III.
Anna van Gogh-Kaulbach translation
Toen hij eenmaal in San Francisco was, begonnen de moeilijkheden voor Sam Stubener. Niet dat jonge Pat een lastig humeur had of dwars was, zooals zijn vader had gevreesd. Integendeel, hij was verwonderlijk zacht en vriendelijk. Maar hij had heimwee naar zijn geliefde bergen. Daarbij was hij innerlijk ontsteld door de stad, ofschoon hij schijnbaar onbewogen door de drukke straten liep als een roode Indiaan.
“Ik ben hier gekomen om te boksen,” begon hij toen de eerste week om was. Waar is Jim Hanford?” Stubener floot.
“Een eerste kampioen als hij, zou je niet aankijken,” antwoordde hij. “Ga eerst naam maken,” zou hij zeggen.
“Ik kan hem kloppen.”
“Maar dat weet het publiek niet. Als je hem klopte zou je wereldkampioen zijn en niemand werd kampioen in zijn eersten strijd.
“Ik wèl.”
“Maar het publiek weet dat niet, Pat. Ze zouden niet naar je komen kijken. En 't is de menigte, die het geld binnen brengt en de gevulde beurzen. Daarom zou Jim Hanford jou niet als tegenstander willen hebben. Er zou niets aan zitten voor hem. Bovendien krijgt hij nu juist drieduizend dollar per week in de vaudeville, met een contract voor vijf en twintig weken. Denk je dat hij dat op zal geven om met een man aan den gang te gaan van wien niemand ooit gehoord heeft? Eerst moet je iets doen, een record maken. Je moet beginnen tegen de plaatselijke boksertjes, waar niemand ooit van gehoord heeft—schooiertjes als Chub Collins, Rough-House Kelly, en de Vliegende Hollander. Als je die geklopt hebt, dan ben je nog maar één sport van de ladder op. Maar daarna vlieg je de lucht in als een ballon.”
“Ik zal met de drie, die u opnoemt, allemaal achter elkaar in denzelfden ring vechten,” was Pat's besluit. “Maak de overeenkomst op die manier.”
Stubener lachte.
“Is dat niet goed? Denkt u dat ik ze niet kloppen kan?”
“Ik weet dat je 't kunt,” verzekerde Stubener. “Maar op die manier kan geen overeenkomst gemaakt worden. Je moet tegen ieder op een anderen tijd uitkomen. Bovendien, bedenk, dat ik alles weet van de wedstrijden en dat ik je uitbreng. We moeten je er in werken en ik ben mans genoeg om te weten hoe. Als wij geluk hebben, kan je in een paar jaar bovenaan staan en kampioen zijn met een schep duiten.”
Pat zuchtte bij het vooruitzicht; toen leefde hij weer op. “En dan kan ik mij terugtrekken en naar huis gaan naar den ouden man,” zeide hij.
Stubener was op het punt te antwoorden, maar hield zich in. Al was dit kampioenmateriaal wat vreemd, hij vertrouwde dat het, als de top bereikt was, in allen deele zou gelijken op al de anderen, die hem vóór waren gegaan. Bovendien, twee jaar was nog een heel eind en er was veel te doen in dien tusschentijd.
Toen Pat de gewoonte begon aan te nemen, in zijn kamers op en neer te loopen, terwijl hij eindelooze rijen boeken en romans uit de bibliotheek las, zond Stubener hem naar buiten om in een boerderij aan de Baai te wonen onder het waakzame oog van Spider Walsh. Na een week fluisterde Spider, dat het karweitje dreigde te mislukken. Zijn beschermeling was van tot het licht werd tot aan het duister weg over de heuvels; hij zocht de stroomen af naar snoek, schoot kwartels en konijnen, en vervolgde den éénen eenzamen, slimmen reebok, beroemd omdat hij aan tien jagers had weten te ontsnappen, en de Spin werd vadsig en lui terwijl zijn beschermeling in conditie bleef.
Zooals Stubener verwacht had, werd zijn onbekende uitgelachen door de managers van de boks-club. Waren de wouden niet vol onbekenden, die altijd uitkwamen met 't idee dadelijk kampioen te worden? Een inleidend partijtje, van vier ronden bijvoorbeeld—ja, daar wilden ze wel op ingaan. Maar een ernstige match nooit. Stubener had besloten, dat jonge Pat zijn debuut zou hebben in niets minder dan een ernstige match, en door het prestige van zijn eigen naam kreeg hij het ten laatste gedaan. Na lang aarzelen stemde de “Missionclub” er in toe dat Pat Glendon vijftien ronden zou boksen met Rough-House Kelly voor een beurs van één honderd dollars. Het was de gewoonte, dat jonge boksers den naam aannamen van oude ring-helden, dus vermoedde niemand, dat hij de zoon was van den grooten Pat Glendon en Stubener hield zijn mond. Dat was een goede verrassingsbom om later te doen springen.
Na een maand wachten kwam de avond van het gevecht.
Stubener's angst was hevig. Zijn naam als manager stond er bij op het spel, dat de jonge man een goed figuur zou maken en hij ontstelde, toen hij zag hoe Pat, die vijf minuten stilletjes in een hoek zat, zijn gezonden kleur verloor, terwijl zijn wangen ziekelijk geel-bleek werden.
“Moed houden jongen,” zeide Stubener, hem op den schouder kloppend. “De eerste keer in den ring is altijd vreemd en Kelly heeft er een handje van, zijn tegenstander op hem te laten wachten, in de hoop dat hij plankenkoorts zal krijgen.”
“Dat is 't niet,” antwoordde Pat. ”'t Is de tabaksrook. Daar ben ik niet aan gewend en ik word er gewoon misselijk van.”
Zijn manager voelde een schok van verlichting. Een man, die misselijk werd uit zenuwachtigheid, zou nooit overwinnen in 't prijs-gevecht, al was hij ook zoo sterk als Simson. Maar tabaksrook ... daar moest de jongen aan wennen, dat was al.
Het binnenkomen van Jonge Pat in den ring werd in stilte aangezien, maar toen Rough-House Kelly onder het touw doorkroop, werd hij met luid gejuich begroet. Hij deed zijn naam geen oneer aan.
Hij was een man met woest uitzicht, donker en harig met kolossale, knoestige spieren, en volle tweehonderd pond gewicht. Pat keek nieuwsgierig naar hem en werd beantwoord met een norschen blik. Nadat beiden aan het publiek waren voorgesteld, drukten zij elkaar de hand. En toen hunne handschoenen elkaar aanraakten, gromde Kelly iets tusschen zijn tanden, zijn gezicht werd rood alsof hij woedend was en hij mompelde:
“Je hebt je zenuwen meegebracht.” Hij slingerde Pat's hand ruw van zich af en siste: “Ik zal je opvreten, schaap dat je bent!”
Het publiek lachte om het gebaar en raadde al lachend naar wat Kelly gezegd moest hebben.
Toen hij, in zijn eigen hoek terug was en op den gong wachtte, keerde Pat zich naar Stubener.
“Waarom is hij boos op mij?” vroeg hij.
“Hij is niet boos,” antwoordde Stubener. “Zoo doet hij altijd; hij probeert je bang te maken. Dat is een mondgevecht.”
”'t Is geen bokser,” vond Pat en Stubener merkte met een snellen blik op, dat zijne oogen even zacht blauw waren als gewoonlijk.
“Pas op,” waarschuwde de manager, toen de gong luidde voor de eerste ronde en Pat opstond. “Hij is in staat op je af te komen als een menscheneter.”
En als een menscheneter kwam Kelly op hem af, in wilde woede door den ring stuivend. Pat, die op zijn loome wijze slechts een paar passen vooruit had gedaan, nam het oogenblik waar dat de ander aanviel, deed een zijstap en stootte zijn stijf gekromde rechterarm op zij tegen diens kaak. Toen stond hij stil verbaasd te kijken. Het gevecht was voorbij. Kelly was als een neergeslagen os op den grond gevallen, en lag daar onbewegelijk terwijl de scheidsrechter, over hem heen gebogen hardop de tien seconden telde in zijn oor, dat niet hoorde. Toen Kelly's helpers naar hem toe kwamen om hem op te beuren, was Pat hen vóór.
Hij nam de zware onbewegelijke massa in zijn armen, droeg hem naar zijn hoek en zette hem op den stoel en in de armen van zijn helpers.
Een halve minuut later lichtte Kelly zijn hoofd op en zijne oogen lodderden open. Hij keek versuft om zich heen en toen naar één van zijn secondanten.
“Wat is er gebeurd?” vroeg hij heesch.
“Is 't dak op mij gevallen?”