← Table of contents
De Ongelikte Beer

I.

Anna van Gogh-Kaulbach translation

Sam Stubener vloog zijn mail haastig en zonder veel aandacht door. Als “manager” van prijs-boksers was hij gewend aan een vreemde correspondentie vol afwisseling. Iedere bokser, ieder die er stokpaardjes over 't boksen op nahield of er op eenigerlei wijze mede in betrekking stond, ieder uitvinder van een nieuwe methode scheen hem een of ander denkbeeld mee te willen deelen. Van ijselijke bedreigingen tegen zijn leven af tot zachter dreigementen, zooals een stoot midden in zijn gezicht, van betooverde konijnenpootjes tot gelukaanbrengende hoefijzers, van vage aanbiedingen tot het kwart millioen dollars, aangeboden door onbekenden, die er zelf niet verantwoordelijk voor waren, kende hij alles wat de mail hem aan verrassingen kon brengen. Nadat hij indertijd een scheermesaanzetter had ontvangen, gemaakt uit de huid van een gelynchten neger en een vinger, die, verschrompeld en in de zon gedroogd, afgesneden heette te zijn van het lijk van een blanken man, gevonden in “De Doodsvallei”, was hij van oordeel, dat de postbode hem niets meer kon brengen, waardoor hij in verbazing geraakte. Maar dezen morgen deed hij een brief open, dien hij een tweeden keer doorlas, in zijn zak stak en er weer uit haalde om hem voor de derde maal te lezen. De brief droeg het poststempel van een of ander “nooit-van-gehoord” postkantoor in Siskiyou County en luidde:

Waarde Sam:

U kent mij niet, behalve bij naam. U bent na mijn tijd gekomen en 't is al lang geleden, dat ik uitkwam. Maar geloof gerust dat ik niet geslapen heb. Ik heb alles gevolgd op boksgebied en ik heb u gevolgd vanaf den tijd toen Kal Aufman u den eindstoot gaf tot aan uw uitbrengen van Nat Belson onlangs en ik moet zeggen, dat u de slimste manager bent, die ooit uit het gebergte naar beneden kwam.

Ik heb u een voorstel te doen. Ik heb hier de grootste onbekende die ooit bestaan heeft. Dit is geen bluf. 't Is echt waar. Wat denk je van een kerel, die de weegschaal laat doorslaan tot tweehonderd en twintig pond boks-gewicht, twee en twintig jaar oud is en een stoot kan toebrengen, tweemaal zoo hard als ik in mijn besten tijd? Dat is hij, mijn jongen, de Jonge Pat Glendon: onder dien naam zal hij vechten. Ik heb alles al voor elkaar. Het beste wat u doen kunt, is den eersten trein den beste te pakken en hiernaar toe te komen.

Ik heb hem opgevoed en getraind. Alles wat ik ooit in mijn hoofd heb gehad, heb ik in het zijne gehamerd. En misschien geloof je 't niet, maar hij heeft er nog wat bij gedaan. Hij is een geboren bokser. Hij is een wonder wat tijd en afstand betreft. Hij kent de seconde en de duim zonder dat hij er aan behoeft te denken. Zijn korte stoot is beter slaapmiddel dan de zwaaistooten van de meeste lawaaimakers.

Spreek over “de Hoop van het Blanke Ras.” Dat is hij. Kom en overtuig u. Toen u Jeffries uitbracht was u in de wolken over zijn jagen. Kom hier en ik zal u jagen en visschen laten zien, waarbij uw aanwinsten voor de film geen duit waard zijn. Ik wil dat u Jonge Pat uitbrengt. Ik kan niet meer op reis gaan. Daarom zend ik om u. Ik was van plan hem zelf uit te brengen. Maar dat gaat niet. Tenslotte ga ik toch binnen niet te langen tijd het hoekje om. Er zit voor u beiden een fortuin in, maar ik wil graag zelf het contract opmaken.

Hoogachtend,

Pat Glendon.

Stubener wist niet wat te gelooven. Op het eerste gezicht scheen het een grap—de mannen uit de bokswereld stonden bekend als grappenmakers—en hij trachtte in het briefje vóór hem de mooie hand van Carbett of de forsche vriendschappelijke poot van Fitzsimmons te ontdekken. Maar als het briefje echt was, wist hij de zaak waard om er zijn aandacht aan te schenken. Pat Glendon was van vóór zijn tijd, ofschoon hij, toen hij pas kwam kijken, Oude Pat eens vriendschappelijk had zien boksen, toen Jack Dempsey voor 't eerst uitkwam. Zelfs toen werd hij Oude Pat genoemd en was al sinds jaren niet in den ring gekomen. Hij was vóór Sullivan uitgekomen in de oude Londensche Prijsgevechten, ofschoon zijn laatste, al zeer verzwakte ronde gestreden werd volgens de Regels van den Markies van Queensberry, die toen meer en meer veld wonnen.

Welke prijsbokser had nooit van Pat Glendon gehoord?—ofschoon er maar weinigen meer leefden die hem in zijn fleur gezien hadden en er zelfs niet veel meer waren, die hem ooit gezien hadden. Doch zijn naam had een plaats gevonden in de geschiedenis van de bokssport en geen sport-lexicon was volledig zonder dien naam. Zijn roem was paradoxaal. Niemand werd hooger vereerd en toch was hij nooit kampioen geweest. Hij was ongelukkig geweest en stond bekend als de onfortuinlijke bokser.

Viermaal was het zwaargewicht kampioenschap hem ontgaan en telkens had hij verdiend het te winnen. Daar was het gevecht op het schip in de Baai van San-Francisco, toen hij op het oogenblik dat hij zijn tegenstander onder zou krijgen, zijn onderarm brak; en op het eiland in de Theems toen hij op het laatste oogenblik vóór de vloed opkwam, flink om zich heen stootte en een been brak, ook weer toen hij den strijd bijna gewonnen had; in Texas ook was een nooit te vergeten dag geweest, toen de politie juist tusschen beiden kwam op het oogenblik dat hij zijn tegenstander stellig geklopt zou hebben. En ten slotte was er het gevecht in het Mechanic's Pavilion in San Francisco, toen hij van begin af in het geheim werd tegengewerkt door een schoftigen scheidsrechter, gerugsteund door een kleine kliek van rijke lui. Pat Glendon had geen ongelukken gehad in dezen wedstrijd, maar toen hij zijn tegenstander neergeveld had door een rechtschen tegen de kaak en een linkschen tegen de solar plexus werd hij door den scheidsrechter kalmweg gediskwalificeerd wegens oneerlijk stooten. Elke getuige van den wedstrijd, elke sportexpert en de gansche sportwereld wist dat er geen oneerlijkheid gepleegd was. Maar als alle prijsboksers had Pat Glendon zich er toe verbonden, zich bij de uitspraak van den scheidsrechter neer te leggen. Pat legde er zich bij neer en nam het geval aan als behoorende bij de rest van zijn tegenspoed.

Dit was Pat Glendon. De vraag die Stubener bezighield was of Pat al of niet den brief had geschreven. Hij nam den brief mee naar de stad. Wat is er geworden van Pat Glendon? Met deze vraag begroette hij alle sportslui dien morgen. Niemand scheen het te weten. Enkelen dachten dat hij dood moest zijn, maar niemand wist het zeker. De sportredacteur van een ochtendblad keek de aanteekeningen door en kon vaststellen, dat zijn dood niet aangeteekend was.

Het was Tim Denovan die hem op weg hielp.

“Wel neen, hij is niet dood,” zei Denovan. “Hoe zou dat kunnen? een man van zijn maaksel, die nooit heeft gedronken of geboemeld. Hij heeft geld verdiend, en wat meer is, hij heeft 't bewaard en op intrest gezet!

Hij had immers drie tapperijen tegelijk. En toen hij ze verkocht, heeft hij er 'n hoop geld mee verdiend! Nu ik er aan denk, dat was de laatste keer dat ik hem zag, toen ze verkocht werden. Dat is twintig jaar en meer geleden. Zijn vrouw was juist gestorven. Ik kwam hem tegen toen hij koers zette naar de veerboot.

“Waar ga jij heen ouwe jongen?” vroeg ik. “Naar de bosschen,” zegt ie. Ik ga der van tusschen. Goeiendag Tim, jongen. En ik heb hem nooit weergezien na dien dag tot nu toe. Natuurlijk is ie niet dood.”

“Je zegt, toen zijn vrouw stierf—had hij ook kinderen?” vroeg Stubener.

“Eén, 'n baby. Hij wiegde het in zijn armen dienzelfden dag.”

“Was 't 'n jongen?”

“Hoe kan ik dat weten?”

Daarna kwam Sam Stubener tot een besluit en dienzelfden avond snelde hij in een Pullmancar, naar de wilde streek van Noord-Californië.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings