IV.
Anna van Gogh-Kaulbach translation
Als gevolg van zijn gevecht met Kelly, en hoewel de algemeene opinie was, dat hij door een gelukkig toeval gewonnen had, werd Pat tegen Rufe Mason uitgebracht.
Dat had drie weken later plaats en het publiek van de Sierra Club in Dreamland Rink zag niet precies wat er gebeurde.
Rufe Mason was een zwaargewicht, en stond bekend voor zijn slimheid. Toen de gong luidde voor de eerste ronde ontmoetten de tegenstanders elkaar in het midden van den ring.
Geen van beiden stormde in. Ook werd er geen stoot gewisseld. Zij voelden langs elkaar heen, met gebogen armen en hunne handschoenen zoo dicht bij elkaar dat zij elkander bijna raakten. Dat duurde misschien vijf minuten. Toen gebeurde het en zoo haastig dat niet één onder de honderd toeschouwers het zag. Rufe Mason deed een schijnstoot rechts. Het was blijkbaar geen echte schijnstoot, maar een voeler, een prikkelende dreiging van een mogelijken stoot. Op dit oogenblik gaf Pat zijn stoot. Zij waren zoo dicht bij elkaar, dat de stoot van nauwelijks acht duim afstand aankwam. Het was een korte stoot links en ging vergezeld van een schouderdraai. Hij kwam recht op de punt van de kin aan en het verbaasde publiek zag Rufe Mason's beenen onder hem in elkaar zakken terwijl zijn lichaam op den grond zonk. Maar de scheidsrechter had het gezien en hij kwam dadelijk naar voren om de tien seconden te tellen. Weer droeg Pat zijn tegenstander naar zijn hoek en het duurde tien minuten eer Rufe Mason, ondersteund door zijn secondanten, in staat was met knikkende knieën en rollende glazige oogen langs het verblufte, ongeloovige publiek de galerij af te loopen naar zijn kleedkamer.
“Geen wonder,” zeide hij tot een reporter, “dat Rough-House Kelly meende het dak op zijn hoofd te krijgen.”
Nadat Club Collins overwonnen was in de twaalfde seconde van de eerste ronde van een vijftien-ronden-match, voelde Stubener zich gedrongen met Pat te spreken.
“Weet je hoe zij je nu noemen?” vroeg hij.
Pat schudde het hoofd.
“Eén—Stoot—Glendon.”
Pat glimlachte beleefd. 't Kon hem weinig schelen hoe hij genoemd werd. Hij had een zekere hoeveelheid werk af te doen, dat hij moest afmaken eer hij terug kon naar zijn bergen en hij deed het kalm af, dat was al.
”'t Gaat niet,” ging zijn manager met onheilspellend hoofdschudden voort. “Je kunt niet doorgaan met je tegenstanders zoo gauw neer te stooten. Je moet hun meer tijd geven.”
“Ben ik hier dan niet om te boksen?” vroeg Pat verwonderd.
Opnieuw schudde Stubener het hoofd.
“Luister, Pat. Je bent sterk en moedig in het boksen. Sla niet al de andere boksers neer. En 't is niet goed tegenover het publiek. Zij willen wat zien voor hun geld. Bovendien zal niemand meer tegen je willen uitkomen. Iedereen wordt afgeschrikt. En je kunt geen publiek trekken met matches van tien minuten. Zeg zelf: zou jij een dollar of vijf dollars betalen om tien seconden te zien boksen?”
Pat was overtuigd en hij beloofde, zijn toekomstig publiek waar voor hun geld te zullen geven, ofschoon hij erbij voegde, persoonlijk liever te gaan visschen dan honderd ronden te zien boksen.
Nog had Pat nergens werkelijk zijn bokskunst vertoond. De sportlui uit de stad lachten als zijn naam werd genoemd. Die riep grappige bokspartijen in het geheugen en de opmerking van Rough-House Kelly over het dak. Niemand wist hoe Pat kon boksen. Ze hadden hem nooit gezien. Waar was zijn adem, zijn lichaamssterkte, zijn behendigheid om het vol te houden tegen ruwe tegenstanders in langdurigen afmattenden kamp? Hij had niets getoond dan de kunst van een gelukkigen eindstoot en een ontstellenden aanleg om door het toeval begunstigd te worden.
Zoo gebeurde het, dat zijn vierde match gehouden zou worden tegen Pete Sosso, een Portugeeschen bokser uit Butchertown, hoofdzakelijk bekend om de verbazingwekkende slimmigheden, die hij in den ring uithaalde. Pat trainde zich niet voor den strijd. In plaats daarvan bracht hij een vluchtig en droevig bezoek aan de bergen om zijn vader te begraven. Oude Pat had wel geweten, hoe het met zijn hart gesteld was en het had hem plotseling begeven.
Toen jonge Pat in San Francisco terug kwam, was de tijd zoo nauw gemeten, dat hij dadelijk zijn reispak verwisselde voor zijn bokskleeding en toen moest het publiek nog tien minuten wachten.
“Denk er aan, geef hem een kans,” waarschuwde Stubener toen hij door de touwen kroop. Speel met hem, maar doe het in ernst. Laat hem tien of twaalf ronden zijn gang gaan en sla hem dan neer.”
Pat gehoorzaamde de instructie en ofschoon het gemakkelijk genoeg geweest zou zijn, Sosso dadelijk buiten gevecht te stellen, gaf het hem, daar de ander zoo vol streken zat, handen vol werk hem zich van 't lijf te houden zonder hem neer te slaan. Het was een mooie prestatie en het publiek was verrukt. Sosso's aanvallen als een dwarrelwind, zijn wilde schijnstooten, zijn instormen en terugtrekken, eischten al Pat's kunst om zichzelf te beschermen en nog gelukte het hem niet, geheel onbezeerd te ontsnappen.
Stubener prees hem in de rustpoozen en alles zou goed gegaan zijn, wanneer Sosso niet in de vierde ronde één van zijn prachtigste streken had uitgespeeld. Pat had in een gunstig oogenblik een zijstoot tegen Sosso's kaak gegeven, toen deze tot Pat's verbazing zijn handen liet neervallen en achterwaarts wankelde, met rollende oogen, doorzakkende en knikkende beenen, alsof hij bezwijmde. Pat begreep het niet! Het was geen eindstoot geweest en toch was zijn tegenstander op het punt op de mat te vallen. Pat liet zijn handen vallen en keek in verbazing naar zijn wankelenden tegenstander.
Sosso strompelde weg, viel bijna, herstelde zich en strompelde toen weer schuins vooruit.
Voor de eerste en de laatste maal in zijn boksersloopbaan was Pat niet op zijn hoede. Hij ging op zij om den waggelenden man door te laten. Terwijl hij nog strompelend liep, gaf Sosso plotseling een rechtschen stoot. Pat kreeg hem midden op zijn kaak met een kracht, die zijn tanden deed rammelen.
Uit het publiek ging een gebrul van vreugde op. Maar Pat hoorde het niet. Hij zag alleen Sosso voor zich tandeknarsend en uitdagend, in 't minst niet bezwijmd. De slag had Pat bezeerd, doch veel meer was hij woedend over de schurkenstreek. Al de woede, die zijn vader ooit gevoeld had, laaide op in hem. Hij schudde zijn hoofd als om zich te bevrijden van den schok van den slag en plantte zich vóór zijn tegenstander. Alles gebeurde toen in één seconde. Met een schampstoot, die zijn tegenstander uitlokte, stootte Pat de solar plexus, terwijl hij bijna op hetzelfde oogenblik met zijn rechter een zijstoot tegen de kaak gaf. De laatste slag belandde op Sosso's mond eer zijn lichaam in den val op den grond sloeg. De clubdoktoren hadden een half uur werk om hem bij te brengen. Daarna naaiden zij zijn kaak met elf steken dicht en pakten hem in een ziekenwagen.
”'t Spijt mij,” zeide Pat tot zijn manager; “ik vrees, dat ik driftig werd. Ik doe het nooit meer in den ring. Vader waarschuwde er mij altijd voor. Ik wist niet dat ik zoo driftig kon worden, maar nu ik 't weet, zal ik er voor oppassen.”
En Stubener geloofde hem. Hij kwam er langzamerhand toe, alles te kunnen gelooven van zijn jongen beschermeling.
“Je hebt het niet noodig je boos te maken,” zeide hij; “je bent toch altijd je tegenstander volkomen de baas.”
“Elke seconde en elken duim van de partij,” gaf Pat toe.
“En je kunt ze elk oogenblik dat je 't wilt kloppen.”
“Zeker kan ik dat. Ik wil niet bluffen. Maar ik schijn er de handigheid voor te bezitten. Mijn oogen wijzen mij waar ik zijn moet en dan weet ik altijd hoe ik daar moet komen, en tijd en afstand zijn mij als een tweede natuur. Vader noemde het een gave, maar ik dacht dat hij me vleide. Nu ik tegen deze mannen uit ben gekomen, geloof ik dat vader gelijk had. Hij zei dat bij mij verstand en spieren samenwerkten.”
“Elke seconde en elken duim van de partij,” herhaalde Stubener peinzend.
Pat knikte en Stubener, die vast in hem geloofde, had visioenen van een gouden toekomst die ouden Pat uit zijn graf zouden hebben gehaald.
“Denk er om, we moeten de menschen wat laten zien voor hun geld,” zeide hij. “Wij zullen onder elkaar bepalen, hoeveel ronden de match hebben zal. Je volgende partij is met “Den Vliegenden Hollander.” Als je eens alle vijftien ronden afwerkte en hem in de laatste neersloeg? Dan heb je meteen kans om te laten zien wat je kunt.”
“All right Sam,” was het antwoord.
”'t Zal een proef voor je zijn,” waarschuwde Stubener.
“Misschien lukt het je niet, hem in die laatste ronde te kloppen.”
“Luister.” Pat wachtte een oogenblik om zijn belofte gewicht bij te zetten en nam een deel van Longfellow in de hand. “Als 't mij niet lukt, lees ik nooit meer verzen en dat zou wat zijn.”
“Voor jou wèl,” riep zijn manager schaterend, “ofschoon ... wat je in die rommel ziet ... dat gaat boven mijn verstand.”
Pat zuchtte, maar antwoordde niet. In zijn heele leven had hij maar één mensch ontmoet, die om gedichten gaf, en dat was de roodharige schooljuffrouw, voor wie hij naar de bosschen was gevlucht.