Note 27 — Het Boeddhisme.
Reading edition
Op zekeren dag zag Sāriputta een van Boeddha’s leerlingen, Assaji geheeten, bezig om in de straten van Rājagriha aalmoezen in te zamelen, rustig en waardig, den blik naar den grond gericht. Toen hij hem zag dacht hij: „Dat is een van de monniken, die heilig zijn in de wereld. Ik zal tot hem gaan en hem vragen: „Vriend, in wiens naam hebt gij de wereld vaarwel gezegd? Wie is uw meester en wiens leer erkent gij?”” Doch Sāriputta bedacht: „’t Is nu niet de rechte tijd om het dezen monnik te vragen. Hij gaat langs de huizen en verzamelt aalmoezen. Ik zal hem achterna gaan, gelijk men iemand volgt van wien men iets begeert.” Toen echter de eerwaardige Assaji te Rājagriha aalmoezen had ingezameld, nam hij de ontvangen gaven en keerde terug. Na de gebruikelijke begroetingen sprak Sāriputta tot den eerwaardigen Assaji: „Uw gelaat, o vriend, staat helder, uw kleur is frisch en klaar. In wiens naam hebt gij de wereld vaarwel gezegd en wie is uw meester? En wiens leer erkent gij?” „Mijn meester is,” luidde het antwoord, „de groote Samāna27 uit het huis van Sakya, die de wereld is ontvloden. In naam van hem, den verhevene, heb ik de wereld verlaten. De verhevene is mijn meester en zijne leer erken ik. En wat zegt uw meester vriend, en wat leert hij?” „Ik ben nog een nieuweling vriend, nog niet lang heb ik de wereld verlaten, ik ben eerst sinds kort tot deze leer en deze orde gekomen. Niet in haar volle uitgebreidheid kan ik u de leer verkondigen, maar haar korten zin kan ik u zeggen.” Toen sprak Sāriputta, de bedelmonnik, tot den eerwaardigen Assaji: „Zoo zij het vriend, zeg mij weinig of veel, maar spreek mij van den zin (der leer), daarnaar alleen verlang ik, wat wil ik mij veel om de letter bekommeren?” Toen sprak de eerwaardige Assaji tot Sāriputta dit woord der leer: „De wezens, die uit ééne oorzaak vlieten, hun oorsprong leert de voleindigde en het einde dat zij nemen: dat is de leer van den grooten Samāna.”28