Note 16 — De Chineesche Philosophie. (continued 2)
Reading edition
„Om nu te spreken van wat ik de vier gebreken noemde: zij zijn: gaarne groote daden doen, veranderen en verwisselen, wat reeds lang bestaat, opdat men in den roep komt van iets verdienstelijks te hebben gedaan: dat alles is eerzucht. Op alle wijsheid voor zichzelf aanspraak maken, zich in alles mengen, terwijl men wat op den weg van anderen ligt, tot zich trekt en als zijn werk doet voorkomen; dat is begeerigheid.16 Zijn gebreken zien en die niet veranderen, en als iemand iets wordt voorgeslagen, juist zijn eigen weg gaan, is halsstarrigheid. Prijzen, die met u overeenkomt, afbreken, die niet met u overeenstemt: dat is pralende (zelf)overschatting. Dit zijn de vier fouten. Wie de acht gebreken kan afleggen en de vier fouten geen vrijen teugel laat, die is zoover, dat hij met het onderricht ontvangen een begin kan maken.