.”

„Dan is de jeugd blind en onwetend,” zeide de prins, „en ziet de toekomst niet. Als dit lichaam het verblijf zal worden van den ouderdom, wat heb ik dan aan het vermaak en zijne bedwelming? Laat den wagen keeren en breng mij terug naar mijn paleis.”

Ontsteltenis was in de harten van alle hovelingen over deze onaangename gebeurtenis, en het ergste was, dat niemand de ongelukkige oorzaak er van straffen kon. De oude man was nergens te vinden. De koning was buiten zichzelf van droefheid. Soldaten werden uit verwijderde districten gesommeerd en vier mijlen in het rond werd een cordon getrokken om de andere voorteekenen van den prins verwijderd te houden. Langzamerhand echter kwam de koning een weinig tot rust. „Als mijn zoon den tuin des geluks ziet, zal hij nimmer een kluizenaar worden,” had de koning gezegd, doch een belachelijk voorval had zijn plan verstoord. Nogmaals zou het echter worden beproefd en de voorzorgen werden ditmaal verdubbeld.

Was de prins de eerste maal door de oostpoort uit het zomerpaleis gegaan, nu ging hij de zuidpoort uit.

Doch een andere onverwachte gebeurtenis viel er thans voor. Toen de prins in zijn wagen uitreed zag hij plotseling vlak bij zich een kranke, uitgemergeld, door brandende koorts gekweld. Alleen, zonder dat iemand voor hem zorgde, ging hij voort, strompelend, met moeite ademhalend.

„Wagenmenner,” zeide de prins, „wat heeft deze man, zoo geel en weerzinwekkend van uiterlijk, zoo stomp van zinnen, zoo verdord van leden. Zijn maag hindert hem, met vuil is hij bedekt. Nauwelijks kan hij adem halen.”

„Prins,” hernam de ander, „dit is ziekte. Deze ongelukkige man is door een ernstige krankheid aangetast. Kracht en lust hebben hem verlaten. Hij is zonder vriend, zonder hoop, zonder land, zonder toevlucht. De vreeze des doods is voor zijne oogen.”

„Indien de gezondheid van den mensch,” zoo sprak Boeddha, „slechts het spel is van een droom, en de vrees voor toekomstig leed zulk een gestalte kan teweegbrengen, hoe kunnen dan wijze menschen, die gezien hebben wat het leven werkelijk is, toegeven aan de ijdele genietingen des levens? Keer terug dienaar, en breng mij naar mijn paleis.” De vertoornde koning, hoorende wat er geschied was, gaf bevel dat men den zieken man zou gevangen nemen en straffen, doch, in weerwil van een prijs op zijn hoofd en van zoeken overal kon men hem niet vinden.

Ook verhaalt een der zuidelijke geschriften dat de wagenmenner onder inspiratie sprak, wat inderdaad voor het verhaal zeer goed past, de gesprekken van een koetsier zijn niet altijd zoo verheven.

Het scheen dat een of andere booze invloed koning Suddodhana beheerschte, want, onbewogen door het mislukken van zijn plan deed hij een derde poging om den prins naar dien tuin van het geluk te brengen. Ditmaal ging de weg door de westpoort. Grooter voorzorgen dan ooit te voren werden er thans genomen. De keten van wachten werd tot op twaalf mijlen van het zomerpaleis uitgezet. Maar wederom hielden de Boeddha’s der tien horizons den prins tegen. Eensklaps was daar een verschijning van een lijkstatie. Een (spook)lichaam, naar de gewoonte met modder besmeerd, en met een doek bedekt, werd op een baar weggevoerd. (Spook)vrouwen huilden en (spook)muzikanten maakten treurmuziek op trommel en fluit. Zonder twijfel zongen ook spook-Brahmanen hymnen om het onsterfelijk deel naar de woning der vaderen te begeleiden.

„Wat is dit,” zeide de prins. „Waarom slaan zich deze vrouwen op de borst en trekken zij zich de haren uit? Waarom bedekken deze goede menschen hun gelaat met het stof der aarde? En die vreemde gestalte op de draagbaar, waarom is zij zoo stijf?

Boeddha werd droef te moede.

Een vierde maal werd de prins door zijn vader verzocht den tuin des geluks te zien. Ditmaal was de keten der wachten zestien mijlen ver in den omtrek opgesteld. Door de noorderpoort reed de prins uit. Eensklaps zag men op den weg een man, kalm en vriendelijk van uiterlijk, met een okergele monnikskap.

„Wie is deze,” vroeg de prins, „zoo vriendelijk en vredig van uiterlijk? Hij staart alsof zijn geest ergens anders vertoeft, en een schaal heeft hij in de hand.” „Prins, dit is het nieuwe leven,” sprak de wagenmenner. „Deze man is een van diegenen, die op den eeuwigen Brahma hun gedachten vestigen. (Brahmacharin). Hij zoekt de goddelijke stem en het goddelijk inzicht. De aalmoezenschaal van den heiligen bedelaar (bhikshu) draagt hij in de hand. Zijn geest is kalm omdat de groote bekoringen van het lager leven hem niet langer kunnen kwellen.”

De koning was buiten zichzelf. Bij iedere poort van het zomerpaleis werden vijfhonderd zwaargewapende Sakya’s geplaatst. Ketens van schildwachten omgaven de opgehoogde en versterkte wallen. Een phalanx lieftallige vrouwen, met lansen gewapend, was om het bed van den prins geposteerd om hem te bewaken. Alles wat de zinnen kon streelen, zoo beval de koning, moest bij voortduring aan den prins worden geboden.

„Laat de vrouwen van de zenana (harem) geen oogenblik hun zang en spel en vroolijkheid staken. Dat zij schitteren van zijde en fonkelen van edelgesteenten.”

Mahā Prajāpatī, de tante, die na den dood van koningin Māyā Boeddha had opgevoed, had het opzicht over deze lieftallige jonge vrouwen en spoorde ze aan om den prins in een „gouden kooi” in te sluiten.

Zoo werd Boeddha in verzoeking gebracht. Doch, deden de bewoners van Kamaloça (de oorden der lust) hun best, die van Brahmaloça (de oorden van den zuiveren geest) lieten, schoon ongezien, toch ook hun invloed gevoelen.

Eens toch, toen de prins rustte op een zijden rustbed en vier of vijf bruingekleurde grootoogige Indische meisjes voor hem lieflijk zongen, namen zijn oogen eensklaps een vreemden glans aan. Wel zag hij nog al de schoone guirlandes en het prachtig traliewerk van de zaal, doch ’t werd dof voor zijn oog. Muziek en stemmen zooals hij nooit te voren had gehoord, kwamen nu tot hem als uit de verte. O. a. hoorde hij de volgende verzen:

„Wees geduldig als gij smadelijk wordt bejegend, o overwinnaar van u zelf! Heer van allen, die op twee voeten gaan, ga voort volgens uw zending. Verwin het kwaad en zijn leger.

„Toen gij een koning waart en een onbescheiden onderdaan sprak tot u: „Geef mij deze landen en steden”, toen waart gij verheugd en niet bedroefd.

„Toen gij een deugdzaam Rishi waart en een wreed koning in woede uwe leden afhieuw, toen vlood in uw doodsangst melk uit uw voeten en handen.

„Toen gij als Rishi Syama op een berg woonde, en een koning u doorboorde met vergiftige pijlen, hebt gij toen dien koning niet vergeven?

„Toen gij de koning der antilopen waart, hebt gij toen niet uw vijand, den jager, voor een waterstroom beveiligd?

„Toen gij een olifant waart en een jager doorboorde u, hebt gij hem niet vergeven en beloond met uwe prachtige slagtanden?

„Toen gij een berin waart, hebt gij een man gered uit een stroom, door sneeuw hooggezwollen. Gij voeddet hem met wortels en vruchten tot hij sterk werd en, toen hij heenging en menschen meebracht om u te dooden, gij vergaaft hem.

„Vervolgingen zonder tal, smaad en herhaalde gevangenis, dood en moord: gij hebt het alles gedragen met liefde en geduld, vergevende die ’t u aandeden.

„Menschen zonder koning kiezen u tot den hunne. Leid hen in den weg van Brahma en de tien deugden, opdat, indien zij hun metgezellen verlaten, zij allen mogen gaan naar Brahma’s verblijf.”

Door deze verzen, zegt het verhaal, werd de prins vermaand. En terwijl de Jina’s deze liederen zongen, trachtten schoone vrouwen, met bloemen en reukwerk, juweelen en rijke kleeding hem te brengen tot aardsche liefde.

Doch de geesten van het zuiver verblijf ontwerpen nog een nieuw plan om hun oogmerken uit te voeren. Zij zorgen dat de prins deze verleidelijke vrouwen, deze aanlokselen van Māra den verzoeker en Kāma, den god der liefde ziet in een nieuw licht. Zij bewegen door onmerkbaren invloed den prins om de vertrekken der vrouwen te gaan bezien als de Jina’s ze in een vasten slaap hebben gebracht.

Alles is in wanorde, de kleederen der vrouwen, heur haar, haar sieraden. Sommigen liggen in onbevallige houding op haar rustbedden, of hebben een akelig uiterlijk, anderen hoesten of lachen onnoozel in hare droomen of ijlen.

Ook misvormingen en vlekken, die de vrouwelijke list zorgvuldig verborg, vallen nu, bij de tooverkunst der geesten, in het oog. De eene heeft een miskleurigen hals, de andere een slecht gevormd been, de derde een lompen vetten arm. Glimlachen zijn grijnzen, betoovering is terugstooting geworden. Plomp liggen zij neer, tusschen al haar versiersels, luiten en tamboerijnen.

Waarlijk, zeide de prins vol afkeer, ik ben op een kerkhof. ’t Wordt hem wee om ’t harte: nu is de tijd gekomen, om den grooten weg te gaan en van al ’t aardsche zich los te maken.

Doch hem wacht een zware strijd, een, die echter zijne beslissing verhaast. Als hij in den tuin is, waarin hem het vierde gezicht (de monnik) is ten deel gevallen, wordt hem geboodschapt dat zijn geliefde gade hem een zoon heeft geschonken. Hij zegt „Rāhula is mij geboren, een nieuwe keten is gesmeed.” Hij gevoelt, hoe moeilijk het nu zal zijn de banden te breken, die hem binden aan de zijnen en aan de wereld, die hem omringt en treurig keert hij naar huis terug. Doch vreugde is er in het hart van de dorpsbewoners over de geboorte van den eersteling, den kleinzoon van hun rajah. Onder hun triumfgezang keert Boeddha in Kapilavastu terug. Als een zijner nichten van vorstelijken bloede hem op zijn wagen, in pracht en heerlijkheid, de stad ziet naderen geeft zij haar gemoed lucht in de woorden: „Zalig de vader, zalig de moeder, zalig de vrouw van zulk een zoon en echtgenoot.” De jonge man hoort haar woord met aandoening: „wel mag zij zeggen,” zoo spreekt hij bij zichzelven, „dat er zaligheid in ’t moederhart is, als zij ziet op het inwendig leven van haar zoon, wel ook is er zaligheid in ’t hart van den vader en van de echtgenoote. Maar vanwaar komt de ware vrede voor het hart?” En in zijn dankbaarheid, dat zij zulke gedachten bij hem heeft opgewekt, geeft hij haar zijn paarlsnoer, als het loon voor haar goede leer. Evenwel, zij droomt van aardsche liefde, die meent zij, door haar is opgewekt in zijn hart. Doch de Boeddha geeft zichzelf op de vraag naar den waren vrede een gansch ander antwoord: „Als het vuur van de lust is gedoofd, als het vuur van den haat en van de verblinding is gebluscht, als ook hoogmoed, dwaling en alle zonde en hartstocht is gedoofd, dan vindt het harte ware rust.”

Zoo komt het besluit van den Boeddha tot zijn voltooiing. Vóór hij zijn geliefde vrouw en al het zijne verlaat, wil hij zijn kind nog zien. Daar sluimert de lieve moeder, het bed met bloemen bestrooid, de hand over het hoofd van haar kindje uitgestrekt. Hoe gaarne had hij zijn zoon een oogenblik in de armen genomen, doch dan zou ook de teederminnende echtgenoote ontwaken, en hoe dan zijn besluit te volvoeren? Aarzelend gaat hij heen, na een laatsten liefdevollen blik op de slapenden te hebben geworpen: als hij een verlichte (Boeddha) zal geworden zijn, dan wil hij terugkeeren en zijnen zoon wederzien.

Daar buiten wacht zijn wagenmenner Channa met het eed’le ros Kanthaka en voort gaat het in den duisteren nacht, totdat hij, aan de grenzen van zijn rijksgebied, dienaar en paard terugzendt om zich bij de monniken aan te sluiten en daar in zelfkastijding den waren vrede te zoeken.

Spreekt de waarheid in deze verdichtingen niet tot ons aller hart? Voelen wij niet mede voor den eed’le wijze, die doorzag de vergankelijkheid van al het aardsche en die dorstte naar hooger leven? Spreekt tot ons niet die strijd der ziele om een teergeliefde vrouw en eenig kind te verlaten voor een toekomst, uit een aardsch oogpunt zoo weinig aantrekkelijk?

Doch, de strijd is niet ten einde. Māra, de vorst der duisternis, laat hem geenszins met rust en toovert hem voor den geest, dat hem binnen een week een wereldrijk over alle landen der wereld zal worden geschonken als hij zijn onderneming opgeeft. Doch neen, de verzoeking vindt geen ingang, ’t is niet te doen om een aardsch rijk. Hij versmaadt de koningskroon. Zijn vrouwen, zijn paleis, zijn schatten, alles verlaat hij om in de wildernis te peinzen over de goddelijke dingen.

Doch, Māra laat slechts af voor een tijd: vroeg of laat zal er wel een booze gedachte opkomen in ’t hart van den vromen strijder; dan zal hij hem beheerschen. En, als een schaduw volgt hij den wijze. Boeddha dan sluit zich aan bij een groep van kluizenaars, die in de holen van een berghelling nabij Rājagriha leven. Niet al te ver van de stad verwijderd, leven zij toch in de eenzaamheid van het woud. Alāra en later Udraka, Brahmaansche leeraars, worden thans zijne leermeesters, met wie hij vele gesprekken voert. Door een voortgezette overpeinzing, waarbij men zich van al ’t aardsche tracht te scheiden, zoo zelfs dat men ten slotte aan niets bepaalds denkt, poogt hij zichzelf te brengen tot het eeuwige, tot de rust, boven alles verheven. Evenwel, zijn peinzen geeft hem den vrede niet. Daarom verlaat hij de kluizenaars om zich geheel alleen in de eenzaamheid van het woud aan strenge zelfkastijding en boetedoening over te geven.

Daar zit hij terneder in de diepten van het woud van Uruvelā. De tong drukt hij tegen het verhemelte, met geweld de gedachten vasthoudend, in zelfkwelling wachtend op het oogenblik dat de bovenaardsche verlichting over hem komen zal. Doch zij komt niet. Hij worstelt om steeds meer van al ’t aardsche los te komen, den adem houdt hij in, van voedsel onthoudt hij zich. Met bewondering zien vijf andere asceten tot hem op. Bij zoo strenge zelfkastijding moet hij het licht wel deelachtig worden, straks zullen zij hem volgen op den weg der verlossing. Zijn lichaam is door pijn en smart geknakt, tot een schaduw van een mensch is hij geworden, doch het doel wordt niet bereikt. Eindelijk valt hij flauw en uitgeput neder, de leerlingen meenen dat hij dood is, doch hij komt weer bij.

Thans echter geeft hij zijn zelfkastijding op en gaat naar het meest nabijzijnde dorp om voedsel tot zich te nemen. Dat is te veel voor zijn leerlingen, in hun oog is hij gevallen van het voetstuk der heiligheid en zij, zij laten hem alleen, juist nu zijn wankelend geloof zooveel behoefte had aan de trouwe steun en vereering der zijnen.

Boeddha wandelt voort, tot aan de oevers van de rivier Nairanjara. Daar brengt hem de dochter van een landman zijn morgenmaaltijd, een schotel melk. Onder de schaduw van een Bō-boom (ficus religiosus) zet hij zich ter neer. De lange uren van den dag gaan in overpeinzing voorbij. Noch het wijsgeerig denken, noch de strenge boetedoeningen hebben hem vrede gebracht. Wat heeft hem alles gebaat? Māra toovert hem voor oogen de zoete vreugde van huiselijkheid en liefde, van rijkdom en macht: van alles waarvan hij afscheid nam. Hoe gemakkelijk kon hij dat alles weer bereiken, hoe hartelijk zou hij thuis worden ontvangen. Doch, moest dan al zijn inspanning verloren moeite zijn? Was er geen vasten grond om op te bouwen? Zoo streed hij een moeilijken strijd, door de overlevering gehuld in het phantastisch kleed van een heirleger booze geesten, dat op hem aanviel, terwijl hemel en aarde in beweging waren.

Doch, de strijd bracht de overwinning. Onder den boom der verlichting kwam hij in steeds reinere aanschouwing. Al het zinlijke verzonk; een gevoel van alles doordringende wetenschap kwam over hem: in een alles doorschouwend geestelijk zien bespeurde hij de kronkelwegen, die de geesten in hun zielsverhuizing bewandelen; hij zag de bron van het lijden en den weg, die tot vernietiging van het lijden voerde.

Nog zeven dagen vertoeft hij onder den heiligen boom; peinzend over ’s levens raadselen, waarvan hij nu de oplossing heeft gevonden. En, als hij dan eind’lijk opstaat is alles hem volkomen klaar geworden. Eindelooze levens zijn het, die hij zelf reeds doorloopen heeft, en die ieder mensch doorloopt; in ieder volgend leven maaiend, wat hij in vroegere levens heeft gezaaid; totdat hij eindelijk, van alle begeerte gereinigd, van allen dorst bevrijd, ingaat tot den grooten vrede. Werelden zag hij, eind’loos in getal, allen beheerscht door eene macht, die wel doet: wie haar gehoorzaamt, wreekt: wie haar gebod miskent. Altijd weer in ieder leven het leed, als de onontkoombare schaduw van ’t leven zelf, waaraan men eerst ontkomt, indien alle lust is verdoofd, alle begoocheling der zinnen is weggenomen en men komt tot Nirvāna, ’t allerhoogste heil, dat tijd noch wisseling kent. In te zien dat men niets moet wenschen of begeeren, dat de dorst (Trishna) de bron is van alle lijden, dat is de verlossing. En van zijn lippen vloeit het, door ’t gansch heelal verstaan:

Menige existentie heb ik doorloopen.

Al zoekende, doch vruchteloos,

Smartlijk toch is herhaalde wedergeboorte,

Veroorzaker van den greep, nu zijt gij ontdekt!

Geen huis zult gij meer bouwen,

Al uw ribben zijn gebroken,

De dekkende spits heeft losgelaten.

De geest is los geworden,

Zoover nu was de Boeddha gevorderd; aanstonds kon hij bereiken den grooten vrede; alle hartstocht, alle begeerte, alle dorst naar genot was in hem overwonnen. Waarom thans niet het Nirvāna in te gaan?

Met die vraag kwam nu andermaal de vorst der duisternis tot hem. „Nu, Tathāgata (volkomene) is de tijd voor u gekomen.” Doch de verhevene, antwoordde: „Gij booze, ik zal niet ingaan tot den Grooten Vrede, voor ik mij monniken tot leerlingen heb gewonnen, die de ware leer verkondigen, en nonnen die haar verbreiden. Eerst moet de weg des heils verbreid worden onder alle volken en hun worden bekend gemaakt.”

Ziedaar, wat voor den vromen Boeddhist een bron is van vreugde en dankbaarheid. Boeddha had, toen hij de verlichte was geworden, aanstonds in het Nirvāna kunnen ingaan, toch, uit liefde tot de menschen blijft hij leven te midden van het lijden van het aardsch bestaan.

En, den verhevene kwam telkens voor den geest de volgende spreuk:

Waarom der wereld openbaren, wat ’k in zwaren strijd verwierf?

De waarheid blijft voor die begeeren en haten toch verborgenheid,

Want zij is diep, geheimnisvol, voor groven zin bedekt,

Wien aardsch bedenken ’t zielelicht verduistert kan haar niet aanschouwen.

En het hart van den verhevene was geneigd in rust te volharden en de leer niet te prediken. Doch Brahmā Sahampati (de hoogste God) zag de gedachten des heiligen en sprak tot zichzelf: „Ondergaan, ja ondergaan zal de wereld, als het hart des volkomenen geneigd is in rust te volharden en de leer niet te prediken.”

„Moge de Verhevene, Heer, de leer prediken, moge de Volkomene de leer prediken. Er zijn wezens, die rein zijn van het stof der aarde, doch, indien zij de prediking der leer niet hooren, gaan zij te gronde, zij zullen belijders der leer worden.”

En, vervolgt hij:

Tot nu toe heerschten, in het land van Magadha,

Onreine zeden, zond’ger menschen leer.

Gij wijz’, ontsluit de poort der eeuwigheid.

Doe hooren, wat gij, zondelooz’, erkent,

Wie staat daar boven op der rotsen kruin,

Zijn blik gaat verder dan het oog der schaar,

Zoo stijg, o wijz’, omhoog, daar waar

Der waarheid tempel rijst hoog boven ’t aardsch gewemel,

En gij, die boven ’t lijden zijt verheven,

Zie daar omlaag, de menschheid, door geboort’ en ouderdom gekweld,

Sta op, o strijdb’re held, ga overwinnend

De wereld door, gids zonder vlek of feil,

Verhef uw stem, o heer, want velen zullen hooren.

Die bede wordt tot driemaal herhaald, als Boeddha zijn twijfel uitspreekt, of het verkondigen der waarheid niet vruchteloos zal zijn. Eindelijk geeft Boeddha toe; hij ziet met zijn oog des lichts de wereld, hij aanschouwt daar wezens, wier zielen rein zijn en wier zielen niet rein zijn van het stof der wereld, wezens scherp en stomp van zinnen, edelen en onedelen, goede en slechte hoorders van zijn woorden, velen, die in vrees leven voor het toekomstig leven en voor de zonden. En dan spreekt hij tot Brahmā:

„Geopend zij voor allen, de poort der eeuwigheid,

Wie ooren heeft, hij hoore en geloove ’t woord,

Ik dacht, aan eigen leed, daarom heb ik, o Brahmā,

Het eed’le woord nog niet der wereld meegedeeld.”

Zoo zag dan Brahmā, dat de verhevene zijn bede zou vervullen en het woord prediken. Toen boog hij zich voor den verhevene, ging eerbiedig rondom hem en verdween.

Zoo schetst ons de legende, hoe de verlichte tot het vast besluit kwam om aan de wereld den weg des heils te verkondigen.

II. Boeddha als prediker van den weg des heils.

Doch toen de verhevene naderbij kwam, konden de monniken toch niet bij dit besluit blijven; zij gingen den verhevene tegemoet, de een ontlastte hem van aalmoezenschaal en opperkleed, de ander maakte een plaats voor hem gereed, een derde gaf hem water om de voeten te wasschen en een bankje om de voeten op neer te zetten. De verhevene zette zich neer op de voor hem bestemde plaats en wiesch zijne voeten.

Als zij dan vervolgens hun twijfel te kennen gaven hoe Gautama, nadat hij door strengheid en zelfkastijding de volle heerlijkheid van het weten en zien van het heilige niet kon bereiken, nu de bovenmenschelijke volkomenheid, de volle heerlijkheid van weten en erkennen van het heilige zou bereikt hebben bij een leven van overvloed, antwoordt de verhevene als volgt:

En, als de verhevene deze redenen nog een paar malen heeft herhaald, dan vraagt hij aan de monniken: „Erkent gij niet, o monniken, dat ik vroeger nooit zoo tot u gesproken heb?” „Dat hebt gij niet, heer.” Na antwoord en wederantwoord leert dan de verlichte aldus:

Wat nu is het dat tot het betreden van dit achtvoudig pad moet dringen? De verlichte wijst zijn vroegere leerlingen op vier heilige waarheden: het lijden, de oorzaak van het lijden, de opheffing van het lijden, de weg tot de opheffing van het lijden.

„Dit, o monniken, is de heilige waarheid van de opheffing van het lijden: dien dorst opheffen door geheele vernietiging der begeerte; hem varen laten, zich van hem ontdoen, zich van hem losmaken, hem geen plaats geven.

„Dit, o monniken, is de heilige waarheid van den weg tot opheffing van het lijden: het is het heilige achtvoudige pad; d. i. goed inzien (enz.)

„Zoolang ik, o monniken, van deze vier heilige waarheden deze ware erkentenis niet had, zoolang wist ik ook dat ik nog niet in deze wereld en in die der goden, benevens in de wereld van Brahmā en die van Māra, onder alle wezens, onder asceten en Brahmanen, onder goden en menschen, de hoogste verlichting bereikt had. Doch nu heb ik die verlichting gevonden èn: onverliesbaar is de verlossing van mijn geest, dit is mijn laatste geboorte, voor mij komen er geen nieuwe geboorten meer.”

Ziehier de bekende prediking van Benares. Al moge zij wellicht niet letterlijk weergeven wat de Meester zelf heeft gesproken, toch vinden wij hier de grondlijnen van het oorspronkelijk Boeddhisme. De verlossing van het lijden te bereiken door alle begeerte af te sterven, zoodat men geen wedergeboorte meer noodig heeft, ziedaar het hoofdpunt, waar het op aankomt. Zoolang de mensch lusten en begeerten voedt, zoolang werkt zijn leven voort, en moet telkens een nieuwe geboorte plaats hebben. Alle lust, alle begeerte uitdooven is het hoogste streven, dan wordt men boven alle lijden verheven en gaat tot Nirvāna in.

Het praktische staat dus op den voorgrond. Het leven, zoo erkent de verlichte, is noodzakelijk vol van lijden; geboorte, ziekte, dood, het beteekent alles lijden. Hoe moet de mensch daarvan verlost worden? Door boven alle begeerte verheven te worden, en alzoo aan het leven, dat lijden is, te ontkomen. Want, juist de dorst, de begeerte doemt den mensch om telkens weer geboren te worden tot nieuw lijden. Is hij van alle begeerte bevrijd, dan behoeft hij niet meer te worden geboren: hij komt tot Nirvāna. Tot vernietiging? Neen, doch tot een zijn, boven al ’t aardsche verheven. Doch, wij komen hierop nog nader terug, wij willen eerst den verlichte nog volgen op zijn verderen loopbaan.

Ook werden toen Sāriputta en Mogallāna, die beiden later geëerd werden als de twee voornaamste leerlingen, voor de gemeente van den Verlichte gewonnen. Beide jongelingen waren van Brahmaansche afkomst, en erkenden zekeren Sānjaya, een bedelmonnik, als hun geestelijk hoofd. Innig was hun vriendschapsverbond, zij hadden elkaar beloofd, dat diegene van hen, die het eerst de verlossing van den dood bereikte, het den ander aanstonds zou meedeelen.

Toen Sāriputta deze woorden hoorde ging hem het licht der waarheid op, hij begreep dat „alles wat aan ontstaan zijn aanzijn dankt, ook moet vergaan.” Daarom zeide hij tot Assaji: „Al was de les ook niets anders dan dit, zoo hebt gij toch de plaats bereikt, waar geen lijden meer is. Wat in tallooze wereldtijdperken niet is gezien, thans is het tot ons gekomen.”

Dan gaat Sāriputta tot Mogallāna, zijn vriend. „Uw gelaat, o vriend, zegt Mogallāna, is helder, uw kleur is frisch en klaar. Hebt gij de verlossing van den dood gevonden?” Het antwoord luidt toestemmend, hij verhaalt van zijne ontmoeting met Assaji, en ook aan Mogallāna gaat het licht der waarheid op, het reine, wolkelooze. Te vergeefs tracht hun meester Sānjaya hen tegen te houden. Met groote scharen van asceten gaan zij naar het bosch, waar Boeddha woont: Sānjaya komt een stroom bloed uit den mond. Boeddha ziet de beide jongelingen naderen en verkondigt aan zijne omgeving, dat zij de edelsten en besten onder zijne jongeren zullen zijn. Beiden ontvangen van Boeddha zelf de wijding.

Doch, de verlichte liet zich door deze bezwaren niet van zijn doel afvoeren. Al schold men hem en de zijnen met de woorden:

De groote monnik komt getogen naar Magadha’s bergstad heen.

Zij antwoorden:

De helden, de voleindigden, bekeeren door hun waarachtig woord,

Wie zal smaden, den Verlichte, die bekeert door der waarheid macht?

In ieder geval, het Boeddhisme wist zich glansrijk te handhaven en nam hand over hand toe.

Boeddha’s bloedverwanten waren niet onbekend gebleven met zijne lotwisselingen en zijn vader, Suddodhana, noodigde hem uit om zijn geboortestad te bezoeken, opdat hij zijn ouden vader nog eens zou zien, voor deze stierf. De verlichte ging dus op weg en nam zijn verblijf in een boschje buiten de stad. Daar kwamen zijn vader, zijn ooms en anderen hem opzoeken: doch deze laatsten waren niet bizonder ingenomen met hun bedelenden stadgenoot: zij namen daarom ook geen levensmiddelen voor hem mede, al was dit anders de gewoonte tegenover heilige kluizenaars.

Den volgenden dag ging Gautama, door zijn leerlingen vergezeld, met zijn schaal rond om zijn voedsel te bedelen. Eerst wilde hij bij de stadspoort gekomen, regelrecht naar het paleis van den rajah gaan; doch hij besloot zich aan den gewonen regel te houden, volgens welke een bedelaar van huis tot huis gaat. Men begrijpt dat de rajah al spoedig vernam dat zijn zoon bedelend door de straten ging: iets wat hem lang niet aanstond. Hij haastte zich dezen te gemoet te gaan en sprak:

„Waarom, meester, doet gij ons schande aan door te bedelen om uw voedsel? Meent gij dat wij zoovele bedelaars niet kunnen voeden?” „O, groote rajah,” was het antwoord, „dit is de gewoonte van ons allen.” „Doch,” luidde het wederantwoord, „wij stammen af van een beroemd geslacht van krijgslieden en niet één van hen heeft ooit zijn brood gebedeld.”

Sta op, vertoef toch niet,

Betracht het rechte, ware leven,

Die deugd beoefent, hij vindt rust.

In dit en in een volgend zijn.

Volg niet het kwaad!

Die deugd beoefent, hij vindt rust

In dit en in een volgend zijn.

Suddhodana antwoordde niet, doch nam de schaal van zijn zoon over en leidde dezen het huis binnen, waar de familieleden hem hulde brachten. Doch Yaçodhara kwam niet. „Indien ik,” zoo sprak zij, „eenige waarde heb in zijn oog, dan zal hij zelf komen en kan ik hem beter hier begroeten.”

Gautama bemerkte haar afwezigheid, en, gevolgd door twee zijner leerlingen ging hij naar de plaats, waar zij zich bevond, nadat hij hun eerst had gezegd, dat zij haar niet zouden tegenhouden, indien zij trachtte hem te omhelzen, hoewel anders geen lid der orde een vrouw mocht aanraken of door haar aangeraakt mocht worden.

Daar zag zij hem binnentreden, den eens zoo geliefden echtgenoot, nu een monnik, in ’t geel gekleed met gladgeschoren hoofd en aangezicht. Zij wist wel dat hij er zoo zou uitzien, doch zij kon zich toch niet inhouden. Zij viel op den grond neer, greep zijne voeten en barstte in tranen uit. Toen herinnerde zij zich de onoverkomelijke kloof tusschen hen beiden, stond op en plaatste zich naast hem.

Overigens vinden wij over dezen tijd van Boeddha’s leven, het veertigtal jaren tusschen den aanvang zijner prediking en het einde zijner loopbaan, wel eenige gesprekken of uitspraken, maar geen geregeld verhaal. Toch, een beeld van de wijze waarop de verlichte leefde en werkte, kunnen wij ons daaruit wel vormen. Hoe dan hebben wij ons het leven van den Meester en zijn leerlingen voor te stellen? Allereerst staat vast dat voor hen, zoo goed als voor andere asceten, het jaar in twee afwisselende tijdperken was verdeeld; de regentijd, waarin men zich rustig in zijn verblijf hield, de zoogenaamde „was”tijd, waarin meer bepaald de leerlingen zelf werden onderricht in de moeilijkste deelen der leer, en het overige deel des jaars, waarin de verlichte en zijne leerlingen leerend en predikend het land doortrokken. Die verdeeling des jaars was door de natuur zelve aangewezen en onvermijdelijk; trouwens indien men in den regentijd had willen rondtrekken had men dat niet kunnen doen zonder tallooze planten en kleine dieren onwillekeurig te dooden: geheel in strijd met de leer van den verlichte, die ook het kleinste leven heilig houdt.

In dien regentijd was de verlichte door tal van jongeren omgeven, en de aanzienlijken des lands beijverden zich om voor hem en de zijnen te zorgen. Later ging men wederom uiteen en Boeddha en zijn jongeren reisden langs de groote wegen, soms door vrienden geherbergd, maar gewoonlijk rustend en overnachtend onder de boomen des wouds. Vorsten en aanzienlijken waren echter vaak de dakloozen ter wille: zoo vernemen wij dat koning Bimbisāra, van wiens bekeering wij reeds gewag maakten, een zijner bosschen of parken, het Veluvana (bamboeswoud) ter beschikking stelde van den verlichte, en dat de groote koopman Anāthapindika, hem het nog beroemder Jetavana-park schonk: een park, dat naar luid der legende, door dezen koopman voor zooveel goud was gekocht, dat het den bodem van het gansche terrein kon bedekken.

Sommige schrijvers stellen zich voor dat ook toen reeds de monniken in Vihāra’s, kloosters, woonden. Doch, om verschillende redenen is dit niet waarschijnlijk te achten; de propaganda vereischte juist personen zonder vast tehuis en oude berichten teekenen ons de „monniken van Sakya” als levende onder de boomen des velds; de boomen, waar immers ook voorheen de „Rishi’s,” de oude zieners, geacht werden hun openbaringen te ontvangen. Ook uitspraken van Megasthenes, een gezant van koning Seleucus Nicator van Syrië (302–298 v. Christus) spreken van Boeddha’s volgelingen als van personen, die, noch in de steden wonen, noch een dak hebben boven hun hoofd, maar die gekleed zijn in boombast, met noten zich voeden en water drinken uit de hand. Ook wordt in datzelfde bericht van hen gezegd „dat zij geen huwelijk kennen, noch kinderen verwekken.”

In „de twaalf voorschriften”, een noordelijke bron, m. a. w. ontleend aan een heilige schrift der noordelijke Boeddhisten, wordt aan de „bedelaarstroep” zooals Boeddha zijn volgelingen noemde, uitdrukkelijk verboden om een ander dak te hebben dan een boom. Hun eenige zitplaats mag de moeder aarde zijn. Hun kleeren lompen van de mesthoop of het kerkhof. De boom, die den bedelaar beschut, moet liefst op een kerkhof staan. Niet tweemaal mag hij slapen onder denzelfden boom.

Nu is het wel zeker, dat deze „twaalf voorschriften” een strengere ascese vertegenwoordigen dan het oorspronkelijk Boeddhisme, doch, de voorstelling dat Boeddha en zijn volgelingen overal in sierlijke „vihāra’s” waren gehuisvest is toch zeker niet juist. Mij komt het voor dat zij een zwervend leven leidden, in grooten eenvoud, doch niet zoo, dat zij zich aan alle maatschappelijk verkeer onttrokken, dat immers noodig was om hun leer tot allen te brengen.

Zoo lezen wij b.v. van aanzienlijken, die den verhevene ter maaltijd noodden, van Brahmanen-leerlingen, die in een twistgesprek met den beroemden leeraar hun sporen trachtten te verdienen, van tegenstanders, die hem strikvragen deden. Daarbij worden zij dan natuurlijk dikwerf overwonnen, en menigmaal lezen wij dan hoe zij den verlichte en zijn leerlingen het verzoek doen: moge de heer, de verhevene, morgen bij mij met zijn leerlingen het middagmaal komen gebruiken. Boeddha geeft door zwijgen zijn toestemming te kennen. Is dan den volgenden dag de maaltijd gereed, zoo zendt de gastheer een bode met het verzoek: „het is tijd, heer, de maaltijd is bereid.” Daarop neemt dan Boeddha zijn aalmoezenschaal en opperkleed en gaat met de zijnen ter maaltijd. De gastheer en zijn familie bedienen zelf hun gasten. Is de maaltijd geëindigd, dan worden de handen gewasschen, de gastheer neemt met de zijnen aan Boeddha’s zijde plaats en deze richt tot hen een woord van vermaning en leering.

Had men op een dag geen uitnoodiging, dan onderneemt Boeddha zijn bedelgang door stad of dorp, nadat eerst de vroege morgenuren in geestelijke oefeningen of in het verkeer met de leerlingen zijn doorgebracht. Zwijgend ging dan de man, wiens naam door gansch Indië werd genoemd, voor wien koningen bogen, met zijn schaal rond, met neergeslagen blik, zonder te spreken afwachtend of men hem eenige spijze zou geven. Was die rondgang afgeloopen, dan noodde de middag tot rust in de koelte van het woud, totdat de avond aanbrak en hij weer onder de menschen optrad, vriend en vijand leerend en onderrichtend.

Zoo gingen de dagen van den verlichte, wiens zwervend leven en aanraking met allerlei personen ons telkens aan Jezus doet denken, vredig voorbij. Hoe was nu echter het leven van den meester met zijn vertrouwden, de leerlingen, die hem vergezelden? Waarschijnlijk heerschte er in dien intiemen kring een rustige toon: een stemming van kalme goedheid en stille vreugde, die aan der wereld ontvlodenen paste.

Merkwaardig is in dit opzicht ook het gesprek, dat Boeddha voerde met koning Ajātasattu. Deze vroeg welk loon ten deel viel aan hem, die zijn huis verliet om een geestelijk leven te leiden. In den loop van dat gesprek zeide de Verlichte: „Indien een slaaf of dienaar des konings het gele gewaad aantrekt en als monnik in gedachten, woorden en werken onberispelijk leeft, zoudt gij dan zeggen: laat deze man weder mijn slaaf en dienaar zijn, die vóór mij opstaat en nà mij ter ruste gaat, die op zich neemt wat ik hem gebied, die voor mijn genoegen leeft, wat mij aangenaam is spreekt en naar mijn gelaat ziet?” Toen antwoordde de koning:

„Neen, Heer, ik zou mij voor hem buigen, voor hem opstaan, hem uitnoodigen plaats te nemen en hem aanbieden wat hij aan kleeding, spijze, beschutting en medicijnen noodig kon hebben; ik zou hem beschermen en bewaken, gelijk het behoort.”

Zoo maakte dus het geestelijk gewaad allen gelijk. Toch waren het meest de aanzienlijken, die zich onder Boeddha’s jongeren lieten opnemen; telkens wordt in de oude teksten gesproken van „de zonen van edele geslachten,” die hun huis verlaten om zonder tehuis rond te zwerven. Onder Boeddha’s leerlingen waren jonge Brahmanen als Sāriputta, Mogallāna, Kaccāna, adellijken als Ānanda, Rāhula, Amuruddha, zonen van groote kooplieden en aanzienlijke beambten, in een woord meest personen, die een zorgvuldige opvoeding hadden ontvangen. Dit kan ons niet verwonderen als wij in aanmerking nemen dat ook in onze dagen in ’t algemeen een beschouwing van het leven als lijden en kwelling veel meer aantrekkelijks heeft voor de aanzienlijken dan voor de eenvoudigen, die ondanks al hun ontbering in den grond der zaak toch geneigd zijn en blijven het leven als een heilgoed te beschouwen.

Voor de geringen des volks, de gestaalden in ’s levens strijd was de verkondiging van het smartelijke van alle bestaan niet te vatten en was de leer van oorzaak en gevolg niet te begrijpen.

Toch, indien zij wilden toetreden, zij waren welkom. En, enkelen lieten zich opnemen in den kring. In de „Theragātha”, (spreuken der oudsten), worden aan den „oudste” Sunīta deze woorden in den mond gelegd: „Uit een onaanzienlijk geslacht ben ik voortgekomen, ik was arm en behoeftig. Nederig was het werk, mij opgelegd, de verwelkte bloemen opruimen (uit tempels en paleizen). Ik was door de menschen veracht, werd voor gering aangezien en gescholden. Deemoedig betuigde ik aan velen mijn eerbied.

„Daar aanschouwde ik Boeddha met zijn monniken, zooals hij daar heenging, de held, in de voorname stad van Magadha, mijn last wierp ik af om eerbiedig voor hem te buigen. Uit erbarmen voor mij bleef hij staan, hij, de hoogste onder de mannen. Toen boog ik mij tot aan de voeten des meesters, trad aan zijn zijde en verzocht hem, den hoogste onder alle wezens, mij als monnik aan te nemen. Toen sprak de genaderijke meester, de erbarmer over de gansche wereld: „Kom tot mij, monnik,” dat was de wijding, die ik ontving. (Sunīta vertelt dan verder, hoe hij zich in het woud terugtrok en daar, in peinzen verzonken, de hoogste verlichting bereikte, zoodat de goden kwamen en hem vereerden.)

„Toen zag mij de meester, terwijl de goden mij omgaven en hij sprak deze woorden: „Door heiligen gloed en door kuischen wandel, door intooming en zelfbedwang, daardoor wordt men tot Brahmaan, dat is het hoogste Brahmanendom.””

Daareven noemden wij reeds Sāriputta en Mogallāna, die beiden reeds in den aanvang van Boeddha’s werkzaamheid werden gewonnen door zijn prediking en die hem trouw volgden tot aan hun dood, welke kort voor dien des Meesters intrad. Maar vooral ook moeten wij noemen Boeddha’s neef Ānanda, tot wien de verhevene zijn laatste woorden sprak, den discipel, dien hij boven allen liefhad. Deze Ānanda was het ook, die voor Boeddha’s persoon en voor zijn levensonderhoud dagelijks waakte.

Een gansch andere rol heeft vervuld Devadatta, Ānanda’s broeder. Dit is de Judas van het Boeddhisme, die den Meester naar het leven stond. ’t Schijnt dat deze leerling, door eerzucht gedreven, in plaats van den reeds vergrijsden meester zelf de leiding der gemeente in handen wilde hebben. Hij beproefde op allerlei wijze den verhevene uit den weg te ruimen. Doch vruchteloos; wonderen bewaren het leven des heiligen. Uitgezonden moordenaars worden, als zij Boeddha naderen, met vrees en beving geslagen; vriendelijk spreekt hij hen toe en zij bekeeren zich tot het geloof. Als een rotsblok Boeddha dreigt te verpletteren vangen twee bergspitsen het op: zoodat slechts zijn voet wordt gewond. Als een wilde olifant door een nauwe straat op den verlichte wordt losgelaten blijft hij, getroffen door de tooverkracht van dien „vriendelijken denker” eensklaps staan en wijkt terug.

Heeft Devadatta werkelijk den verhevene naar ’t leven gestaan? Onwaarschijnlijk is ’t niet, al bestaat de mogelijkheid dat men Devadatta, die hierin van den meester afweek, dat hij veel strengere ascetische eischen wilde stellen, ten onrechte dergelijke moordplannen heeft toegeschreven.

Voor deze opvatting pleit vooral het feit, dat zij, ook nog in de dagen van koning Açoka, die ongeveer tweehonderd jaar na Boeddha’s dood leefde, niet als zwijgende monniken in kloosters leefden, maar onder boomen, en er hun eer in stelden om zooveel mogelijk de onbekeerden door hun woord tot bekeering te brengen.

Onder die leeken-vrienden waren ook vele vrouwen. Als een type dezer vrome vriendinnen kunnen wij beschouwen de voortreffelijke Visākhā, wier beeld ons met zooveel liefde in de Boeddhistische overleveringen wordt geteekend. Zij was een rijke burgervrouw in Sāvatthi, de hoofdstad van het land Kosala: de moeder van bloeiende kinderen, de grootmoeder van vele zonen. Algemeen geëerd werd zij bij elken maaltijd, bij ieder feest genoodigd: haar werden steeds het eerst de spijzen aangeboden, zij werd beschouwd als een gast, die geluk aanbrengt.

In de Mahāvagga vinden wij over haar het volgende verhaal, dat ons een aanschouwelijk beeld geeft en ons tevens doet zien, dat ook de Boeddhisten het woord verstonden: „het is zaliger te geven dan te ontvangen.”

Op zekeren dag dan neemt Boeddha zijn maaltijd in het huis van Visākhā. Na den maaltijd zet deze zich naast hem neer en zegt: „Acht wenschen verzoek ik van den verhevene.” „De voleindigden, Visākhā”, luidt het antwoord, „zijn te verheven om iederen wensch te kunnen vervullen.” „Doch wel wat geoorloofd is, Heer, en wat niet misprezen kan worden.” „Zoo spreek, Visākhā.”

„Ik wensch, o heer, mijn leven lang de gemeente regengewaden te geven, vreemde monniken voedsel te reiken, doorreizende monniken te spijzigen, kranke broeders te eten te geven, ziekenverplegers te voeden, zieken medicijnen te geven, dagelijks rijstebrij te verdeelen en aan de nonnen badgewaden te schenken.”

„Waarom vraagt gij, Visākhā deze dingen aan den voleindigde?” Zij geeft daarop rekenschap, waarom zij aan deze wenschen zooveel waarde hecht.

O. a. zegt zij. „Een monnik die uit den vreemde komt, kent de wegen niet en loopt vermoeid rond om zijn aalmoezen in te zamelen. Heeft hij nu echter genoten, wat ik voor deze vreemdelingen bestemmen wil, dan kan hij eerst uitrusten en vervolgens, als hij uitgerust is, aalmoezen inzamelen. Dit doel, o heer, heb ik in het oog en daarom wil ik mijn leven lang de doortrekkende monniken voedsel geven.

„En wederom, heer, een doortrekkende monnik zal, als hij zelf zijn voedsel moet zoeken, achterblijven van zijn gezelschap of, waar hij rust wilde houden, zal hij moede door de straat gaan. Heeft hij echter de spijzen genoten, die ik aan de doortrekkende monniken wil schenken, dan zal hij niet achterblijven; waar hij rust wil houden zal hij op tijd aankomen en uitgerust zal hij door de straten gaan.”

Zoo legt zij vervolgens het doel van al hare acht wenschen uit en de verlichte spreekt: „Edel, Visākhā, edel handelt gij, dat gij, naar dezen prijs trachtend, den voleindigde bidt om vervulling uwer wenschen. Ik sta u, Visākhā, uwe acht wenschen toe.”

En dan prijst hij haar met de volgende woorden:

Die spijs en drank verleent, van eed’le blijdschap vol.

Des heil’gen leerling, rijk aan deugden,

Die zonder afgunst gaven schenkt om ’t hemelsch loon,

Die smarten stilt, die vreugde steeds verspreidt,

Verkrijgt des hemels heerlijk lot.

Zij wandelt voort op ’t pad des lichts, ’t gepreez’ne.

Van smarten vrij geniet zij langen tijd,

Het heerlijk loon der goede daad in ’t zalig hemelrijk.

Overigens moeten wij niet meenen dat Boeddha de vrouwen hoog stelde, al is b.v. in het Boeddhistische Birma de praktijk beter dan de theorie. Neen, eene van de leerstukken van het Boeddhisme is dat de vrouw, voor zij tot het hoogste heil kan geraken, altijd weer eerst als man in de wereld moet komen.

Toch werd de vrouw in oud-Indië geëerd. De afsluiting der vrouw van het maatschappelijk leven, door latere zeden gewettigd, was ook in het oude Indië niet zoo sterk. Integendeel, de vrouwen namen deel aan het geestelijk leven van hun volk: de edelste dichters toonen ons dat het oude Indië de waarde der vrouw gevoelde en haar bewonderde en eerde.

Boeddha echter vond de vrouwen een gevaar: in haar waren verpersoonlijkt alle machten der verleiding, die den geest binden aan deze wereld. „Ondoorgrondelijk” zoo leert de moraal van een oude vertelling, „verborgen, als de weg van den visch in het water, zoo is het wezen der vrouwen, der uitgeslapen rooverinnen, bij wie de waarheid moeilijk is te vinden, voor wie de leugen is als de waarheid en de waarheid als de leugen.”

Zoo was Boeddha’s geest: en de nonnen stonden ook altijd bij de monniken ten achter, zij werden geduld, veel meer ook niet. Merkwaardig is het dat ook in den tegenwoordigen tijd tegenover tallooze Boeddhistische monniken in Birma—ieder heeft daar zijn klooster—slechts weinige nonnen worden gevonden. En wel, omdat blijkbaar dat strenge en koude haar niet aantrekt. Een vrouw, zegt de Boeddhist in Birma ook nog heden, begrijpt het zoo niet. ’t Kan ons niet verwonderen als wij bedenken dat er zoo weinig gemoedelijks in dezen godsdienst is, hoe hoog hij overigens moge staan.

Hebben wij stilgestaan bij Boeddha’s vrienden, wij vragen thans, met welke vijanden had hij te strijden? Allereerst met de priesterlijke Brahmanen, wier instellingen en positie in strijd waren met zijn beginselen en die hij geenszins ontzag.

Openlijk sprak toch de Verlichte het uit, dat hij aan offers geen waarde hechtte, ja, dat de deugd der Ahīnsa (eerbied voor het leven) het dooden van dieren verbood. Onomwonden kwam hij op tegen den waan dat de Brahmaan als zoodanig nader zou staan bij het hoogste heil: het achtvoudige pad, dat naar Nirvāna leidde, stond voor iedereen open.

We zien hierin hoe hij het autoriteitsgeloof verwierp. Hoe hij over het offer dacht, daarvan hebben wij een merkwaardig verhaal, dat aldus luidt:

Boeddha had eens een gesprek met een aanzienlijk Brahmaan, die hem vroeg wat de eigenschappen waren van een goed offer. Als antwoord verhaalt Boeddha dan de geschiedenis van een wijs en gelukkig koning uit oude dagen, die, na vele overwinningen te hebben behaald en de heele wereld te hebben veroverd, het besluit nam een groot offer aan de goden te brengen. Hij liet zijn huispriester komen en vroeg dezen hoe hij zijn voornemen het geschiktst zou volvoeren.

De priester vermaande hem, om vóór zijn offer te brengen eerst in zijn rijk rust, welstand en veiligheid te doen wonen. Hij gaat dus niet tot het offeren over, voor hij alle schade heeft hersteld. En bij zijn offer verwoest men geen levens van bezielde wezens, geen rund of schaap wordt geslacht. De dienaren des konings doen hun werk bij het offer niet onder tranen en door dwang: vreezend voor den stok der opzieners: ieder doet vrijwillig, wat zijn eigen hart hem ingeeft. Melk, olie en honig worden aangebracht en zoo wordt het offer des konings der godheid geboden.

Er is echter, zegt Boeddha, nog een hooger en gezegender offer, ook gemakkelijk te brengen: als men gaven schenkt aan vrome monniken, woonplaatsen verschaft aan Boeddha en zijn gemeente.

En nog hooger offer is het: als men met een geloovig hart bij Boeddha, bij de leer en bij de gemeente (Boeddha, Dharma, Sangha) zijn toevlucht neemt, als men geen wezen van het leven berooft, leugens en bedrog verre van zich houdt.

Nog hooger offer is het, als men als monnik van vreugde en leed beide afscheid neemt en in heilige rust peinzend zich verdiept.

Het hoogste offer dat een mensch kan brengen en tevens de grootste zegen, die hij kan verwerven is echter: als hij de verlossing bereikt en de zekerheid krijgt: ik zal niet weer tot deze wereld terugkeeren. Dat is de hoogste voleindiging van alles wat offer heet.

De Brahmaan, die zelf een groot offer had willen brengen en honderde dieren daarvoor in gereedheid hield, nam geloovig deze prediking aan en sprak: „Ik neem mijn toevlucht bij Boeddha, bij de leer en bij de gemeente.” „De dieren”, zoo sprak hij, „laat ik vrij, mogen zij het groene gras genieten, koel water drinken, moge de frissche wind hen omzweven.”

Nam Boeddha het op tegen het brengen van offers, misprees hij den castengeest en het gezagsgeloof, niet minder stond hij tegenover vele asceten, die in eindelooze zelfkwelling en zelfkastijding den weg des heils meenden te bereiken. Hij immers wist uit eigen smartelijke ervaring dat zichzelf te kwellen vruchteloos was. Hem was het geworden tot een heilige zekerheid, dat geen vasten de aardschgezinde gedachten of hartstochten doet verdwijnen.

Neen, het werken aan opbouwing van zijn geestelijk leven, het trachten naar kennis, dat is het, wat de overwinning geeft en de kracht tot dezen goeden strijd vindt men in een leven, dat even ver verwijderd is van weelde als van ontbering en zichzelf opgelegde smart. Zoo waren de gedachten van Boeddha, die tegenover de ziekelijke afdwalingen van het Indische ascetisme op den naam van gezonde opvattingen mogen aanspraak maken.

Boeddha staat hier tegenover zijn tijdgenooten als de man van praktijk en gezond verstand. Moeten wij dat echter zoo verstaan, dat hij feitelijk alle geloof aan God en een hooger leven als bijgeloof verwierp? Sommigen oordeelen zoo en geven ons van Boeddha een beeld als van een godloochenaar of minstens een positivist uit langvervlogen dagen. Feitelijk, zoo roepen zij ons toe, geloofde Boeddha aan geen God en geen volgend leven. Zijn Nirvāna, het einddoel, was eigenlijk het ophouden van alle bestaan, zijn God was slechts de eeuwige wet van oorzaak en gevolg, waarvan alleen ’t Nirvāna verlost.

Wij zullen wellicht later nog uitvoeriger op deze belangrijke punten terug komen. Nu merken wij alvast op: 1e dat het Boeddhistische geschrift, Brahmajala sutta geheeten, waarin vooral Boeddha als een soort scepticus optreedt, door vele bevoegde beoordeelaars niet gerekend wordt tot de geschriften van het oorspronkelijk Boeddhisme, maar van de zoogenaamde Mahayana, (de groote overtocht) een latere ontwikkeling (of verbastering?) van Boeddha’s leer, en dat er een sterk en welgegrond vermoeden bestaat, dat de invloed der Mahayana bij meer geschriften, die een gelijken indruk van Boeddha ons geven, is in het spel geweest.

Wat nu leerde deze? O. a. dat de mensch geen vrijen wil had. Hij zeide namelijk: „Er is geen macht (om te handelen), er is geen kracht, de mensch heeft geen invloed, alle wezens, alles wat ademt, al wat is, al wat leeft is onmachtig, machteloos, krachteloos, door toeval, door leiding, door natuur wordt het naar zijn doel gevoerd.”

„Ieder wezen,” leerde deze leeraar verder, „maakt een bepaald aantal wedergeboorten door, aan wier slot zoowel de dwaas als de wijze het einde des lijdens bereikt.”

Had Boeddha zóó over diens leer kunnen spreken als hij zelf een verkapt loochenaar van God en een hoogere wereld was geweest? Immers neen. En wat dunkt u, lezer, van de volgende gelijkenis van den verhevene?

Eens, zoo sprak Boeddha, was daar een blind geboren man, die zeide: „Ik kan niet gelooven in een wereld van verschijnselen. Kleuren die helder of dof zijn bestaan niet. Daar is geen zon, geen maan, geen sterren. Niemand heeft daarvan goede getuigenis.” Zijn vrienden beknorden hem, doch hij herhaalde dezelfde woorden.

In die dagen was daar een Rishi, die het „innerlijk gezicht” had, hij ontdekte op de helling van de Himalaya vier kruiden, die de macht hadden om den man, die blind geboren was te genezen. Hij zocht die op, bereidde ze met zijn tanden en diende ze toe. Eensklaps riep de blindgeborene: „Ik zie kleuren en verschijnselen. Ik zie schoone boomen en bloemen. Ik zie de heldere zon. Niemand heeft ooit te voren zoo iets aanschouwd.”

Daarop kwam er een heilig man tot den blind geboorne en sprak tot hem: „Gij zijt ijdel en trotsch en bijna even blind als voorheen. Gij ziet de buitenzijde der dingen, niet de binnenzijde. Hij, wiens bovennatuurlijke zintuigen zijn ontwaakt ziet de lazuren velden van de Boeddha’s van het verleden, hij hoort hemelsche geluiden op vijf yogana’s afstand. Ga naar een woestijn, of een woud, of een hol in de bergen en overwin uw dorst naar aardsche dingen.”

„De mensch heeft een lichaam, saamgesteld uit de vier elementen.

„Dit lichaam is de vrucht van de vereeniging van zijn vader en van zijn moeder. Het wordt gevoed met rijst en meelpap en kan worden verminkt, gekruisigd, vernietigd. In dit vergankelijk lichaam is des menschen verstand geketend. De asceet, zichzelf dus opgesloten gevoelend, richt zijn geest op het scheppen van een vrijer hulsel.

Toen Boeddha te Manasākata vertoefde, in het mangowoud, kwamen tot hem drie Brahmanen, in de Veda’s wel onderwezen, om hem te raadplegen over de vereeniging met den eeuwigen Brahmā. Zij vragen hem of zij op den rechten weg zijn om die vereeniging te bereiken. Boeddha antwoordt niet rechtstreeks. Hij onderstelt een vreemd geval. Een man is verliefd geworden op de allerschoonste vrouw van het land. Dag en nacht droomt hij van haar, doch, nimmer heeft hij haar aanschouwd. Hij weet niet of zij lang is of kort, of zij tot de Brahmanen of tot de Sudra’s behoort, of zij blank is of bruin, zelfs haar naam kent hij niet.

Dan vraagt hij de Brahmanen of dit verhaal over die vrouw een wijze of een dwaze vertelling is. Zij erkennen dat het „zottepraat” is. Boeddha past nu dezelfde redeneering op de Brahmanen zelf toe. En de Brahmanen, onderwezen in de drie Veda’s, moeten bekennen, dat zij Brahmā nimmer hebben gezien, niet weten of hij lang is of kort, noch iets wezenlijks omtrent hem en dat alles wat zij zeggen over vereeniging met hem, dwaze praat is. Zij gaan een trap op, waarin eene kromming is en weten niet of zij een woning of een afgrond zullen bereiken. Zij staan op den oever eener rivier en roepen den anderen oever op om tot hen te komen.

Was Boeddha de atheïstische leermeester, dien velen in hem zien, dan had hij hier een schoone gelegenheid gehad om zijn inzichten te doen kennen. De Brahmanen, had hij dan kunnen zeggen, weten niets van Brahmā, om de eenvoudige reden, dat zulk een wezen niet bestaat. Doch juist dit doet Boeddha geenszins. Hij tracht te bewijzen dat de Brahmanen daarom niets weten van Brahmā, omdat deze zuiver geestelijk is en zij zuiver stoffelijk zijn.

Vijf sluiers, zegt Boeddha, bedekken Brahmā voor het sterfelijk oog. Zij zijn:

1. De sluier van lust en begeerte.

2. De sluier van boosheid.

3. De sluier van luiheid en traagheid.

4. De sluier van trots en eigengerechtigheid.

5. De sluier van twijfelzucht.

Dan gaat Boeddha voort en vraagt:

„Bezit Brahmā vrouwen en rijkdom?”

„Neen, Gautama” antwoordt Vāsettha de Brahmaan.

„Is zijn geest vol van toorn, of vrij van toorn?”

„Vrij van toorn, Gautama.”

„Vol van boosheid, of vrij van boosheid?”

„Vrij van boosheid, Gautama.”

„Is zijn geest bedorven, of zuiver?”

„Zuiver, Gautama.”

„Heeft hij zelfbeheersching, of niet?”

„Hij heeft die, Gautama.”

Dan doet hij de Brahmanen vragen over henzelven:

„Zijn de Brahmanen, geleerd in de drie Veda’s, zijn zij in het bezit van rijkdom, of zijn zij dat niet?”

„Zij zijn het, Gautama.”

„Dragen zij iemand een kwaad hart toe, of niet, Gautama?”

„Zij doen dat, Gautama.”

„Zijn zij zuiver van hart of niet?”

„Zij zijn het niet, Gautama.”

„Hebben zij heerschappij over zichzelf, of niet?”

„Zij hebben die niet, Gautama.”

Deze antwoorden stellen, gelijk men begrijpt, in het licht, dat er geen vereeniging kan bestaan tusschen zoo verschillende wezens als Brahmā en de Brahmanen. Brahmā is vrij van alle verkeerdheid, zondeloos, zichzelf meester, dus kan alleen hij, die zonder zonde is, hopen met hem in overeenstemming te komen. Vāsettha stelt vervolgens deze vraag: „Mij is gezegd Gautama, dat de asceet Gautama den weg weet tot den staat van vereeniging met Brahmā?”

„Ik ken Brahmā Vāsettha”, is Boeddha’s antwoord, „ik ken de wereld van Brahmā, en den weg die er heenvoert.”

Daarop vraagt de verootmoedigde, in de drie Veda’s onderwezen Brahmaan, aan Boeddha: hem den weg te wijzen tot den staat van vereeniging met Brahmā.

Boeddha geeft een uitvoerig antwoord: een scherpe tegenstelling makend tusschen het hooge en het lage Brahmanendom, tusschen de „aan huizen gehechte” en de „huislooze” Brahmanen. Die eersten, de huis-Brahmanen, zijn ruw, zinlijk, gierig, onoprecht. Om winst beoefenen zij de zwarte kunst, de waarzeggerij en bedrog. Zij weten bij koningen gehoor te krijgen, broeden oorlogen uit, voorspellen overwinningen, offeren levens op, berooven de armen. Als een tegenbeeld daarvan schildert hij den kluizenaar, die alle wereldsche dingen heeft verzaakt en zuiver, zichzelf meester, gelukkig is.

„Waarlijk, dit is, o Vāsettha, de weg tot den staat van vereeniging met Brahmā” en hij verkondigt dat „de Bhikshu of Boeddhistische bedelmonnik, die vrij is van toorn, vrij van kwaadwilligheid, zuiver van geest, meester over zichzelf, na zijn dood, als het lichaam ontbonden is, met Brahmā zal vereenigd worden.” De Brahmanen gevoelen dan de volle kracht van dit woord. Boeddha is in hun oog geen afbreker, maar een behouder van het geloof. Hij houdt het met den ouden geestelijken godsdienst tegenover alles mêesleepende nieuwigheidsleeraars.

„Gij hebt overeind gezet, wat was ter neder geworpen” zeggen zij tot hem.

Zoo zien wij hier Boeddha als diengene, die den geestelijken godsdienst weer opricht, door de Brahmanen onder vormen verstikt, evenals Jezus weer opvatte wat door Israëls profeten, die de eischen des levens op den voorgrond stelden was geleerd, doch door de Joodsche schriftgeleerdheid was nedergeworpen.

Doch hij deed nog meer, dat ons aan Jezus doet denken. Evenals deze ons geteekend wordt vol liefde voor gevallenen en verworpenen zoo hebben wij ook van het licht van Azië treffende verhalen, die in het licht stellen zijn liefde ook voor ver verdoolden.

In de Chineesche Dhammapada lezen wij van een schoone zondares, die van Boeddha had vernomen en die op weg ging om zijne prediking te hooren. Op weg zag zij echter in een bron haar schoon gelaat en zij was niet in staat om haar goede voornemen uit te voeren. Toen zij terugkeerde, werd zij ingehaald door een andere courtisane, schooner nog dan zij zelve, en zij reisden te zamen. Toen zij een oogenblik rustten bij een andre bron, werd de vreemdelinge door slaap bevangen en legde zij haar hoofd op den schoot van haar medereizigster. Eensklaps werd het schoon gelaat wasbleek als een lijk, een walgelijk lokaas voor afschuwelijke insecten. De vreemdelinge toch was de groote Boeddha zelf, die deze gestalte had aangenomen om de arme Pundarī te bekeeren.

„Daar is een schoonheid, die gelijkt op een fraaie kruik met vuil gevuld: een schoonheid die aan oogen, neus, mond, lichaam toebehoort. Het is die vrouwelijke schoonheid, welke leed brengt, huisgezinnen verdeelt, kinderen doodt”.

Deze woorden voorzeker, door den Meester bij een andere gelegenheid geuit, geven den zin weder van dit verhaal en drukken den geest des Meesters uit.

Wij zagen reeds dat deze noch aan offers, noch aan zelfkastijding waarde hechtte, daar dit de weg niet kon zijn om verlost te worden van het lijden.

Nauw in verband met deze meer verhevene opvatting van het heil staat zijne erkenning van de onafwendbare gevolgen die het kwaad heeft op des menschen persoonlijkheid zelve: slechts onze tijd heeft hem hierin geëvenaard. Wel leert Boeddha geen eeuwige straf: ook aan Devadatta, den Judas van het Boeddhisme wordt vergiffenis geschonken, doch, Boeddha kan de gevolgen van zijn booze daden niet wegnemen, deze moeten langzamerhand worden opgeheven in de zuiveringsprocessen van het hiernamaals. Boeddha kent niet de theorie dat een dwaze dweeper op zijn sterfbed eensklaps de rijke liefde en de verheven kennis van een engel zou deelachtig worden. In een volgend leven komt iemand juist in zulk een toestand van geest en gemoed, als die waarin hij voordezen verkeerde, anders is zijn persoonlijkheid verwoest. Dat noemt men de wet der gerechtigheid (Karma).

Deze leer van Boeddha is grillig verdraaid door sommigen van zijn volgelingen, doch zijn eigen woorden zijn snijdend klaar:

Hoe Boeddha dit meent, heeft hij aangewezen in een schoone gelijkenis. Daarin worden de gevolgen van het kwaad afgebeeld als een ijzeren vesting der kwelling en de zonden als schoone vrouwen, die den mensch naar dezen zijnen ondergang lokken.

Alles in dit verhaal doet bij den eersten aanblik denken aan een tooversprookje uit de Duizend en Een Nacht (trouwens we zien dikwijls diepe waarheden in zulk een poëtischen vorm gehuld door de Indiërs), koel wuiven de palmen van een schoon eiland en in een heerlijk paleis wordt de slechte zoon, die naar goud zoekt, door vrouwen van bovenaardsche bekoorlijkheid bewaaierd. Hij heeft gesmaakt de onwaardige genietingen van Kāmaloça (de lagere wereld) en geniet ze voor een tijd. Van eiland tot eiland gaat de reiziger voort, ieder volgend eiland is schooner dan het vorige, maar ieder is weer dichter bij de stad der boete, de stad met ijzeren muren. Doch: die hem daarheen drijft is geen Ahriman, geen duivel: neen, de wet van oorzaak en gevolg drijft hem voort. Evenwel: daar is geen duivel, dien Boeddha niet kan verzachten, zelfs tot in de hel Avīchi is er geen schuilhoek, waar zijn groote liefde niet kan doordringen.

Elk heerscht in eigen kring, zoo mensch als God,

Want al wat leeft, daarboven, hier omlaag,

’t Zij groot of klein, schept door zijn eigen dâan

Zijn lot, zijn lust, zijn plaag.

Wat was, bepaalt wat is of worden zal,

Het beet’re, ’t mind’re, ontwikkeling, nieuw begin...

In blijde heem’len oogsten d’englen ’t loon,

Van eed’le daden in;

In d’onderwereld dragen duiv’len ’t pak

Van vroeger boos bedrijf. Het goede, ’t kwaad,

’t Wordt alles door den tijdstroom meegevoerd,

Niets blijft in d’eigen staat.

Zoo dwingt haar wet ons tot gerechtigheid.

Niet één kan haar weerstaan. Volgt haar gedwee,

Liefde is haar innigst wezen en het doel,

Dat zij beoogt: Volmaking, Rust en Vrêe.

Liefde is haar innigst wezen. Zij was ook het innigst wezen van den Boeddha. Al zien wij in zijn persoon niet dat gemoedsleven dat een Jezus kenmerkt, toch vervult ons de gestalte van dien koningszoon, die alle aardsche banden breekt om der menschheid het heil te prediken, die vol is van medelijden, met diepen eerbied en wij kunnen ons begrijpen dat zijn volgelingen zeiden dat hij was „God, geopenbaard in de gestalte van barmhartigheid.”

Wij kunnen ons niet voorstellen dat zijn beeld, ons zoo treffend geteekend, slechts een mythe zou zijn: er moet een verheven karakter zijn geweest om denkbeelden te verkondigen, die zoo ver waren verheven boven zijn tijd.

Nooit verandert zijn verheven welwillendheid. Hij bekeert de verdorvenste zondaars. Hij spreekt tot de dochters der zonde. Als hij de aarde bezoekt is het licht tot in de diepste der hellen, hij maakt duivelen en goede menschen beide gelukkig. Een dwaas beleedigt hem. „Mijn zoon” antwoordt hij „beleediging tegen den hemel is als speeksel, dat men tegen het uitspansel richt: het keert terug op wie het uitwerpt.”

„Een Tathāgatha,” zegt hij tot zijne leerlingen, „kan door slechte daden en beleedigingen niet worden vertoornd: deze kunnen alleen zijn barmhartigheid en liefde verdubbelen.”

Bedenken wij nu daarbij dat het beginsel der vergelding (oog om oog, tand om tand) de politiestok was voor de maatschappij van die dagen, dat oorlog, plundering en wraak aan geheele kringen eigen waren als dagelijksch bedrijf en broodwinning, hoe verheven klinken ons dan tegen woorden als deze:

„Slechts door liefde bedwingen wij wrok. Door goed alleen overwinnen wij kwaad. De heele wereld vreest geweld. Alle menschen beven in tegenwoordigheid van den dood. Doe aan anderen wat gij wilt dat zij u zouden doen. Dood niet. Veroorzaak geen dood.

„Zeg geen harde woorden tot uw buurman. Hij toch zal u antwoorden in denzelfden toon.

„Zij die zeggen: „Ik ben verongelijkt en uitgetart, ik ben geslagen en geplunderd” zullen nooit ophouden te haten.

„Wat de haat in de wereld kan doen ophouden is niet de haat, maar de afwezigheid van haat.

„Als gij—evenals een trompet, die in den krijg is vertreden—geen klagelijk geluid meer voortbrengt, dan hebt gij Nirvāna bereikt.

„Stil zal ik misbruik verduren evenals de strijd-olifant de pijl van den schutter ontvangt.

„De mensch, die ontwaakt is, gaat niet op wraak uit, maar vergeldt met vriendelijkheid zelfs wie hem onrecht doet: evenals de sandelboom zijn geur nog meedeelt aan de bijl van den houthakker, die hem velt.”

Hebben deze schoone uitspraken vooral betrekking op het kwaad met goed vergelden, de volgende die zich op verschillend gebied bewegen zijn niet minder merkwaardig.

„De zwanen gaan op het pad der zon. Zij gaan door de lucht, dank zij hun wonderbare macht. Zoo gaan de wijzen deze wereld uit, als zij Māra en diens gezelschap hebben overwonnen.

„Niet door uitwendige daden is men een (waar) asceet (Samāna).

„Niet de tonsuur maakt van den onopgevoeden mensch een Samāna.

„Geen regenbui van goudstukken kan de lust ooit voldoen.

„Weinigen zijn er die aankomen aan de overzijde, de meesten loopen langs den oever heen en weer.

„Laat de dwaas verlangen naar een waardelooze reputatie, naar voorrang onder de Bhikshu’s, naar heerschappij in de kloosters, naar vereering door andere menschen.

„Een bovennatuurlijk persoon wordt niet gemakkelijk gevonden. Hij wordt niet overal geboren. Het ras, waaronder zulk een wijze geboren wordt, bloeit.

„Het huis van Brahmā is waar kinderen gehoorzamen aan hun ouders.

Zoo vormen de woorden en daden van Boeddha een schoon geheel, zooals hij leerde, zoo leefde hij. En zooals hij leefde, zoo stierf hij ook.

Achttien mijlen oostwaarts van Kapilavastu is thans een nederig dorp, geheeten: Māthā Kuär (de doode prins). Waarom die naam? Hwen Thsang, de Chineesche pelgrim, die in de 4de eeuw Indië bezocht, kan het ons vertellen. Daar was in zijne dagen een „doode prins” van marmer, rustende onder een prachtig tempeldak (canopy), waarvan nog ruïnen zijn overgebleven. Op de plaats van dien tempel stonden 477 jaar voor Christus eenige boomen waaronder toen, in doodslaap verstijfd, de „beste vriend der wereld” rustte, zooals de Indiërs hem noemden. Hooren wij, wat een in hoofdzaak betrouwbaar verhaal ons van zijn dood meldt.

Boeddha gaat van Rājagriha, de hoofdstad van Magadha-land het noorden in. Hij gaat den Ganges over, waar toen juist de toekomstige hoofdstad van Indië, de koningstad Pataliputta werd gebouwd. Hij ziet in den geest de toekomstige grootheid dier stad en voorspelt deze aan zijn jongeren.

In het dorp Beluva nabij Vaisāli wil hij zijn leerlingen laten heengaan om daar in stille eenzaamheid den regentijd door te brengen. Doch daar grijpt een smartelijke krankheid hem aan: den dood erkent hij als nabij. Nu denkt hij aan zijne jongeren: hij wil Nirvāna niet ingaan voor hij tot hen gesproken heeft. Alzoo bedwingt hij zijne krankheid en houdt het leven vast. Hij staat op, gaat uit het huis en zet zich voor de deur op de plaats, die men hem bereid heeft. Ānanda spreekt dan tot hem: „Ik zie, Heer, dat de verhevene beter is en het hem minder moeielijk valt. Mij, Heer, hadden de krachten verlaten, ik duizelde, de gedachten vloden heen door de ziekte van den verhevene. Doch een troost had ik, Heer, de verhevene zou niet in het Nirvāna ingaan, voor hij zijn wil omtrent de gemeente den jongeren verkondigd heeft.”

„Wat begeert de gemeente der jongeren van mij, Ānanda? Ik heb de leer verkondigd en geen verschil gemaakt tusschen binnen en buiten. Hij die zegt: „Ik wil heerschen over de gemeente” of „laat de gemeente mij onderworpen zijn,” hij moge Ānanda, zijn wil verklaren in de gemeente... De voleindigde evenwel zegt niet: „Ik wil over de gemeente heerschen.” Ik ben nu afgeleefd, bejaard, een oud man, die zijn reis heeft volbracht. Tachtig jaar ben ik oud—Wees gij, Ānanda, uw eigen licht, uw eigen toevlucht. Zoek geen andere toevlucht. Wie nu, Ānanda, of na mijn verscheiden, zijn eigen licht zal zijn, zijn eigen toevlucht en geen andere toevlucht zal zoeken, hij zal voortaan mijn ware discipel zijn, die het rechte pad bewandelt.”

Boeddha laat des avonds alle monniken, die nabij Vaisāli wonen samenroepen en wijst hen nog eenmaal op de kennis des heils, die hij hun predikte, opdat zij daarnaar zouden wandelen en die zouden vermeerderen en dan laat hij volgen: „Welaan monniken, ik zeg u, al het aardsche is der vergankelijkheid onderworpen, worstelt zonder ophouden. Over een kleinen tijd breekt het Nirvāna van den voleindigde aan, nu over drie maanden zal hij in het Nirvāna ingaan.”

En, ging hij voort:

„Mijn aanzijn rijpt voor ’t eind, na is mijns levens doel. ’k Ga heen: Gij blijft nog hier: het oord der toevlucht wacht, weest waakzaam steeds, en heilig zij uw wandel. Bewaart met kloeken moed, o jong’ren, uwen geest.

„Die zonder wank’len steeds het woord der waarheid volgen.

„Zij komen tot het doel, geboort, en dood voorbij.”

Den volgenden dag doet Boeddha nog eenmaal zijn bedelgang door Vaisāli: ziet voor de laatste maal op de stad terug en begeeft zich met vele jongeren op weg naar Kusinārā, om daar het Nirvāna in te gaan.

Te Pāvā—onderweg—overvalt hem de krankheid, die aan zijn leven een einde zal maken.—Cunda—zoo verhaalt het oude bericht naïef tusschen de afscheidsgesprekken van den verlichte door—Cunda, de zoon van een goudsmid te Pāvā zette den verhevene zwijnenvleesch voor, ten gevolge waarvan hij ziek werd. Moede ging de meester verder, hij baadde zich in de rivier en dronk een weinig. Na eenige rust kwam hij te Kusinārā. Daar moest Ānanda hem tusschen twee boomen een rustplaats bereiden, waarop hij het moede hoofd nederlegde.

Het was niet de tijd dat de Sālaboomen bloeiden, doch deze beide waren van onder tot boven met bloesems bedekt.

Toen sprak de verhevene tot Ānanda: „Geheel met bloemen bedekt, hoewel het de bloeitijd niet is, zijn de beide tweelingsboomen: hun bloesems vallen in menigte op het lichaam van den voleindigde: hemelsche melodieën weerklinken in de lucht om hem te eeren.

„Doch den Voleindigde, Ānanda, komt een andere eer toe, een andere verheerlijking, prijs, vereering, eerbied. Ieder monnik Ānanda, en iedere non en iedere leek en leekenzuster, die in het groote en in het kleine in de waarheid leeft en naar de wet leeft en ook in het kleine naar de waarheid wandelt: zij zijn het die den voleindigde brengen de hoogste eer, verheerlijking, prijs en vereering. Daarom, Ānanda, moet gij u oefenen en steeds bedenken: wij willen in het groote en het kleine naar de waarheid leven, wij willen naar de wet leven en ook in het kleine in de waarheid wandelen.”

Weenend ging Ānanda het nabijzijnde huis binnen en sprak: „Ik ben van zonden nog niet vrij, ik heb het doel nog niet bereikt, en mijn meester, die zich mijner erbarmde, zal in het Nirvāna ingaan.”

Toen zond Boeddha een der leerlingen tot hem: „Ga heen, leerling, en spreek uit mijn naam tot Ānanda: de Meester wil met u spreken, Ānanda.” Toen ging Ānanda tot den Meester, boog zich en nam aan zijne zijde plaats. Boeddha echter sprak: „Niet alzoo, Ānanda, klaag niet, jammer niet. Heb ik u niet van te voren gezegd, Ānanda, dat men scheiden moet van alles wat men liefheeft en waarin men zich verheugt? Hoe ware het mogelijk, Ānanda, dat niet zou vergaan datgene wat geboren, geworden, gemaakt, der vergankelijkheid onderworpen is? Dat gaat toch niet. Gij echter Ānanda, hebt langen tijd den Voleindigde geëerd, in liefde en goedheid, met vreugde zonder valschheid, zonder einde: in gedachten, woorden en werken. Gij hebt goed gedaan Ānanda, ga voort, weldra zult gij van zonden vrij zijn.”

Toen de nacht aanbrak stroomden de edelen van Kusinārā met vrouwen en kinderen naar het bosch om voor het laatst den stervenden meester hunne vereering te brengen.

Subhadra, een andersgezind asceet, die gekomen was om met hem te spreken bekeerde zich tot hem als de laatste der geloovigen, die den Meester zelven aanschouwden.

Kort voor zijn heengaan sprak Boeddha nog tot Ānanda: „Wellicht, Ānanda, zult gij denken; het woord heeft zijn meester verloren, wij hebben geen meester meer. Zoo moet gij niet denken, Ānanda. De leer, Ānanda, en de orde, die ik u geleerd en verkondigd heb, dat is uw meester, als ik ben heengegaan.”

En tot de jongeren zeide hij: „Welaan, jongeren, ik zeg u: vergankelijk is alles wat geworden is, worstelt zonder ophouden (om het heil te verkrijgen). Toen ging zijn geest van extase tot extase, door alle trappen der vervoering, daarop ging hij tot Nirvāna in. De aarde beefde, de donder rolde. En Brahmā sprak:

„Eens leggen alle wezens af lichaamlijkheid, in alle werelden, zooals nu Boeddha, de overwinnaar, de meester der wereld, de machtige voleindigde, tot Nirvāna is ingegaan.”

De edelen van Kusinārā kwamen en verbrandden voor de poorten der stad het lichaam van Boeddha met alle eer, die aan de lijken van koningen placht te geschieden.

Zoo wordt ons geschetst het levenseinde van den verhevene. We hebben hem aan de hand der oude geschriften gevolgd op zijn levens weg. Wij hebben leeren kennen den Boeddha der oude legende. Doch niet al te moeilijk schijnt het om uit den Boeddha der legende den wijzen Sakyazoon der historie te kennen. Als wij dat beproeven, dan komt ons voor den geest een hooggeboren edele, die, met aardschen glans en luister omringd, alles daarliet om een oplossing te zoeken van de hoogste levensvragen. Een wijze, die alles wat het leven lieflijks heeft, verzaakte om te zoeken naar wat voeren kon tot waren vrede. Niet in zelfkastijding, noch in overdreven wereldschuwheid vond hij dien, maar in het streven om bij een leven, evenver van zinnelijkheid als van zelfpijniging, tot uitdooving van alle hartstocht, tot opgeven van alle persoonlijke begeerte te komen.

Eén, die voorts het licht hem geschonken, niet voor zichzelf hield, maar het zooveel in hem was aan anderen bracht, ja daaraan zijn gansche leven wijdde en die voor hoog en laag, voor mensch en dier de welwillendheid zelve was.

Eén, die diep besefte dat geen offers, geen boetedoeningen, geen ceremoniën vrede brengen in de ziel, maar dat er slechts vrede en licht te vinden is voor hen, die uit liefde zichzelf ten offer geven en alle begeerte en hartstocht weten te overwinnen.

Geen wonder dat zijn persoon een onuitwischbaren indruk achterliet en dat vrome vereering een stralenkrans wond om het hoofd van den Sakyazoon.

III. Boeddha’s onderwijs, Boeddhistische redenen en gelijkenissen.

Wij hebben in de vorige hoofdstukken het leven van den verlichte u geschetst en daarbij op menige bladzijde, naar ik hoop, doen gevoelen, welken geest hem bezielde. Toch willen wij op zijn onderwijs nog meer in ’t bizonder uwe aandacht vestigen: de leer was immers naar zijn eigen woord tot Ānanda, de Meester voor zijn volgelingen, als hij was heengegaan?

Welnu, dat woord van den Meester is ons voor een goed deel overgeleverd al kunnen wij niet overal beslissen, wat aan den Meester, wat aan leerlingen te danken is.

„Toen sprak de verhevene tot de jongeren: alles, jongeren, staat in vlam. En wat is dit alles, jongeren, dat in vlam staat? Het oog, leerlingen, staat in vlam, het erkennen van het zichtbare staat in vlam, de aanraking met het zichtbare staat in vlam, het gevoel, dat uit de aanraking met het zichtbare voortkomt, staat in vlam: of het vreugde of leed is of geen vreugde of leed: ook dit staat in vlam. Door welk vuur is het ontvlamd? Door het vuur der begeerte, door het vuur van den haat, door het vuur der verblinding is het ontvlamd, door geboorte, ouderdom, dood, smarten, klachten, lijden, kommer, vertwijfeling is het ontvlamd: Alzoo zeg ik.

„Het oor staat in vlam, het hoorbare staat in vlam, het kennen van het hoorbare staat in vlam, de aanraking met het hoorbare staat in vlam, het gevoel dat uit de beroering met het hoorbare voortkomt, zij het vreugde, zij het leed, zij het geen vreugde en geen leed, ook dit staat in vlam. Door welk vuur is het ontvlamd? Door het vuur der begeerte, door het vuur van den haat, door het vuur der verblinding, door geboorte, ouderdom, dood, smarten, klachten, leed, kommer, vertwijfeling is het ontvlamd: alzoo zeg ik.

„De reuk staat in vlammen (dan volgt weer dezelfde opsomming), de tong staat in vlammen (wederom), het lichaam staat in vlammen (wederom), de geest staat in vlammen (wederom).”

Dan gaat de rede voort: „Dit alzoo inziende (nl. de waarheid van het verteerd worden van alles door den vuurgloed der vergankelijkheid) wordt een wijze, edele hoorder des woords het oog moede, hij wordt het zichtbare moede, hij wordt het kennen van het zichtbare moede, hij wordt het gevoel moede, dat uit de aanraking met het zichtbare ontstaat, zij het vreugde of leed, of geen vreugde of leed. Hij wordt het oor moede (enz.), de reuk moede” (enz. enz.) (altijd weer dezelfde zinnen).

En dan eindigt de rede: „Terwijl hij deze dingen moede wordt, wordt hij vrij van begeerte, van begeerte vrij wordt hij verlost, in den verloste is het inzicht: ik ben verlost, vernietigd is de wedergeboorte, voleindigd de heiligheid, gedaan de plicht, geen terugkeer is er meer tot deze wereld: alzoo is zijn inzicht.”

Voor ons zou een dergelijke toespraak geen groote aantrekkelijkheid hebben, doch voor de leerlingen van Boeddha, die aan een dergelijken redeneertrant, ook van andere leeraars gewoon waren, was dat een ander geval.

Voor de niet ingewijden sloeg de meester gewoonlijk een eenigszins anderen toon aan, dan waren de redeneeringen niet zoo abstract. Zoo wordt ons b.v. in de Mahāvagga, hetzelfde werk, waaraan de juist vermelde toespraak is ontleend, ook verhaald hoe de verhevene aan „tachtigduizend dorpsoudsten” het woord predikte. „Hij erkende”, heet het daar, in zijn geest de gedachten der dorpsoudsten en predikte hun het woord naar de orde, namelijk de prediking van het geven, de prediking van de rechtschapenheid, de prediking van de hemelen, de verderfelijkheid, ijdelheid, onreinheid der lusten, den zegen van het vrijzijn van lust. Toen nu de verhevene erkende, dat hunne gedachten goed, ontvankelijk, vrij van hindernissen waren, verheven en naar hem toegewend, toen predikte hij hen, wat in ’t bizonder de prediking der Boeddha’s is: het lijden, het ontstaan van het lijden, de opheffing van het lijden, den weg tot opheffing des lijdens. Vervolgens wordt dan geschetst hoe in die dorpsoudsten het oog der waarheid opengaat en zij inzien dat „alles wat aan de wet van het ontstaan onderworpen is, ook aan de wet van het vergaan onderworpen is.”

Soms ook vinden wij gesprekken, waarin Boeddha uit het dagelijksch leven opklimt tot het geestelijke, en wel in dier voege, dat hij zijn toehoorder door verschillende vragen langzaam brengt, waar hij hem hebben wil: alzoo de methode van Socrates, die ook vooral door vragen leerde.

Zoo b.v. een gesprek van den Meester met Sonā, een zijner leerlingen. Deze Sonā had zichzelf tot de uiterste ascese gedwongen, doch was ten slotte tot het inzicht gekomen dat zulk een streven geen goede vruchten droeg. Hij liep nu gevaar tot het andere uiterste over te slaan en terug te keeren tot een leven voor het genot.

Boeddha zegt dan tot hem: „Hoe is het Sonā, waart gij vroeger, voor gij uw huis verliet, met het snarenspel bekend?” „Ja, heer.” „Wat dunkt u dan Sonā, als de snaren al te strak zijn gespannen, zal dan de luit den rechten toon geven en voor het spel geschikt zijn”. „Dat zal zij niet, Heer.” „En wat dunkt u, als bij uwe luit de snaren al te slap zijn gespannen, zal dan de luit den rechten toon geven en voor bespelen geschikt zijn?” „Dat zal zij niet, Heer.” „Hoe echter, Sonā, indien bij uwe luit de snaren niet te strak en ook niet te slap gespannen zijn, als zij de juiste maat houden, zal dan de luit den rechten toon geven en voor het spel geschikt zijn?” „Ja, heer.”

Somtijds vinden wij ook in het onderricht van Boeddha meer uitgewerkte gelijkenissen. Enkele daarvan willen wij U medededeelen, omdat zij ons zoo goed den geest des meesters doen kennen. We merken hierbij echter op, dat zeker niet al deze gelijkenissen van den Meester zelf afkomstig zijn.

Van den verzoeker, die tracht de menschen den weg des heils te doen bijster worden en van den verlosser, die hen op den rechten weg terugvoert, wordt ons de volgende gelijkenis verhaald, die wij kunnen noemen:

„De groote vallei en het water zijn de lusten, o jongeren. De groote kudde wild, jongeren, zijn de levende wezens. De man, die schade en onheil voor hen tracht te bewerken is Māra, de booze. De verkeerde weg, jongeren, is de achtvoudige verkeerde weg, namelijk: verkeerd geloof, verkeerd bedoelen, verkeerd woord, verkeerde daad, verkeerd leven, verkeerd streven, verkeerd gedenken, verkeerd bespiegelen. De moerasweg, o jongeren, is vreugde en begeerte. Het moeraspad, jongeren, is het nietweten. De man, jongeren, die naar gedijen, welzijn, heil tracht is de voleindigde, de heilige hoogste Boeddha. De zekere, goede weg, die wel te begaan is, is de heilige, achtvoudige weg, dat is: goed gelooven, goed bedoelen, goed woord, goede daad, goed leven, goed streven, goed gedenken, goed bespiegelen. Alzoo, heb ik, o jongeren, den veiligen, goeden weg geopend, die wel te begaan is, de valsche weg is toegesloten, het moeraspad vernietigd. Alles, jongeren, wat een meester doen moet, die naar het heil zijner jongeren tracht, die zich hunner erbarmt: uit erbarmen voor u heb ik dat gedaan.”

Dit bovenstaande verhaal kan terecht den naam van gelijkenis dragen, wij vinden echter in de oude Boeddhistische boeken ook nog meer uitgewerkte verhalen, die wel eenigszins aan gelijkenissen doen denken, maar toch nog beter „leerzame verhalen” kunnen worden genoemd. Enkele daarvan, deels van Boeddha, deels van zijn volgelingen afkomstig, willen wij hier laten volgen, omdat zij ons den geest van zijnen godsdienst zoo goed leeren kennen. Allereerst noemen wij u:

De gelijkenis van de vergeving.

In een vroeger bestaan was Boeddha de asceet Jin Juh en woonde hij in een bosch. „Wouden zijn heerlijk” verklaarde hij. „Waar de wereldling geen genoegen vindt, vindt de „ontwaakte” mensch genot.”

In dien tijd was er een koning, Ko Li geheeten, een man van wreed, slecht karakter. Op zekeren dag nam deze koning zijn vrouwen met zich en ging jagen in het bosch. Vermoeid geworden viel hij in slaap. Toen gingen al de vrouwen het bosch in om bloemen te plukken; zij kwamen bij de kluis van den asceet Jin Juh en luisterden naar zijn onderricht. Na eenigen tijd ontwaakte de koning, en zijn vrouwen missende, werd hij jaloersch, trok zijn zwaard en ging haar zoeken. Toen hij haar allen zag staan tegenover de kluis van den asceet, werd hij zeer toornig.

„Wie zijt gij?” sprak de koning.

„Ik ben de asceet Jin Juh.”

De monarch zag tot zijn verbazing een verheven kalmte op het gelaat van den gekwelden asceet en vroeg hem of hij geen toorn gevoelde.

„Neen, koning, en ik zal u eenmaal leeren ook uw dierlijke hartstochten te bedwingen. Als ik, in een ander bestaan, Sheung te teng bereik, zult gij, o koning, mijn eerste bekeerling zijn.”

In een volgend bestaan werd koning Ko Li de leerling Kaundiliya.

De hierop volgende geschiedenis is waarschijnlijk een protest van de Hinayana (de kleine overtocht, dat wil zeggen het meer oorspronkelijke Boeddhisme) tegen de „valsche leeraars” van de Mahayana (de groote overtocht) die het Boeddhisme als een soort atheïsme gingen opvatten. Zij kan genoemd worden:

De gelijkenis van den godloochenaar.

Angati, de koning van Tirhut, had eene dochter, Ruchī. Eerst leefde hij godsdienstig, doch later hoorde hij verkeerde leeraars, die verklaarden dat er geen toekomende wereld is en dat de mensch na den dood, in water en andere elementen wordt opgelost. Van toen af meende hij dat het beter was het tegenwoordige te genieten en werd hij wreed.

Op zekeren dag ging Ruchī tot den koning en vroeg hem haar duizend goudstukken te geven, daar het den volgenden dag een feestdag was en zij een offer wenschte te brengen. De koning antwoordde dat er geen toekomstig leven was, geen vergelding voor verdienste. Godsdienstige vormen waren zonder waarde en het was beter om van het tegenwoordige leven te genieten.

Nu had Ruchī het innerlijk gezicht: zij kon dus in haar leven teruggaan tot op veertien vroegere bestaansvormen. Dus sprak zij tot den koning dat zij vroeger een edelman was geweest, doch een overspeler en dat zij nu voor straf slechts een vrouw was. Als verdere straf was zij geweest monnik, jonge koe en geit en eens was zij geboren in de hel Avīchi. De koning wilde zich niet door eene vrouw laten onderrichten en bleef ongeloovig. Toen riep Ruchī, door betoovering, een geest te hulp, en Boeddha zelf, in de gedaante van een monnik, kwam in de stad. De koning vroeg hem vanwaar hij kwam. De monnik antwoordde dat hij uit de andere wereld kwam. De koning zeide daarop lachend:

„Als gij van de andere wereld komt, leen mij dan honderd goudstukken en als ik naar die wereld ga zal ik er u duizend teruggeven.”

Boeddha antwoordde ernstig: „Als iemand geld leent moet dat zijn aan de rijken, als hij geld geeft aan de armen, is het een gift, want de arme kan niet terugbetalen. Daarom kan ik u geen honderd goudstukken leenen, want gij zijt arm en berooid.”

„Gij spreekt logen” was het toornig antwoord des konings. „Is niet deze gansche rijke stad mijn eigendom?”

Boeddha antwoordde: „Over korten tijd; o koning, zult gij sterven. Kunt gij uw rijkdom meenemen naar de hel? Daar zult gij in onuitsprekelijke ellende leven, zonder kleeding, zonder voedsel. Hoe kunt gij mij dan mijn schuld betalen?” Zoo sprak Boeddha en op zijn aangezicht lag een zonderlinge glans, die den koning verblindde.

Ook het volgende verhaal is zeer populair, het heet:

Boeddha’s gelijkenis van Kisāgotamī.

Eens ging een blinde man het winkeltje voorbij, hij speelde en zong. De oude moeder luisterde en hij zong:

Zij bracht dit in verband met hare dochter, die inderdaad kwijnend en ziekelijk was geworden na hare teleurstelling en begon zich over deze bezorgd te maken. Zoo trad het meisje, na verloop van tijd, door den invloed van haar moeder, in het huwelijk. In die dagen richtte een wreede tijger verwoestingen aan en doodde vele dorpelingen. De vorst beloofde een groote som aan wie den tijger doodde. Kisāgotamī’s man werd er door verlokt, hij viel den tijger aan, maar werd door diens klauw doodelijk gewond.

De weduwe en een klein kind keerden naar Srāvastī terug en helaas: ze ontmoetten een stoet van weenende vrouwen, die haar ouders naar het graf brachten. Een maand later zag men de arme weduwe met een dood kind in de armen, telkens klagende. „Geef mij een geneesmiddel voor mijn arm kind.”

Een antwoordde: „Ga naar den Sakyamonnik, den Boeddha (verlichte).

Kisāgotamī ging naar Boeddha’s kluis en sprak: „Heer en meester, kent gij eenig geneesmiddel dat mijn jongen zal genezen?”

Notes in this chapter

Note 1 · Dat nu is, ofschoon er genoeg over het Boeddhisme geschreven is en geschreven wordt, niet zoo gemakkelijk als het schijnt. Allereerst is er Note 2 · Indien hij deze vier voorteekens van een avatāra2 niet ziet, zal hij slechts een aardsche heerscher zijn.Note 3 · Een plaats uit de „Lalita Vistara”3 geeft deze oplossing: de kranke was inderdaad een der geesten uit „het zuivere verblijf” (de hemel van BNote 4 · „Prins,” zeide de ander, „dit is de dood. Die gestalte, bleek en verstijfd, kan nooit meer gaan en zich bewegen. Zijn bewoner is gegaan naarNote 5 · „Wee u jeugd, die het spel is voor den ouderdom! Wee u gezondheid, die de prooi wordt van vele krankheden! Wee u leven, dat als een ademtochNote 6 · „Zulk een leven begeer ik,” zeide de prins, „de lusten van den mensch zijn het zeewater gelijk, zij maken den dorst erger in plaats van haarNote 7 · „Machtige steun der menschheid, wandel op het pad van de Rishi’s8 van ouds. Ga heen uit deze stad!Note 8 · „Geef op deze troostelooze wereld, als gij de onschatbare kennis der Jina’s9 hebt verworven, en een volmaakte Boeddha zijt geworden, aan allNote 9 · „Gij, die eens uw voeten, uw handen, uw kostbaar lichaam opofferdet, die vaarwel zeidet alle rijkdommen der wereld,10 gij, wiens leven zuiveNote 10 · „Licht der wereld, in vroegere levens hebt gij gezegd: Voor de werelden, aan dood en ziekte ter prooi, zal ik een toevlucht zijn! Leeuw der Note 11 · „Eens toen gij het witte paard13 waart, gingt gij, uit medelijden met het lijden der menschen, door den hemel naar de plaats der booze geestNote 12 · Naar den bewerker van den greep.14Note 13 · De gulzigheid heeft een einde genomen.15Note 14 · Doch, zou zijn prediking worden verstaan? In den geest van den verhevene steeg, toen hij in de eenzaamheid vertoefde, deze gedachte op: de dNote 15 · Toen verliet Brahmā den hoogen heuvel, zoo snel als een man zijn arm kromt en stond voor den verhevene. Brahmā ontblootte zijn eenen schoudeNote 16 · Hoe Boeddha dit deed, willen wij thans zien. Volgens de legende ging hij allereerst naar het woud van Benares, het wildpark Isipatana, waar Note 17 · „De Tathāgata,20 o monniken, leeft niet in overvloed, hij heeft zijn streven niet opgegeven en zich tot den overvloed gekeerd. De Tathāgata,Note 18 · „Twee wegen zijn er, o monniken, waarvan verre moet blijven, die een geestelijk leven wil leiden. Welke beide wegen zijn dat? De eene weg isNote 19 · „Dit, o monniken, is de heilige waarheid van het lijden: geboorte is lijden, ouderdom is lijden, dood is lijden, met wat men niet liefheeft Note 20 · „Dit, o monniken, is de heilige waarheid van het ontstaan des lijdens: de dorst23 is het, die van wedergeboorte tot wedergeboorte voert, namNote 21 · De vijf vroegere metgezellen waren dan de eersten, die zich bekeerden. Zij vragen hem om als zijn leerlingen te worden opgenomen. „Komt hierNote 22 · Straks echter breidt zich de gemeente uit, al spoedig sluiten zich tal van asceten, kluizenaars in de wouden van Uruvelā, bij hem aan. Ook kNote 23 · Op zekeren dag zag Sāriputta een van Boeddha’s leerlingen, Assaji geheeten, bezig om in de straten van Rājagriha aalmoezen in te zamelen, ruNote 24 · Zoo traden velen toe; doch er was ook tegenstand. Hetzelfde oude verhaal, waaruit wij deze geschiedenis ontleenden,29 deelt ons mede hoe hetNote 25 · De Sānjaya’s30 bekeert hij allen, wanneer bekeert hij wel zichzelf?Note 26 · „Gij en uw familie,” hernam Gautama, „moogt u beroemen van koningen af te stammen, mijn geslacht is dat der profeten31 van ouds en zij hebbeNote 27 · De rajah sprak haar aan; hij deelde Gautama mede dat zij hem altijd was blijven liefhebben. Alle weelde, die hij zich had ontzegd, had zij zNote 28 · Dus, gansch iets anders dan leven in Vihāra’s. En ofschoon nu dat getuigenis betrekking heeft op een tijd, lang na Boeddha’s dood, mogen wijNote 29 · In dien kring waren voorts de gewone grenzen der maatschappij vrijwel weggewischt. Wie geluisterd had naar het woord (een vaststaande formulNote 30 · Evenals, zeide de verlichte, rivieren hun naam verliezen, als zij opgenomen worden in den grooten oceaan, zoo verliezen ook adelijken en BraNote 31 · M. a. w., geen caste stond als zoodanig nader bij het hoogste heil dan een andere: de verlichting kon aan allen ten deel vallen, kon ook verNote 32 · Wat die strengere ascese betreft, hij verlangde dat een monnik altijd in het woud zijn verblijf zou houden, terwijl Boeddha gaarne in de nabNote 33 · De onbekeerden tot bekeering te brengen, dat geschiedde ook in de dagen van den verlichte zelf. Doch niet allen traden toe tot den kring derNote 34 · In deze Visākhā vonden wij een type van vrouwen die, zooals het in het N. Testament zou heeten „den Heer dienden van hare goederen.”41Note 35 · En wat dunkt u van het volgende gesprek van Boeddha en Ānanda? De laatste vraagt: „Hoe zullen wij ons tegenover eene vrouw gedragen?” „Haar Note 36 · Niet minder verhief hij zich tegen het zweren bij schriftgeleerdheid, tegen de meening als ware het genoeg de woorden van de Veda’s in het hNote 37 · 2e. dat wij zeer eigenaardige episoden uit Boeddha’s leven bezitten, waarin een gansch andere geest doorstraalt, en waaruit wij de conclusieNote 38 · Doch laten wij tot bevestiging van onze opvatting Boeddha’s getuigenis zelve hooren. Boeddha dan verklaart zekeren asceet en philosoof MakkhNote 39 · De blindgeboorne gehoorzaamde en de parabel eindigt met deze uitlegging: „Boeddha is de oude Rishi, de vier kruiden zijn de vier groote waarNote 40 · Wij zien duidelijk hieruit, dat ook het mystieke—trouwens wij mogen hier, gelet op wat de wetenschap in onze dagen leert over telepathie, clNote 41 · „In gedachten stelt hij zich voor een ander lichaam, geschapen naar het beeld van dit stoffelijke, met een vorm, organen en leden. Dit lichaNote 42 · Zien wij hierin niet, dat het geenszins aangaat Boeddha voor een atheïstisch gekleurd vrijdenker te houden?50 Men hoore ook het volgende uitNote 43 · Om dit hooger leven aan de menschen te leeren wordt „van tijd tot tijd een Tathāgatha (voleindigde) in de wereld geboren, gezegend en waardiNote 44 · Daartegenover legde hij allen nadruk op het streven van den mensch zelf. „Werk uws zelfs zaligheid” dat kan een spreuk wezen van Boeddha eveNote 45 · „Een fout, welke men bedreven heeft is als melk, die niet op ééns zuur wordt. Langzaam en zachtkens, als vuur onder de asch zal zij den dwaaNote 46 · Elk, zoo laat Edwin Arnold54, den Boeddha zeggen, en wij nemen die woorden over omdat zij zoo goed zijn geest uitdrukken:Note 47 · en zegt hij later van die wet der gerechtigheid, (Karma):55Note 48 · „Een mensch is geen Bhikshu alleen omdat hij aalmoezen vroeg, geen Muni56 omdat hij stilzwijgt. Niet door discipline en geloften, niet door Note 49 · „Roep mij niet uit op den weg alsof ik de god Brahmā was.57 Godsdienst is niets anders dan het vermogen om lief te hebben.Note 50 · „Schoonheid en rijkdom zijn als een mes, met honig besmeerd. Het kind zuigt er aan en wondt zich.58”Note 51 · Wat die leer betreft, krijgen wij den indruk, dat zij zich—in onderscheiding van Jezus’ leer b. v.—vaak meer tot het verstand richtte dan toNote 52 · M. a. w. hier wordt ons te zien gegeven, hoe Boeddha van het eenvoudige opklimt tot de verborgenheden, tot het wezenlijke, het eigenaardige Note 53 · „Zoo ontaardt ook, Sonā, de al te sterk gespannen kracht in overmaat, en de al te veel overgelaten kracht in slapheid. Daarom Sonā, voleindiNote 54 · De ware en de verkeerde weg.62Note 55 · „Wanneer, o jongeren, in het woud, op een berghelling, een groote vallei met water is, waarbij een groote kudde wild leeft en er komt een maNote 56 · „Hebt gij alle aardsche hartstochten overwonnen?” vervolgde de koning. De ander antwoordde dat hij hier was om met zijn hartstochten te striNote 57 · Eens leefde er een nederig paar in Srāvastī. Zij verkochten erwten, rijst en houtskool in kleine ondiepe mandjes, door een matje tegen de miNote 58 · „Zonder een metgezel wordt de Kokila66 stil op haar tak, stil-stil-stil voor altijd.”
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings