Note 48 — Het Boeddhisme.
Reading edition
„In gedachten stelt hij zich voor een ander lichaam, geschapen naar het beeld van dit stoffelijke, met een vorm, organen en leden. Dit lichaam staat tot het stoffelijke als het zwaard tot de scheede, of als de slang tot de mand waarin zij is opgesloten. De asceet dan, gereinigd en volmaakt, begint bovennatuurlijke krachten te ontwikkelen. Hij vindt zich in staat om door materieele hindernissen als muren en wallen heen te dringen, hij kan zijn beeld zichtbaar maken op meerdere plaatsen te gelijk, hij kan op het water wandelen zonder er in te zinken, hij kan door de lucht vliegen als een grootvleugelige valk, ja, hij kan deze wereld verlaten en die van Brahmā zelf bereiken. Door deze kracht van zijn wil verwerft hij zich nog een ander vermogen: evenals de ivoordraaier een olifantstand bewerkt volgens zijn phantasie, zoo kan ook hij door zijn gedachten beelden oproepen48. Hij verkrijgt het vermogen om te hooren de geluiden der onzienlijke wereld even duidelijk als die van de zienlijke wereld—ja nog duidelijker. Ook is hij—door de macht van Manās49—in staat de meest geheime gedachten van anderen te lezen en hun karakter te zien. Hij kan zeggen: „Hier is een geest, door hartstocht bestuurd, daar is een geest, die bevrijd is (van de hartstocht). Deze man heeft eed’le doeleinden, die man heeft geen doel in het oog.” Evenals een kind zijn oorringen in het water ziet en zegt: „Dit zijn mijn oorringen”, zoo erkent de gereinigde asceet de waarheid. Voorts komt dan over hem de gave van het „goddelijk gezicht” en hij omvat met zijn blik al wat menschen doen op aarde en na hun dood en wanneer zij wederom geboren zijn. Dan ontsluiert hij de geheimen van het heelal en waarom de menschen ongelukkig zijn en hoe hun ongeluk kan ophouden.”