← Table of contents
De wijzen van het Oosten

Het Boeddhisme. (continued 3)

Reading edition

Hetzelfde geschiedde, zoo men weet, met het Christendom, dat is ontwikkeld tot Roomsch-Catholicisme door dezelfde invloeden: omdat het alleen als een godsdienst van gezag de heidenen kon winnen. ’t Is voorts merkwaardig zoo groot als de overeenkomst is tusschen het Tibetaansch Boeddhisme en het Roomsch-Catholieke Christendom.

Naar men weet gelooft de Roomsch-Catholieke kerk dat de geest van Christus alléén in hare kerk woont, op bizondere wijze die kerk bestuurt en dat deze geest hare priesters en vooral haren paus bezielt. Zoo nu denken de Tibetaansche Boeddhisten er ook over. Zij gelooven aan Avalokitesvara, den geest van Boeddha, die in de kerk woont. De naam Avalokitesvara beteekent: de Heer, die van omhoog nederziet.

Behalve Avalokitesvara hebben zij nog een aantal andere Boeddha’s die in den hemel leven, anderen, die op de aarde leven of geleefd hebben enz. Ten slotte kwamen zij zelfs tot Ādi-Boeddha: den eersten Boeddha, uit wien dan de andere Boeddha’s en met hem de werelden emaneerden. Uit Ādi-Boeddha waren namelijk—na vijf meditatiën van dezen—de vijf Dhyani-Boeddha’s gevloeid, de beheerschers van bovenaardsche gewesten, uit dezen wederom de bij hen behoorende Bodhisatwa’s (toekomstige Boeddha’s), en—ieder van hen deed uit zich voortkomen een gansche wereld. De tegenwoordige is dan een maaksel van Avalokitesvara. Daarmee ging gepaard een ontaarden van den godsdienst in magische formules en uiterlijke vormen. Woorden kwamen boven daden. Iedere Tibetaan heeft een rozenkrans van 108 kralen om daarmee zijn goede woorden te tellen: vooral vele woorden moeten het zijn.

Ja, om zegeningen te verkrijgen van al de hemelsche wezens, waarmede zijne verbeelding de wereld bevolkt, heeft de Tibetaan zelfs gebedsmolens of wielen: met heilige spreuken beplakt. Tibet is er vol van: zij staan bij iederen weg, in elke straat.

Wij zagen dat volgens de Boeddhisten Avalokitesvara in de gemeente woont. Boven alles echter woont deze in den Dalai-Lama, den Boeddhistischen paus in Tibet, en de chutuktu’s, zooveel als zijn kardinalen. Deze paus is Ādi-Boeddha’s plaatsvervanger op aarde, onfeilbaar is hij niet alleen, maar ook is hij wereldlijk vorst over Tibet, evenals voorheen de paus overeen deel der Christenheid.

Dat de overeenkomst met Rome groot is, is door tal van Roomsche zendelingen erkend, sommigen van hen gingen zoover, dat zij zeiden: de duivel heeft hier het werk van God nagemaakt.

De eerwaarde pater Desideri, die in het jaar 1714 Tibet bezocht, zegt: „De lama’s hebben eene tonsuur evenals onze priesters en zijn tot levenslangen ongehuwden staat verplicht. Zij bestudeeren hunne geschriften in een taal en in letters, die van de gewone teekens verschillen. Zij zeggen gebeden in koor. Zij dienen den tempel, bieden offeranden aan en houden de lampen altijd brandende. Aan God offeren zij koren en gerst, deeg en water in kleine vazen, die zeer schoon worden gehouden. Het voedsel dat alzoo geofferd wordt, beschouwen zij als gewijd, en zij eten het.”

Ook zekere pater Grueber, die in 1661 Tibet doorreisde, was er door getroffen. „Hij merkte op, dat de kleedij der lama’s overeenkwam met die, welke ons in oude schilderstukken van de Apostelen is overgeleverd. Ten tweede, dat de tucht der kloosters en der verschillende priesterklassen zeer gelijkt op die der Roomsche kerk. In de derde plaats, dat het denkbeeld van een vleeschwording evenals het geloof aan paradijs en vagevuur aan beiden gemeen is. In de vierde plaats merkte hij op dat zij offers gaven en aalmoezen, diensten hielden en gebeden opzeiden voor de dooden, evenals de Roomsch-Catholieken. In de vijfde plaats, hadden zij nabij Lhassa kloosters, door dertig duizend monniken en nonnen bewoond, welke allen, behalve nog andere geloften, die van armoede, gehoorzaamheid en kuischheid aflegden: evenals de Roomsche. In de zesde plaats hadden zij biechtvaders, die van de hoogere lama’s of bisschoppen hun bevoegdheid ontvingen en die daardoor de macht hadden de biecht te hooren, boetedoeningen op te leggen en absolutie te geven. Ook hadden zij de gewoonte gewijd water te gebruiken, bij hun diensten om beurten te zingen, voor de dooden te bidden.”

Gemelde pater meende daarom, dat dit alles niet mogelijk was, tenzij de oude boeken der lama’s den invloed van het Christendom hadden ondergaan. Wij kunnen dit gevoelen niet deelen: veeleer komt het ons voor dat aan het omgekeerde is te denken. Doch: dit punt hier te behandelen, hoe belangrijk het zij, (want er is inderdaad overeenstemming tusschen de persoon, de legende, de latere ontwikkeling der leer bij Christus en Boeddha) ligt niet op onzen weg. Alleen willen wij nog een beschrijving geven van een godsdienstoefening, zooals men die houdt in den hoofdtempel van het Tibetaansche Boeddhisme, de kathedraal te Lhassa.

„Door een ruime hal, waarin men gewijd water en rozenkransen kan koopen, en waar vier beelden der aartsengelen staan, komt men den tempel binnen. De muren zijn bedekt met ruw bewerkte schilderijen uit de legende van Boeddha. Het dak wordt gedragen door zes zware pilaren, met snijwerk versierd. De kerk zelf is een lang schip: door twee rijen pilaren van twee zijvleugels en door zilveren opengewerkte schermen van twee groote koren gescheiden. In ieder dier zijvleugels zijn veertien kapellen. Aan het einde der kerk is de heilige plaats, bevattend vijftien tafels, met juweelen voorzien, met mystieke zinnebeelden van Sang-Sāra en andere scheppingen van Boeddhistische metaphysica. In de verste nis bevindt zich in een overwelfde ruimte het beeld van den vergoodden Gautama Boeddha.

„Ter linkerzijde daarvoor is de troon van den Dalai-Lama, ter rechterzijde van den Pantschen Lama. Daarbij, in rangorde, langzaam in glans verminderend, de zetels der Chutuktu’s (kardinalen), abten en der achttien orden van de lagere geestelijkheid.

„Tegenover het beeld is het hoog altaar of de offertafel: verscheiden treden boven de vloer; met trappen toegankelijk. Op de bovenste trappen staan gouden, zilveren en steenen beelden, op de lagere trappen klokken, lampen, wierookhouders en andere gewijde gereedschappen.

„Een bel klinkt, en al de monniken heffen luide een gebedshymne aan, waarin gevraagd wordt dat de geesten van al de Boeddha’s mogen tegenwoordig zijn.

„Een van hen heft boven zijn hoofd een spiegel, naar het schijnt om hierop het beeld van den geest op te vangen, als deze verschijnt; een tweede heft een drinkkan op, een derde een mystiek zinnebeeld van de wereld, een vierde een schaal; en nog andere geheiligde gereedschappen en mystieke symbolen.

„Onderwijl worden de stemmen der zangers en het geluid van bellen, trommels en trompetten al sterker, en de kerk wordt met wierookwalmen vervuld.

„De monnik met de drinkkan werpt herhaaldelijk water, met suiker en saffraan vermengd, over den spiegel. Het water vloeit over den spiegel naar het zinnebeeld der wereld en wordt beneden in een schaal opgevangen. Telkens na gebruik wordt de spiegel met een zijden doek afgeveegd.

„Het mengsel wordt nu in een andere kruik gedaan: enkele droppels bevochtigen de handen der dienstdoende monniken die er de kroon van hun geschoren kruin, hun voorhoofd en hun borst mee aanraken. Eerbiedig slikt hij dan de overblijvende droppels in, en zoo doende, meent hij op mystieke wijze deel te verkrijgen aan het goddelijk wezen, welks beeld opgevangen is op den spiegel, waarover het water is geloopen.”

Tot zoover over het Lamaïsme. Wat een afstand scheidt ons hier van den verheven stichter zelf, die, wars van ceremoniën en plechtigheid, door zelfverzaking en overpeinzing den weg vond tot den grooten Vrede. Helaas, dat ditzelfde verschijnsel ons overal treft, welken godsdienst wij ook beschouwen: straks zullen wij het ook elders zien. Doch: kàn dat anders? Kan een frissche bergstroom zuiver blijven tusschen vuile moerassen? Kan het reine denken, het zuiver gevoelen blijven wonen in een onreine, gebrekkige menschheid?

Hoe hooger dan ook de volken stonden, des te meer wordt de zuivere geest bewaard: meer is er van Boeddha’s geest gebleven in Birma dan in Tibet. Toch: de schat is er nog wel, ook in dat laatste land, al wordt zij daar opgeborgen in aarden vaten die er niet bij passen. Niet te vergeefs leefden de groote denkers en strijders der menschheid.

Notes in this chapter

Note 1 · Essai sur la legende du Buddha. Paris 1875.Note 2 · Vleeschwording der godheid, m. a. w. die teekenen zouden toonen dat hij een vleeschwording der godheid was.Note 3 · Een bekend Boeddhistisch geschrift.Note 4 · M. a. w. een der vroegere openbaringen van de godheid.Note 5 · God des doods, zie Brahmanisme op blz. 9.Note 6 · De vijf gehechtheden, hiermede worden bedoeld: lichamelijkheid, gewaarwordingen, voorstellingen, neigingen en bewustzijn. De bedoeling van dNote 7 · Amrita, letterlijk: levensdrank.Note 8 · Rishi’s, zie Brahmanisme blz. 8.Note 9 · Jina = iemand, die zijn lagere natuur bedwingt.Note 10 · Dit ziet op vroegere levens van den Boeddha.Note 11 · De boom, waaronder Boeddha tot het ware inzicht kwam.Note 12 · = Levensdrank onsterfelijk.Note 13 · Jaarlijks stierf de zonnegod als zonnepaard (ons sterrenbeeld aries = de ram) om volgens de Indiërs alle vleesch te redden. Vandaar ook het Note 14 · M. a. w.: Wat is de oorzaak der wedergeboorte?Note 15 · M. a. w.: Waar de begeerte is gedood, daar wordt men van wedergeboorte verlost.Note 16 · Mahāvagga I. 5. 2 enz.Note 17 · Teeken van eerbied.Note 18 · Zie blz. 50.Note 19 · Mahāvagga I. 6. 10.Note 20 · „Voleindigde”, titel waarmee Boeddha zichzelf noemde, evenals Jezus sprak van „de Zoon des Menschen”.Note 21 · „Nirvāna” een woord over welks beteekenis veel verschil is. De Boeddhisten duiden er het hoogste heil mee aan, dat boven alle lust is verhevNote 22 · Hiermee worden bedoeld de vijf elementen, waaruit volgens het Boeddhisme de menschelijke persoonlijkheid bestaat. Zij worden ook wel genoemdNote 23 · In den zin van „begeerte”.Note 24 · Hernieuwd bestaan.Note 25 · Een geijkte formule zijn deze woorden ook thans nog in het Boeddhisme.Note 26 · Feitelijk vormen de Boeddhisten, zooals wij nader zien zullen een monnikengemeente, doch ook als leek kon men den verlichte eeren en hem volNote 27 · Asceet.Note 28 · Men zie op blz. 51 en 52 Boeddha’s bespiegeling onder den Bō-boom.Note 29 · getiteld: „De vraag van Upatisa” (een andere naam voor Sāriputta.)Note 30 · Sānjaya’s leerlingen.Note 31 · Rishi’s, zie over hen blz. 8.Note 32 · Volgens het Boeddhistische geschrift „Dhamma pada”, een verzameling, grootendeels van spreuken.Note 33 · Jātaka: d. w. z. verhalen over vroegere levens.Note 34 · De leer, de wet.Note 35 · De Boeddhistische monniken hadden en hebben haar en baard afgeschoren.Note 36 · De oudste naam der Boeddhisten.Note 37 · Dat later het Boeddhisme de verdrukten hielp verlossen, zullen wij zien als wij over koning Açoka handelen.Note 38 · Zie blz. 63.Note 39 · d. i. kloosters.Note 40 · Zie bladz. 58.Note 41 · Het verhaal over Visākhā in Mahāvagga. VIII. 15.Note 42 · Mahā Prajāpatī.Note 43 · Deze aanhaling zoowel als het thans volgend verhaal naar Dīgka Nikāya.Note 44 · H. Fielding. De ziel van een volk. (Het Boeddhisme als volksgeloof in Burma). vertaald door F. Ortt. ’s-Gravenh. 1900.Note 45 · Volgens Anguttara Nikāya.Note 46 · Zie blz. 56.Note 47 · Een Cingaleesch Boeddhistisch geschrift.Note 48 · Dit is de waarschijnlijke afwerking van dezen niet afloopenden zin.Note 49 · De hooge verlichting in de rede.Note 50 · Ook Prof. Rhys Davis, die overigens daartoe wel geneigd is, erkent het geloof der oude Boeddhisten in een bovennatuurlijke kennis, Abhinnā, Note 51 · Hier wordt geteekend „de kracht van vriendelijke gedachten”, ook tegenwoordig wel bekend, waarop wij wellicht later nog terugkomen. Men zie Note 52 · Dhammapada.Note 53 · Dhammapada.Note 54 · Het licht van Azië. vert. door Dr. H. U. Meyboom. Amsterdam. 1881. blz. 166, 167.Note 55 · Zie bladz. 172. a. w.Note 56 · Bhikshu = bedelaar, Muni = zwijgende, omdat de monniken zwijgend rondgingen met hun aalmoezenschaal.Note 57 · Chineesch spreekwoord.Note 58 · De boven aangehaalde spreuken zijn aan verschillende Boeddhistische geschriften ontleend.Note 59 · Uit Mahāvagga, deze rede zou gericht zijn tot de duizend kluizenaars van Uruvelā.Note 60 · Men vergelijke ook op blz. 71 het gesprek met een Brahmaan over het ware offer.Note 61 · Uit Mahāvagga.Note 62 · Uit Doedhā-vitakha Sutta.Note 63 · Naar het water.Note 64 · Chineesche uitdrukking voor Nirvāna.Note 65 · Soort van vergiftige slang.Note 66 · Een soort vogel.Note 67 · Of Iddhi = door haar in „verrukking van zinnen” te brengen.Note 68 · Letterlijk: oud man, een soort Boeddhistische heilige.Note 69 · Vrouwenverblijf.Note 70 · Indische wetboek van voor-Boeddhistischen oorsprong. Thans o.a. nog in Birma geëerd.Note 71 · Lieden die tot geen caste behooren, dus verachtten in de maatschappij.Note 72 · Soort muziekinstrument.Note 73 · Goudstukken.Note 74 · nl. Boeddha, Dharma, Sangha: de verlichte, de leer, de gemeente.Note 75 · Mahayana, groote overtocht, Hinayana, kleine overtocht. Alzoo heeten de twee scholen, waarin het oorspronkelijke Boeddhisme zich splitste enNote 76 · Açoka was koning over een deel van Indië in de 3e eeuw voor Christus.Note 77 · Rahat of Arahat: een, die niet meer wederom geboren behoeft te worden.Note 78 · Zie pag. 56.Note 79 · Samyuttaka Nikāya.Note 80 · Zie H. Fielding. De ziel van een volk, vertaald door F. Ortt. Drukkerij „Vrede” ’s-Gravenh. 1900.Note 81 · Vgl. blz. 112.Note 82 · Dit Ātman beschouwen zij als Brahmā in den mensch, het goddelijke in ons, vgl. blz. 12, 13.Note 83 · n.l. diegenen, die als Makhali Gosāla, zie blz. 74, gelooven dat het ik, na een aantal zielsverhuizingen doorgemaakt te hebben, ’t zij goed Note 84 · Milinda is de Grieksche koning Menander, die ongeveer 100 jaar voor Christus leefde en Indië aan zich onderwierp.Note 85 · Zie blz. 95 enz.Note 86 · Uit Dhammapada.Note 87 · Cariyā Pitaka. III. 15.Note 88 · M. a. w. naar alle vier de windstreken, zie blz. 78, waar hetzelfde onderwerp wordt aangeroerd.Note 89 · Cullavagga. VII. 3.12.Note 90 · Zie blz. 100, 101.Note 91 · Kant verhaalt dat hij door deze voortgezette oefening deelen van zijn lichaam, die anders niet onder de heerschappij van zijn geest stonden,Note 92 · Samyuttaka Nikāya. vol. I fol. ghā.Note 93 · Ook dit verhaal naar Samyuttaka Nikāya. vol. II. fol. ja.Note 94 · Blz. 324. a. w.Note 95 · Geen slangendemon in menschengedaante.Note 96 · Een der oudere monniken, die hem voordraagt.Note 97 · Waarschijnlijk vertoefden de oudste volgelingen vooral onder boomen; doch ook tegenwoordig zijn de kloosters altijd met boomen omgeven.Note 98 · Zeer kleine munt.Note 99 · M. a. w. zich beroemen op zijn liefde tot een eenzaam, bespiegelend leven.Note 100 · De ziel van een volk blz. 175.Note 101 · Waarbij een monnik uit de heilige boeken voorleest.Note 102 · Pitaka’s = korven, de drie heilige boekverzamelingen der zuidelijke Boeddhisten, waarvan het eerste handelt over Vinaya (de orde). Het tweedNote 103 · Vlg. op bl. 70 het gesprek met Ānanda.Note 104 · Cullavagga XI. 4.Note 105 · a. w. blz. 17.Note 106 · Zie blz. 119.Note 107 · Fielding a. w. blz. 108 en volg.Note 108 · Naam, dien Açoka droeg.Note 109 · Grafteeken, gedenkteeken.Note 110 · De bedoeling schijnt te zijn dat deze boomen ’s nachts de monniken tot toevlucht zullen strekken.Note 111 · Over het laatstgenoemde zie bl. 109–111 van dit werk. Upatishya of Upatissa is een andere naam voor Sāriputta, zie blz. 58 en 59.Note 112 · Waarschijnlijk waren er ook olifanten bij, die worden heel wat ouder dan menschen.Note 113 · Zie blz. 118 en 119.Note 114 · Woorden, die Boeddha zou geuit hebben, toen hem onder den Boddhiboom de verlichting ten deel viel.Note 115 · Zie blz. 126.Note 116 · deze zijn: 1 geen leven vernietigen. 2 niet stelen. 3 zich voor onreinheid wachten. 4 niet liegen. 5 geen bedwelmende dranken gebruiken. 6 nNote 117 · Dan heeft men ook lange staken, waaraan vlaggen zijn bevestigd, waarop het heilige woord: Om Mani Padme Hum (het juweel is in de lotus d. i.Note 118 · „Op het geluid van een hoorn of trompet verzamelt zich de geestelijkheid in den ingang (de straks genoemde hal) in ambtsgewaad. Bij het derd
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings