IX.
Anna van Gogh-Kaulbach translation
Waar een getande rotspunt uitrijst boven het wijde maagdelijke woud, zaten een man en een vrouw en rustten. Beneden hen aan den boschrand, waren twee paarden vastgemaakt. Achter elk zadel lagen een paar kleine zadeltasschen. De boomen waren als één reusachtige massa. Honderden voeten oprijzend in de lucht, besloegen zij van acht tot tien en twaalf voet in diameter. Verscheidene waren nog veel dikker. Den geheelen morgen hadden zij zich voortgewerkt langs het pad door dit onafgebroken woud en deze rotspunt was de eerste plaats, waar zij uit het woud konden komen om het woud te zien.
Beneden hen en in de verte, zoo ver zij zien konden, lag keten na keten van bergen in purperen nevel gehuld. Er was geen einde aan de rijen. Zij rezen de één na de ander op tot aan de flauwe, verre horizon, waar zij wegwaasden met een vage belofte van zich nog oneindig veel verder uit te strekken. Er waren geen open plekken in het woud; ten noorden, ten zuiden, ten oosten en ten westen, ongerept, onafgebroken, bedekte het 't land met zijn machtigen groei.
Zij rustten en lieten hunne oogen genieten van het vergezicht, haar hand omsloten door één van de zijne; want dit waren hunne wittebroodsweken en dit waren de roode wouden van Mendocino. Dwars door het woud waren zij van Shasta gekomen, met paarden en zadeltasschen, langs de wildernis van het kustland, en zij hadden geen ander plan dan om verder te rijden tot hun een ander plan in het hoofd kwam. Zij waren grof gekleed; zij in khaki, vuil door de reis; hij in kiel en wollen sporthemd. Het laatste hing open aan zijn door de zon verbranden hals en met zijn reusachtige gestalte scheen hij een geschikte metgezel voor de woudreuzen, terwijl aan haar, als zijn gezellin, niets op te merken viel als geluk.
“Nu, Groote Man,” zeide zij, zich op haar elleboog heffend om hem te kunnen aankijken, ”'t is nog heerlijker dan je beloofd hebt. En wij trekken er samen door heen.”
“En er is nog heel wat meer in de wereld, waar wij samen doorheen zullen trekken,” antwoordde hij, zijn houding zóó ver veranderd, dat hij haar hand tusschen zijn beide handen kon houden.
“Maar niet, eer wij hier klaar mee zijn,” sprak zij.
”'t Lijkt mij of ik nooit genoeg van de groote wouden zal krijgen ... en van jou.”
Hij ging zonder moeite in zittende houding over en nam haar in zijn armen.
“O, liefste,” fluisterde zij. “En ik had alle hoop opgegeven zoo'n liefste te vinden.”
“En ik hoopte er heelemaal niet op. Ik moet altijd geweten hebben, dat ik jou eens vinden zou. Ben je daar blij om?”
Haar antwoord was een zachte druk, waar haar hand op zijn nek rustte en minuten lang keken zij uit over de groote wouden en droomden.
“Je weet wel, dat ik je verteld heb, hoe ik wegliep voor die schooljuffrouw met rood haar?” Dat was voor 't eerst, dat ik dit land zag. Ik was te voet, maar veertig of vijftig mijlen per dag was kinderspel voor mij. Ik was net een Indiaan. Toen dacht ik niet aan jou. Wild was vrij schaars in de roode wouden, maar er waren veel mooie forellen. Toen heb ik op deze rotsen gekampeerd. Ik droomde niet dat ik hier nog eens met jou zou komen, met JOU!”
“En dat je bokskampioen zoudt zijn er bij,” voegde zij er achter.
“Neen; daar dacht ik in 't geheel niet aan. Vader had mij altijd gezegd, dat ik het worden zou, dus ik beschouwde het als zeker. Je ziet, hij was heel wijs. Hij was een groot man.”
“Maar hij heeft niet gedacht, dat je weer uit den ring zou gaan.”
“Dat weet ik niet. Hij was zoo bezorgd om het geknoei voor mij verborgen te houden, dat ik vermoed hoe hij er bang voor was. Ik heb je verteld van het contract met Stubener. Vader zette er die clausule in over geknoei. Eén oneerlijkheid, van mijn manager en het contract was verbroken.”
“En toch ga je nog tegen die Tom Cannam vechten. Is het de moeite wel waard?”
Hij keek haar vluchtig aan.
“Wou je liever, dat ik het niet deed?”
“Liefste, ik wil, dat je alles zult doen wat je wilt.”
Zoo sprak zij en terwijl de woorden nog naklonken in hare ooren, verwonderde zij er zich in stilte over, dat zij, lang niet de minst eigenzinnige en onafhankelijke onder de eigenzinnige en onafhankelijke afstammelingen der Sangsters, ze had gesproken. Toch wist zij, dat zij de waarheid waren en was er blij om.
”'t Zal een grap zijn,” zeide hij.
“Maar ik begrijp al de grappige bijzonderheden er niet van.”
“Ik heb ze nog niet uitgewerkt. Daar kun jij me bij helpen. In de eerste plaats zal ik Stubener en het syndicaat van gokkers “het dubbele kruis” geven. Dat is een deel van de grap. Ik zal Cannam in de eerste ronde “leggen”. Voor 't eerst zal ik werkelijk boos zijn als ik vecht. Die arme Tom Cannam, die even gemeen is als de rest, zal het voornaamste slachtoffer zijn. Zie je, ik ben van plan in den ring een speech te houden. 't Is ongewoon, maar het zal een succes zijn, want ik ga het publiek alles vertellen van de geheimen der bokssport. 't Is een mooie sport, maar zij maken er een zaak van en dat heeft 't bedorven. Maar nu begin ik de speech tegen jou te houden inplaats van in den ring.”
“Ik wou, dat ik er bij kon zijn om het te hooren,” zeide zij.
Hij keek haar aan en overlegde.
“Dat zou ik ook graag willen. Maar het zal zeker een ruwe boel worden. 't Is niet vooruit te zeggen wat er gebeuren zal, als ik mijn programma begin af te werken. Maar ik kom dadelijk naar je toe als het afgeloopen is. En het zal de laatste verschijning zijn van Jonge Glendon in den ring, in welken ring ook.”
“Maar liefste, je hebt nog nooit in je leven een toespraak gehouden,” wierp zij op. ”'t Kon wel mislukken.”
Hij schudde stellig het hoofd.
“Ik ben een Ier,” hernam hij, “en is er ooit een Ier geweest, die niet kon spreken?” Hij hield op en lachte vroolijk. “Stubener denkt, dat ik gek ben. Hij zegt, dat een man zich niets als last op den hals haalt door een huwelijk. Hij weet nogal wat af van het huwelijk of van mij of van jou of van iets behalve vaste goederen en vooruit vastgestelde bokspartijen. Maar ik zal hem dien avond aan de kaak stellen dien armen Tom ook. Ik heb heusch medelijden met Tom.”
“Mijn lieve Ongelikte Beer gaat zich hoogst ongelikt en hoogst beerachtig gedragen, vrees ik,” fluisterde zij.
Hij lachte.
“Ik ga er ten minste een flinken gooi naar doen. Beslist mijn laatste optreden, weet je. En dan is 't jou, jou. Maar als je dat laatste optreden niet wilt, spreek dan maar één woord.”
“Natuurlijk wil ik het wèl, Groote Man. Ik houd van mijn Grooten Man om hemzelf en om zichzelf te zijn, moet hij zichzelf zijn. Als jij dit wilt, dan wil ik het voor jou en voor mijzelf ook. Veronderstel eens, dat ik naar het tooneel wilde of naar de Zuidzee of naar den Noordpool.”
Hij antwoordde langzaam, bijna plechtig.
“Dan zou ik zeggen: vooruit. Omdat jij jij bent en jezelf moet zijn en doen moet wat je wilt. Ik houd van je omdat jij jij bent.”
“En wij zijn een mal paar verliefden,” zeide zij toen zijn armen haar los lieten.
“Is het niet groot?” riep hij uit.
Hij stond op, mat de zon met zijne oogen, en strekte zijn hand uit over de dichte wouden, die de aaneengesloten, purperen heuvelketenen bedekten.
“We moeten daar ergens gaan slapen. Het is dertig mijlen naar de dichtbij gelegen kampplaats.”