V.
Anna van Gogh-Kaulbach translation
“Waar ga je naar toe?” vroeg Stubener verwonderd, terwijl hij op zijn horloge keek.
Pat, met zijn hand op de deurknop, bleef staan en keerde zich om.
“Naar de Academie,” zeide hij. “Daar is een professor, die vanavond een lezing houdt over Browning en Browning is een schrijver, waar je hulp bij noodig hebt. Soms denk ik, dat 't goed zou zijn als ik naar de avondschool ging.”
“Maar groote goedheid, kerel!” riep de manager uit. “Je moet vanavond uitkomen tegen den Vliegenden Hollander.”
“Dat weet ik wel. Maar ik kom geen oogenblik vroeger dan half tien of kwart voor tienen in den ring. De lezing is om kwart over negen afgeloopen. Als u zeker wilt zijn, kom dan even langs en neem me mee in uw car.”
Stubener haalde met hulpeloos gebaar de schouders op.
“U hoeft u niet ongerust te maken,” verzekerde Pat. “Vader heeft mij dikwijls gezegd, dat de ergste tijd juist was die laatste uren vóór een match, en dat menige partij verloren werd, nadat iemand den moed verloor in dien tijd, dat hij niets te doen had als denken en zich angstig maken. Nu, voor mij hoeft u daarover nooit ongerust te zijn. U moest blij zijn, dat ik naar een lezing kan gaan.”
En later op den avond, terwijl hij vijftien prachtige ronden voor zich zag, grinnikte Stubener meer dan eens in zichzelf bij het denkbeeld, wat het sport-publiek er wel van denken zou, als ze wisten dat de prachtige jonge prijs-bokser zóó van een lezing over Browning in den ring was gekomen.
De Vliegende Hollander was een jonge Zweed, die een ongewonen ijver voor het boksen bezat en gezegend was met een wonderlijk uithoudingsvermogen. Hij rustte nooit, viel altijd aan en stormde in en vocht van de ééne gongslag naar den andere. Bij de zwaaislagen draaiden zijn armen rond als dorschvlegels, bij het invechten gaf hij altijd schouderstooten of worstelde half en bracht stooten toe zoo gauw hij maar een hand vrij kon krijgen. Van 't begin tot het einde was hij een wervelwind, vandaar zijn naam. Zijn gebrek was gewis een oordeel over tijd en afstand. Toch had hij heel wat partijen gewonnen doordat bij de oneindige fusillade van stooten die hij toebracht, er licht één in elk dozijn raak was. Pat, onder den strengen eisch, zijn tegenstander niet neer te slaan, had zijn handen vol. En ofschoon hij aan ernstig letsel ontkwam, kon hij toch niet geheel en al vrij blijven van die eeuwig rondvliegende handschoenen. Maar 't was een eerlijk gevecht en hij genoot ervan op zijn gemoedelijke wijze.
“Zou je hem nu onder kunnen krijgen?” fluisterde Stubener hem in 't oor in de minuut rust na de vijfde ronde.”
“Stellig,” was Pat's antwoord.
“Je weet, hij is nog nooit in den eindstoot neergeslagen,” waarschuwde Stubener een paar ronden later.
“Dan ben ik bang, dat ik mijn knokkels zal moeten breken,” glimlachte Pat. “Ik weet welken stoot ik in me heb, en als ik daarmee raak, moet er iets wijken. Als hij 't niet is, dan mijn knokkels.”
“Denk je dat je er hem nu onder zoudt kunnen krijgen?” vroeg Stubener aan het eind van de dertiende ronde.
“Wanneer ik wil, zeg ik u.”
“Nu Pat, laat 't dan tot de vijftiende doorgaan.”
In de veertiende ronde overtrof de Vliegende Hollander zichzelf. Bij den gongslag stormde hij door den ring naar den tegenovergestelden hoek waar Pat langzaam op zijn beenen ging staan. Het publiek juichte, want men wist, dat de Vliegende Hollander loskwam. Pat, die de zaak van de grappige kant opnam, kwam op den inval, den verschrikkelijken nooit-verslagene tegemoet te komen met een gansch lijdelijken afweer en geen stoot toe te brengen.
Gedurende de drie minuten wervelwind die volgden, deed hij geen stoot, noch veinsde een stoot te zullen doen. Hij gaf een zeldzaam staal van afweer, zijn neergebogen gezicht beschermend met zijn linker arm, en zijn onderlichaam met zijn rechter; dan weer veranderend als het aanvalspunt veranderde, zóó dat beide handschoenen aan weerskanten van zijn gezicht werden gehouden of beide ellebogen en voorarmen zijn maag beschutten; en steeds in beweging, schouderend of half uitvallend naar zijn tegenstander om diens pogingen te verijdelen; zelf stoote hij niet, noch dreigde te stooten, en nu en dan wankelde hij door de kracht van de stormachtige stooten, die zijn afweer door een duivelschen taptoe zochten te overwinnen.
Zij, die vlak bij den ring zaten, zagen en waardeerden het, maar de rest van het publiek stond als dol op, en brulde zijn toejuichingen uit in de verkeerde meening dat Pat hulpeloos een verschrikkelijk pak slaag opliep. Aan het eind van de ronde, ging het publiek zwijgend weer zitten, terwijl Pat langzaam naar zijn hoek ging. Het was niet te begrijpen. Hij had tot moes moeten zijn en er was hem niets overkomen.
“Hoe krijg je hem neer?” vroeg Stubener angstig.
“Binnen tien seconden,” was Pat's geruste verzekering. “Let maar op.”
Er was niets van slimheid of streken bij. Toen de gong luidde en Pat op zijn voeten sprong, was het hem ontwijfelbaar aan te zien dat het hem voor de eerste maal in de partij, er om te doen was, zijn tegenstander te kloppen. Geen enkele toeschouwer of hij begreep het en de Vliegende Hollander las de aankondiging ook in Pats' uiterlijk en toen zij in het midden van den ring tegenover elkaar kwamen te staan, aarzelde hij voor 't eerst in zijn boksers-loopbaan. Gedurende een deel van een seconde keken zij elkaar in gevechtshouding aan. Toen sprong de Vliegende Hollander op zijn tegenstander toe en Pat, met een op het juiste oogenblik toegebrachte rechts-zijdelingschen stoot, deed hem neervallen in zijn sprong.
Na dit gevecht begon Pat Glendon's vlucht naar den roem. De sportmenschen en bladen sloegen acht op hem. Voor 't eerst was de Vliegende Hollander neergeslagen. Zijn overwinnaar had bewezen een heksenmeester in den afweer te zijn. Zijn vroegere overwinningen waren geen toeval geweest. Hij had een stoot in beide handen. Reus die hij was, zou hij 't ver brengen. De tijd was voor hem reeds voorbij, schreef men, om zijn kracht te verspillen tegen derderangsboksers.
Waar waren Ben Menzies, Rege Rede, Bill Tarwater en Ernest Lawson? 't Werd tijd dat zij uitkwamen tegen dezen jongen beginner, die plotseling getoond had een bokser te zijn waarmede te rekenen viel. Waar was zijn manager, dat hij geen uitdagingen publiceerde?
Toen was hij in één dag beroemd; want Stubener onthulde het geheim, dat zijn beschermeling niemand anders was dan de zoon van Pat Glendon, Oude Pat, den vroegeren held van den ring. “Jonge” Pat Glendon was hij werkelijk gedoopt en sportlui en schrijvers zwermden om hem heen om hem te bewonderen en te helpen en over hem te schrijven.
Te beginnen met Ben Menzies en eindigend met Bill Tarwater daagde hij de vier tweederangs-boksers uit, bevocht en versloeg hen. Om dit te doen was hij gedwongen te reizen, daar de matches in Goldfield, Denver, Texas en New-York plaats vonden. Om dit te volbrengen waren maanden noodig, want de grootere matches waren niet zoo gemakkelijk te regelen en de boksers zelf hadden meer tijd noodig om zich te trainen.
Het tweede jaar zag hem uitkomen om het half dozijn groote boksers, saamgegroept juist onder de zwaargewicht ladder, te bevechten en te overwinnen. Hier op de top stond stevig geplant: “Groote” Jim Hanford, de nooit verslagen wereld-kampioen. Hier langs de hoogste sporten vorderde men langzamer, ofschoon Stubener onvermoeid was in het publiceeren van uitdagingen en in het gebruiken van de critiek om de boksers tot vechten te bewegen. Will King was in Engeland bezet en Glendon volgde Tom Harrison halfweg de wereld rond om hem op den boks-dag in Australië te verslaan.
Maar de beurzen werden grooter en grooter. In plaats van een honderd dollar, die zijn eerste gevechten hadden opgebracht, ontving hij nu twintig tot dertig duizend dollar per gevecht, en even groote sommen van de bioscoop-opnemers. Stubener nam zijn percenten als manager van dit alles, volgens de bepalingen van het contract, door ouden Pat opgemaakt en hij en Glendon waren, ondanks hun groote onkosten, bezig rijk te worden. Dit vond zijn oorzaak, meer dan in iets anders, in het solide leven dat zij leidden. Ze waren geen verkwisters.
Stubener belegde zijn geld bij voorkeur in vaste goederen en zijn bezittingen in San Francisco, bestaande uit étagewoningen en huizen met appartementen, waren grooter dan Glendon ooit gedroomd had. Doch er was een geheim syndicaat van gokkers die wel ten naastenbij konden raden, hoe groot Stubeners bezittingen waren, omdat er ééne groote som na de andere, waar Glendon nooit iets van hoorde, aan zijn manager betaald werd door de filmopnemers.
Stubeners gewichtigste taak was, de onschuld van zijn jongen gladiator te behoeden. Moeielijk was dit niet. Glendon, die niets te maken had met den zakenkant, stelde er weinig belang in. Bovendien bracht hij, waar hij op zijn reizen ook kwam, zijn vrijen tijd door met jagen en visschen. Hij kwam zelden in aanraking met de lui uit de sportwereld, was buitengewoon schuw en gesloten en verkoos musea en verzenboeken boven praatjes over sport. En aan zijn trainers en partners bij het sparren was door den manager op het hart gedrukt, hun mond te houden over de minste toespelingen op verdorvenheden van den ring. In elk gevecht plaatste Stubener zich tusschen Glendon en de wereld. Hij werd zelfs nooit geïnterviewd als in bijzijn van Stubener. Slechts ééns werd aan Glendon een geheim aanbod gedaan. Het was vlak vóór zijn strijd met Henderson en een aanbod van honderdduizend werd haastig gedaan in vlug gefluisterde woorden in een hôtel-corridor. Het was gelukkig voor den man, dat Pat zijn drift beheerschte en hem schouderophalend voorbij liep zonder te antwoorden. Hij vertelde het aan Stubener, die zeide:
“Het was maar gekheid, Pat. Ze probeerden je voor de mal te houden.” Hij merkte op hoe de blauwe oogen vonkten. “En misschien erger dan dat. Als zij je hadden kunnen vangen, zou er een groot sensatiebericht in de couranten zijn gekomen en 't was met je gedaan geweest. Maar ik betwijfel dit. Zulke dingen gebeuren niet meer. 't Is een legende, anders niet, die uit de vroegere geschiedenis van den ring stamt. Vroeger werd er geknoeid maar geen bokser of manager, die een goeden naam heeft, zou in dezen tijd zoo iets durven doen. Neen Pat, de mannen in de bokswereld zijn even eerlijk en oprecht als de beroeps-baseballspelers en iets eerlijkers en oprechters bestaat er niet.”
En den geheelen tijd dat hij sprak wist Stubener, dat het aanstaande gevecht met Henderson niet korter dan twaalf ronden zou duren—dit ter wille van de film—en niet langer dan de veertiende ronde. En bovendien wist hij, zoo groot was de inzet, dat Henderson zelfs omgekocht was het niet langer dan tot de veertiende te laten duren.
En Glendon, die er niet meer over aangesproken werd, zette de zaak uit zijn hoofd en ging uit om den middag door de brengen met het nemen van kleurphotografieën.
De camera was zijn liefhebberij van den laatsten tijd. Omdat hij van schilderijen hield, maar zelf niet schilderen kon, zocht hij een hulpmiddel door te photografeeren. In zijn handkoffer was een vak volgepakt met boeken over dit onderwerp en hij bracht vele uren door in de donkere kamer om voor zichzelf proeven te nemen met de verschillende processen.
Nooit had er een groot bokser bestaan, die zoo los was van de bokserswereld als hij. Omdat hij weinig wist te praten met de menschen, die hij ontmoette, werd hij norsch en ongezellig genoemd en hieruit ontstond een reputatie in de nieuwsbladen, die geen overdrijving was, maar een volkomen misvatting.
Volgens de gedrukte berichten, was zijn karakter dat van een onspraakzame domme, ruwe kerel met spieren als een os, en een baardeloos schrijvertje over sport gaf hem den bijnaam van “De Ongelikte Beer”. De naam sloeg in. De overige leden van de broederschap namen hem met gejuich over en hierna verscheen Glendon's naam nooit meer in druk zonder die bijvoeging. Dikwijls in een opschrift of onder een photografie verscheen “De Ongelikte Beer”, alleen in hoofdletters en zonder aanhalingsteekens. De heele wereld wist wie die Beer was. Dat maakte dat hij zich meer dan ooit in zichzelf opsloot, omdat hij een bitter veroordeel tegen krantenmenschen koesterde.
Wat het boksen zelf betreft, groeide zijn vroegere belangstelling nog aan. De mannen tegen wie hij nu uitkwam, waren alles behalve stumperts en de overwinning werd niet zoo gemakkelijk behaald. Het waren boksers van naam en ondervinding en de eersten in den ring en elke strijd was een probleem. Er waren gelegenheden waarbij het hem onmogelijk bleek, hen buiten gevecht te stellen in de afgesproken ronde. Zoo met Sulsberger, den reusachtigen Duitscher; hoe hij zich ook inspande in de achttiende ronde, hij kreeg hem niet onder, in de negentiende was het dezelfde geschiedenis en eerst in de twintigste gelukte het hem door den afweer van den ander heen te breken en hem te doen vallen. Glendon's groeiende vreugd in de bokssport bracht ernstiger en langer training mede.
Nooit overdrijvend en terwijl hij veel van zijn tijd doorbracht met jagen over de heuvels, was hij practisch altijd in conditie en anders dan bij zijn vader, werd zijn carrière niet belemmerd door ongelukkige toevalligheden. Hij brak nooit een been of bezeerde ook maar een knokkel. Een ding, dat Stubener met geheime vreugd opmerkte was, dat zijn jonge bokser er niet meer van sprak, voor goed naar zijn bergen terug te gaan als hij Jim Hanford het kampioenschap ontnomen had.