← Table of contents
De Ongelikte Beer

VIII.

Anna van Gogh-Kaulbach translation

Dien avond, nadat de redacteur haar nog eens afdoende gezegd had, dat er geen eerlijk boksen bestond onder de prijs-vechters, zat Maud Sangster een poosje in stilte te schreien op den rand van haar bed, werd toen boos, en ging slapen met een gevoel van ontzettende walging van zichzelf, prijs-boksers en de wereld in het algemeen.

Den volgenden middag begon zij een interview met Henry Addison uit te werken, dat bestemd was, nimmer tot een einde te komen. Het was in de aparte kamer, die haar was afgestaan op het bureau van de Courier Journal dat het gebeurde. Zij hield een oogenblik op met schrijven om een blik te werpen op een berichtje in de middageditie, dat Glendon uit zou komen tegen Tom Cannam, toen één van de loopjongens een kaartje binnenbracht. Het was van Glendon.

“Zeg, dat ik niet te spreken ben,” zeide zij tot den jongen.

In een minuut was hij terug.

“Hij zegt, dat hij in elk geval binnenkomt, maar hij wou 't liever met uw toestemming doen.”

“Heb je gezegd, dat ik aan 't werk was?” vroeg zij.

“Ja, maar hij zei dat hij tòch binnenkwam.”

Zij gaf geen antwoord en de jongen ratelde voort met oogen blinkend van bewondering voor zoo'n gewichtig bezoeker.

“Ik ken 'm. 't Is 'n verschrikkelijke groote kerel. Als hij goed te keer gaat, slaat hij alles op 't kantoor kort en klein. 't Is Jonge Glendon, die gisteravond gewonnen heeft met boksen.”

“Goed dan. Breng hem binnen. Ik wou liever niet dat alles op het bureau kort en klein geslagen werd.”

Toen Glendon binnentrad, werden geen groeten gewisseld. Zij was koud en ongastvrij als een grauwe dag en noodigde hem niet uit te gaan zitten of toonde niet met hare oogen hem te herkennen; zij zat half van hem afgewend vóór haar lessenaar in afwachting dat hij zou zeggen, waarvoor hij kwam. Hij liet niet merken, hoe deze hooghartige ontvangst hem aandeed, maar begon dadelijk over zijn onderwerp.

“Ik wil u spreken,” zeide hij kortaf. “Die partij gisteravond, die eindigde toch in die ronde.”

Zij haalde haar schouders op.

“Ik wist dat dat zou gebeuren.”

“Dat wist u niet,” viel hij scherp uit. “U wist 't niet. Ik wist 't niet.”

Zij keerde zich om en keek hem aan met een gezicht alsof de zaak haar verveelde.

“Wat doet het er toe?” vroeg zij. “Prijs-boksen is prijs-boksen en wij weten allemaal wat dat beteekent. De partij eindigde in de ronde, die ik u genoemd had.”

“Dat is zoo,” gaf hij toe. “Maar u wist 't niet vooruit. In de heele wereld waren u en ik tenminste twee menschen, die wisten, dat Powers niet neergeslagen zou worden in de zestiende.”

Zij bleef zwijgen.

“Ik zeg, dat u 't niet vooruit wist.” Hij sprak op dringenden toon en toen zij nog weigerde te spreken, deed hij een stap naar haar toe. “Geef antwoord,” gebood hij.

Zij knikte.

“Maar hij werd verslagen,” hield zij vol.

“Dat is niet waar. Hij was in 't geheel niet verslagen. Begrijpt u dat? Ik zal u er alles van vertellen en u zult luisteren. Begrijpt u dat? Ik heb u niet belogen. Ik was een dwaas en ze hielden mij voor den gek en u met mij. U dacht, dat hij werd neergeslagen. Maar de stoot, dien ik toebracht, was daarvoor niet zwaar genoeg. En ik raakte hem niet eens op de goede plaats. Hij deed iedereen gelooven dat 't zoo was. Hij simuleerde dien eindstoot.”

Hij zweeg en keek haar verwachtend aan. En op een of andere wijze wist zij, met een schok en een trilling, dat zij hem geloofde, en zij voelde zich doordrongen van warm geluk nu deze man, die niets voor haar beteekende en dien zij maar tweemaal in haar leven gezien had, in hare oogen in zijn eer hersteld was.

“Nu?” vroeg hij en opnieuw beefde zij voor zijn dwingenden toon.

Zij stond op en haar hand ging naar de zijne.

“Ik geloof u,” zeide zij. “En ik ben blij, héél blij.”

Haar hand werd langer vastgehouden dan zij bedoeld had. Hij keek haar aan met glanzende oogen, waarop de hare onwillekeurig het antwoord gaven. Nooit heeft er zoo'n man bestaan, dacht zij. Zij sloeg 't eerst de oogen neer en de zijne volgden, zoodat, evenals den vorigen keer, beiden keken naar de handen, die in elkaar lagen. Hij maakte een beweging van zijn geheele lichaam in haar richting, impulsief en onwillekeurig alsof hij haar naar zich toe wilde trekken; toen, blijkbaar met inspanning, schokte hij terug. Zij zag het en voelde den dwang van zijn hand toen deze haar naar zich toe wilde trekken. En tot haar verwondering voelde zij het verlangen om toe te geven, het bijna overweldigende verlangen om in de sterke ronding van zijn armen te worden getrokken. En wanneer hij aangehouden had, wist zij, dat zij niet weerstreefd zou hebben. Zij was bijna duizelig toen hij terugschokte en met een greep van zijn vingers, die de hare bijna verbrijzelde, haar hand liet vallen, ze wegslingerde bijna. “God!” hijgde hij. “Je bent voor mij gemaakt.”

Hij keerde zich een weinig van haar af en wreef met zijn hand langs zijn voorhoofd. Zij wist, dat zij hem voor altijd zou haten, wanneer hij 't waagde, één stamelend woord van verontschuldiging of verklaring te willen geven. Zij zonk terug in haar stoel en hij in een andere, zoodat hij tegenover haar kwam te zitten aan den hoek van de lessenaar.

“Ik ben gisteravond in een Turksch Bad geweest,” begon hij. “Daar heb ik een ouden afgeleefden bokser bij mij laten komen. Hij was in vroeger dagen een vriend van mijn vader geweest. Ik wist, dat er niets was, wat den ring betrof, dat hij niet wist en ik bracht hem aan het praten. Het grappigste was, dat ik alle moeite had, hem ervan te overtuigen, dat ik de dingen niet wist waar ik naar vroeg. Hij noemde mij de baby in 't woud. En ik geloof, dat hij gelijk had. Ik ben opgegroeid in 't woud en het woud is 't eenige, waar ik iets van weet.

Nu dan, ik kreeg gisteravond mijn opvoeding van dien ouden man. De ring is nog veel meer verrot dan u mij gezegd heeft.

De vuiligheid, die de man mij vertelde, benam mij den adem. En ik ben er al jaren midden in geweest zonder er iets van te weten. Ik was werkelijk de baby in 't woud.

Maar nu zie ik hoe ze mij zoo voor den gek konden houden. Ik was zoo gemaakt, dat niemand mij onder kon krijgen. Ik was bestemd om te winnen en dank zij Stubener werd al het geknoei van mij gehouden. Vanmorgen klampte ik Spider Walsh aan en bracht hem aan 't praten. Hij was mijn eerste trainer, ziet u en hij volgde Stubener's instructies. Zij hielden mij onwetend. Bovendien ging ik niet om met de sportwereld. Ik bracht mijn tijd door met jagen en visschen en proeven nemen met cameras' en zoo. Weet u hoe Walsh en Stubener mij onder elkaar noemden?—de Maagd. Dat heb ik pas vanmorgen van Walsh gehoord en 't was of hij me een kies trok. En ze hadden gelijk. Ik was een onschuldig lammetje.

En Stubener gebruikte mij ook voor 't geknoei, maar ik wist er niets van. Ik kan 't nu overzien en begrijpen hoe het in zijn werk ging. Maar ziet u, ik stelde niet genoeg belang in de wedstrijden om achterdochtig te zijn. Ik was geboren met een goed lichaam en een koel hoofd, ik werd buiten grootgebracht en ik werd onderwezen door mijn vader, die meer van boksen wist dan eenig ander mensch, levend of dood. Het was te gemakkelijk. De ring nam mij niet heelemaal in beslag. Er was nooit twijfel aan den uitslag. Maar nu heb ik er genoeg van.”

Zij wees op het bericht, waarin zijn match niet Tom Cannam werd aangekondigd.

“Dat is Stubener's werk,” verklaarde hij. ”'t Is al maanden geleden besloten. Maar dat kan mij niet schelen. Ik ga naar de bergen. Ik ben er uitgegaan.”

Zij keek naar het onafgemaakte interview op den lessenaar en zuchtte.

“Mannen zijn toch heerschers,” zeide zij. “Meesters van het bestaan. Zij doen wat zij willen.—”

“Naar wat ik gehoord heb,” viel hij in, “heeft u ook tamelijk wel gedaan wat u wilde. En dat is één van de deugden waarom ik van u houd. En wat mij sterk getroffen heeft van het begin af, is, dat u en ik elkander begrijpen.”

Hij brak af en keek haar aan met glanzende oogen.

“De ring heeft toch één ding voor mij gedaan,” ging hij voort. “Ik leerde er u door kennen. En als je die ééne vrouw vindt, dan is er maar één ding te doen. Haar in je beide handen te nemen en niet los te laten. Kom, laat ons naar de bergen gaan.”

Het kwam plotseling, als een donderslag, en toch voelde zij, het verwacht te hebben. Haar hart sprong op, zoodat zij op een vreemde heerlijke manier bijna stikte. Dit ten minste was de wraak van een eenvoudig, oorspronkelijk mensch. En toch scheen het een droom. Zulke dingen gebeurden niet in moderne couranten-bureaux. Liefde werd niet op die wijze gemaakt; zóó gebeurde het alleen op het tooneel of in romans.

Hij was opgestaan en stak haar beide handen toe.

“Ik durf niet,” zeide zij fluisterend, half tot zichzelf. “Ik durf niet.”

En dadelijk werd zij pijnlijk getroffen door de minachting die door zijne oogen flitste, maar die terstond veranderde in klaarblijkelijke ongeloovigheid.

“U zoudt iets niet durven wat u wilt?” sprak hij. “Ik ken dat. 't Is geen kwestie van durven maar van willen.

Wil je?”

Zij was opgestaan en stond nu te wankelen als in een droom. Het flitste door haar brein of dit hypnotisme kon wezen. Zij had er behoefte aan, om zich heen te zien naar de bekende voorwerpen in de kamer, ten einde zichzelf met de werkelijkheid te identifiëeren, maar zij kon haar oogen niet afwenden van de zijne. En zij sprak niet.

Hij was naast haar komen staan. Zijn hand lag op haar arm en zij leunde onwillekeurig tegen hem aan. Het was alles een deel van haar droom en er viel niets meer voor haar te vragen. Het was de groote durf. Hij had gelijk. Zij kon durven wat zij wilde en zij wilde. Hij hielp haar in haar mantel. Zij duwde de hoedespelden door haar haar. En op hetzelfde oogenblik dat zij er aan dacht, zag zij zichzelf naast hem de open deur uitgaan. De “Vlucht van de Hertogen” en “Het Standbeeld en het borstbeeld” schoot haar door 't hoofd. Toen dacht zij aan “Waring.”

“Wat is er van Waring geworden?” mompelde zij.

“Over land gereisd of over zee?” mompelde hij terug.

En dit ingaan op haar volkomen overbodige aanhaling, klonk haar als een rechtvaardiging voor de dwaasheid die zij doen ging.

Bij den ingang van het gebouw stak hij zijn hand op om een taxi aan te roepen, maar werd tegengehouden doordat zij zijn arm aanraakte.

“Waar gaan we heen?” vroeg zij zacht als een ademtocht.

“Naar de Ferry-boot. We hebben juist tijd om den trein naar Sacramento te halen.”

“Maar ik kan zóó niet gaan,” wierp zij tegen. “Ik ... ik heb niet eens een schoonen zakdoek bij me.”

Eer hij antwoordde, stak hij opnieuw zijn hand op.

“Je kunt in Sacramento inkoopen doen. Wij trouwen daar en pakken de nachttrein naar het noorden. Ik zal alles telegrafisch vanuit de trein in orde maken.”

Terwijl de cab voorreed, keek zij snel om zich heen naar de welbekende straat en de welbekende menschen, toen met iets als angst in Glendon's gezicht.

“Ik weet niets van je,” zeide zij.

“Wij weten alles van elkaar,” was zijn antwoord.

Zij voelde, hoe zijn armen haar omvatten en steunden en zette haar voet op de treeplank. Het volgend oogenblik was het portier gesloten, hij zat naast haar en de cab reed Market Street uit. Hij legde zijn arm om haar heen, trok haar dichter naar zich toe en kuste haar. Toen zij hem weer in het gezicht keek, was zij er zeker van, dat het door een lichten blos werd gekleurd.

“Ik ... ik heb gehoord, dat kussen een kunst is,” stamelde hij. “Ik weet er zelf niets van, maar ik zal het leeren. Zie je, jij bent de eerste vrouw, die ik ooit gekust heb.”

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings