Note 1 — II.
Anna van Gogh-Kaulbach translation
De manager gluurde door de open deur terwijl hij zich den slaap uit de zware oogen wreef en zag een jongen reus naar de open plek in het bosch toekomen. In zijn ééne hand droeg hij een geweer, over zijn schouder een zwaar hert, waaronder hij voortbewoog alsof het geen gewicht had. Hij droeg een ruwe blauwe kiel en een wollen hemd, dat openhing aan den hals. Een jas had hij niet en aan zijn voeten droeg hij mocassins1, in plaats van schoenen. Stubener merkte op dat zijn gang gelijkmatig was en katachtig, zonder gedachten te wekken aan zijn tweehonderd twintig pond gewicht, waar dat van het hert nog bij kwam. De manager was bij den eersten blik onder den indruk. De jonge man was zeker geweldig, maar Stubener voelde dat er iets vreemds en ongemeens aan hem was. Hij was een nieuw type, iets anders dan het gewone soort boksers. Hij scheen een wezen uit de wildernis, meer een nachtelijke dwaalfiguur uit een of ander sprookje of oude legende dan een jonge man uit de twintigste eeuw.