← Table of contents
De Ongelikte Beer

II.

Anna van Gogh-Kaulbach translation

In den vroegen morgen werd Stubener in Deer Lick uit den trein gezet en hij kon zich een uur lang loopen vervelen eer de eenige tapperij open ging. Neen, de tapperijhouder wist niets van Pat Glendon, had nooit van hem gehoord en als hij in deze streek was, moest hij ergens “boven” wonen. Ook de eenige kelner had nooit van Pat Glendon gehoord. In het hotel heerschte dezelfde onwetendheid en eerst toen de storehouder en de postmeester er bij kwamen, vond Stubener het spoor. O ja, Pat Glendon woonde “boven”. Je nam den postwagen naar Alpine dat was veertig mijlen ver en een houthakkerskamp. Van Alpine reed je te paard de Antilope-Vallei door tot voorbij den zijweg naar de Beer-kreek. Pat Glendon woonde daar ergens achter. De menschen in Alpine wisten het wel. Ja, er was een jongen, Pat. De man van de store had hem gezien. Hij was twee jaar geleden in Deer Lick geweest. Oude Pat had er zich in geen vijf jaar vertoond. Hij kocht in de store wat hij noodig had en betaalde altijd met een chèque en hij was een vreemde oude man met wit haar. Dat was alles wat de store-houder wist, maar de lui in Alpine zouden Sam wel verder inlichten.

Het zag er goed uit, vond Stubener. Zonder twijfel bestond er een jonge Pat Glendon, en ook een oude, die “boven” woonde.

Dien nacht bracht de manager door in het houthakkerskamp in Alpine en den volgenden morgen vroeg reed hij een bergpad door in de Antilope-Vallei. Hij reed den zijweg af tot langs de Beer-kreek. Hij reed den geheelen dag door de meest woeste ruwe streek, die hij ooit gezien had en tegen zonsondergang ging hij het Pinto-Dal in langs een pad, zoo steil en smal, dat hij er meer dan eens de voorkeur aan gaf, af te stijgen en te loopen.

Het was elf uur toen hij afsteeg vóór een blokhuis en verwelkomd werd door het geblaf van twee jachthonden.

Toen deed Pat Glendon de deur open, viel hem om den hals en nam hem mee naar binnen.

“Ik wist dat je komen zoudt, Sam, mijn jongen,” zeide Pat, terwijl hij rondhinkte, een vuur aanmaakte, koffie kookte en een groote beerenbout braadde.

“De jongen is niet thuis vanavond. Ons vleesch raakte op en hij ging tegen zonsondergang uit om een hert te snappen. Maar ik zeg niets meer. Wacht tot je hem ziet. Morgenochtend is hij thuis en dan kan je hem keuren. Daar zijn de handschoenen. Maar wacht tot je hem ziet.

Wat mij betreft, met mij is 't gedaan. Eén en tachtig aanstaande Januari en aardig flink voor een ex-bokser. Maar ik heb mezelf nooit weggegooid, Sam, en nooit van den nacht een dag gemaakt en de kaars aan twèe kanten laten opbranden. Ik had een verdomd goede kaars en heb 'm goed onderhouden, dat zal je moeten toegeven als je me ziet. En ik heb m'n jongen hetzelfde geleerd. Wat denk je van een kerel van twee en twintig, die nooit in zijn leven een borrel heeft gedronken of tabak geproefd? Zoo is hij. Hij is een reus en hij heeft zijn heele leven lang geleefd met de natuur. Wacht eens tot hij je op de hertenjacht meeneemt. Jouw hart zal uit elkaar springen terwijl hij er niets van merkt en dan draagt hij nog de geweren en een flinke reebok er bij. Hij is een kind van de open lucht, winter noch zomer heeft hij onder een dek geslapen. De wereld open vóór hem, zoo heb ik 't hem geleerd. Het eenige, wat me ongerust maakt is hoe hij 't maken zal om in een huis te slapen en hoe hij de tabaksrook in den ring uit zal houden. 't Is een verschrikkelijk iets, die rook als je hard vecht en naar lucht snakt. Maar nu genoeg Sam, beste jongen. Je bent moe en zult wel willen slapen. Wacht tot je hem ziet, dat is alles wat ik zeg. Wacht tot je hem ziet.” Maar de praatzucht van den ouden dag was over ouden Pat gekomen en het duurde lang eer hij Stubener vrij liet zijn oogen dicht te doen.

“Hij kan een hert op zijn eigen beenen voorbijloopen,” begon hij opnieuw. ”'t Jagers-leven is de prachtigste oefening voor de longen. Hij kent niet veel anders, ofschoon hij nu en dan een paar boeken heeft gelezen en zoo'n beetje verzen. Hij is heelemaal zuiver en natuurlijk, zooals je zien zult als je hem voor je oogen krijgt. Hij heeft de oude Iersche kracht in zich. Soms, door de manier, waarop hij rond loopt te dwalen, maak ik me sterk, dat hij in elfen en zulk goedje gelooft. Hij is een liefhebber van de natuur, zoo groot als er ooit een geweest is en hij is bang voor de stad. Hij heeft er over gelezen, maar de grootste waar hij ooit geweest is, is Deer Lick. Hij had een hekel aan al die menschen en hij vond ervan dat ze eens flink uitgedund moesten worden. Dat was twee jaar geleden—de eerste en de laatste keer dat hij een locomotief en een trein gezien heeft.

Soms denk ik, dat ik er verkeerd aan doe, hem zoo als een natuurmensch te laten opgroeien. Het heeft hem vlugheid gegeven en stevigte en de kracht van een wilde stier. Geen stadsmensch kan in zijn schaduw staan.

Ik wil toegeven dat Jeffries in zijn besten tijd den jongen een beetje zou hebben kunnen uitputten, doch ook maar een beetje. De jongen kon hem hebben gebroken als een strootje. En hij ziet er niet naar uit. Dat is het eeuwigdurende wonder ervan. Op het oog lijkt hij alleen maar een mooie jonge kerel, maar 't is de kwaliteit van zijn spieren, die anders is dan bij anderen. Maar wacht tot je hem ziet, dat is alles wat ik zeg.

De jongen heeft een gekke voorliefde voor bloemen en een weidje, voor een paar pijnboomen met de maan er achter, een winderige zonsondergang of voor de zon 's morgens vanaf den top van de Baldy. En hij is er dol op, een kruik of zoo'n ding te teekenen, en verzen op te dreunen van “Lucifer in de nacht,” uit de verzenboeken die hij van de roodharige schooljuffrouw heeft gekregen. Maar dat is alleen omdat hij nog jong is. Als we hem eenmaal aan den gang hebben zal hij heelemaal voor de sport leven; maar pas op voor de sletten, als hij pas in de stad komt te wonen.

'n Goed ding is, dat hij schuw is voor vrouwen. Daar zal hij de eerste jaren geen last van hebben. Hij kan er maar niet toe komen om die schepsels te begrijpen en hij heeft er dan ook nog maar verdomd weinig gezien.

't Was de schooljuffrouw ginds uit Samson's Flat, die de verzenboel in zijn hoofd heeft gebracht. Ze was gewoon gek op de jongen, en hij heeft er niks van geweten. Ze was een meid met gloeiend haar, geen bergmeisje maar van beneden uit het vlakke land—en toen de tijd verliep was ze wanhopig en zooals ze hem naliep, was onbeschaamd. En wat denk je dat de jongen deed toen hij 't begon te begrijpen? Hij was zoo schuw als een wild konijn. Hij nam dekens mee en ammunitie en trok 't bosch in. 'n Maand lang kreeg ik hem niet te zien en toen sloop hij binnen na donker en was 's morgens weer weg. Hij wou geen oog in haar brieven slaan. “Verbrand ze,” zei hij. En ik verbrandde ze. Tweemaal kwam ze den heelen weg van Samson's Flat hier naar toe rijden en ik had te doen met het jonge schepseltje. Ze was gewoon hongerig naar den jongen, dat zag je op haar gezicht. En na drie maanden gaf zij de school er aan en ging terug naar haar eigen land en toen kwam de jongen van zijn gezwerf terug naar huis en bleef hier weer wonen.

Vrouwen zijn de ondergang geweest van menigen goeden bokser, maar van hem zullen zij 't niet zijn. Hij bloost als een meisje, wanneer iets jongs in rokken een tweede keer naar hem kijkt of de eerste keer een beetje lang. En ze kijken allemaal naar hem. Maar als hij vecht—als hij vecht—God, dan staat de oude wilde Ier in hem op en zet zijn vuisten aan. Niet dat hij buiten zichzelf raakt. Dat moet je niet in je hoofd halen. In mijn besten tijd was ik nooit zoo kalm als hij. Ik geloof, dat 't mijn drift was, die al die ongelukken over me bracht. Maar hij is een ijsberg. Hij is heet en koud tegelijk, een gloeiende klomp metaal in een kast van ijs.”

Stubener was ingedommeld toen het gepraat van den ouden man hem wakker riep. Hij luisterde doezelig.

“Ik heb een man van hem gemaakt, bij God! ik heb een man van hem gemaakt met die twee vuisten van hem en zijn rechtrijzende beenen en zijn oogen die recht vooruit zien. En ik ken 't boksen in m'n hoofd en ik heb den tijd bijgehouden en al wat er veranderd is tegenwoordig. De bukstand? Ja, hij kent alle stijlen en alle manieren om zich te sparen. Hij beweegt zich nooit twee duimen als anderhalve duim genoeg is. En als hij wil, kan hij springen als een mannetjeskangaroe. Invechten? Wacht tot je 't ziet. Hij kon best een partij tegen Peter Jackson gebokst hebben en was Corbett in zijn besten tijd de baas.

Ik zeg je, ik heb 't hem allemaal geleerd tot de kleinste handgrepen toe en hij heeft de lessen nog verbeterd. Hij is een waarachtig genie in 't boksen. En hij heeft hier een hoop flinke bergkerels om het op te probeeren. Ik leerde hem het fijnere en zij leerden hem den harden stoot. Niets voorzichtigs of fijns is er aan hen. Brullende stieren en dikke grizzly beren, dat zijn zij, die altijd willen vastgrijpen of den ander ruw in het riet smijten. En hij speelt met hen. Man, hoor je me?—hij speelt met hen zooals jij en ik met jonge hondjes zouden spelen.”

Opnieuw werd Stubener wakker om den ouden man te hooren murmelen:

”'t Grappigste is, dat hij het boksen niet ernstig neemt. 't Gaat hem zoo gemakkelijk af dat hij denkt dat 't spel is. Maar wacht eens tot hij een meester in 't vak geklopt heeft. Dat is alles wat ik zeg, wacht. En je zult 't sap in die koude gomboom er uit zien spatten en hij voert den mooisten wetenschappelijken stoot uit die je oogen ooit gezien hebben.”

In de huiverachtige grauwte van den dageraad in de bergen werd Stubener door ouden Pat uit zijn dekens gerold.

“Hij komt 't pad langs,” werd er heesch gefluisterd.

“Sta op en sla voor 't eerst je oogen op den grootsten bokser die de ring ooit gezien heeft, of in duizend jaar weer zal zien.”

Stubener ontdekte spoedig, dat de jonge Pat geen prater was. Hij bevestigde de introductie van ouden Pat met een handdruk, maar zonder woorden, en ging zwijgend het vuur aanmaken en voor het ontbijt zorgen. Op zijn vaders direkte vragen antwoordde hij met een enkel woord, zooals bijvoorbeeld toen hem gevraagd werd waar hij het hert gesnapt had.

“South Fork,” was al wat hij antwoordde.

“Elf mijlen de bergen in,” legde de oude man met trots uit aan Stubener, “en een pad waar je hart 't bij zou opgeven.”

Het ontbijt bestond uit zwarte koffie, zuurachtig brood, en een geweldige hoeveelheid berenvleesch, boven het vuur geroosterd. De jonge kerel at hier schrokkerig van en Stubener vermoedde, dat de beide Glendons gewend waren aan een bijna uitsluitend vleesch-diëet. Oude Pat was de eenige, die sprak, ofschoon hij eerst na afloop van den maaltijd het onderwerp aansneed, dat hem 't naast aan 't hart lag.

“Pat, jongen,” begon hij, “je weet wie die heer is?”

Jonge Pat knikte en wierp een vluchtigen, onderzoekenden blik op den manager.

“Hij zal je meenemen naar San Francisco.”

“Ik wou liever hier blijven, vader,” was het antwoord.

Stubener voelde een steek van teleurstelling. Ten slotte diende het allemaal nergens toe. Dit was geen bokser die verlangde uit te komen. Zijn forsche lichaamsbouw beteekende niets. 't Was niets nieuws. 't Was een groote kerel, als gewoonlijk doorregen met vet.

Maar de oude Keltische drift van ouden Pat laaide op en zijn stem werd schor en gebiedend.

“Je gaat naar de steden om te boksen, jongen. Daar heb ik je voor getraind en je doet het.”

“All right,” was het onverwachte antwoord, dat loom uit de diepe borstkas opbromde.

“En je vecht als de hel,” voegde de oude man er bij.

Opnieuw voelde Stubener zich teleurgesteld door het gemis aan vuur en hartstocht in de oogen van den jongen man toen hij antwoordde:

“All right. Wanneer gaan we?”

“O, Sam moet eerst een beetje jagen en visschen en zich met jou meten met de handschoenen.”

Hij keek naar Sam, die knikte. “Als je je eens uitkleedde en hem een proefje gaf van wat je kunt.”

Een uur later zette Sam Stubener groote oogen op. Zelf ex-bokser zwaargewicht, was hij een uitstekend beoordeelaar van boksers en hij had er nooit een gezien die zoo voordeelig voor den dag kwam als hij zijn kleeren uittrok.

“Zie, hoe buigzaam hij is,” zong oude Pat. “Dit is het echte. Let op de lijn van de schouders en op zijn longen. Zuiver, alles zuiver tot het laatste greintje. Je ziet een man voor je Sam, zooals er nooit een geweest is. Geen spier van hem die vastzit. Geen gewichtentiller of andere kunstenmakerij. Kijk de dikke spierbundels als slangen! zacht en loom verloopen zij! En wacht tot je ze ziet opzwellen als een ratelslang, gereed toe te springen. Hij is in dit gezegende oogenblik gereed voor veertig ronden of voor honderd. Vooruit! Tijd!”

Zij begonnen, ronden van drie minuten, met rusten van een minuut en Sam Stubener wist dadelijk waar hij aan toe was. Hier was geen vetlaag, geen loomheid, alleen een kalm, goedhartig spel van handschoenen en behendige bewegingen met een plotseling spannen en een vaste scherpte bij het toestooten, die naar hij wist alleen eigen waren aan geoefende en talentvolle boksers.

“Kalm aan, kalm aan,” waarschuwde oude Pat. “Sam is niet meer wat hij vroeger was.”

Dit prikkelde Sam, zooals de bedoeling was; en hij gebruikte zijn meest beroemde handigheid en geliefkoosde stoot—een schijnbeweging alsof hij vast wilde grijpen en een rechte stoot naar de maag. Maar hoe snel ook uitgevoerd, jonge Pat zag den stoot aankomen, en ofschoon deze raakte, week zijn lichaam achteruit. De tweede keer week zijn lichaam niet. Toen de stoot aankwam, bewoog hij vooruit en draaide zijn linkerheup naar voren om den stoot op te vangen. Het was slechts een kwestie van een paar duim, maar de stoot werd er door gebroken. En daarna kon Stubener doen wat hij wilde, zijn handschoen kwam niet verder dan die heup.

Stubener was in zijn tijd met sterke boksers in het strijdperk getreden en had er een goeden naam weten op te houden. Maar hier was geen kwestie van zijn naam ophouden. Jonge Pat speelde met hem en waar hij vastgreep, deed hij Stubener zich voelen als een baby; hij raakte hem schijnbaar steeds waar hij wilde, blokte en stootte met meesterlijke nauwkeurigheid, terwijl hij nauwelijks op het bestaan van den ander scheen te letten. Den halven tijd scheen jonge Pat door te brengen met op een droomerige manier naar buiten naar het landschap te staren. En juist hierdoor maakte Stubener een tweede fout. Hij hield het voor een slimheid die oude Pat hem geleerd had, trachtte met een korte armstoot aan te vallen, voelde zijn arm bliksemsnel vast gekneld en kreeg een pijnlijken klap om beide ooren.

”'t Instinct voor een stoot,” murmelde de oude man.

”'t Is hem niet bijgebracht, dat verzeker ik je. Hij is 'n genie. Hij weet een stoot, zonder er naar te kijken; wanneer de stoot aankomt en waar, de snelheid en afstand en of 't een goede is of niet. En dat heb ik hem nooit geleerd. 't Is inspiratie. Hij is er mee geboren.”

Eens, bij 't vastgrijpen, sloeg de manager den achterkant van zijn handschoen op den mond van jongen Pat; en er was iets oneerlijks in de manier waarop hij het deed. Een oogenblik later, bij de volgende greep, kreeg Sam de bovenkant van Pat's handschoen op zijn eigen mond. Er was niets in van drift, maar de drukking, hoe loom die ook was, bracht zijn hoofd naar achteren tot de gewrichten kraakten en hij een oogenblik dacht dat zijn nek breken zou. Hij liet zijn lichaam verslappen en zijn armen neervallen ten teeken dat de strijd geëindigd was, voelde dadelijk verlichting en stond een oogenblik op losse beenen te wankelen.

“Hij is goed—hij is goed,” hijgde hij en zijn oogen spraken de bewondering uit, waar zijn adem voor te kort schoot.

De oogen van ouden Pat blonken vochtig van trots en triomf.

“En wat denk je dat er gebeuren zal als één van de gemeene lui zijn knuisten op hem wil probeeren?” vroeg hij.

Stubener's uitspraak luidde: “Hij zal hem doodmaken, stellig.”

“Neen, daar is hij te koelbloedig voor. Maar bezeeren zal hij hem wel voor zijn vuilheid.”

“Laat ons het contract opmaken,” zei de manager.

“Wacht tot je heelemaal weet wat hij waard is,” antwoordde de oude Pat. “Ik wil royale bepalingen van je hebben. Ga met de jongen op een hertenjacht over de heuvels en maak kennis met zijn longen en zijn beenen. Dan zullen wij een stevig, goed geregeld contract maken.”

Stubener was twee dagen op de jachtpartij geweest en hij leerde alles wat oude Pat beloofd had en meer dan dat en hij kwam terug als een heel vermoeid en heel nederig man. De onbekendheid met de wereld van den jongen man bracht den manager, die door de wol geverfd was, in verbazing, maar hij had ontdekt dat de jongen zich niet voor den gek liet houden. Ongerept als zijn geest was, onberoerd behalve door wat zijn weinige ondervinding in het bergland hem geleerd had, gaf hij ondanks dat bewijzen van natuurlijk intellect en scherpzinnigheid, ver boven het middelmatige. In zekeren zin was hij een mysterie voor Sam, die zijn volkomen gelijkmatigheid van humeur niet begreep. Niets wond hem op of bracht hem in verwarring en zijn geduld en lijdzaamheid waren als van geen ander. Hij vloekte nooit, zelfs niet met de luttele flauwe krachtwoorden, die heel jonge jongens plegen te gebruiken.

“Ik zou best kunnen vloeken als ik wou,” had hij verklaard op een vraag van zijn metgezel. “Maar ik denk niet dat ik 't ooit noodig zal hebben. Als ik 't noodig heb, zal ik wel vloeken, denk ik.”

Oude Pat, die vast bleef bij zijn besluit, nam afscheid van hen in het blokhuis.

”'t Zal niet lang duren, Pat, jongen, of ik lees over je in de couranten. Ik zou graag meegaan maar ik vrees dat ik tot m'n endje in de bergen zal blijven.”

Toen trok de oude man den manager ter zijde en stormde bijna woest op hem in.

“Denk aan wat ik je allemaal van hem verteld heb. De jongen is zuiver en hij is eerlijk. Hij weet niets van al het geknoei in de bokswereld. Ik heb 't allemaal stil voor hem gehouden, dat zeg ik je. Hij weet niet wat bedrog is. Hij weet alleen van de dapperheid en het romantische en de glorie van het vechten en ik heb hem volgestopt met verhalen over de oude helden van den ring, ofschoon dit hem maar weinig in vuur heeft gebracht, dat weet God. Man, man, ik zeg je, dat ik de boksberichten uit de couranten heb geknipt om ze voor hem weg te houden—hij dacht dat ik ze noodig had voor mijn album. Hij weet niet dat er lui zijn die afspraken maken en geld inleggen. Dus haal hem nergens in waar het niet eerlijk toegaat. Maak den jongen niet misselijk. Daarom heb ik die clausule in het contract gezet wanneer het van nul en geener waarde wordt. Eén gemeenheid en het contract is vanzelf verbroken. Geen vooraf afgesproken verdeeling van de buit; geen geheime afspraken met de menschen van de bioscoop over den afstand.

Der zit 'n hoop geld voor jullie allebei in. Maar speel eerlijk of je bent alles kwijt. Begrepen?”

“En wat je ook doet, neem je in acht voor de vrouwen,” was de afscheidswaarschuwing van ouden Pat, terwijl jonge Pat te paard zat en plichtmatig de teugels inhield om te kunnen luisteren. “Vrouwen, dat is dood en vervloeking, onthoud dat. Maar als je de ééne vindt, de eenige ééne, houd haar dan vast. Die is meer waard dan roem en geld. Maak dat je eerst zeker bent en als je zeker bent, laat haar dan niet tusschen je vingers uitglippen. Grijp haar beet met je twee handen en houd vast. Houd vast, al gaat de heele wereld aan flarden. Pat, jongen, een goede vrouw is een goede vrouw. Dat is het eerste woord en het laatste.”

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings