De Chineesche Philosophie. (continued 2)
Reading edition
„Mannen van groote geschiktheid niet op prijs te stellen en niet te gebruiken, is het middel om het volk van eerzucht terug te houden; voorwerpen, die moeilijk zijn te verkrijgen, niet hoog te schatten, is het middel om geen dieven te krijgen; het volk niet te toonen, wat zijne begeerten kan opwekken, is het middel om het van uitspattingen terug te houden.
„Daarom, indien de wijze de regeering leidt, zorgt hij, dat de hoofden leeg zijn en de magen vol, hij verzwakt den wil en versterkt de beenderen.
„Hij streeft er steeds naar hen zonder weten en zonder wenschen te houden en hen, die wetenschap bezitten, te verhinderen, haar te gaan gebruiken. Als men zoo zich van werkzaam optreden onthoudt, heerscht er overal goede orde.”
„Laat hem zijn mond en zijn neusgaten gesloten houden, zoo zal hij gedurende zijn gansche leven voor moeitevolle inspanning bewaard blijven: laat hem zijn mond openhouden en zijn adem verbruiken in de zorg voor zijn aangelegenheden: en gedurende zijn gansche leven zal hij nooit rustig zijn (zonder zorg).
„Wat rustig blijft, is gemakkelijk te bewaren; eer een zaak hare tegenwoordigheid laat merken, kan men zich het best daartegen beveiligen: wat breekbaar is, wordt gemakkelijk verbroken, wat gering in aantal is, wordt spoedig verstrooid. Men moet handelen, vóór een zaak zich opdoet en orde instellen vóór de wanorde is begonnen. Een boom, dien men met beide armen kan omvatten, is uit een kleine twijg ontstaan, een toren met negen verdiepingen begon met een hoopje aarde, een reis van duizend mijlen begint met ééne schrede.”
Dat Lao tsze het beginsel: „Vergeldt vijandschap met weldoen” voorstaat is reeds vermeld. Over zichzelf spreekt Lao tsze slechts op ééne plaats:
„De groote menigte der menschen ziet er tevreden en opgewekt uit, alsof zij een feestmaal genoten of in het voorjaar op een toren stonden. Ik alleen schijn verdrietig en stil, daar mijn begeerten zich nog niet hebben getoond. Ik ben als een kind, dat nog niet heeft gelachen. Ik zie er terneergeslagen en droevig uit, als een, die geen tehuis zijn eigen noemen kan. De menigte der menschen heeft genoeg en te veel, ik alleen schijn alles verloren te hebben. Mijn verstand is dat van een dom mensch, ik ben als verward.
„De gewone menschen zien er helder en verstandig uit, ik alleen schijn omneveld. Zij zien er uit alsof zij alles kunnen onderscheiden, ik alleen ben simpel en verward. Het schijnt mij, als drijf ik rond op de zee zonder een plaats, waar ik rusten kan. Ieder heeft iets, waar hij zijn werkzaamheid aan wijdt, ik alleen schijn dwaas en onbekwaam als een boer van de grenzen. Zoo ben ik alleen van andere menschen verschillend, doch ik eer de moeder, die mij voedt (Tao).”
Het is een droefgeestig beeld, dat de oude knaap van zichzelf ontwerpt, toch wordt ons hier niet de minst aantrekkelijke zijde van het Taoïsme geschilderd; dat opgaan in bespiegeling en dat zich terugtrekken uit de wereld, zonder de bijvoeging van wereldsmart en pessimisme, die wij in de moderne wijsbegeerte zoo rijkelijk vinden, zonder de overdrijving, aan Schopenhauer en zijn school eigen.
Belangrijker en misschien ook verstaanbaarder zullen ons intusschen die Taoïsten voorkomen, die meer op de Stoïci, Cynici of Epicuristen gelijken, of die van metaphysici aanhangers der tooverij zijn geworden en aan het Chineesche keizerlijke hof de rol gespeeld hebben, welk tot op het midden der 18e eeuw door menig meester der zwarte kunst aan de Europeesche hoven werd uitgeoefend.
V. Chwang tsze, Lieh tsze, Yang Chu en de ontaarding van het Taoïsme.
Een der belangrijke figuren onder de oudere Taoïsten is Chwang chau, gewoonlijk Chwang tsze = de wijsgeer Chwang geheeten, een tijdgenoot van Mencius, die hem echter niet noemt, waaruit misschien valt af te leiden, dat de mystieke bespiegelingen van Chwang eerst later groote aantrekkelijkheid kregen. Hij leefde van de wereld teruggetrokken en vele voorbeelden van zijn bijtende geestigheid zijn ons bewaard gebleven. Toen de vorst van Tsu boden met rijke gaven tot hem zond om hem aan het hof uit te noodigen, waar hij eerste minister kon worden, wees Chwang tsze deze aanbiedingen lachend af en zeide: „Duizend ons zilver is veel voor mij en een hoogen rang te verkrijgen en minister te worden is zeer eervol. Doch hebt gij den os niet gezien, die voor het offer aan de grenzen bestemd is? Vele jaren lang wordt hij zorgvuldig gevoederd en met kostbare dekken versierd, opdat hij geschikt zij naar den grooten tempel te worden gebracht. Maar als de tijd komt dat dit geschieden moet, mocht hij liever een klein varkentje wezen, doch dan is het te laat. Maak dus dat gij wegkomt en verontreinig mij niet door uwe tegenwoordigheid. Ik wil mij liever vermaken en mij over mijn leven verheugen in een vuil graf (nl. als bedelaar leven) dan aan de regels en beperkingen van eens vorsten hof onderworpen zijn. Ik heb besloten nooit een ambt aan te nemen, maar geef er de voorkeur aan mij in mijn eigen vrijen wil te verheugen.” Zooals deze Chwang tsze leefde, zoo stierf hij ook. Aan zijne leerlingen, die hem met alle pracht wilden begraven, beval hij zijn lichaam niet te begraven, maar het slechts op de aarde te werpen (naar de zeden der oudste Chineezen). „Ik zal zoo,” sprak hij, „hemel en aarde als doodkist hebben, de zon en de maan in plaats van de zinnebeelden van meisteen, de sterren in plaats van paarlen en edelsteenen; daarmee zijn immers alle voorbereidingen voor mijn teraardebestelling volvoerd, wat wilt gij er aan toevoegen?”
Toen de leerlingen hun bezorgdheid te kennen gaven, dat de kraaien en roofvogels zijn lijk zouden opeten, voegde hij er bij: „Boven den grond zullen mij de kraaien en de roofvogels verorberen, daar onder wormen en insecten; het voor den een weg te nemen en het den ander te geven zou maar partijdig schijnen.”
Chwang tsze’s werk is voor het grootste deel polemiek, gericht tegen Confucius en tegen de letterkundigen in het algemeen. Van Chineesche zijde hebben sommigen de heftige aanvallen op Confucius, die er in voorkomen voor onecht verklaard. Doch deze zijn zoo geheel in denzelfden stijl als de andere stukken, dat wij ze gerust aan Chwang tsze kunnen toeschrijven.
„Gelijk zoekt gelijk,” zeide de oude visscher tot Confucius, en vogels met gelijk gezang antwoorden elkaar—dat is de wet des hemels. Waarmee gij u bezighoudt, dat zijn de aangelegenheden der menschen. Als de keizer, de leenvorsten, de hooge beambten en het volk alles doen wat hun betaamt, dan hebben wij een schoon beeld van orde. Als zij zich bekommeren om datgene wat buiten hun werkkring ligt, dan ontstaat de grootste wanorde. Als de beambten hun zaken behartigen en het volk de zijne, dan is er geen ingrijpen in de rechten van anderen.
„Velden die onbebouwd blijven, huizen die water doorlaten, gebrek aan kleeding en voeding, belastingen, waar geen geld voor is, geen verdraagzaamheid tusschen vrouwen en bijslaapsters, geen orde tusschen jong en oud—dat zijn de zorgen van het gemeene volk.
„Ongeschiktheid voor hun ambt, onopmerkzaamheid voor hun zaken, oneerlijkheid, zorgeloosheid en luiheid der ondergeschikte beambten, gebrek aan verdienste en gevoeligheid en onzekerheid ten opzichte van rang en salaris—dat zijn de zorgen der hooge beambten.
„Geen getrouwe ministers aan hun hoven, de stammen in hunne staten in opstand, gebrek aan geschiktheid bij hun ambtenaren, slechte inrichting der belasting, vertraging in voor- en najaarsbezoeken bij den keizer: en diens ongenade, dat zijn de zorgen der leenvorsten.
„Onharmonisch werken der beide elementen van koude en hitte, buiten den gewonen tijd des jaars, tot schade van alle dingen, onderdrukking en wanorde onder de leenvorsten, twisten en rooftochten dezer vorsten tegen elkaar tot schade des volks; slecht geordende ceremoniën en muziek, ongenoegzame of uitgeputte bronnen voor de uitgaven; de banden van verwantschap verwaarloosd en het volk aan teugellooze wanorde overgeleverd—dat zijn de zorgen van den zoon des hemels (den keizer) en zijne ministers.
„Gij zijt de keizer niet, ook geen leenman, ook geen minister van het keizerlijk hof of van een der staten: en toch neemt gij op u, de ceremoniën en de muziek te regelen en u bizonder met de betrekkingen van verwantschap bezig te houden, teneinde de verschillende volksklassen te verbeteren—is dat niet een bovenmatige vermeerdering uwer bezigheden?
„Menschen hebben bovendien gewoonlijk acht gebreken, en bij de leiding van zaken dreigen vier fouten, die men niet over het hoofd mag zien.
„De leiding van zaken, die ons niet aangaan, in de hand nemen, is van zaken een monopolie maken. Zaken bespreken die ons niet aangaan, noemt men babbelzucht. Lieden te leiden, door hen naar den mond te praten, is met een vossenstaart kwispelen. Lieden prijzen zonder te zien of dit recht of onrecht is, is vleien. Gaarne slecht over de menschen spreken, is lasteren. Vrienden en verwanten scheiden, dat is zich verblijden in het leed van anderen. Iemand prijzen of in slechten naam brengen, zonder dat hij het verdient, is een bewijs van verdorvenheid.
„Dubbelzinnig met de menschen meepraten, zonder zich te bekommeren of ze goed of slecht zijn, om zoo hun bedoelingen te weten te komen: dat is gevaarlijk zijn. Deze acht gebreken veroorzaken wanorde onder alle menschen en brengen hem, die ze bezit, in gevaar. Geen edel man zal hem, die ze bezit tot zijn vriend, noch een vorst zulk een persoon tot zijn minister maken.
„Confucius zag treurig voor zich en zuchtte. Tweemaal boog hij zich, toen richtte hij zich op en sprak: „Tweemalen werd ik uit Lu verdreven. Uit Wei moest ik vluchten. De boom, waaronder ik rustte, werd in Sung omgehouwen. Ik weet niet, welke fouten ik begaan heb, dat ik bij die gelegenheden zoo in een valsch daglicht werd geplaatst en zooveel moest lijden.” De oude visscher zag hem treurig aan en sprak: „Het is zeker moeilijk om u iets te doen begrijpen. Er was eens een man, die voor zijn schaduw vreesde en zijn voetstappen niet zien mocht, zoodat hij wegliep om beide te ontgaan. Doch, hoe meer hij zijn voeten ophief, des te talrijker werden de voetstappen en hoe snel hij ook loopen mocht, zijn schaduw volgde hem overal. Hij dacht dat hij te langzaam liep, en ging nu uit alle macht loopen zonder op te houden, totdat zijn kracht was uitgeput en hij stierf. Hij wist niet, dat, indien hij op een schaduwrijke plaats had opgehouden, zijn schaduw verdwenen zou zijn en dat, als hij zich niet bewogen had, hij zijn voetstappen zou hebben verloren—zijn domheid was werkelijk groot. En gij, gij spreekt uw oordeel uit over vragen van welwillendheid en rechtschapenheid: gij onderzoekt de punten, waarin overeenstemming en verschil is; gij ziet naar de wisseling van beweging en rust en omgekeerd; gij zijt de regelen van ontvangen en geven meester geworden; gij hebt genegenheid en afkeer verklaard, de grenzen van vreugde en droefheid bepaald—en toch hebt gij nauwelijks kunnen ontkomen aan de gevaren, die gij straks vermelddet. Als gij u om uzelven bekommerdet en uw eigen reinheid behoeddet, terwijl gij eenvoudig anderen gaaft wat hun toekwam, dan zoudt gij al deze verwikkelingen ontgaan zijn. Doch wanneer gij, zooals gij dat doet, de opvoeding van uw eigen persoon verwaarloost en de opvoeding van anderen tot uw doel maakt, houdt gij u dan niet bezig met uiterlijkheden (in plaats van met uwen inwendigen mensch)?”
Ook Chwang tsze is een lofredenaar der oude tijden.
„De heerschers gingen in oude dagen van het standpunt uit, dat de vrucht hunner regeering moest beoordeeld worden naar den toestand, waarin het volk zich bevond en dat de schuld van verkeerde resultaten bij hen moest worden gezocht; opdat het recht aan de zijde des volks, het onrecht aan de hunne zou zijn. Daarom, wanneer ook slechts één persoon het leven verloor, trokken zij zich dat aan en berispten zichzelf. Nu is het echter niet meer zoo. De heerschers verbergen hun eigenlijke bedoelingen en houden voor dom, hen die deze niet raden. Zij verlangen wat zeer moeilijk is en veroordeelen hen, die niet wagen dit te ondernemen. Zij leggen zware lasten op en bestraffen hen, die deze niet kunnen dragen. Zij verlangen dat de menschen ver gaan en laten diegenen terechtstellen, die den afstand niet kunnen afleggen.
„Als het volk eenmaal weet dat het beste, wat zij tot stand kunnen brengen, toch ongenoegzaam is, dan neemt het tot bedrog zijn toevlucht. Als de heerschers dagelijks slechts huichelarij toonen, hoe kunnen dan de beambten en het volk het anders maken. Gebrek aan kracht brengt huichelarij voort: gebrek aan kennis arglist, gebrek aan bezit rooverij. Maar wie zal men in zulk een geval schuldig achten aan roof en diefstal?”
Voor Chwang tsze zoowel als voor Lao tsze is de dood het noodzakelijk einde des levens en daarom iets, wat niet te betreuren valt. Chwang tsze gaat echter verder dan zijn voorgangers, wij vinden althans bij hem uitingen, die op het geloof aan een voortbestaan na den dood of althans aan een theorie van atomen (die blijven) doet denken.
„Twee kreupelen bezochten samen het graf van den gelen keizer. Plotseling braken er zweren onder hun armen uit. Vreest gij deze zweren? sprak de een tot den ander. Waarom zou ik vreezen, antwoordde deze, het leven is een geleend goed. Het geleende levende lichaam is niet meer dan stof. Leven en dood zijn als dag en nacht. Wij beiden beschouwden toch juist de graven van hen, die hunne verwisseling hadden doorgemaakt, waarom zou het voor mij onaangenaam zijn, als mijn wisseling komt?”
Tsze lai lag op het sterfbed, zijn vrouw en zijn kinderen stonden rondom hem en klaagden luide. Zijn vriend Tsze li kwam om naar den kranke te zien en sprak tot hen:
„Toe, maakt dat gij wegkomt en stoort hem niet, terwijl hij de groote wisseling door maakt.”
Toen sprak hij tot den stervende: „Groot is waarlijk de Schepper! Wat zal hij nu van u maken? Waarheen zal Hij u brengen? Zou Hij van u maken de lever van een rat of de vleugel van een insect?”
Tsze lai antwoordde: „Waarheen ook een vader zijn zoon zegt te gaan, naar het oosten, westen, zuiden of noorden, hij volgt eenvoudig het bevel. De beide elementen (het mannelijke en het vrouwelijke) zijn voor den mensch meer dan zijn ouders voor hem zijn. Als dezen mijn dood verhaasten en ik onderwierp mij niet gewillig, dan zou ik hardnekkig en oproerig zijn. Daar is de groote massa (de natuur). In haar vind ik den steun mijns lichaams, mijn leven is onder hare hoede in arbeid doorgebracht, mijn ouderdom zoekt gemak in haar, in den dood vind ik rust in haar: zij die mijn leven goed heeft gemaakt zal ook mijn dood goed maken.
„Daar is een metaalbewerker, die fijn metaal giet. Wanneer nu het metaal plotseling uit den smeltkroes omhoog wilde springen en zeggen: uit mij moet een zwaard worden—de metaalbewerker zou het zeker voor onbehoorlijk houden. Zoo ook, als een vorm in den moederschoot wordt gevormd en deze zou zeggen: Ik moet een man worden, de Schepper zou hem zeker als onbehoorlijk beschouwen. Als wij eenmaal begrijpen, dat aarde en hemel een groote smeltkroes zijn en de Schepper de groote werkmeester, waar kunnen wij dan heen moeten gaan, dat niet goed voor ons ware? Wij zijn als uit een rustigen sluimer geboren en wij sterven tot een rustig ontwaken.”
Eens op de reis zag Chwang tsze een ledigen schedel, uitgebleekt, maar toch goed behouden. Hij klopte er met zijn rijzweep op en vroeg: „Hebt gij, in uwe begeerte naar leven, in de leeringen des verstands gefaald en zijt gij zoo hiertoe gekomen? Of heeft u—terwijl gij in dienst waart van een ondergaanden staat, de bijl van den scherprechter zoover gebracht? Of zijt gij door uw slecht gedrag hier gekomen en hebt gij schande over uw ouders, uwe vrouw en uwe kinderen gebracht? Of zijt gij van honger en koude omgekomen? Of hebt gij eenvoudig den loop uws levens voleindigd?” Na deze vragen, nam hij den schedel op en toen hij slapen ging, gebruikte hij hem als hoofdkussen. Te middernacht verscheen hem de schedel in den droom en sprak: „Gij hebt als een redenaar tot mij gesproken. Alles wat gij gezegd hebt, had slechts betrekking op de menschen bij hun leven, zulke dingen gelden na den dood niet.” „Zoudt gij van de dingen na den dood willen hooren?” „Zeker,” zeide Chwang tsze, en de schedel vervolgde: „In den dood is er geen onderscheid tusschen vorsten en ministers, de afwisseling der vier jaargetijden is er niet meer, rustig en ongestoord zijn onze jaren, als die des hemels en der aarde. Geen koning aan zijn hof heeft grooter vreugde, dan wij hebben.” Chwang tsze geloofde hem niet en zeide: „Als ik den heer van ons lot kon bewegen, uw lichaam met uw beenderen, vleesch en huid weer in het leven te roepen en u aan uwe vrouw en uwe kinderen en aan al uwe dorpsgenooten terug te geven, zoudt gij dan willen, dat ik dit deed?” De schedel zag hem met gefronsd voorhoofd aan en sprak:
„Hoe zou ik prijs geven het genot van mijn koninklijk hof en weer op mij nemen den last van het leven onder menschen?”
Menigmaal schijnt Chwang tsze te twijfelen aan zijn eigen bestaan en aan de mogelijkheid te gelooven, dat het leven slechts een droom is.
„De schemering vroeg aan de schaduw: Vroeger hebt gij gewandeld en nu zijt gij stil, vroeger hebt gij gezeten en nu zijt gij opgestaan: waardoor komt het, dat gij zoo ongestadig zijt?” De schaduw antwoordde: „Ik wacht op de beweging van iets anders om te doen wat ik doe, en dat andere, waarop ik wacht, wacht wederom op iets anders, om te doen, wat het doet. Mijn wachten—wacht ik op de schubben eener slang of op de vleugelen van een krekel? Ik weet niet, waarom ik eene zaak doe en de andere niet doe.”
„Eenmaal heb ik, Chwang Chau, gedroomd dat ik een vlinder was, een vlinder, die rondvloog en gevoelde, dat hij genoegen had. Ik wist niet, dat ik het was. Eensklaps ontwaakte ik en ik was weer mijzelf: De ware Chwang Chau. Ik wist niet of het Chwang Chau was, die droomde, dat hij een vlinder was of een vlinder, die droomt dat hij nu Chwang Chau is. Dat is het geval van de verandering der dingen.”
Nog scherper dan in de werken van Chwang tsze treedt een pantheïstisch-fatalistische opvatting in allegorischen vorm op in de aan Lieh yu K’ou (gewoonlijk Lieh tsze genoemd) toegeschreven boeken. Deze wijsgeer schijnt kort na Confucius geleefd te hebben, doch iets naders weten wij van hem niet.
Licius (zoo heet hij in ’t Latijn) herhaalt nog uitvoeriger, dat de gansche natuur een kringloop is, dat al het geschapene moet vergaan en dat slechts het scheppende, het Tao, onvergankelijk voortbestaat. Hij oordeelt het dus dwaas over leven en dood bezorgd te zijn, daar beiden vooruit bepaald en noodwendig zijn. Verstand en waanzin zijn willekeurige, recht en onrecht slechts aangeleerde begrippen, alle gevoelens van verwantschap berusten alleen op de opvoeding.
„Een man had een zoon, wiens geest verbijsterd was. Hij begaf zich op weg ten einde Confucius om raad te vragen, of deze wellicht geen middel tegen deze krankheid kende. Onderweg ontmoet hij Lao tsze, wien hij zijn nood klaagt. „Weet gij dan”, sprak deze, „dat uw zoon werkelijk buiten zijn zinnen is?” Tegenwoordig zijn de begrippen van recht en onrecht zoo verward, dat niemand meer weet, wat eigenlijk het rechte is. Als alle lieden dachten als uw zoon, dan was niet hij buiten zijn zinnen, doch gij. Wie toch kan gevoelens en begrippen zuiver voorstellen? Heb ik daartoe nu ’t recht, zoo is Confucius buiten zijn zinnen, en hoe kan iemand, die het verstand mist het bij een ander heelen? Spaar dus uw geld en maak, dat gij weer naar huis komt.
„Een man uit Yin was in Shu opgevoed en keerde als oud man weer naar Yin terug. Toen hij op de reis daarheen door het land Tsin kwam, zeide een der reisgenooten schertsend: „Dit is nu de hoofdstad van het land Yin.” De oude kreeg een kleur van ontroering, „Dat zijn de veldaltaren uit uwe buurt!” De oude zuchtte diep. „Dat is het huis uwer voorvaderen.” De oude weende. „Dit zijn de graven uwer voorvaderen.” De oude weende luid. Toen lachte zijn reisgenoot en sprak: „Ik heb slechts in scherts gesproken, dit is het land Tsin.” De oude schaamde zich zeer. Toen zij nu in het werkelijke land Yin kwamen en de oude de stad, de veldaltaren, de woningen en de graven zijner voorvaderen werkelijk zag, was zijn ontroering veel minder.
„In het land Ki was een man, wien de bezorgdheid, dat hemel en aarde eenmaal ineen zouden storten, geen rust liet. Een zijner vrienden had medelijden met zijne ontroering en poogde hem tot kalmte te brengen door te zeggen, dat de hemel slechts de bewaarder der lucht was en inademen en uitademen den ganschen dag in de ruimte afwisselden.
Doch kunnen, vroeg de ander, zon, maan en sterren niet naar beneden vallen? Hoe zou dat mogelijk zijn, antwoordde de vriend, het zijn slechts lichten in de bewaarplaats der lucht. Doch wanneer de aarde te gronde gaat? „Dat is immers een groote, vastsamengevoegde massa,” troostte de vriend, „die door het voortdurend daarop heen en weer loopen en trappen nog steeds vaster wordt.”
Toen waren beiden tevreden, de een omdat hij zijn zorg had verloren, de ander omdat hij zijn vriend tot rust had gebracht.
Tchung lu tsi hoorde wat er voorviel en sprak lachend: Wolken en nevel, wind en regen zijn de verzamelingen der lucht en vormen den hemel; bergen, heuvels, rivieren, zeeën, metaal, steenen, vuur en hout zijn de verzamelingen van het geschapene en vormen de aarde. Weet men echter, dat het slechts verzamelingen zijn, zoo weet men ook, dat zij te gronde moeten gaan. Hemel en aarde zijn slechts kleine punten in de ruimte. Doch van alles wat bestaat zijn zij het grootste. Dat zij nu moeilijk tot hun einde en tot uitputting zullen komen is zeker, doch evenzoo zeker, dat zij eenmaal gemeenschappelijk te gronde zullen gaan. Zou hij, die dezen tijd zal beleven, niet treurig zijn?
Licius echter lachte en sprak: „Het is verkeerd te denken, dat hemel en aarde zullen ondergaan, en verkeerd te denken, dat zij niet ondergaan zullen. Niemand kan weten, wat geschieden zal, want het leven verstaat den dood niet en de dood verstaat het leven niet; het komen ook niet het gaan, noch het gaan het komen. Waarom zich daarover te bekommeren?”
„Op de reis naar Wei vond Licius in de struiken een doodsbeen, honderd jaar oud; hij riep een leerling, die bij hem was, toonde hem dat en zeide: Slechts ik en hij weten, dat wij noch leven, noch dood zijn.”
Lieh tsze is ook de eenige bron over Yang Chu, tegen wien Mencius zoo beslist optrad en die dus een tijdgenoot van dezen scheen te zijn, hoewel Chwang tsze een gesprek tusschen Yang Chu en Lao tsze vermeldt. De denkbeelden van Yang Chu, die Lieh tsze weergeeft, loopen uit in deze stelling: het leven genieten en den dood niet vreezen. De leer van Epicurus en die der Cynici wordt alzoo hier verbonden. „Honderd jaar,” zegt Yang Chu, „is de uiterste grens des levens, die niet een van de duizend bereikt. Veronderstellen wij, dat iemand die bereikt; de kinderlijke leeftijd, waarin men op den arm wordt gedragen en de ouderdom nemen er wel de helft van in. Wat in den slaap wordt verdroomd en van het wakende leven vergeten wordt, smart en ziekte, kommer en verdriet, verliezen, zorgen en vrees nemen nagenoeg de andere helft in. Wat overblijft vult misschien tien jaren. En ook daarin zal nauwelijks één dag te vinden zijn van gelukkig zelfvergeten, zonder een schaduw van zorg. Wat is dan des menschen leven waard? Wat voor vreugde is er in?
„Zullen wij het prijzen om de vreugde, die eten en drinken, of om het genot, dat muziek en schoonheid geven? Maar men kan zich niet altijd met deze vreugden vergenoegen, men kan niet steeds met de schoonheid zich vermaken en naar de muziek luisteren. Daarbij komt de vrees voor straf en de prikkel, die belooningen geven, de drijfkracht door eerzucht, de terughouding door wetten uitgeoefend—deze maken dat iemand zonder rust zich plaagt om de ijdele lofprijzing van één uur en rekent op den roem na den dood. Deze invloeden houden hem, om zoo te zeggen, op de wacht tegen alles wat zijn ooren hooren en zijn oogen zien, en maken, dat hij altijd zich bekommert of wat hij denkt of doet, recht of onrecht is. Zoo verliest hij het ware genot zijner jaren en kan zichzelf geen oogenblik laten gaan. Waarin onderscheidt hij zich van een misdadiger, in ketenen geklonken in de binnenste kamer der gevangenis? De lieden in de hooge oudheid wisten wel, hoe kort het leven is en hoe plotseling en volkomen het door den dood kan worden afgebroken. Daarom luisterden zij naar de bewegingen huns harten, wezen niet terug, wat hun natuurlijk toescheen om lief te hebben, zochten geenszins de vreugden te vermijden, die zich aan hen aanboden. Zij lieten zich niet van de wijs brengen door de opwindingen van den roem: zij genoten het leven, zooals het hun natuurlijk voorkwam, zij verzetten zich niet tegen den drang om zich te verheugen, (den drang, die in alle dingen woont) en zij bekommerden zich er niet over om na den dood beroemd te worden. Zij trachtten straffen te vermijden; maar roem en eer, de eerste of de laatste te zijn, lang of kort leven: dat alles trokken zij niet in hun berekeningen.
„Waarin de menschen zich onderscheiden, dat is in het leven: waarin zij met elkaar overeenkomen, dat is in den dood.
„Zoo lang zij leven is er onderscheid van verstand en domheid, beschaving en lompheid. Als zij dood zijn, hebben wij een stinkende, bedorven massa, die vergaat—dat is het algemeene lot. Verstand en domheid, beschaving en lompheid staan in geen menschen macht: evenmin als de toestand van bederf, verrotting en ganschelijk verdwijnen. Noch het leven van een mensch noch zijn dood zijn in diens eigen hand: zijn verstand en zijn domheid, zijn beschaving en lompheid zijn zijn eigen werk niet. Allen zijn geboren en allen sterven: de verstandige en de domme, de goede en de slechte. Velen sterven als zij tien jaar oud zijn, velen als zij honderd jaar oud zijn. De deugdzame en de wijze sterven, de verdorvene en de dwaas sterven. Tijdens hun leven waren zij wijze keizers, nu zij dood zijn, zijn het zoovele verrotte beenderen; in hun leven waren zij roovers en tyrannen, nu zijn ook zij zoovele verrotte beenderen.
„Wie kan onderscheid zien in deze beenderen?
„Daarom, zoolang wij leven, laten wij uit het leven maken het beste, dat wij er van kunnen krijgen: wij hebben geen tijd om aan iets na den dood te denken.”
„Aan het hof van keizer Muh van de Chau dynastie (1001–947 v. C.) verschijnt een uit het westen komende Magiër, die door water en vuur, metaal en steen drong, bergen, rivieren en steden verplaatste en in de lucht opsteeg. Keizer Muh eerde hem op alle manieren, doch de Magiër zag het paleis aan voor een erbarmelijke hut, vond het eten der keizerlijke keuken slecht, en de dienstdoende hofdames stinkende geiten. Toen liet de keizer hem een nieuw paleis bouwen en de schoonste jonkvrouwen opzoeken om hem te bedienen. De Magiër liet zich dat welgevallen, doch na korten tijd verzocht hij den keizer met hem te reizen: liet dezen zijn rokspand vasthouden en voer met hem tot in des Magiërs paleis: in den middenhemel. Dat paleis was van goud en zilver gebouwd en met paarlen en kostbare edelsteenen ingelegd.
„De keizer vroeg geheel verbaasd wat er geschied was en zijn omgeving antwoordde: „Uwe hoogheid was een oogenblik in gedachten verzonken.” Toen de keizer er den Magiër naar vraagde zeide deze: „Ik wandelde met uwen geest, hoe zou dan de vorm zich bewegen?””
Met de toenemende verwatering van het Taoïsme zochten zijn priesters, de „doktoren der rede,” zooals de zendelingen uit de 17e eeuw hen noemden, het steeds minder in de behandeling der wijsgeerige vragen, steeds meer in de exploitatie van het bijgeloof. Waar, zooals in China overeenkomstig het volksgeloof—zoo veel bovennatuurlijke, grootendeels vijandige krachten des menschen rust bedreigen, kan het ons niet verwonderen, dat de schare naar middelen omzag om zich daarvoor te behoeden of zich daarvan te bevrijden.
Welnu, als overal werden zulke middelen in het geloof gezocht èn—in het bijgeloof gevonden. Daarom is het verklaarbaar, dat de rol van duivelbanner in China meer aan de Taoïstische dan aan de Boeddhistische priesters toevalt en dat de eersten niet slechts volgens sagen en legenden, maar ook in het dagelijksch leven gelden als de met bovennatuurlijke krachten toegeruste beschermers der geloovigen, welke zich tot hen wenden. Hun wapenen zijn: het zwaard en de vliegenwaaier, welke beide ook de zinnebeelden zijn van twee der acht onsterfelijken (genieën, verheven geesten) door deze secte erkend. Waar nu deze priesters niet persoonlijk kunnen optreden, doen zij dit met amuletten en tooverspreuken, die, op papier geschreven, en met allerlei zegelen voorzien, aan de deuren, vensters en muren worden gehecht, of ook wel verbrand, of—in water opgelost—ingenomen worden. Aan het hoofd der heksenmeesters en duivelbanners staat de Taoïstische paus, zooals hij dikwijls genoemd wordt, Chang Tien Shi d.i. de leermeester des hemels, die zijn zwaard van den hemel heeft ontvangen en zijn afstamming, althans geestelijk, terug voert tot op den beroemden Taoïstischen patriarch Chang Tao ling, die in het jaar 34 n. C. in de provincie Chekiang werd geboren en in den ouderdom van 123 jaren ten hemel opsteeg om daar in de onsterfelijkheid zich te verheugen. Chang Tao ling’s nakomelingen, later ook die van zijn leerling Kau Kien Che zijn nog steeds in het bezit van het ambt van opperduivelbanner en vertegenwoordiger op aarde van de hoogste Taoïstische godheid.
Terwijl de Taoïsten zich alzoo, reeds van den aanvang onzer tijdrekening af, altijd meer van de oorspronkelijke leer verwijderden en door exploitatie van het verlangen, dat de mensch heeft naar zinnelijk en bovenzinnelijk genot, invloed en macht trachtten te verkrijgen, bracht de invoering van het Boeddhisme in de eerste eeuw onzer tijdrekening een nieuwe, van buiten afkomstige leer in China, waartegen de beide inheemsche stroomingen, in ’t bizonder echter het Confucianisme, zich aanstonds te weer stelden. Daarover een en ander in ons volgend hoofdstuk.
VI. De „geleerden” tegenover Taoïsme en Boeddhisme.
Het zou ons te ver voeren dien strijd in bizonderheden te volgen: bovendien werden, gedurende de eeuwen, waarin die strijd werd gevoerd, altijd weer dezelfde argumenten door de „geleerden”, de aanhangers van Confucius en Mencius, herhaald, evenals door hun tegenstanders. Terwijl het Boeddhisme aan het Confucianisme verweet, dat het zich slechts om dit leven, niet om het hiernamaals bekommerde, bracht dit laatste de voorschriften der kinderlijke liefde op den voorgrond. Deze toch veroordeelden dat zich van de wereld terugtrekken en de daarmee samenhangende verwaarloozing der door de bloedverwantschap opgelegde plichten.
Overigens moeten wij ter eere der Chineezen opmerken, dat weliswaar de strijd tegen Boeddhisme en Taoïsme soms het karakter eener vervolging aannam, doch dat deze vervolgingen nooit dat bloedig karakter droegen, waarvan de geschiedenis, zoowel van het Christendom als van het Mohammedanisme, zooveel voorbeelden weet aan te wijzen.
Wel werden tempels verwoest, kloosters ontbonden en de bewoners naar de familie teruggezonden, doch bloedige offers werden aan de orthodoxe leer niet gebracht en ook niet door haar verlangd. Bovendien duurde het niet lang of het Confucianisme begon tegenover de eigenaardige leerstukken van net Boeddhisme een andere houding aan te nemen dan tegenover zijn wijsgeerige zedeleer.
Terwijl het voortging de leerstukken te bestrijden, nam het van de wijsgeerige zedeleer heel wat over, zoodat ten slotte zelfs de werken van de voornaamste voorstanders van Confucius, zoo vol waren van Boeddhistische opvattingen en ideeën, dat men wel toe moet stemmen, dat in dit opzicht het Boeddhisme een groote uitwerking had.
Wij laten nu volgen een uittreksel uit eene omschrijving van het „heilige edict,” die weliswaar niet oud is, (uit het begin der 18e eeuw), maar ons een duidelijk beeld geeft van het oordeel der orthodoxie over Taoïsme en Boeddhisme.
„Van ouds, heet het hier, hebben er drie secten bestaan; naast die der geleerden, nog die van de Boeddhisten en de Taoïsten. Al het spreken der Boeddhistische priesters heeft ten doel: zalig te worden, en gelijk aan Boeddha, den stichter van hun godsdienst. Als een zoon zijn familie verlaat en priester wordt, zoo zeggen zij, dat negen geslachten zijner bloedverwanten zeker zijn in den hemel te komen. Denk nu eens een oogenblik na. Waar is Boeddha? Wat is Boeddha? Boeddha is het hart. Wat is nadenken over de boeken van Boeddha? Ieder uur en ieder oogenblik denken aan de leiding van zijn hart. Is het goed, zoo is het Boeddha. Daarom heet ook het eerste boek hunner secte: „De weg des harten”. De hoofdsom van wat deze weg des harten leert is, dat het hart recht moet zijn, niet krom, waar, niet huichelachtig, sterk, niet droomerig. Nijd, toorn en begeerten, deze drie fouten moeten worden uitgeroeid; alles moet u slechts voorkomen als de bloem door een spiegel, als de maan in het water, dan zult gij vrij zijn van vrees en zorgen. Dat is: het hart volmaken. Daarom zegt ook Chu tsze (Chu hi): de secte van Boeddha bekommert zich, noch om den hemel, noch om de aarde, noch om iets anders binnen het heelal, zij denkt slechts aan het hart. In die stelling ligt de geheele oorspronkelijke leer van Boeddha.
Wat de Taoïsten betreft, zij hechten bizondere waarde aan „den steen der wijzen”, waarmee zij kwikzilver vast willen maken en lood in goud veranderen, draken en tijgers temmen en wie weet wat voor verborgenheden nog meer mede bereiden willen. Alles komt echter neer op de versterking van de (dierlijke) levenskracht: een paar jaar het leven verlengen dat is alles. Daarom zegt Chu tsze ook: Waar het de Taoïsten vooral om te doen is, dat is de bewaring van den levensgeest. In die stelling ligt de gansche leer van Tao opgesloten.
„Nu is het wel waar, dat de uitnemendsten onder de Boeddhistische priesters, die in de kloosters op de beroemde heuvelen wonen en het goed verstaan leeringen voor te dragen, alles op één woord: het hart terugbrengen en dat de brave doctoren van Tao, die diep in de kloven en holen der bergen naar de verkrijging der onsterfelijkheid trachten, alles samenvatten in dit ééne: de wedergeboorte des geestes, doch, als wij de zaak nu eens goed bekijken, dan zien wij nog wat anders. Dat zich terugtrekken in de eenzaamheid, waar noch menschen zijn noch de rook van menschelijke woningen is, dat met gekruiste beenen in diep stilzwijgen neerzitten, wat is het anders, dan de wederkeerige verplichtingen des levens met den wortel uittrekken en verwoesten? Verre zij het van ons te denken, dat zij Boeddha niet gelijk zouden kunnen worden of den rang der onsterfelijken bereiken, doch: als zij dat kunnen, wie heeft sommigen ten hemel zien varen en anderen midden op den dag hun vlucht opwaarts zien nemen? Dat zijn alles slechts fopperijen. Toch gelooft het domme volk alles en laat zich gemakkelijk wat op den mouw spelden. Zie maar naar de strenge priesters van Boeddha en de doctoren van Tao, die de menschen wedergeboren doen worden: zij allen verstoren—tot geen enkel redelijk doel—de betrekkingen des menschelijken levens: zij zijn voor de maatschappij nog niet de pluim van een veer waard!
„Hoewel zij echter steeds zelfzuchtig waren en slechts dachten, aan wat hun eigen persoon aanging, zoo hadden zij toch in oude tijden geenszins de bedoeling om iemand anders te schaden. Nu is echter eene klasse van personen onder hen opgestaan, die zonder middel van bestaan of tehuis zich op de kloosters verlaten en in den tempel hun woning nemen. Deze menschen schermen met den naam Boeddha en bedenken een menigte dwaze sprookjes over hemelsche paleizen, onderaardsche holen, zielsverhuizing en vergelding. Volgens hen is het allereervolste: een priester te voeden en vrijgevig jegens de goden te zijn; zij noemen dat: zaaien op den akker der zegeningen! Zij zeggen: „Geef altijd en gij zult altijd hebben.” En, opdat het volk hen gelooven moge, voegen zij er bij: „Veracht de priesters, bespot Boeddha, bespot de geboden, weiger vereering aan de goden, geef geen aalmoezen èn—gij kunt zeker zijn van in de hel te worden geslingerd. De dondersteen zal u treffen, de bliksem u verteren!” Alle soorten van sprookjes en geschiedenissen vertellen zij om het volk bang te maken, opdat het geloove, zich onderwerpe en betale. Eerst weten zij nog alleen maar den lieden hun geld afhandig te maken, ten einde het in hun eigen zak te steken. Langzamerhand echter gaan zij tot de grootste onbehoorlijkheden over. Zij roepen—hoe zal ik het zeggen—vergaderingen op ter eere van den versierden draak, de vrome wees, de reine bloem, waarin zij de klokken luiden, de pauken slaan, waarin zij allerlei uitleggen en bevelen en mannen en vrouwen te zamen brengen, die dag en nacht niet uit elkaar gaan. Nu heet het wel, dat de lieden voor goede doeleinden deze vergaderingen bevelen, doch ieder weet, dat het juist omgekeerd geschiedt om booze dingen te doen.
„Gij eenvoudig volk kunt het valsche van het ware niet onderscheiden! Was niet Boeddha, naar wat de boeken over hem zeggen, de eerstgeboren zoon van koning Fan? en toch trok hij zich uit de wereld terug en vluchtte geheel alleen op den top der besneeuwde bergen om zich aan de deugd te wijden. Wanneer hij voor zijn eigen vader, zijn moeder, zijn vrouw en kinderen geen zorg droeg, zijt gij dan zoo dwaas nog te meenen, dat hij zorgen zou voor de groote menigte en haar zijn wetten en leeringen zou verkondigen?
Het keizerlijk slot, de vertrekken der koningin, de troonzaal en de feestzalen, dat alles verachtte hij. Zou het nu niet vreemd zijn, als hij in verrukking kwam over de nonnen- en monnikenkloosters, de tempels en kerkelijke gebouwen, die gij voor hem opricht? En indien er werkelijk (zooals de Taoïsten leeren) een hoogste God in den hemel leeft, zou Hij zich dan daar niet kunnen vermaken overeenkomstig Zijn eigen smaak, zoudt gij dan voor Hem een lichaam van gesmolten goud moeten maken en een huis, waarin Hij wonen kan?
„Al die onzinnige geschiedenissen over vasten en collecten, tempelgebouwen en oprichten van beelden, zijn uitvindingen van rondzwervende, nietswaardige priesters en monniken om u zand in de oogen te strooien. En toch gelooft gij ze en gaat niet slechts zelf in de tempels om te bidden en te wierooken, maar laat ook uw vrouwen en dochters toe ditzelfde te doen. Met heur haar vol pommade en met geblankette aangezichten, in roode kleeren met groene oplegsels trekken zij uit om wierook in de tempels te branden en dringen zich met Boeddhistische en Taoïstische priesters schouder aan schouder, arm aan arm, gestompt door de opdringende menigte. Ik zie er het goede niet van in dat zij meenen te doen, in tegendeel, zij doen veel schandelijke dingen, die ergernis opwekken en aanleiding geven tot hoon en spot.
„Dan zijn er lieden, die bevreesd, dat hun lieve jongens en meisjes niet lang genoeg zullen leven, ze aan den tempel overgeven om priesters en priesteressen van Boeddha of Tao te worden, zich inbeeldend dat, wanneer zij eenmaal hun huis hebben verlaten en zich aan de voeten van grootvader Boeddha hebben neergezet, daardoor zeker hun leven zal worden verlengd. Kan men dan, zoo zou ik willen vragen, volhouden dat zij, die in onzen tijd priesters van Boeddha of Tao zijn, allen den leeftijd van 70 jaar zullen bereiken, en er geen onder hen is, die slechts kort leeft?
„Wederom is er nog een andere klasse van bizonder domme lieden, die wijl hun ouders krank zijn, zichzelf den goden als offer aanbieden. Zij beloven, dat, als hun ouders gezond worden, zij zullen trekken naar een heiligen berg om daar te bidden en wierook te verbranden; bij iedere schrede zullen zij zich neerwerpen, totdat zij op den top van den berg komen, vanwaar zij zich dan naar beneden storten. Indien zij daarbij het leven al niet inschieten, armen en beenen breken zij er toch bij. Zij zelf zeggen: „Ons eigen leven prijs te geven om dat onzer ouders te redden is het grootste bewijs van kinderlijke liefde.” De omstanders prijzen hen ook als goede kinderen, doch, zij bedenken niet, dat op die wijze het lichaam weg werpen, dat zij toch van hunne ouders ontvingen, integendeel een zeer onkinderlijk gemoed verraadt.
„Verder zegt gij, dat de Boeddha-vereering zeer voordeelig is, dat, als men papieren afbeeldingen van geld verbrandt, geschenken offert en vast, uw God Boeddha alle ongeluk van u zal afwenden, uwe zonden zal wegnemen, uw geluk vermeerderen en uw leven verlengen zal. Denkt nu eens na. Van ouds heet het: De goden zijn goed. Was dit nu met Boeddha het geval, hoe kan hij dan begeerig verlangen, dat gij hem met uw goudpapier en uwe geschenken zoudt bewegen om u te beschermen? En als gij hem geen goudpapier verbrandt en geen gaven op zijn altaar legt zal Boeddha op u toornig zijn en zijne straffen u toezenden! Dan is immers uw god Boeddha een onwaardige! Neemt nu eens uw districtsrechter. Al zoudt gij hem ook nooit hoffelijkheden bewijzen en vleien, toch zal hij u, als gij maar goede en vlijtige menschen zijt, die uw plicht doet, met groote welwillendheid behandelen. Overtreedt gij echter de wetten, pleegt gij daden van geweld en matigt gij u de rechten van anderen aan, zoo zal hij, al hebt gij ook allerlei middelen en wegen om hem te vleien, toch ontevreden over u zijn en zulk gespuis uit de maatschappij weten te verwijderen.
„Gij zegt, dat uwe vereering van Boeddha u vergeving der zonden verschaft, doch, stelt nu eens, dat gij in een of ander opzicht de wet hebt overtreden en in de rechtszaal verschijnen moet, om uw straf te vernemen, meent gij dan, dat de rechter u zal sparen, al roept gij ook nog zoo dikwijls, al ware het duizend malen: Genadigste heer rechter?
„Gij wilt echter, om voor ieder geval gedekt te wezen een paar Boeddhistische en Taoïstische priesters bij u hebben, opdat zij u de heilige boeken voorlezen en u de biecht afnemen: want gij gelooft, dat het voorlezen der boeken de ellende verdrijft, geluk aanbrengt en het leven verlengt. Maar stel nu eens, dat gij u tevreden stelt met de verschillende gedeelten van dit „heilig edict” eenige duizende of honderdduizende malen te lezen, zonder daarnaar te handelen, meent gij dat de keizer daarover bizonder verrukt zal zijn, u met geld beloonen en in het ambt bevorderen zal?”
Tot dusverre dit „heilig edict.” We kunnen er uit zien, dat zeven eeuwen niet veel hebben veranderd in de opvatting der Chineesche geleerden. Doch—terwijl de dogmatische zijde van het Boeddhisme weinig genade vond in de oogen der orthodoxe volgelingen van Confucius, heeft zich, sedert de Sang-dynastie, in de school van Chu hi, een sterke neiging tot Boeddhistische en Taoïstische bespiegelingen vertoond. In het bizonder wat betreft vragen over de kosmogonie, het ontstaan der wereld. Terwijl de geleerden zich met bespiegelingen over deze onderwerpen bezig hielden, wijdden zij zich ook, sinds de 12e eeuw, aan de oplossing van vraagstukken, die ons als spel moeten voorkomen, doch die daarom niet minder de knapste koppen uit dien tijd in beslag namen en daarom althans een korte vermelding verdienen.
Ho tu Loh shu, „het plan van Ho en de rol van Loh”, is de Chineesche naam voor de mythische overleveringen, waarop blijkbaar „het groote plan” van den graaf van Ki berust. Het „groote plan” is de titel van een der geschriften van Shu-king, het boek der historische opteekeningen, dat in acht afdeelingen voorschriften behelst over de wijze, waarop het volk door de volkomenheid van den vorst en de daaruit voortvloeiende voortreffelijkheid der regeering gelukkig en tevreden kan worden. Dit geschrift werd blijkbaar tegen het einde der 12e eeuw door den keizer Wu aan den graaf van Ki meegedeeld, welke, hoewel door den laatsten heerscher der Shang dynastie ingekerkerd, toch de aan dezen gezworen trouw wilde houden en den nieuwen keizer niet wilde huldigen. Ja toen hij door dezen in vrijheid werd gesteld, vluchtte hij naar Korea, met welk land hem Wu ten slotte zou hebben beleend.
In het gedeelte van den commentaar op I-king, dat aan Confucius wordt toegeschreven, heet het: De gele rivier (Ho) bracht het plan voort en de rivier Loh de rol. In de „gesprekken” zegt Confucius: de rivier brengt geen plan meer voort, en op een andere plaats vindt men: de rivier bracht het plan van het paard voort.
Naar deze grondslagen fantaseerde Kung Ngan Kwoh, een afstammeling van Confucius in het 12e lid, een man die in de 2e eeuw voor Christus bij het terugvinden en verklaren der kanonieke geschriften een groote rol speelde, de volgende geschiedenis: Een draak (een gevleugeld paard) steeg op uit de wateren der gele rivier. Hij vertoonde op zijn rug een rangschikking van zinnebeelden, waaruit de (fabel) keizer Fu hi het systeem van Pa kwa (acht maal drie letters) afleidde. Ook toonde een goddelijke schildpad aan den witten Yü een rol, die beschreven was met getallen van uit één tot negen teekens bestaande waaruit dan Yü den grondslag zijner negenvoudige wijsbegeerte zou hebben gevormd.
Sedert de dynastie van Han hebben de Chineesche geleerden zich met deze beide mystieke openbaringen (het plan en de rol) het hoofd gebroken, doch onder de dynastie van Sung werd, voor het eerst tijdens de regeering van keizer Hwei Tsung (1106–1125) beproefd om die zinnebeelden in beeld te brengen en uit hen de grondslag eener diepzinnige of kinderachtige (het oordeel hierover is verschillend) philosophie der getallen af te leiden. Eerst onder Sung’s regeering nam men echter deze quaestie met ernst ter hand en slechts een enkele geleerde dier dagen, An yang sin, die van 1017–1072 leefde, heeft het gewaagd het bestaan van het paardeplan en de schildpadrol te loochenen.
De met den ondergang der Ming-dynastie en der verovering van China door de Mandschoeren gepaard gaande strijd en onrust lieten het denkbeeld echter niet tot uitvoering komen, maar het telt nog talrijke aanhangers onder de Chineesche letterkundigen, al vindt het ook in den nieuweren tijd geen bepaald officieuse uitdrukking in een protest tegen het aanhouden der nog steeds als orthodox geldende verklaringen van Chu hi.
De thans in China regeerende Mandschoe-dynastie heeft meer dan een harer voorgangsters voor de bewaring en onderhouding van het Confucianisme gedaan. Zeker wel omdat zij, door eerbied voor wat den Chineezen het dierbaarste is, de vreemde overheersching minder drukkend wilde doen schijnen. Zij heeft echter ook meer dan eene der vroegere regeeringen het Confucianisme voor haar doeleinden gebruikt en zijne leeringen voor staatsdoeleinden pasklaar gemaakt. De sterkste uitdrukking vindt deze politiek in het door keizer Kang hi in 1670 bekend gemaakte „heilige edict”, dat in zestien afdeelingen alles samenvat, wat de onderdaan heeft in acht te nemen.
De keizer gaf deze verordeningen, toen hij 16 jaar oud was: waarschijnlijk daartoe genoopt door het politiek drijven van met het Taoïsme samenhangende vereenigingen. Als grond van zijn edict gaf hij deze overweging, „dat de zedelijkheid sedert eenigen tijd dagelijks was afgenomen en de harten der menschen niet meer dezelfde waren als vroeger.” Als vader zijns volks wilde hij in weinige stellingen de grondregelen aangeven, die zijn leerlingen tot richtsnoer in alle betrekkingen des levens moesten dienen en wier opvolging hen zelve goed en gelukkig, hem echter tot heerscher van een talrijk, goed gevoed en beschaafd volk zou maken.
Het edict moest op den 1en en den 15en van iedere maand overal openlijk worden voorgelezen, wat ook thans nog in zooverre geschiedt, dat een der afdeelingen wordt voorgelezen, verklaard en uitgelegd. Behalve de beambten, die daarbij krachtens hun betrekking tegenwoordig moeten zijn, komen er echter gewoonlijk slechts enkele toehoorders.
Bij herhaling heeft men beproefd om bij deze voorlezingen een grooteren kring van toehoorders bijeen te brengen; zoo voor eenige jaren in Canton, met het doel om de zendelingen tegen te werken.
Iedere afdeeling bestaat uit zeven teekens, van welke de eerste drie het voorschrift behelzen, de laatste drie het doel, dat men door de opvolging van het geschrift bereikt: een in China zeer gebruikelijke verbinding van nuttigheid en leering. Het vierde teeken is in iedere afdeeling hetzelfde en beteekent „om” of „opdat”.
In 1879 werd een ander dergelijk werk in Shanghai door een Chineesch photographisch instituut gepubliceerd en in Canton bestaat een omschrijving van het edict in verzen.
We laten nu, hier en daar een enkele opmerking makend, de verschillende sententiën van dit edict volgen:
1. Neemt de kinderlijke en broederlijke plichten in acht, opdat de wederkeerige betrekkingen des levens behoorlijk in stand blijven.
2. Acht uw bloedverwanten, opdat gij de voordeelen van een goede verstandhouding moogt toonen.
5. Weest spaarzaam om onnuttige uitgaven te vermijden.
6. Houdt de studie der wetenschap in eere, opdat gij de leerlingen leidt op den rechten weg.
8. Verklaart de wetten, om de onwetenden en hardnekkigen te waarschuwen.
9. Weest hoffelijk en toegevend om de zeden te verbeteren.
11. Onderwijst de jeugd, opdat zij verhinderd worde kwaad te doen.
12. Laat alle valsche beschuldigingen achterwege, opdat de onschuldigen beschermd worden.
13. Waarschuwt allen, geen deserteurs (die het vaandel verlaten) bij zich op te nemen, opdat zij niet in hun straf deelen.
14. Betaalt uwe belastingen, opdat gij niet dikwijls gemaand behoeft te worden.
16. Weest verdraagzaam jegens elkaar, opdat het leven in achting blijve (opdat er bij den strijd geen verwondingen en doodslagen voorvallen.)
Het gezond menschenverstand, dat in de aangehaalde plaatsen, welke uit de geschriften van orthodoxe philosofen getrokken zijn, een zoo groote plaats beslaat, is, indien men allerlei bluf en versiering, alsmede de later eerst opgekomen speculaties van Boeddhisme en Taoïsme er buiten rekent, nog altijd de grondslag van de tegenwoordige philosophie, die onder den naam van Confucianisme de gansche Chineesche maatschappij, van de familie tot den staat toe, doortrekt.
Trots alle bijgeloovige uitwassen, die uit Boeddhisme en Taoïsme zijn voortgekomen, of die zich in aansluiting daaraan uit den ouden staatsgodsdienst ontwikkelden en die in de hoogste, zoowel als in de laagste kringen hunnen invloed doen gelden: ja, officieel worden gehuldigd—trots dat alles ligt er toch in het Staats-confucianisme een voor familie en staat zeer beschavende macht.
Aan den invloed dezer, zich tegen alle ruwheid en onzedelijkheid verzettende leer op de omliggende volken heeft China het te danken gehad, dat zijn philosophie tegenover deze volken een zelfde rol heeft vervuld, als in Europa de Grieksche en Romeinsche beschaving en later het Christendom.
Natuurlijk hebben echter die omliggende volken niet alleen de deugden, maar ook de gebreken dezer beschaving overgenomen. Bij die gebreken denken wij vooral aan de steeds grootere afsluiting van andere geestelijke stroomingen en de daaruit voortvloeiende zelfoverschatting, waaruit zich dan de levenlooze onbewegelijkheid ontwikkelde, die wij in China, Annam en Korea ontmoeten, en waaraan slechts Japan zich—zeker ook omdat het Mongoolsche bloed hier niet onvermengd is—heeft ontworsteld.
Welke verwijten men in dezen echter aan de Chineesche philosophie moge doen, men mag niet vergeten, dat zij China voor vele droevige verschijnselen, die wij in de snel voortgaande westersche beschaving opmerken, bewaard heeft.
Men denke aan de inquisitie en het anarchisme, beiden door zoo talrijke klassen in het westen verheerlijkt. Voor zulke dingen is China gespaard gebleven. Nu moge men zeggen, dat ook in China de praktijk soms niet beantwoordde aan de theorie, wij vragen, waar dat geheel het geval is en merken op, dat de philosophie van Confucius heeft bereikt, wat voor andere stelsels onbereikbaar is gebleven, namelijk dat zij niet slechts het eigendom werd van enkele bevoorrechten, maar van de geheele volksmassa.
Ook merken wij op, dat het zijn waarde kan hebben om, waar de tegenwoordige Europeesche philosophie in een alles afbrekend en vergiftigend pessimisme en cynisme ontaardt, zich in zijn zwartgallige, onpraktische bespiegeling eens te laten temperen door de wereldwijsheid der oude Chineezen, al moge zij wat „huisbakken” zijn.
Waar nu de philosophische leeringen van oude tijden af tot nu toe zulk een grooten invloed uitoefenden op de denk- en handelwijze van het geheele Chineesche volk en deze zeker ook in de toekomst zullen uitoefenen, moeten wij, behalve deze leeringen, ook de werken kennen, waarin zij ons zijn bewaard gebleven.
Wij willen daarom, vooral voor hen, die lust mochten hebben op dit gebied wat dieper dan de oppervlakte te gaan, een kort overzicht van namen, schrijvers, inhoud en ouderdom dier werken geven.
VII. De klassieke boeken der Chineezen.
De Chineezen spreken gewoonlijk van de „vijf Kings” en de „vier Shu’s”. De eersten zouden wij de vijf groote, de anderen de vier kleine klassieken kunnen noemen.
De groote klassieken zijn volgens deze indeeling de volgende:
1. I-king, het boek der veranderingen.
2. Shu-king, het boek der geschiedkundige aanteekeningen.
3. Shi-king, het boek der liederen.
4. Li-ki, het boek der ceremoniën.
5. Chun-chiu, de kroniek van Confucius met het geschiedkundig verhaal van Tso chiu ming.
De kleine klassieken zijn:
1. Lun-yü, de gesprekken van Confucius.
2. Ta-hio, de groote leer.
3. Chung-yung, het onveranderlijke midden.
4. De werken van Mencius.
Noch het getal der werken, noch de boeken, die tot ieder der hoofdwerken behooren, noch de bestanddeelen dier kleinere werken of hun namen zijn altijd dezelfde geweest; er zijn vijf, zes, negen, tien en dertien „kings” geweest. Deze naam „Kings” is eerst sedert de dynastie van Han, in de laatste twee eeuwen vóór onze jaartelling voor alle boeken gebruikelijk geworden, die men als kanoniek en van onwankelbaar gezag beschouwde. Tegenwoordig, onder de Mandschoe dynastie, welke sedert 1643 in China heerscht, wordt, behalve van de „vijf kings” en de „vier shu’s” ook dikwijls van de dertien „klassieke werken” gesproken. Deze zijn dan:
1. Het boek der veranderingen.
2. Het boek der geschiedkundige aanteekeningen.
3. Het boek der liederen.
4. Chau-li, het boek over de staatsinstellingen onder de Chau dynastie.
5. I-li, het boek der gebruiken.
6. Het boek der ceremoniën.
7. De kroniek van Confucius met het geschiedkundig verhaal van Tso chiu ming.
8. Dezelfde kroniek met het geschiedkundig verhaal van Kung yang.
9. Dezelfde kroniek met het geschiedkundig verhaal van Ku liang.
10. De gesprekken van Confucius.
11. De geschriften van Mencius.
12. Hsiao-king, het boek van de kinderlijke liefde.
13. Het oude woordenboek Urhya.
Onder die dertien worden niet genoemd de volgende drie werken, die echter ook als klassiek gelden:
14. Ta-hio, de groote leer.
15. Het onveranderlijke midden (Chung yung).
16. De Bamboeboeken.
Wat het ontstaan, de schrijvers en voor een deel ook den inhoud dezer werken aangaat; daarover zijn bijna evenveel meeningen, als er Chineesche critici zijn, die zich met deze vragen hebben beziggehouden. Dit is niet te verwonderen, daar bijna geen dezer boeken ons ongeschonden is overgeleverd en de tekst dikwijls onverstaanbaar is. Wat de een beslist voor waarheid aanneemt, wordt door den ander met evenveel beslistheid verworpen. Zelfs de gedurende langen tijd als gezaghebbend erkende verklaringen van Chu hi en zijne leerlingen in de 12e eeuw, zijn onder de tegenwoordige dynastie dikwijls bestreden. Evenwel vertegenwoordigen zij nog altijd de geijkte opvatting, waarvan men bij bekendmakingen van staatswege uitgaat. De nu volgende opgaven geven de thans vrij algemeen geldende opvattingen over de klassieke werken weer.
1. I-king, het boek der veranderingen.
Op een onbevooroordeeld lezer maken de oudste gedeelten van den I-king den indruk van een waarzeggersboek van weinig meer waarde en beteekenis, dan dergelijke werken gewoonlijk hebben. Eerst in het laatste, meer exegetische deel van het werk, wordt beproefd om in de oorspronkelijk geomantische verklaringen een philosophische beteekenis te leggen. Dit kan ons niet verwonderen, want ook bij andere volken zijn alchemie, astrologie en andere zwarte kunsten sterk met philosophische symboliek en mystiek dooreengewerkt.
Het belangrijkste gedeelte van het werk, waaraan echter de bekende Duitsche wijsgeer Leibnitz een zeker te groote waarde toekende, is wel de derde der laatste verhandelingen (afdeeling 5 en 6). Deze bevat naast uitvoerige mededeelingen over de wijze van het verklaren van teekenen een rijk magazijn van oudheidkundige aanteekeningen en bespiegelende wijsbegeerte.
Confucius stelde den I-king zeer hoog. Driemaal moesten de riempjes, welke de plankjes bijeenhielden, waarop in zijn exemplaar de tekst was ingesneden, worden vernieuwd. Ja, hij placht te zeggen, dat, als hij 50 jaar aan de studie van I-king kon wijden, hij hopen mocht, daardoor zoover gevorderd te zijn, dat hij geen groote gebreken meer bezat.
Terwijl nu Confucius en zijne aanhangers dit werk zoo vereerden, is het dubbel merkwaardig, dat ten slotte de Taoïsten zich geheel en al van de uitlegging hebben meester gemaakt en dat de thans officieel geijkte verklaring van dit werk afkomstig is van den Taoïst Ch’èn tw’an. Deze man leefde eenigen tijd aan het hof van Tai tsung, den tweeden keizer der Sung dynastie (976–997) en werd door dezen geroepen om hem in de geheime wetenschappen te onderrichten. Later trok hij zich in de eenzaamheid terug, waar hij ook stierf.
2. Shu-king, het boek der geschiedkundige aanteekeningen.
De Shu-king, zooals wij dien thans kennen, bevat de overblijfselen van een voorheen veel omvangrijker verzameling van geschiedkundige beschrijvingen en documenten uit de jaren 2357–627 v. C. Aan de echtheid van de gedeelten welke ongeveer 2197 v. C. en daarna zijn geschreven, wordt niet getwijfeld, terwijl met betrekking tot de andere, daaraan voorafgaande stukken wordt aangenomen, dat de schrijvers uit oudere stukken hebben geput.
De zeer geestvolle en zeker doeltreffende verklaring, door den geleerden vrijheer von Richthofen over een van deze oudste stukken, de schatting van Yü gegeven, doet zien, dat er in dit werk nog gewichtige resultaten zijn te vinden voor diegenen, welke den moed hebben zich te bevrijden van de boeien der Chineesche verklaarders, wier opvatting gewoonlijk ook door de meeste vreemde vertalers wordt gevolgd.
Wat de geloofwaardigheid van dit werk betreft: Mencius zegt er van, dat het veel beter zou zijn, den geheelen Shu-king niet te bezitten, dan daaraan onbepaald geloof te slaan. Confucius, wien men ook (ten onrechte) dit werk toeschrijft, haalt het telkens aan.
Een deel van den thans als geldig beschouwden tekst wordt door de beste critici voor apocrief gehouden. Wat er van over is, bestaat uit enkele stukken, die bij de vernietiging der boeken gered en toen op eenigszins wonderbare wijze weer aan den dag zijn gebracht.
3. Shi-king, het boek der liederen.
De bekende geschiedschrijver Sze ma tien schrijft dit werk aan Confucius toe, doch zijne verzekering is ongeloofwaardig. Immers reeds lang vóór Confucius werden verschillende der hier voorkomende liederen met dezelfde namen genoemd, die zij later ook droegen.
Ook de Shi-king ontging in de dagen der Tsin-dynastie de vernietiging niet. Doch, daar velen de liederen en gezangen daaruit van buiten kenden, werd het boek spoedig weer hersteld.
In zijn tegenwoordige gedaante bestaat het werk uit 305 stukken, in vier groote afdeelingen samengevat, van welke de eerste afdeeling 160 liederen: spotliederen, straatliederen, liefdes- en volksgedichten behelst. In de tweede afdeeling zijn 74 feestgezangen, oorspronkelijk bestemd voor het keizerlijk hof, doch later ook aan de hoven der vorsten gezongen. In de derde afdeeling zijn 31 gezangen, die eveneens aan het keizerlijk hof werden voorgedragen en wel, wanneer er feesten gegeven werden ter gelegenheid van het bezoek der onderhoorige vorsten, terwijl de vierde afdeeling 40 gezangen telt, welke gebruikt werden bij de ceremoniën in de hal der voorouders en bij de offers.
Van de liederen oordeelt men, dat er 108 afkomstig zijn van den tijd tusschen 1765–1065 v. C., verder 156 van tusschen 1076–696, en de rest van af 696–585 v. C. Waarschijnlijk zijn deze opgaven niet ver van de waarheid.
De Shi-king bevat vele stukken, die van groote dichterlijke waarde zijn. De Chineesche commentatoren hebben echter (evenals ook sommige vreemde vertalers), al hun best gedaan om den zin van de mooiste stukken te bederven, door deze namelijk ten onrechte als satyren op onzedelijke toestanden, of als afschrikwekkende schilderingen te gaan beschouwen.
4. Chau-li, de staatsinrichtingen der Chau-dynastie.
Dit, zooals men aanneemt, door Chau-kung in de 12e eeuw v. C. geschreven werk, bestaat in zijn tegenwoordige gedaante waarschijnlijk uit eenige oude gedeelten, met latere onechte toevoegselen uit den tijd der Han-dynastie vermeerderd. Chau-li werd door de Tsin-dynastie met bizonderen haat vervolgd en eerst in het jaar 40 v. C. door een der keizerlijke bibliothecarissen weer uitgegeven. Deze voegde een der verloren gegane stukken: het boek der handwerkers, er nieuw bij.
Het werk behelst een soort hof- of staatskalender der dynastie Chau, waarin de verschillende ambten, het getal en de werkkring der waardigheidsbekleeders worden vermeld.
5. I-li, het boek der gebruiken.
Het allereerst vinden wij dit boek aangehaald bij Mencius, in de 4e eeuw voor Christus. Toch is het aan geen twijfel onderhevig, of een deel van de voorschriften, die men in dit werk vindt over handelwijzen bij bizondere gelegenheden, is reeds uit de dagen van Confucius of uit nog vroeger tijd afkomstig. Na de vernietiging der boeken kwam in de 2e eeuw v. C. een tekst van I-li, spoedig door een tweeden gevolgd voor den dag. Uit deze beide teksten is de tegenwoordige samengesteld. De titel „I-li” dagteekent uit den tijd der Han-dynastie.
6. Li-ki, het boek der ceremoniën.
De Li-ki is het derde en jongste der werken, in wier naam het teeken „Li” (gebruiken) voorkomt. Terwijl echter de beide andere werken op dit gebied, I-li en Chau-li, althans voor een deel zeer oud zijn: meer dan 1000 voor C. geschreven—is de Li-ki zeker niet voor de 2e eeuw onzer jaartelling voltooid.
Li-ki behelst de oude commentaren over de onderwerpen, in het boek I-li behandeld en is, in zijn tegenwoordigen vorm een werk van Taē, den jongere. Diens oom, Taē, de oudere, gaf reeds vroeger een werk uit, „Ta Taē Li” d. i. de gebruiken van Taē den oudere, geheeten.
Dit laatste boek (van den oom) was onder de dynastie Han niet bizonder in tel, doch nieuwere critici hebben het in zijn eer hersteld: het bevat namelijk den kalender der Hsia-dynastie, die, indien hij echt mocht zijn, ons sterrekundige opgaven geeft van 2000 jaar vóór onze jaartelling.
7. 8. 9. Chun-Chiu, de kroniek van Confucius.
Chun-Chiu beteekent letterlijk: herfst en voorjaar. De bedoeling echter is om met die twee jaargetijden het geheele jaar aan te duiden, alzoo: jaarboek. Het is een kroniek van het geheele Chineesche rijk over 722–484 v. C., geordend volgens de chronologie van den vorst van Lu. Deze kroniek wordt, door Mencius het eerst, aan Confucius toegeschreven.
Ondanks den buitengewonen lof, dien de Chineesche verklaarders voor dit werk hebben, is het een droog, onnauwkeurig en onvolledig werk. Indien Confucius de maker van dit werk is, heeft hij daarbij al zonderlinge beginselen gevolgd: nl. om personen en feiten, waarmede hij niet ingenomen was, eenvoudig weg te laten.
Het dor geraamte dezer kroniek krijgt eerst leven door de drie geschiedkundige vertellingen van Tso chiu ming, Kung yang en Ku liang, waarvan vooral het eerste verhaal allerlei belangrijke bizonderheden bevat.
De verhalen en verklaringen in dit boek zouden mondeling zijn overgeleverd en eerst onder de dynastie van Han zijn opgeschreven. Wie de commentatoren waren (sommige critici houden deze zelfs voor mythische personen) is niet bekend.
10. Lun-yü, de gesprekken van Confucius.
Blijkbaar is dit boek door de leerlingen van de leerlingen van Confucius vervaardigd. Wij bezitten het vrijwel in den vorm, dien het in de tweede eeuw v. C. verkreeg of toen bezat. Het bevat allerlei antwoorden en uitlatingen van den wijze naar aanleiding van vragen, ’t zij van zijn leerlingen, ’t zij van andere personen. Dit een en ander is noch chronologisch, noch op andere wijze geordend. In sommige afdeelingen, voornamelijk in de 10e, vinden wij een uitvoerige beschrijving van de houding en de gewoonten van Confucius.
11. De werken van Mencius.
In weerwil van de opmerkzaamheid, die de commentatoren aan Mencius wijdden, werden zijn geschriften toch eerst in 1088 n. C. onder de klassieken opgenomen en aan hun vervaardiger een plaats in de tempels van Confucius aangewezen.
Terzelfdertijd, dat de naam van Mencius uit de tempels verwijderd werd, maakte men eene verordening, waarin bepaald werd, dat ieder, die tegen deze handelwijze bedenking maakte (nl. tegen het verwijderen v. Mencius’ naam) wegens hoogverraad ter verantwoording zou worden geroepen.
De vereerders van den wijze lieten zich echter, met de onverschrokkenheid en vrijmoedigheid, die in zulke gevallen dikwijls aan Chineezen eigen is, daardoor niet afbrengen van protesten tegen den door den keizer bevolen maatregel. Reeds in het volgend jaar werd deze ingetrokken, omdat, zooals een nieuwe keizerlijke verordening het uitdrukte, Mencius zich door het in ’t licht stellen en te niet doen van kettersche leeringen een waardig geestverwant van Confucius had getoond. Mencius neemt thans onder die beroemde geestverwanten van Confucius de vierde, d. i. de laatste plaats in, een plaats, die hem in 1530 is aangewezen.
Evenals de gesprekken van Confucius bevatten ook de werken van Mencius gesprekken en naast elkaar opgenoemde uitingen en antwoorden van den meester. Alleen is hier alles beter geordend.
12. Hsiao-king, het boek der kinderlijke liefde.
Dit werk behelst gesprekken over het bovengenoemd onderwerp, welke tusschen Confucius en een zijner leerlingen zijn gehouden en door dien leerling aan een kleinzoon van den wijze, Tsze sze, zouden zijn medegedeeld. De aanduiding van dit werk, als het boek der kinderlijke liefde is voor den inhoud niet geheel passend, want ook andere betrekkingen: als tusschen heer en dienaar (vorst en beambte) worden er in besproken. De juiste titel van dit werk zou zijn: algemeene plichtsbetrachting op den grondslag van kinderlijke liefde.
Na den ondergang der Tsin dynastie werd een exemplaar van Hsiao-king weergevonden, later een tweede. Over de echtheid van dit werk oordeelen de critici zeer verschillend.
13. Het woordenboek Urhya.
Dit werk dagteekent van 500 jaar v. C.; het behelst echter ook oudere gedeelten, speciaal uit de 13e eeuw v. C. Gewoonlijk wordt als schrijver genoemd Tsze hia, een leerling van Confucius. Het boek bestaat uit 19 afdeelingen: de woorden zijn hierin geordend naar de verschillende soorten, bv. onder vogels, planten, huisdieren enz. De beteekenis van dit boek ligt vooral hierin, dat wij het beschouwen kunnen als de eerste vroege poging om orde in het voorhanden materiaal te brengen en dat het de uitdrukkingen verklaart, die in de klassieke en in andere werken voorkomen.
14. Ta-hio, de groote leer.
Over den maker van dit boek is niets bekend. De overlevering schrijft het toe aan Confucius’ kleinzoon. Na den val der Tsin dynastie werd dit werk met andere werken teruggevonden. De toen gevonden tekst bleef lang de geijkte. Bij een in de 11e eeuw na C. ondernomen onderzoek van den tekst bracht men hierin een aantal veranderingen. De voornaamste daarvan was, dat als de tweede plicht der vorsten werd gesteld, hun volk „op te voeden”, in plaats van „lief te hebben”, zooals het vroeger heette.
15. Chung-yung, het onveranderlijke midden.
Dit werk wordt algemeen—en waarschijnlijk te recht—toegeschreven aan Confucius’ kleinzoon. Hoewel enkele critici van een ander gevoelen zijn, kunnen wij toch aannemen, dat dit werk vrij volledig tot ons is gekomen.
Naar de oude opvatting behooren „de groote leer” en „het onveranderlijke midden” bijeen. Een beroemd geleerde uit de 2e eeuw zegt daarover het volgende: „Toen Kung kih (d.i. Tsze sze) in nood en ellende in Sung leefde, vreesde hij, dat datgene, wat de oude wijzen geleerd hadden, later niet meer verstaan zou worden en dat alzoo de grondstellingen der oude keizers en vorsten in duigen zouden vallen. Daarom vervaardigde hij „de groote leer” als den inslag en het „onveranderlijke midden” als de schering.
Inderdaad valt een innerlijke samenhang tusschen deze beide werken, die volgens Chu hi in oude tijden den grondslag voor de opvoeding der jeugd vormden, geenszins te miskennen.
„De groote leer” onderwijst: „de deugd in daden te toonen, het volk op te voeden (of lief te hebben) en in de volkomenheid te blijven.” Het „onveranderlijke midden” zegt: „Wat de mensch van den hemel ontvangen heeft is zijne natuur, wie in overeenstemming met deze handelt, wandelt op den weg van den plicht, dit pad te gaan leert de mensch door onderwijzing.”
Als een roode draad loopt door beide werken de grondstelling, dat ieder, in ’t bizonder echter de vorst, door zijn voorbeeld kan en moet werken, en dat alzoo ieder, die dezen invloed wil uitoefenen, eerst zelf naar volkomenheid moet streven, terwijl de rechte weg om deze te bereiken, tusschen de beide uitersten ligt, welke moeten worden vermeden.
16. Tshu-shu, de bamboeboeken.
Deze jaarboeken beginnen met de geschiedenis van China vanaf 3000 v. C. Over 960–369 v. C. handelen zij over de geschiedenis van het vorstendom Tsin. Over 369 v. C.–295 n. C. over die van het vorstendom Wei. Met den dood van koning Sêang breekt de geschiedenis dan af.
De beroemde geleerde en staatsman Fu Yü (222–284 n. C.) maakt er van gewag, als zoo juist geschied. Toch wordt aan de echtheid der bamboeboeken dikwijls getwijfeld. Waarschijnlijk omdat men hier, naast historische feiten, ook tal van fabelen en mystieke bespiegelingen vindt, die doen denken òf aan oorspronkelijke, sterk-Taoïstische invloeden, òf aan eene latere omwerking in dien geest. Eén van de in het graf gevonden werken is het reisverhaal van keizer Mu uit de dynastie Chau (1001–983 v. C.) Deze zou de westelijke goddelijke moeder, Si wang mu, in het Kuenlüngebergte bezocht hebben: de fabelachtigste voorvallen worden aangaande het vinden dezer boeken, met dag en datum, opgenoemd.
Een werk, dat zich bezig houdt met het leven en met de uitspraken van Confucius en dat hoewel zeker apocrief, toch wegens de vele overleveringen, welke uit den tijd van zijne vervaardiging, de 3e eeuw n. C. afkomstig zijn, in een grooten roep staat, is Kung tsze kia yu d.i.: uitspraken van Confucius in den kring zijner leerlingen. Zulk een boek bestond reeds vóór het begin onzer jaartelling. Dat oude werk is echter verloren gegaan. Wat wij nu hebben is een werk van zekeren Wang Suh, die zich de vervaardiger van den bijbehoorenden commentaar noemt, doch den tekst, naar hij beweert, van een der nakomelingen van Confucius heeft ontvangen.
Behalve de klassieke boeken of andere, die daartoe min of meer worden gerekend, zijn er een groot aantal andere boeken, wier schrijvers, hoewel eveneens kanoniek verklaard en met de hoogste titels na hun dood vereerd, toch geen plaats hebben gevonden in het orthodoxe Pantheon: de tempels van Confucius.
Dit zijn namelijk de geschriften der Taoïsten, een literatuur, die zóo grooten invloed op den ontwikkelingsgang der Chineezen heeft uitgeoefend, dat wij haar niet onvermeld mogen laten. Wat dien invloed betreft: deze werd niet zoozeer uitgeoefend door het zuivere Taoïsme, als wel door de latere ziekelijke ontaardingen der leer, die feitelijk met de oorspronkelijke slechts in verwijderd verband staan. Het hoofdwerk der Taoïstische richting is het: Tao teh king, het boek van den weg en van de deugd. Als de vervaardiger daarvan, wordt algemeen Li R. beschouwd gewoonlijk Lao tsze genoemd. Deze leefde waarschijnlijk tegen het einde der 6e eeuw v. C. en bekleedt in het Taoïsme dezelfde plaats als Confucius in de naar hem genoemde leer. Beiden waren verklaarders en verbreiders: geen eerste apostelen hunner leer. De oude geschriften en overleveringen, waaruit Lao tsze putte, zijn echter niet meer aanwezig. Het Tao teh king is vaak moeilijk te verstaan, soms geheel onbegrijpelijk en heeft daardoor aan uitleggers en vertalers een welkome gelegenheid gegeven om hun scherpzinnigheid te toonen.
De verschillende opgaven, hierboven gedaan, hebben voldoende in het licht gesteld, hoe groote gapingen er zijn in de overlevering der gewijde teksten, en hoe er vaak eeuwen liggen tusschen de vervaardiging der oude teksten zelf en het verschijnen der ons bewaard gebleven, onontbeerlijkste commentaren.
De oorzaak van deze, voor de kennis van het oude China en zijn philosophische lectuur betreurenswaardige gapingen is tweeërlei: 1e. de gebrekkige ontwikkeling van het schrift en het schrijfmateriaal: tafeltjes uit bamboe, waar men de teekens met een scherpe stift inkraste of instak. 2e. in de door keizer Tsin Shi Hwang ti in 213 v. C. bevolen vernietiging der meeste klassieke werken, waarbij slechts min of meer verminkte exemplaren aan het vuur ontsnapten.
De Chineesche schrijver Sze ma tsien (163–85 v. C.) heeft in zijn „historische opteekeningen” het uitvaardigen van het keizerlijk edict, dat de vernietiging der boeken en de bewaking der geleerden voorschreef zeer dramatisch voorgesteld. In werkelijkheid is zeker deze maatregel wel de vrucht van rijp overwegen geweest.
Sze ma tsien dan bericht het volgende:
„In 212 v. C. kwam de keizer van eene reis naar het zuiden terug. Hij gaf toen een feest in het paleis, waar ook de 70 groote geleerden (de professoren der keizerlijke academie) verschenen en hem begroetten. Een der ministers, Chau tsing shin, trad naar voren en sprak: „Vroeger was het rijk van Tsin slechts 1000 Li groot, doch uwe hoogheid heeft met een kracht en een verstand als van de godheid het gansche rijk tot rust gebracht en alle barbaarsche stammen verdreven, zoodat, zoover zon en maan schijnen, allen u als gasten hun onderdanigheid betuigen. Gij hebt de staten der verschillende vorsten in provinciën en districten veranderd, waarin het volk een gezegende rust geniet, vrij van de gevaren van den oorlog en van den strijd om de heerschappij. Deze toestand zal 10.000 geslachten duren. Nooit, sedert de oudste tijden, is iemand in verheven deugd aan uwe hoogheid gelijk geweest.”
Deze vleitaal beviel aan den keizer. Toen trad Shun Yu yüe, een der grootste geleerden, naar voren en zeide: „de heerschers uit het geslacht van Yin (Shang) hebben sedert meer dan duizend jaar hunne zonen, jongere broeders en verdienstelijke ministers met bezit en macht beleend en vonden zoo bij hen hulp en steun, gelijk ik wel vernomen heb. Nu echter heeft uwe hoogheid bezit genomen van alles, wat er tusschen de vier zeeën is, en uwe zonen en jongere broeders zijn personen zonder gezag. Het gevolg daarvan zal zijn, dat er één zal optreden om te doen als de oproermakers in vroegere tijden. Waar wilt gij dan, zonder de ondersteuning uwer familie, de hulp vinden, die gij dan wellicht noodig hebt? Dat een toestand, die niet op de leeringen der oudheid berust, lang kan bestaan, heb ik nog nooit gehoord. Tsing staat voor u als een vleier, die de dwalingen van uwe majesteit vermeerdert, doch niet als een trouw minister.”
De keizer verlangde daarop het oordeel der anderen over deze zaak te weten, waarop de eerste minister Li sze sprak: „De vijf keizers waren niet allen de een het voorbeeld van den ander, evenmin volgden de drie dynastiën elkaars maatregelen na. Ieder had zijn eigen regeeringssysteem, niet om wat anders te bedenken, maar omdat de veranderde tijden dat eischten. Uwe hoogheid heeft thans den grondslag der keizerlijke macht voor 10.000 geslachten gelegd. Dat is meer dan een eenvoudig professor kan verstaan. Buitendien spreekt Yüe slechts over zaken, die op de drie dynastiën betrekking hebben en die als voorbeelden voor u niet geschikt zijn. Vroeger, toen de vorsten tegen elkaar streden, zocht ieder hunner geleerden om zich heen te verzamelen, nu echter staat het rijk vast en welgegrond en de wetten en verordeningen gaan van één hoogste macht uit. Zij, die in hun woonplaatsen blijven, behooren hunne krachten aan den landbouw te wijden; zij, die geleerden willen zijn, behooren de verschillende voorschriften en wetten te bestudeeren. In plaats echter van alzoo te handelen, leeren de geleerden niets, dat op den tegenwoordigen tijd betrekking heeft: doch bestudeeren de oudheid. Zij gaan voort den tegenwoordigen tijd te veroordeelen, het volk op een dwaalspoor te brengen en het tot wanorde te verleiden.
„Zelfs al zou mijn leven er gevaar door loopen, moet ik, de eerste minister, u dit zeggen. Vroeger, toen het rijk oneenig en vol onrust was, was er niemand, die het eenheid kon geven. Daarom stonden de vorsten op, ieder beriep zich op het verleden: tot schade van het tegenwoordige: allerlei bewegingen zonder grond werden opgesteld: de werkelijkheid sloeg men in het aangezicht. Velen pronkten met hun eigen wetenschap om te veroordeelen, wat hun vorst beval. En zelfs nu, nadat uwe hoogheid het rijk in vaste eenheid heeft gegrondvest, zelfs nu prijzen zij hun eigen wetenschap en steken de hoofden bijeen. Zij leeren aan het volk wat met de wet in strijd is. Hooren zij dat eene verordening zal worden uitgevaardigd, dan begint ieder daarover zijn wijsheid uit te kramen. Aan het hof houden zij hun misnoegen vóór zich: buiten op de straat schreeuwen zij het uit. Terwijl zij doen, alsof zij hun meester prijzen, is toch ieder er trotsch op, zijn eigen vreemdsoortige inzichten te hebben. Zoo brengen zij het volk tot oproerige woorden. Indien zulke dingen niet verboden worden, zal het gezag van uwe majesteit schade lijden en er zullen zich in den staat partijschappen vormen. Daarom: verbied ze. Ik verzoek u, dat alle kronieken, die in de handen der geschiedschrijvers zijn, met uitzondering alleen van die van het huis van Tsin, worden verbrand. Eveneens, dat in het gansche rijk allen, die exemplaren van den Shi-king of den Shu-king, of van de boeken der 100 scholen bezitten, met uitzondering van de professoren der academie, deze aan de beambten der districten moeten inleveren, om ze te verbranden. Dat voorts allen, die samen over Shu-king of Shi-king spreken, worden gevonnist en hun lichaam op de marktplaats worde terechtgesteld, dat zij, die het verledene prijzen ten koste van het heden, met al hun bloedverwanten worden gedood. Dat beambten, die kennis dragen van de overtreding dezer geboden en de overtreders niet aanwijzen, worden gestraft evenals de overtreders zelve, en dat, wie zijn boeken niet binnen 30 dagen na uitvaardiging dezer verordening heeft verbrand, gebrandmerkt wordt en naar den grooten muur wordt gezonden, om daaraan vier jaren te arbeiden. De eenige boeken, die men sparen kan, zijn die over de geneeskunde, de waarzeggingskunst en den landbouw. Wie de wetten wenscht te leeren kennen, kan naar de ambtenaren gaan en ze daar vernemen. Het keizerlijk besluit worde alzoo vastgesteld.”
Een jaar na de uitvaardiging van het edict werd de toorn des keizers opnieuw opgewekt door de vlucht van twee geleerden, die zijn bizondere gunstelingen waren geweest. Hij liet dus nauwkeurige nasporingen doen, of ook iemand van de geleerden booze woorden over hem gesproken had, of het volk tegen hem had opgestookt. Het bleek nu, dat meer dan 460 geleerden het verbod hadden overtreden. Zij werden allen, tot waarschuwend voorbeeld voor het volk, levend begraven, terwijl de wetten, tegenover alle verdachten, met verdubbelde strengheid gehandhaafd werden. Deze vervolging der geleerden en verbranding der boeken is niet de eenige slag geweest, welke de Chineesche literatuur heeft getroffen. Bij den val der Tsin dynastie werd, in den strijd om de heerschappij, de hoofdstad des rijks een prooi der vlammen. Deze woedden er weken lang en hebben vermoedelijk minstens evenveel, uit de verwoesting der klassieken geredde exemplaren vernield, als het den Tsin keizer gelukt was te vernietigen. Dergelijke „bibliotheekrampen”, zooals de Chineezen zeggen, volgden elkaar met korte tusschenpoozen op. In de eerste jaren onzer tijdrekening werd bij een opstand de, met veel moeite en tijdopoffering bijeengebrachte, 12000 deelen (bundels van tafeltjes) tellende, rijksbibliotheek verwoest. Eveneens ging het met eene verzameling, door de latere Han dynastie bijeengebracht. Deze ging tegen het einde der 2e eeuw n. C. verloren, gedeeltelijk bij een brand van het keizerlijk paleis, gedeeltelijk bij de overbrenging van het hof naar Schensi en de daarop gevolgde beroeringen. Hetzelfde lot deelde in 311 eene door de keizers der dynastie Wei en Tsin aangelegde bibliotheek van bijna 30.100 boeken (rollen, want leer en zijde hadden toen de plaats van het bamboe ingenomen). Een vijfde groote ramp volgde in 554, toen keizer Yuanti in Nanking zijne verzameling van 70.000 boeken aan de vlammen prijsgaf.
Dat er nu, trots al deze ongelukken, nog zoo veel van de oude literatuur bewaard is, hebben wij te danken aan den wakkeren ijver, de lust tot verzamelen en den kritischen geest der Chineesche geleerden. Ook werd hun ijver door de belangstelling en de mildheid van verschillende heerschers aangespoord. Dat bij de verschillende pogingen tot herstel van deels verloren gegane en verminkte teksten (want slechts in dezen vorm zijn de brokstukken van vóór-Confuciaansche werken tot ons gekomen, wat trouwens ook met menig geschrift uit later tijd het geval is), vele vervalschingen zijn voorgekomen kan niemand verwonderen, die de voorliefde en den tact van de Chineezen voor dergelijke bedriegerijen in iederen tak hunner vaderlandsche bedrijven kent. In vele gevallen is het aan de latere kritiek, soms echter eerst na eeuwen, gelukt om de vervalschingen te ontdekken en de oude, wèl onvolledige, doch minder verdachte teksten weer voor den dag te brengen.
Ook in den nieuweren tijd, zelfs na het uitvinden en de algemeene toepassing van de boekdrukkunst, is het aantal der verloren gegane werken, waarvan men het bestaan nog slechts kent door een titel in een catalogus, of door citaten in andere geschriften, zeer belangrijk. De reden daarvan ligt voor een goed deel in de vele inwendige onlusten, waarbij weinige steden de verwoesting ontgingen. Zoo heeft de bekende Taiping-opstand vreeselijke, onherstelbare schade aangericht, terwijl bij de verwoesting van het zomerpaleis door de Engelschen in 1860 de daarin aanwezige schoone keizerlijke bibliotheek werd vernield. Een ander ongeluk is, dat het aantal exemplaren van een werk, door overschrijven of drukken verveelvoudigd, vaak zeer beperkt was. Dit geldt natuurlijk vooral van grootere werken: handboeken, encyclopaediën enz., welke vaak slechts bestemd waren voor een kleinen kring.
In vele gevallen zijn dan de daarvoor afzonderlijk bestemde metalen typen gestolen of de gewoonlijk voor het afdrukken bestemde houten platen verloren gegaan, vernield, of onbruikbaar geworden en is het nooit tot een tweede uitgave gekomen. Ook aan den in China zeer te vreezen boekenworm, is de vernieling van vele werken, soms zelfs van de houten platen te wijten.
Men behoeft maar eenmaal een blik geslagen te hebben in de bibliotheek van een der vele kloosters in den omtrek van Peking, of Dr. Martin’s beschrijving der bibliotheek van het Hanlin collegium te lezen, om zich te kunnen voorstellen, hoe vochtigheid en wormen opruiming hebben gehouden onder de letterkundige werken van China en hun vernielingswerk nog dagelijks voortzetten. In de kloosterbibliotheken is er onder duizend ongeordende, omzwervende deelen niet één, welks bladen niet half vergaan of met wormgaten doorboord zijn. En, te oordeelen naar den toestand, waarin vele werken, die uit keizerlijke of particuliere bibliotheken het licht zagen, zich bevinden, schijnt het in deze plaatsen der geleerdheid er ook niet veel beter uit te zien. Veel schuld heeft ook het slechte papier en het slordig openmaken, der uit los te zamen genaaide bladen bestaande deeltjes. De hoofdoorzaak van het verval is echter, dat de verzamelingen niet toegankelijk zijn voor het publiek en dat het administratief toezicht ook hier, als in zoovele andere gevallen in China, slechts een opzicht in naam is. Gevolg daarvan is, dat de boeken zoek raken of op andere wijze te gronde gaan, zonder dat iemand roeping gevoelt om ordenend en reddend den Augiasstal onderhanden te nemen.
Het ontbreekt niet aan berichten en keizerlijke edicten, doch men laat het dikwijls bij fraai klinkende, schoon gevormde zinnen. Hier kan men de ware mierenvlijt der letterkundigen, die anders in zoo menig opzicht storend op de ontwikkeling van het land hebben ingewerkt, niet genoeg prijzen. Aan dien ijver toch is het te danken, dat van de letterkundige schatten des lands nog zooveel gered is en behouden zal blijven. Zonder dien ijver ware het ons niet mogelijk geweest, u de Chineesche philosophie eenigszins te doen kennen. Moge, wat wij daarover mededeelden, u tot de overtuiging hebben gebracht, dat ook deze Chineesche „denkers” onze aandacht verdienen.