← Table of contents
De Ongelikte Beer

VII.

Anna van Gogh-Kaulbach translation

Stubener had er niet veel tijd voor noodig, te weten te komen, dat Glendon het aantal ronden wilde uitbreiden, maar wat hij ook deed, hij kreeg geen enkele aanwijzing omtrent het juiste cijfer.

Hij verloor echter geen tijd en kwam in stilte een en ander overeen met Nat Powers en den manager van Nat Powers.

Powers had een trouw gevolg van gokkers en aan het weddende publiek mocht de oogst niet ontgaan.

Op den avond van de match maakte Maud Sangster zich schuldig aan iets, dat meer gedurfd dan ooit tegen de conventie inging, ofschoon er zelfs geen gefluisterd woord over naar buiten kwam om de wereld op te doen schrikken.

Onder bescherming van den redacteur nam zij een plaats in bij den ring. Haar haar en het grootste deel van haar gelaat waren verborgen onder een slappen hoed, terwijl zij een lange mannenregenjas aanhad, die tot op haar hielen hing. Zij bleef in het dichte gedrang en werd zoodoende niet opgemerkt; en zelfs de journalist die, op de plaats van de pers bij den ring, vlak tegenover haar zat, herkende haar niet.

Zooals meer en meer de gewoonte was, gingen er geen andere bokspartijen vooraf; Maud had nauwelijks plaats genomen of luid applaus kondigde de komst aan van Nat Powers. Hij kwam de galerij af te midden van zijn secondanten en zij was bijna ontsteld over zijn geweldige forschheid. Toch sprong hij zoo licht over de touwen als een man, die half zijn gewicht had en beantwoordde met een grinnikkenden lach de rumoerige begroeting, die uit het gansche gebouw oprees. Hij was niet mooi. Twee ooren als bloemkoolen teekenden zijn beroep en de woestheid die er bij behoorde, terwijl zijn gebroken neus zoo dikwijls over zijn gezicht uitgespreid was geweest alsof hij een staal moest geven van de dokterskunst die hem gerepareerd had.

Een nieuwe uitbarsting kondigde de komst van Glendon aan en zij nam hem gretig waar, terwijl hij door de touwen naar zijn hoek ging. Doch eerst, toen de langdurige tijd van voorstellen, aankondigen en uitdagen voorbij was, gooiden de beide mannen hunne mantels uit en stonden tegenover elkaar in boks-kostuum.

Van boven viel de witte glans van vele electrische lampen over hen heen—dit ter wille van de film-opnemers; en terwijl zij naar de twee mannen keek, die zulk een scherp contrast vormden, voelde zij Glendon den beschaafden man en Powers den ongelikten beer. Beiden voldeden aan die benaming—Glendon fijnbesneden van gezicht en gestalte, van een zachte en tegelijk krachtige schoonheid, Powers bijna gelijkmatig ruw van huid en zwaar begroeid met haar.

Terwijl zij hun inleidenden stand innamen voor de camera's, tegenover elkaar in bokshouding, gebeurde het, dat Glendon's blik onder de touwen doorging en op haar gezicht bleef rusten. Ofschoon hij geen teeken gaf, wist zij, en haar hart sprong er bij op, dat hij haar herkend had. Het volgend oogenblik klonk de gong, de aankondiger riep: “Vooruit!” en het gevecht begon.

Het was een mooie strijd. Er was geen bloed, geen geknoei en beiden waren bekwame boksers. De helft van de eerste ronde verliep met aanvoelen, maar Maud Sangster vond het spel en de schijnstooten en de zachte slagen met de handschoenen opwindend genoeg. Gedurende enkele van de woestere aanvallen in een later stadium van den strijd, was de redacteur gedwongen, haar arm aan te raken om er haar aan te herinneren wie zij was en waar zij was.

Powers vocht gemakkelijk en zuiver, zooals behoorde voor den held van een half honderd ringgevechten en een bewonderende claque beklapte elken knappen stoot van hem.

Toch spande hij zich niet noodeloos in, behalve bij enkele vurige aanvallen, die het publiek op deden rijzen in de verkeerde meening, dat hij zijn tegenstander onder zou krijgen.

Het was op zulk een oogenblik, en terwijl het aan haar ongewende blikken ontsnapte, hoe Glendon maar juist aan een ernstige kwetsuur ontkwam, dat de redacteur zich naar haar overboog en zeide:

“Jonge Pat zal best winnen. Hij is een geluksvogel en ze kunnen hem niet onderkrijgen. Maar hij wint in de zestiende, eer niet.”

“Of later?” vroeg zij.

Zij lachte bijna om de zekerheid waarmee de ander ontkende. Zij wist beter.

Powers volgde de taktiek om zijn tegenstander van oogenblik tot oogenblik en van ronde tot ronde op te jagen en Glendon nam er genoegen mee aan dit programma mede te werken. Zijn verdediging was bewonderenswaard en hij bracht er juist genoeg aanvalstooten in om de belangstelling van het publiek te prikkelen. Ofschoon hij wist dat hij voorbestemd was, te verliezen, had Powers te veel ondervinding van den ring om te aarzelen zijn tegenstander neer te slaan als de gelegenheid zich aanbood. Hij was te dikwijls uitgekomen als de bedrogen bedrieger om zich te ontzien, wanneer hij er anderen in kon laten loopen. Als hij er kans toe zag, was hij bereid den ander neer te slaan en de gokkers te laten stikken. Dank zij slimme courantenberichten, heerschte het denkbeeld, dat Jonge Glendon eindelijk zijn meester had gevonden. Maar in zijn hart wist Powers, dat hij 't was, die tegenover zijn meerdere stond. Meer dan eens bij het vlugge invechten, voelde hij het gewicht van stooten, waarvan hij wist, dat ze met opzet niet zwaarder aankwamen.

Wat Glendon betreft, er waren vele oogenblikken, waarin de kleinste vergissing in zijn oordeel hem blootgesteld zou hebben aan één der voorhamer-stooten van zijn tegenstander, waardoor hij den strijd zou verliezen. Doch hij bezat de bijna wonderlijke macht om precies tijd en afstand te berekenen en zijn vertrouwen werd niet geschokt door de vele malen, dat hij maar nauw ontkwam. Hij had nooit een partij verloren, was nooit neergeslagen door een eindstoot en hij was altijd zoo volkomen de meerdere geweest van elken tegenstander, dat zulk een mogelijkheid ondenkbaar was. Aan het eind van de vijftiende ronde waren beide mannen in goede conditie, ofschoon Powers ietwat zwaar ademhaalde en er mannen vlak bij den ring waren, die wedden dat hij ”'t op zou geven.”

Even voordat de gong voor de zestiende ronde sloeg, fluisterde Stubener van achteren af over Glendon heenleunend, hem in:

“Neem je hem nu?”

Glendon gaf zijn hoofd een duw naar achteren, schudde neen en lachte spottend in het gespannen gezicht van zijn manager.

Bij den gongslag voor de zestiende ronde, zag Glendon in verbazing, hoe Powers loskwam. Van de eerste seconde af was het een stormwind van aanvallen en Glendon had groote moeite aan ernstig letsel te ontkomen. Hij blokte, greep vast, dook, deed zijstappen, werd achteruit gedrongen tegen de touwen en met nieuwe aanvalstooten ontvangen, toen hij naar het midden zocht te komen.

Verscheidene malen gaf Powers kans op een eindstoot, maar Glendon weigerde den bliksemsnellen stoot toe te brengen, die zijn tegenstander zou doen neervallen. Dien stoot bewaarde hij voor twee ronden later. In het gevecht had hij geen oogenblik zijn volle kracht ingespannen of zoo zwaar gestooten als hij kon.

Twee minuten lang, zonder eenige tusschenruimte, ging Powers hem met volle kracht te lijf. Een minuut later zou de ronde voorbij zijn en het wed-syndicaat leelijk gedupeerd. Maar die minuut zou niet komen. Zij waren tezamen in het midden van den ring. Het was een gewone clinch als meer in het gevecht was voorgekomen, alleen maakte Powers het ieder oogenblik woester en ruwer.

Glendon bracht zijn linkerhand in een zijdelingschen maar lichten stoot tegen het gezicht van den ander. Het was een stoot, zooals hij er al twintig in den loop van het gevecht had toegebracht. Tot zijn verbazing zag hij Powers slap worden in zijn armen en ineenzakken op wankelende, doorknikkende beenen, die weigerden zijn gewicht te dragen. Hij viel met een doffen slag op den grond, rolde half op zijn zijde en lag roerloos, met gesloten oogen. De scheidsrechter boog over hem heen en telde luid op.

Bij den kreet “Negen!” beefde Powers en deed een vergeefsche poging om op te staan.

“Tien!—en uit!” riep de scheidsrechter.

Hij nam Glendon's hand en hield die omhoog naar het juichende publiek, ten teeken dat hij de overwinnaar was. Voor het eerst in zijn boksers-leven was Glendon als verbijsterd. Het was geen eindstoot geweest. Daar kon hij zijn leven onder verwedden. Hij was niet tegen de kaak aangekomen, maar tegen de kant van het gezicht en hij wist dat de stoot daar had geraakt en nergens anders. Toch was de man gevallen, had laten tellen en had 't alles prachtig gesimuleerd. Die slag op den grond was een overtuigend meesterstuk geweest. Voor het publiek was het ontwijfelbaar een eindstoot geweest en de films zouden den leugen verder brengen. Ten slotte had de redacteur den juisten loop voorspeld en er zat geknoei achter.

Glendon schoot een vluchtigen blik door de touwen naar het gezicht van Maud Sangster. Zij keek hem recht aan, doch hare oogen waren koud en hard en er was noch herkenning noch eenige andere uitdrukking in. Zelfs terwijl hij haar aankeek, wendde zij zich onverschillig af en zeide iets tot den man naast haar.

Power's secondanten droegen hem naar zijn hoek, in schijn een slap wrak van een man. Glendon's secondanten kwamen naar hem toe om hem geluk te wenschen en zijn handschoenen uit te trekken. Maar Stubener was hen vóór. Zijn gezicht straalde, terwijl hij Glendon's rechterhandschoen in zijn beide handen nam met den uitroep:

“Beste jongen, Pat! Ik wist wel, dat je 't doen zoudt.”

Glendon trok zijn handschoen weg. En voor het eerst in de jaren, dat zij samen waren geweest, hoorde zijn manager hem vloeken.

“Je kunt naar de hel loopen,” zeide hij, keerde zich om en stak zijn handen uit naar zijn secondanten om zijn handschoenen te laten uittrekken.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings