INLEIDING. (continued 2)
Reading edition
Dit alles schijnt echter juist de stelling van één en denzelfden dichter niet waarschijnlijker te maken; maar van den anderen kant pleit voor de identiteit des dichters de vermelding van de kanonisatie van Coppe in het eerste gedeelte der 20e branche, en wel te midden van het verhaal, en onder nadrukkelijke verklaring
Dont VOS M' avez bien oï dire.
Rothe is ook op dien regel gestuit. »Le vos m'avez bien oï dire”, zegt hij(80), »semblerait à la vérité signaler le même auteur pour les deux branches; mais d'autres considérations ne permettent pas de la supposer.”
Die andere »considérations” meenen wij genoegsaam weêrlegd te hebben, zoodat ROTHES eenige grond vervalt; want niemand zal wel eenig gewicht hechten aan hetgeen hij er op laat volgen: »Du reste l'auteur de la 22e branche a pu chanter cela ailleurs, et non pas dans la 20e branche précisément.”
Het verwondert ons, dat hij niet eenen anderen uitweg heeft voorgeslagen, die trouwens ten gevolge van onze andere opmerkingen ook bij ons kan opkomen.
Daar er blijkbaar een streven zichtbaar is om de 20e en 21–22e branche aan elkander te rijgen; zou het niet onmogelijk zijn, dat de schrijver van het tweede gedeelte der 20e branche, aan wien deze aaneenhechting wel mag worden toegeschreven, hier eene kleine veranderingin den tekst had gebracht, daar er oorspronkelijk wel kon gestaan hebben:
Dont vos avez bien oï dire,
zoo als men in verschillende andere gedichten aantreft.
En toch durf ik deze tekstverandering niet als een bewezen feit aannemen, daar geen enkel handschrift eene andere lezing schijnt aan te bieden dan die welke MÉON gevolgd is. Wij hebben dan hier niets anders dan eene waarschijnlijke konjektuur.
Men mag echter misschien nog verder gaan, en veronderstellen, dat de naam van Coupée hier slechts is ingevoegd om de aanknooping in de hand te werken, terwijl er vroeger alleen van een martelaar, een heilige in 't algemeen in het ouder gedicht sprake was.
De omstandigheid dat Reinaerts vrouw hem voor dood hield, verbiedt ons bepaaldelijk deze branche aan 20a vast te knoopen, waar Reinaert juist bij zijne echtgenoot en kinderen gelukkig was aangekomen: om de aansluiting mogelijk te maken, was de invoering der branche 20b noodzakelijk.
Dat in alle handschriften de branches 20, 21–22 terstond achter elkander volgen, bewijst niets, daar alle codices jong zijn, en uit een tijd, dat de inorganische vereeniging reeds lang had plaats gegrepen.
Opmerkelijk is het ook, dat terwijl in de 20e branche tweemaal eene onloochenbare toespeling voorkomt op de Chanson de Guillaume au cort nez, dit gedicht juist in de 21–22e branche niet vermeld wordt, waar van de Chansons de geste alleen genoemd worden, vs. 12623:
Chanson d'Ogier, Et de Rolant et d'Olivier, Et de Charlon le ber chanu,
waarbij men wel mag opmerken dat, zoo de schrijver dezer branche ook de auteur der voorgaande was, hij zeker ook hier in de eerste plaats het gedicht zou vermeld hebben dat hem zoo gedurig voor den geest had gezweefd, toen hij de 20e branche schreef.
Nu is er wel overeenkomst in taal en spraakwendingen, maar daaruit blijkt toch maar alleen, dat de schrijver in Fransch-Vlaanderen t'huis behoorde, hetgeen ons niet zal verwonderen als wij de omwerking of althans de aanhechting der 21–22e branche aan den schrijver van 20b mogen toeschrijven.
Een paar voorbeelden mogen het taaleigen bewijzen.
Renart doet zich voor als een vreemde jongleur, die het Fransch râbraakt, en gebruikt daarbij soms vlaamsche woorden. Vs. 12106:
Ez-vos Renart qui le salue: „Godehelpe! fet-il, bel sire.”
Vs. 12153 vraagt hem Ysengrin:
Et sez-tu le lai Dam Iset?” —„Ja, Ja, dist-il, godistonet(?), Je fot saver, dist-il, trestouz.
Opmerkelijker is eene andere uitdrukking. Vs. 12858 verwijt Hersant aan de vossin:
Mespris avez en tel manière Qu'en vos en tient à chamberière, Qui conmunaus est à garçons: Trestuit li entrent ès arçons.
Dezelfde zeldzame overdrachtelijke spreekwijs vindt men ook terug, br. 20a, vs. 9734, waar aan Hersant verweten wordt:
Que dans Renars, cis fox garçons Vos entra onques ès arçons.
Is dit echter genoegsaam om beide branches aan denzelfden dichter toe te kennen, of moet men hier aan overneming denken?
Ik heb die uitdrukking nog maar in ééne andere branche terug gevonden, die tot de 20e in zeer naauwe betrekking staat, waarom wij er hier een woord van moeten zeggen. Het is namelijk de eerste.
Die eerste branche is uit twee, misschien drie, zeer verschillende stukken samengeflanst, gelijk GRIMM reeds heeft aangetoond(81). Het eerste loopt van vs. 1 tot 233 of 335, na welk laatste vers een nieuw verhaal begint, dat tot aan het einde doorloopt.
De inhoud dier branche 1b hangt ten naauwste samen met de 20e. Dáár toch wordt het feit, de misdaad, verhaald, waarover Isengrim zich in de 20e ten hove komt beklagen. Buitendien, in de laatste regels van 1b geeft Hersent aan Isengrim den raad zich ten hove des konings te beklagen over den hoon hem door Reinaert aangedaan.
De laatste regels komen echter niet in alle handschriften voor. Br. 1b vindt men niet in alle codices: slechts in de 1e, 2e en 6e bij ROTHE geanalyzeerd, en ook in het vatikaansche handschrift. In het laatste nu ontbreken juist de 32 laatste verzen, waarin de overgang tot de 20e branche wordt voorbereid(82), en ik weet niet of zij wel in ROTHES hss. 2 en 6 gevonden worden, daar hij slechts gewaagt van »à peu près la dernière moitié de la branche première”(83).
Daar nu slechts één enkel handschrift die voorbereidingswoorden schijnen te bevatten, behoeft men er niet veel gewicht aan te hechten. Branche 1b kan echter niet als een op zichzelf staand gedicht worden beschouwd.
Verschillende uitdrukkingen wijzen op een naauwer verwantschap tusschen dit stuk en 20a.
De dieren rijden hier als dáár te paard. Wij vinden hier voorbereiding tot hetgeen later in 20a volgt. Vs. 513 zegt Hersent tot haar echtgenoot:
„Sire, fait-ele, vos diroiz Corociez estes, n'est pas droiz Que vos mostrez ici vostre ire; Que s'om me laissait esconduire Par sairement et par joïse, Je'l feroie par tel devise, C'om me féist ardoir ou pendre Se ne m'en poïsse desfendre.”
Dit hangt samen met br. 20a, vs. 9790, waar Hersent zegt:
„J'amasse miex assez la pès Entre mon seignor et Renart, Voir qui en moi n'ot onques part, En tel manière n'en tel guise, Si que j'en feroie une juise, Ou de froide ève ou de fer chant. Mès mon escondire que vaut!” etc.
Ten einde ons betoog zoo eenvoudig mogelijk te maken, moeten wij hier reeds wijzen op den aard van den samenhang. Br. 1b is blijkbaar après coup gemaakt, door een schrijver die meer in het breede wilde verhalen wat in de 20e branche als voorafgegane gebeurtenis en hoofdoorzaak van de veete tusschen Renart en Ysengrin, slechts wordt aangestipt. Dat dit door den schrijver van 20a zelf zou geschied zijn, is a priori reeds onwaarschijnlijk. Vooreerst, omdat hij daardoor de kunsteenheid van zijn eerste werk zou hebben opgeheven; ten anderen omdat hij dan later in de 20e branche den aanhefsregel
Ce dist l'estoire ès premiers vers,
wel zou hebben veranderd; eindelijk omdat de schrijver van 1b ook branche 19 voor zich had, die zeer zeker niet door den dichter van 20a is bearbeid.
Vs. 636 toch zegt Renart tot den wolf:
Ne forfis rien à vostre fame, Et por moi et por lui desfandre Tot par là où le vodrez prendre, Un sairement vos aramis Au los de voz meillors amis.
Men ziet duidelijk, dat dit eene toespeling is op de eedsaflegging die in de 19e branche omstandig verhaald wordt.
Met die 19e heeft ook 1b nog dat gemeen, dat in beiden Ysengrin conestable genoemd wordt(84), b.v. vs. 352 en 8255, 8363, 8521.
De branche 1b kan dus niet van den dichter van 20a zijn. Treffen wij dus bij beiden dezelfde opmerkelijke uitdrukkingen, dan kan er alleen aan overneming gedacht worden. Zoo geschiedt dit vs. 504, waar wij lezen:
.... Renars cix rous, cix puanz, Cix viz lechierres, cix garçons, Vos monta onques ès arçons.
Hieruit volgt dan ook, dat het gebruik dier uitdrukking in 21–22 nog niet noodzakelijk bewijst dat deze branche door den dichter van 20a moet zijn bewerkt.
Br. 1b schijnt nog eene uitdrukking met 20a gemeen te hebben. Vs. 632 zweert Renart dat hij des wolfs vrouw niet heeft geschoffeerd:
Par Dieu, beau sire, ne'l créez, Que nules riens i aie faites, Ne dras levez, ne braies traites; Ains par cest cors ne par ceste ame! Ne forfis rien à vostre fame.”
In welke houding gij mij ook gezien hebt, dat wat gij vermoedt, heeft geen plaats kunnen hebben; want zie maar, ik heb bij haar geen dras levez, noch bij mij zelf braie traite.
In de 20e branche zegt de vos, vs. 10997, tot zijne verdediging:
„Et puis qu'i n'i ot braies traites, Ne huis brisiez, ne portes fraites, S'ele m'a chier, et ele m'aime, Cix faus jalous de coi se claime?”
Hier is intusschen de uitdrukking traire braies niet op hare plaats; zij is hier blijkbaar den afschrijver uit de pen geschoten, wien zij uit de eerste branche, die vooraan in het manuscript stond, in het hoofd lag. Waarschijnlijk moet hier gelezen worden:
Et puis que n'i ot force fète, Ne huis brisiez, ne porte frète,
even als op eene andere plaats, vs. 9761, de das zegt:
„Et puis qu'il n'i ot force fète, Ne huis brisié, ne trive frète, Se Renars le fist par amors, N'i afiert ire ne clamors.
Dat echter de eene uitdrukking de andere heeft in 't leven geroepen, is meer dan waarschijnlijk.
Nog eene bijzonderheid mag ons niet ontgaan. Reinaert had, gelijk wij van elders weten, meer dan één kasteel, even als elke goede vos meer dan één hol heeft. Behalve Malpertuis, wordt ook nog Malcrues genoemd. Zoo b.v. in de 19e branche, vs. 5972:
Et il se r'est en Malcrues mis,
en vs. 8932:
Droit à Malcrues son repère,
zoo als een der codices leest(85), maar waarvoor de uitgave van MÉON terecht leest Malpertuis, zoo als de rhythmus leert.
Die zelden voorkomende naam hoort waarschijnlijk ook in branche 20a (16) t'huis; immers vs. 10803 zegt de vos in zijne biecht, van eene vorige belegering van zijne burcht sprekende,
Qant li ost(86) fu devant mon crues, ........................ Tuit furent batu et ploié.
Moest men daar in steê van het meer algemeene gezegde niet den eigennaam van Reinaerts burcht verwachten, en lezen: devant Malcrues?
Opmerkelijk is het, dat dezelfde schrijffout, natuurlijk van denzelfden afschrijver, ook in branche 1b, vs. 568 voorkomt, waar het heet:
Ainz ne fina d'esperoner Jusqu'a l'entrée d'un mal crues,
waar blijkbaar de Malcrues moet gelezen worden, daar weinige verzen later, vs. 577, juist van die plaats gezegd wordt:
Li chastiaus estoit auques fort.
Daar nu dezelfde naam ook in de 19e branche voorkomt, behoeft het geen betoog, dat zij in de 1e er niet toe kan leiden om deze aan den dichter der 20e toe te schrijven.
De einduitkomst van dit onderzoek moet, dunkt mij, zijn, dat branche 20a eenmaal op zichzelf stond, en dat daaraan iets later door den schrijver van 20b ook de branche 21–22 werd toegevoegd. Waarschijnlijk heeft wederom een jonger schrijver uit dezelfde landstreek er ook de 19e branche bijgedicht.
Zoowel ROTHE(87), als GRIMM(88) hebben reeds opgemerkt, dat het begin der 20e (16e) branche zich aan de vorige aansluit, waarin verhaald wordt, hoe Renart zich onttrok aan het afleggen van een zuiveringseed op het lijk van een martelaar, omdat hij ontdekt had, dat men hem in eene hinderlaag wilde lokken. De fransche branche 20 zegt, vs. 9689:
Quant li saint furent aporté, Il se retraist mout tost arière, Si se féri en sa taisnière.
En evenzoo in den mnl. Reinaert, vs. 82:
Also saen Alse die heleghe waren brocht, Was hi andersins bedocht, Ende ontfoer in sine veste.
Zoo er al samenhang is, beide genoemde geleerden zijn het eens, dat evenwel die twee branches van verschillende dichters zijn. Ook wij nemen die stelling aan, hoewel zij ons bij ROTHE vreemd klinkt om de opvallende overeenkomst in karakter met branche 20b, die hij niet van 20a scheidt.
Dat de 19e branche reeds op de 20e voorbereidt, bewijst slechts dat men er naar streefde om ze beiden aan een te rijgen. Daarom zegt Grimbert in het slot tot den wolf, vs. 9635:
„.... por Renart.......... Alez à cort, ne fètes noise: De rien i a de mesprison, Là vos en fera-il reson.” Dist Ysengrins: „Je m'i acort: Quel part que la parole tort, Ouen en Mai ferai mon claim: A mon seignor, que je moult aim, Me clamerai del traïteur” etc.
Maar dit geeft ons nog geen recht beide branches aan denzelfden schrijver toe te kennen; zelfs niet als wij weten, dat zij ook een Vlaming tot auteur heeft, zoo als ons uit zijne taal kan blijken.
Immers vs. 9202 zegt hij:
Anuit aurez moult bon herbert,
wat niets anders is dan eene gewijzigde uitspraak van herberc, ons herberg, en dus verschilt van het gewone héberge.
Vs. 9147 leest men nog bepaalder:
Grimbert respont: „Ja, ja.”
De schrijver kende de geheele 20e branche, zoowel het oorspronkelijke deel als het toevoegsel.
Uit het eerste nam hij, vs. 9267, de namen Goubert (br. 20a, vs. 10371), en vs. 9261, dame Poufile (br. 20a, vs. 10378).
Uit het tweede den banierdrager, daar hij, vs. 9045, schrijft:
Cel jor porta le confanon Li putoiz qui Foinez ot non.
In de 20e branche is li limaçons de banierdrager, vs. 11313, 11558, 11617; maar juist uit de bijvoeging cel jor blijkt, dat de schrijver zich van de afwijking bewust was, en dus 20b kende.
In br. 20b zien wij de dieren, als ware ridders, met lans en speer tegen Reinaerts burcht optrekken. In dit opzicht gaat de schrijver van br. 19 nog verder, daar hij zelfs van een hond, die niet tot de edeler dieren der hofhouding behoort, en die Reinaert najaagt, zegt, vs. 9481:
Primes i cort, ainz que li autre, Lance levée sor le fautre, Rooniax li chiens.
Dat dit alles ontleend is, blijkt nog uit kleinigheden. Zoo b.v. noemt de schrijver van branche 19 zelden de namen der edeler dieren: in den regel heet bij hem de koning slechts li lions, vs. 8346, 8383, 8476, 8876, 8907, 9021; de beer, li ors, vs. 8745, 8774, enz.
Eenmaal bestond er zeer zeker een streven om de branches 19, 20, 21–22 met elkander in verband te brengen(89): door wien, en wanneer is nu die vereenigingsband om deze gedichten geslagen?
Mij dunkt dit heeft ongeveer in de tweede helft der dertiende eeuw moeten plaats hebben, toen wellicht de branches 1b, 19, 20, 21–22 als een zeker geheel werden aangemerkt.
In de veertiende eeuw schijnt deze band weêr te zijn verbroken, daar men bij de bijeenzameling van meerdere branches eene andere rangregeling moest aannemen om de gebeurtenissen elkander zoo regelmatig mogelijk te laten opvolgen.
Zoo werd b.v. de eerste branche in het handschrift, dat MÉON tot grondslag van zijne uitgave legde, geheel vooraan geplaatst, en dit hs. is het eenige waarin branche 19 onmiddellijk aan de 20e voorafgaat, terwijl zij in al de anderen verre daarvan verwijderd staat.
Die vereeniging had echter eerst plaats nadat reeds 20a en b waren tesamengesmolten, en wellicht ook 21–22 daaraan toegevoegd, maar nog niet de 19e; want het is opmerkelijk, dat de schrijver van onzen Reinaert de personagie van Roonel den hond, die toch in de 20e branche voorkomt, in 't geheel niet noemt, waaruit men zou mogen opmaken, dat hij het verhaal, waarin deze eene hoofdrol speelt, niet gekend heeft.
V.
Nu wij ons eenigsins hebben bekend gemaakt met de fransche branche, die wij als de mogelijke bron van onzen Reinaert aanzien, kunnen wij er toe overgaan om door eene nadere vergelijking de waarheid van ons beweren te staven.
Wij zullen punten van overeenkomst aantreffen die treffend zijn, maar ook zeer merkwaardige afwijkingen. Om dus de verhouding van ons gedicht tot het fransche aan te wijzen, om eenig meerder licht te verspreiden over het ontstaan van den Reinaert, en een duidelijker inzicht te verkrijgen in zijne kunstwaarde, moeten wij zoowel de overeenstemming als de afwijking in bijzonderheden nagaan.
Willems heeft reeds de rangnummers van vele overeenkomstige verzen van beide teksten naast elkander geplaatst(90), maar om de letterlijke overeenkomst recht duidelijk in het oog te doen vallen, om allen mogelijken twijfel weg te nemen, moeten wij de voornaamste letterlijk eensluidende plaatsen nevens elkander den lezer voor oogen stellen.
Na eene inleiding van weinige verzen begint het fransche gedicht aldus, vs. 9659:
Ce dist l'estoire ès premiers vers, Que jà estoit passez yvers, Et l'aube-espine florisoit, Et que la rose espanisoit, Et pres fu de l'Acension, Que sire Noble, le lyon, Toutes les bestes fist venir En son palès por cort tenir. Onques n'i ot beste tant ose, Qui se tardast por nule chose, Qu'ele n'i viengne hastivement, Fors dans Renars tant solement. Le mal baron, le sodoiant, Que tuit li autre vont huiant, Et encusant devant le roi, Par son engin, par son desroi.
Evenzoo vangt, na eene inleiding, onze Reinaert aan, vs. 41:
Het was in enen Sinxendaghe, Dat beide bosch ende haghe Met groenen loveren waren bevaen. Nobel, die coninc, hadde ghedaen Sijn hof craieren over al, Dat hi waende, hadde hijs gheval, Houden te wel groten love. Doe quamen tes coninx hove Alle die diere, groot ende clene, Sonder vos Reinaert allene: Hi hadde te hove so vele mesdaen, Dat hire niet ne dorste gaen. .................... Doe al dat hof versamet was Was daer niemen.......... Hine hadde te claghene over Reinaerde Den fellen, metten roden baerde. Et conpissa toz mes loviax. 9685. Ende mine kindre so mesvoert, Rein. 74. Dat hise besekede. Renarz prist jor de l'escondire 9687. Qu'il n'avoit pas fait l'avoutire. Quant li saint furent apporté, Ne sai qui li ot enorté, Il se retraist mout tost arière, Si se féri en sa taisnière. Het was sint so verre comen, Rein. 79. Datter een dach af was ghenomen, Ende Reinaert soude hebben ghedaen Sine onsculde: ende also saen Alse die heleghe waren brocht, Was hi andersins bedocht, Ende ontvoer in sine veste. Quant la vegile fu chantée 10109. Le cors portèrent enterrer; Mès ainçois le firent serrer En un moult bel vessel de plon, Ains plus riches ne vit nus hon; Puis l'enfoïrent soz un arbre, Et par desus mistrent un marbre, S'i ont escrit le non la dame. Doe die vigilie ghehent was, Rein. 450. Doe leidemen Coppen in dat graf, Dat bi engiene ghemaket was, (Onder die linde, in een gras,) Van maerberstene, die slecht was: Die letteren, die men daer ane sach, Ane den sarc, die daer up lach, Deden ane tgraf bekinnen, Wie daer lach begraven binnen(91) S'estoit devant la barbaquane. 10179. Doe ghinc hi vor die barbecane Rein. 522. Sitten over sinen staert. Je sui Brun, mesagier le roi. 10190. Ic bem Brune, des coninx bode. Rein. 525. Renarz qui tot le mont engane, 10180. Por reposer s'est tret arière Enmi le fonz de sa tesnière. .................... Renarz set bien ce est li ors, Reconnéu l'avoit au cors (sic): Lors se commence à porpenser Conment son cors porra tenser: En grant paine est d'estudier Conment le puisse conchier. Bi der tale, die Brune heeft begonnen, Rein. 538. Bekenden altehant Reinaert, Ende tart bet te dalewaert, In sine donkerste haghedochte: Menichfout was sijn ghedochte, Hoe hi vonde sulken raet, Dat hi Brune, den fellen vraet, Te scerne mede mochte driven, Ende selve bi siere ere bliven. Brun, fet Renarz, biax doz amiz, 10199. En moult grant paine vos a mis Qui çà vos a fet avaler! Ge m' en devoie là aler.... Here Bruun, wel soete vrient, Rein. 549. Hi hevet u qualike ghedient, Die u beriet desen ganc, Ende u desen berch lanc Over te lopene dede bestaen; Ic soude te hove sijn ghegaen.... Nomine Pastre, Christum file! 10237.
In den Reinaert komt deze uitroep niet hier voor, maar wordt later, vs. 1824, den vos in den mond gelegd:
Nomine Patrum, Christum file! Cel miel, 10239. Jà est-ce la chose du monde Que je miex aim et plus desirre. Qar m'i menez, biau très doz sire! Honich es ene soete spise, Rein. 577. Die ic vore allen gherechten prise, Ende vore allen gerechten minne. Reinaert, helpt mi, dat ics ghewinne! Atant se mettent à la voie, 10276. Onques n'i ot resne tenu, De si à tant qu'il sont venu...... Ende liepen daer si lopen wilden, Rein. 1165. Dat si nie toghel uphilden Eer si quamen............ Un chesne ot commencié à fendre: 10282. Deus coins de chiesne toz entiers I avoit mis. Ene eke Rein. 651. Die hi ontwee clieven soude, Ende hadde twee wegghen daerin ghesleghen. Or del mengier, puis irons boire. 10290. Haddi gheten, so soudi drinken. Rein. 706. Et Bruns i mist lors son musel, 10292. El chesne, et les deus piez devant. (Bruun) thooft over die oren Rein. 678. Ende die verdere voete in stac. De loing esta, si le ramposne. 10316. .... hi sijn oom ghine rampineren. Rein. 703. Qui portent tinel, et qui hache, 10338. Qui flael, qui baston d'espine. Sulc was, die enen bessem brochte, Rein. 722. Sulc enen vleghel, sulc een rake; Sulc quam ghelopen met enen stake. .... Lanfroi 10356. Qui devant vint à une hache. Vore hem allen guam gheronnen Rein. 734. Lamfroit met ere scaerper acx. Onc nus ne vit si lede beste! 10364. Nie maecte God so lelic dier! Rein. 746. Cil qui fet pingnes et lanternes. 10393. Ene houtmakerigge van laternen. Rein. 804. De quel ordre volez-vos estre, 10414. Qui roge chaperon avez? In wat ordinen wildi u doen, Rein. 943. Dat ghi draghet root capproen?
Zie wegens de overeenkomst van vs. 10416 en Rein. 952–3 de varianten op dit vers.
Dist li rois: Bruns, qui t'a ce fet? 10429. Ai God, wie heeften so mesmaect? Rein. 987. Rois, fet-il, si m'a mal-bailli 10434. Renarz, com vos povez véoir. Ende hevet mi ghemaect alse ghi siet. Rein. 997. A véu l'oisel Saint-Martin. 10472. Sach hi Rein. 1046. Sente Martins voghel, ende quam ghevloghen Assez si le hucha à destre: 10473. Et li oisiax vint a sénestre. »Vliech te miere rechter hant!” Rein. 1051. Die voghel vlooch.......... .................... Ende vlooch Tibert ter luchter siden. Tybert, fet li Renarz, villecome. 10493. Neve, ghi sijt mi willecome. Rein. 1073. Mès sa parole que li coste? 10498. Wat cost Reinaerde scone tale? Rein. 1077. Martinet 10564. Avoit au trou deus laz tenduz, Por Renart prendre, le gorpil, ...................... Et Renarz l'enging savoit bien. Martinet Rein. 1175. ... hadde vor dat gat gheset Een strec, den vos mede te vane: .................. Dit wiste Reinaert, dat felle dier. Je t'atendré au trou çà fors. 10573. Ende sal u hier buten beiden. Rein. 1187. Tybert s'en eschape, li chaz, 10605. Qu'il ot as denz mengié les laz. So dat hi metten tanden sinen Rein. 1316. Die pese midden beet ontwee. A tot le mains en sa paroche 10631. Ne puet soner c'à une cloche. en es gheen lachter, Rein. 1300. Dat hi ludet met ere clockn. Alez donc tost, si l'amenez, 10653. Gardez sanz lui que revenez. Gaet, ende eer ghi wederkeert, Rein. 1016. Besiet, dat Reinaert met u come. Qar je n'i voi prestre plus près. 10744. Hier nes ander pape bi. Rein. 1442. Se je muir, si serai toz sax. 10730. Mine siele sal te claerre wesen. Rein. 1445. Or s'en vont li baron à cort. 10871. Die heren hebben den wech bestaen Rein. 1696. Tote des conincs hovewaert. Vers cele cort à ces gelines, 10888. Là est la voie que lessons. Te ghenen hovewaert Rein. 1706. So leghet onse rechte strate. Fet-il, je l'avoie oblié. 10896. Ic hads vergheten, lieve neve. Rein. 1725. Et nequedent sovent colie 10912. Vers les gelines cele part, Moult est dolent quant il s'en part; Et qui la teste li coupast, As gelines tantost alast. Hoe dicke sach Reinaert achter rugghe Rein. 1730. Weder, daer die hoenre ginghen! Hine conste hem niet bedwinghen, Hine moeste siere seden pleghen: Hadde men hem thooft af gesleghen, Het ware ten hoenrewaert ghevloghen. Et Bruns qui la teste ot vermeille. 10938. Brune, Rein. 1820. Dien noch bloedich es die crune Rois, fet Renarz, je vos salu 10943. Con cil qui plus vos a valu Que tuit li baron de l'empire. Ic groet u, coninc, ende hebbes recht; Rein. 1777. En hadde nie coninc enen cnecht So ghetrouwe jeghen hem Als ic oit was ende bem. Qar cil sont serf par nature. 10960. Die scalcheit es hem binnen gheboren. Rein. 1795. Renart, Renart, dist l'emperère, 11021. .................... Bien savez parler et plaidier, Mès ce que vaut? n'i à mestier; N'en partirez en nule guise Que de vos n'en face justise. Die coninc sprac: „Owi Reinaert, Rein. 1800. Owi Reinaert, onreine quaet, Wat condi al scone ghelaet! Dat en can u ghehelpen niet een caf. Nu comt uwes smekens af: In werde bi smekene niet u vrient. Se Bruns..... 10978. Et li vilains le ledenja, Et il por coi ne se venja? Was hi (Br.) teblouwen oft versproken, Rein. 1827. Waer hi goet, het ware ghewroken. Et si me face ardoir ou pendre, 11015. Qar ne me puis vers lui deffendre. Wildi mi sieden, ofte braden, Rein. 1842. Ofte hanghen, ofte blenden, Ic ne mach u niet ontwenden. Mès ce seroit povre venjance. 11018. Dat ware ene cranke wrake. Rein. 1849. Ez-vos Renart le pelerin 11169. Escherpe au col, bordon fresnin. Nu wart Reinaert pelgrijn, Rein. 2997. .................... Scerpe ende palster omme den hals. Dame, fet-il, vostre proière 11189. Devroie-ge avoir moult chière; Moult par devroit estre haitiez Por qui proier daingneriez. Bidt vor mi, edele vrouwe, Rein. 2745. Dat ic u met lieve weder scouwe.
Opmerkelijk is ook nog dat de eigenaardige fransche vocativus(92) (vs. 10445):
Où estes-vos, Tyberz li chaz?
evenzoo in den Comburger codex (vs. 421) gevonden wordt:
Die coninc sprac: Grimbert die das, U oom enz.
Al die plaatsen komen zoo letterlijk overeen, dat er geen twijfel over kan blijven, of het eene stuk is eene vertaling van het andere. Maar ziet, er komen nu zoo vele afwijkingen in beiden voor, dat men weder begint te twijfelen en naar een ander origineel omziet. Men zal daarbij echter met omzichtigheid moeten te werk gaan.
VI.
Wat zou dat andere origineel kunnen zijn? Het ouder gedicht dat aan de fransche branche ten grondslag ligt? Men zou misschien geneigd zijn dit aan te nemen, als men durfde gissen, dat de veelvuldige gelijkluidende assonancen in den Reinaert (zie boven, bl. XXV vlg.), ontstaan waren uit navolging van een fransch stuk dat in tirades monorimes geschreven was, hetgeen dan noodzakelijk ouder zou moeten zijn dan de 20e branche, die in rimes plates is geschreven. Maar vooreerst is er geen spoor over van een fransch gedicht in tiensylbige regels uit dezen cyclus(93); en buitendien bewijst de eigenaardigheid van het vlaamsche gedicht niets, daar in geene andere vertaling van tiensylbige fransche verzen met assonnance eenig spoor van des oorspronkelijken versbouw over is. Overigens hebben wij reeds betoogd, dat juist de bekende fransche tekst veel nader aan dat origineel staat dan onze vlaamsche Reinaert(94). Dus eene andere omwerking van dien ouderen tekst misschien? Maar is het mogelijk aan eene andere fransche omwerking te denken, daar de Reinaert juist met MÉONS branche zoo vele afwijkingen van het origineel gemeen heeft, en, gelijk wij zagen, niet slechts in het algemeen denzelfden geest als deze ademt, maar ook grootendeels denzelfden gang heeft, en daarenboven in een aantal plaatsen eene letterlijke, in een grooter aantal eene meer vrije navolging daarvan levert?
Om alle onderstellingen uit te putten vragen wij nog: kan het ook eene omwerking der branche van MÉON geweest zijn? Maar ook dit is onmogelijk; daar zeer zeker een zoo voortreffelijk stuk veeleer zou zijn bewaard, dan het minder afgewerkte, waarvoor het in de plaats trad.
Voegen wij er thans nog bij, dat de eigenaardigheid in het rijmsysteem van het vlaamsche stuk ook teruggevonden wordt in onze fransche branche, welke overeenkomst zeker geene toevallige kan zijn, en wel in rekening gebracht mag worden om de filiatie dezer twee stukken te betoogen(95).
Vestigen wij voorts onze aandacht op dat gedeelte van ons vlaamsch gedicht dat het meest van het Fransch afwijkt, dan blijkt ons dit zoo eigenaardig Vlaamsch, dat het ons reeds terstond veel waarschijnlijker moet voorkomen, dat dit een zelfstandig, onvertaald, oorspronkelijk opgevat en bewerkt stuk moet zijn, gelijk ons later nog duidelijker zal blijken.
Dit voert reeds tot het vermoeden, dat de overige afwijkingen van het Fransch ook wel een anderen grond konden hebben dan een ons onbekend ander origineel.
Trouwens, heeft de vlaamsche dichter ook wel uitsluitend willen vertalen? Slaan wij het oog op hetgeen hij zelf zegt in den aanhef van zijn werk.
Hij kende »davonturen van Reinaerde,” daar het hem immers anders niet had kunnen »vernoyen”, dat zij
In Dietsce onghemaket bleven.
Het »vernoyede” hem zoo zeer,
Dat hi die vite dede soeken,
dat hij zich de levensbeschrijving verschafte,
Ende hise na den Walschen boeken in Dietsce...... hevet begonnen.
Hij zocht dus, of deed zoeken, de geheele vite, en bewerkte zijn gedicht niet naar één boek, maar volgens DE fransche BOEKEN.
Dat hij zich hoofdzakelijk bepaalde tot dat gedeelte der sage dat, blijkens de verschillende navolgingen, reeds in 's dichters tijd voor het beste gehouden werd, en ook thans nog door alle beoordeelaars als de uitstekendste aller branches wordt aangemerkt(96), is hoogstnatuurlijk; maar slaafsche navolging hebben wij daarbij niet te wachten: verbeteringen, aanvullingen, die dan waarschijnlijk geput zullen zijn òf uit de andere fransche branches, òf uit de overlevering, die den dichter bekend was(97). Zien wij dit in de bijzonderheden.
De grootste afwijking bestaat in het verhaal van hetgeen er ten hove gebeurde, nadat Reinaert er verschenen was. In het Fransch schenkt de koning den vos vergiffenis op bloote voorspraak van Grimbert, zonder dat die genade gemotiveerd is, en alleen op voorwaarde dat Reinaert als pelgrim het heilige land zal bezoeken. Naauwelijks heeft hij genade verworven, en is hij buiten 's konings macht, of hij ontdoet zich, vs. 11262
Et du bordon et de l'escherpe: Son cul en tert, volant les bestes, Puis si lor giete sor les testes.
Nu stormt het geheele gevolg des konings hem na en jaagt hem binnen Malpertuis, waar hij veilig is,
Où il ne crient ost ne asaut.
Dan volgt een toevoegsel. Reinaerts burcht wordt belegerd: van zijne tinnen beschimpt de vos zijne belagers, en schoffeert zelfs op zekeren nacht de koningin. Maar bij die gelegenheid wordt de bedrieger gevangen genomen, die nu zou worden gehangen. Ter goeder ure kwamen echter Reinaerts echtgenoot en kinderen, en brachten
Un somier tot chargié d'avoir,
dat zij den koning aanboden.
Rois Nobles choisi le tresor, Vs. 11817. Qu'est devant li, d'argent et d'or; De l'avoir fu moult covoitos.
Geen wonder dan ook, dat hij gaarne voor dien schat Reinaert op nieuw genade schonk.
En dan volgt er (vs. 11853) waarschijnlijk een nieuw toevoegsel, waarbij wij ons niet zullen ophouden.
Nu behoeft men den Reinaert van vs. 1873 af tot aan het einde slechts vluchtig te doorloopen, om zich van de meerdere voortreffelijkheid van het vlaamsche stuk boven zijn origineel te overtuigen. Alles is hier met uitnemende kunst behandeld: eenheid en samenhang zijn treffend behouden, omdat elke bijzonderheid goed en natuurlijk is gemotiveerd.
En toch vond de dichter de aanleiding tot zijne hoofdmomenten in het fransche stuk. Reeds bij de derde indaging van Renart doet de koning hem daar weten dat hij met den strop zal gestraft worden; hij moet zich ten hove komen verantwoorden, en behoeft geld noch goede woorden meê te brengen (vs. 10724),
Si n'i aport or ne argent(98);
Als Reinaert voorts van de koningin een ring erlangt, zegt hij haar, vs. 11197:
Redonrai vos de mes joiax Tant que vaura bien cent aniax;
en later wordt hij werkelijk, onder bemiddeling der koningin, door een grooten schat van den dood vrijgekocht. Dit laatste heeft ook in den Reinaert plaats, maar onder zeer gewijzigde omstandigheden; en ROTHE heeft er reeds op gewezen, dat de schat, waardoor in het Fransch 's konings toorn gestild wordt, »rappelle l'idée générale d'un trésor qui influe sur la résolution du souverain. Mais”—voegt hij er bij—»il y a fort loin de là au trésor imaginaire de Reineke”(99). Hoe groot het onderscheid ook zij, de overeenkomst van het gronddenkbeeld is onloochenbaar, gelijk wij ook later onder het frissche vleesch van onzen Reinaert het gebeente der fransche branche zullen kunnen tasten.
De schat van koning Hermelinc wordt in het vlaamsche stuk zoo natuurlijk mogelijk in het verhaal gebracht, en heeft het dubbele voordeel, dat Reinaert daardoor niet alleen 's konings gunst verwerft, maar ook dat hij, vs. 2175,
Brune ende Isengrijn bede In veten ende in ongheval Jeghen den coninc bringhen sal.
Maar hoe kwam de dichter op de gedachte om op die wijze zijn voorbeeld te wijzigen? Blijkbaar putte hij die uit de traditie: »Dass Ermenrich in die erzählung gemengt ist,” zegt GRIMM(100), »verräth einen uralten Deutschen zug; wahrscheinlich ist eine flandrische tradition mit dabei im spiel.” En hij haalt daarbij eene plaats aan uit de Miracula Sti Bavonis, in de tiende eeuw geschreven, waaruit blijkt, dat men koning Hermenrijk voor den stichter der burcht te Gent hield, waar hij groote schatten vergaderd had(101).
Het geheele denkbeeld van eene biecht kon hij uit de fransche 20e (16e) branche ontleend hebben, waarin zij althans met een woord wordt aangestipt; vs. 11717 raadt Grimbert den vos, die op 't punt stond van gehangen te worden,
Or vos déussiez confesser,
en wat later, vs. 11807, komt zijne vrouw met den schat aan
Ançois qu'il ait dit sa confesse.
Het denkbeeld om zich op den beer en den wolf te wreken, en hen van een deel van hunne huid te berooven, is niet aan de 20e branche ontleend; maar het was blijkbaar oud. In het Fransch zoowel als in de latijnsche gedichten(102) vindt men dit incident in de verhalen waarin de kranke leeuw door den vos genezen wordt(103). En hetgeen merkwaardiger is, is dit, dat zoowel in den Isengrimus, den mhd. Reinhart, als in de 26e (21e) fransche branche, die wraakoefening voorafgegaan wordt van den hofdag waar Reinaert wordt aangeklaagd.
Blijkbaar schijnt intusschen op den hofdag bij den kranken koning de aanklacht tegen den vos maar weinig plaats te hebben beslagen, gelijk de Isengrimus leert. Of dit tafreel van lieverlede meer in het breede is uitgewerkt, om eindelijk als zelfstandig verhaal te worden behandeld, dan of de afzonderlijke ding-dag aanleiding gaf tot meerder uitbreiding van soortgelijk verhaal in het eerste deel der branche van de genezing des konings, is niet licht uit te maken. Ik zou intusschen niet ongeneigd zijn het eerste aan te nemen. Daarvoor pleit, dunkt mij, vooreerst de samenvoeging in den mhd. Reinhart; maar ten anderen ook de 26e (21e) fransche branche.
Zij begint ook met een hofdag op den Pinksterdag.
Ce fu entor la Pantecoste, Vs. 17885. Que dant Nobles tenoit sa feste: Asanblée i ot mainte beste; .................... Mais li chastelains de Val-gris, Dans Renarz, de qui toz max sort, N'ert pas adonc venu a cort.
Isengrim begint ook hier de aanklacht tegen zijnen vijand, die echter door Tybert verdedigd wordt. Hoewel hij reeds herhaaldelijk gedaagd is,
Plus de dis foiz, voire de vint,
wordt hij opnieuw opgeroepen, eerst door den hond Roonel, wiens vrouw hem echter waarschuwt, zeggende, vs. 18172:
Manbre-vos de Tybert le chat, A qui fist panre tant mal mors. Et de Belin, et de Brun l'ors, A qui il fist perdre la pel Des orailles dusc'au musel.
Roonel volbrengt intusschen zijne boodschap, maar wordt door den vos in 't ongeluk gestort. Dan volbrengt het hert de tweede indaging, en ook deze bode komt slecht van de reis. De koning wordt daardoor zoo vertoornd, dat hij de koorts krijgt. Daarop begeeft Grimbert zich naar Reinaert om hem deze boodschap te brengen; waarop dan de geschiedenis der genezing des konings door den vos begint.
Men ziet duidelijk, dat dit eene navolging is van de driedubbele daging uit onzen Reinaert, gelijk reeds door GRIMM is opgemerkt(104), die er echter op laat volgen: »gewis gab es ein älteres, mehr zu dem deutschen stimmendes franz. gedicht.” Hij zegt dit vooral met betrekking tot het laatste gedeelte der branche; maar wellicht geldt het evenzeer van het eerste stuk, dat zeer zeker »einen spätern umarbeiter verräth.”
Daar hij nu een ouder gedicht omwerkte, kan zijne inleiding daarin niet voorhanden geweest zijn: hij heeft dus hier zijn voorbeeld veranderd. Hoe kwam hij daartoe? en waarom deed hij het juist zoo? Mij dunkt, het ligt voor de hand om aan te nemen, dat hij dat ouder eerste gedeelte niet opnam, omdat dit tot een zelfstandig gedicht verwerkt was. En dat dit juist het onze is geweest, is niet onwaarschijnlijk, omdat dit juist het best verklaart hoe hij juist eene blijkbare navolging van dit stuk voor het oorspronkelijke in de plaats schoof.
Waarschijnlijk kende de dichter van den Reinaert dien ouderen vorm, hetzij dan uit een der latijnsche stukken, den Isengrimus of Reinardus, hetzij uit de mondelinge overlevering, daar hij waarschijnlijk het ouder fransche gedicht niet gekend heeft; en zoo kwam hij misschien op het denkbeeld om tot op eene zekere hoogte den draad weder op te vatten die zijn fransch voorbeeld had laten schieten.
De mishandeling, het dooden van Cuwaert, hoewel in het Vlaamsch geheel anders verhaald, moet ook uit het Fransch ontleend zijn, en wel uit de 20e branche. Daar heet het, vs. 11209 vlg., dat Renart na zijne begenadiging den haas, die zich in eene haag verborgen had, overweldigt en hem meêsleept:
En quide bien livroison fère Vs. 11246. A ses faonz sans demorance.
Maar het gelukte Couart den moordenaar te ontsnappen (vs. 11272), en zoo gewond en mishandeld als hij was
(Les costez a toz pertuisiez, Vs. 11279. Que li bordons i fu fichiez; Et la pel des piez et des mains A rompue, n'est mie sains.)
zich voor 's konings voeten te werpen en om hulp te smeeken, waarop Noble, verontwaardigd over het verraad van Renart, beveelt hem na te zetten.
Dat er werkelijk ontleening uit de fransche branche plaats had, mag ook daaruit worden opgemaakt, dat in 't Vlaamsch de misdaad aan Cuwaert gepleegd, niet gemotiveerd is; daar deze integendeel den vos, hoewel door angst gedreven, nog een dienst had gedaan, zie vs. 2628 vlg.
Daarentegen had in 't Fransch de haas zich zijn ongeval op den hals gehaald; want toen men Renart ter galg voerde, en alle dieren hem te lijf gingen, had Couart hem van verre,
De loing, que pas ne l'aprochoit, Vs. 11106.
met een steen geworpen; en juist omdat
En a crollé le chief Renart,
had de lafaard zich weggemaakt,
Que onques puis ne fu véuz.
en in de haag, waar hij zich verscholen had, ontdekt hem later Renart, die zich nu over den hoon hem aangedaan wil wreken.
Eindelijk komen wij tot het slottafreel van onzen Reinaert, dat WILLEMS als een overgang tot het tweede boek beschouwde(105). Over de optreding van Firapeel hebben wij reeds gesproken(106): het is hier de plaats om een enkel woord te zeggen over de regels die hoofdzakelijk den grondslag van WILLEMS' argument uitmaken; namelijk dat Firapeel zegt, vs. 3406:
Ende daer na sullen wi alle lopen Na Reinaerde, ende sulne vanghen, Ende bi siere kelen hanghen.
Zijn deze woorden uit de fransche branche ontleend, dan vervalt natuurlijk de stelling van WILLEMS zonder eenige tegenspraak. Welnu, als Cuwaert den koning Reinaerts nieuw verraad ontdekt heeft, roept Nobel uit, vs. 11290:
Or sai bien q'à mavès me tient. Seignor, fet-il, or après tuit! Que je le voi où il s'enfuit: Par le cuer bé, s'il vos estort, Vos estes tuit pendu u mort, Et cil de vos qui le prendra, Toz ses lignages frans sera.
De aanhaling zal genoegsaam zijn om te overtuigen, dat werkelijk de aangetogen woorden van onzen Reinaert uit de pen vloeiden van den oudsten schrijver, en niet van den omwerker.
In het origineel geven de mannen des konings gehoor aan zijne stem en jagen den verrader na, die zich eindelijk op zijne burcht bergt. In onze navolging kon dit niet, omdat Reinaert zich reeds te Malpertuis bevond, vanwaar hij zich buitendien met al de zijnen in de woestijn terug trok (vs. 3310–4).
De laatst aangewezen plaats snijdt de mogelijkheid af om te denken aan een plan om later in het gedicht uitvoering te geven aan Firapeels belofte om Reinaert te vangen en te hangen.
Heeft intusschen de dichter van den Reinaert het laatste gedeelte der branche waarin het beleg van Maupertuis beschreven wordt gekend?
Het antwoord op die vraag kan niet anders dan bevestigend uitvallen.
Het eerste gedeelte van het verhaal der gebeurtenissen na Reinaerts komst ten hove, tot aan zijne veroordeeling ter dood, Rein. vs. 1756–1890 stemt volmaakt overeen met vs. 10931–11094 van branche 20a; maar dan verlaat ons gedicht dit eerste gedeelte om zich nader aan 20b aan te sluiten.
Rein. vs. 1892 ziet men Grimbert met Reinaerts magen het hof verlaten, want
Sine consten niet verdraghen No sine consten niet ghedoghen, Dat men Reinaert vor haren oghen Soude hanghen alse een dief.
Zoo iets wordt in 20a niet gevonden; maar later wordt in 20b Grimberts smart aangestipt, vs. 11635:
Por Dant Renart que l'en devoure Ploure Grinbert et prie et oure: Ses parenz ert et ses amis, Liez le voit et entrepris, Ne set conment il le reqoe. Que la force n'est mie soe.
Reinaert vs. 1908 zegt de koning, die verlangt een einde aan de zaak te maken:
Twi sidi traech, Isengrijn ende here Bruun? .................... Salmen hanghen, twine doetment dan?
En ook 20b zegt Nobel tot Isengrin, vs. 11787:
Ce dist li rois, pensez del pendre, Que je ne voil mès plus atendre.
In den Reinaert bereiden zich zijne drie vijanden, de wolf, de beer en de kater toe om zelf den valschen moordenaar te hangen. In 20a heet het alleen, vs. 11095:
Sor un haut mont en un rochier Fet li rois les forches drecier Por Renart pendre, le gorpil;
zonder dat er gezegd wordt wie zich met de strafoefening belastte. Maar bij de tweede veroordeeling, in 20b, worden de dieren genoemd die zich van hem meester maakten, vs. 11605:
Lors Isengrin en piez se drece, S'aert Renart par la chevesce; Dou poing li done tel bufet, Del cul li fait saillir un pet. Et Brun l'aert par le chaignon, Les denz li met dusqu'au braon; .................... Tybert li chaz giete les denz Et les ongles, qu'il ot poignanz, Saisist Renart au peliçon, Bien li valut une friçon.
En vs. 11705 wordt er zelfs bijgevoegd:
Si anemi La hart li ont ja el col mise.
Eerst in 20b wordt van de nieuwe biecht gewaagd, die in den Reinaert zoo breedvoerig wordt uitgewerkt; immers vs. 11716 eerst zegt Grimbert:
Or vos déussiez confesser.
Bovendien wordt eerst in dit tweede gedeelte de schat vermeld, waarvoor Renart werd losgekocht, dien onze vlaamsche dichter tot koning Hermelinx schat maakte, en waarvan hij op veel geschikter wijze wist partij te trekken.
Reinaert vs. 1851 vlg. worden de dieren opgenoemd die bij des aangeklaagden komst ten hove hunne stem tegen hem verheffen: die plaats is ontleend aan 20a, vs. 10159 vlg. Maar onder de daar genoemde dieren komt ook voor, vs. 1868:
Dat foret, Clene-bejach.
welk diertje niet in 20a genoemd wordt, maar in de navolging der eerste plaats, die op het einde van dat oudste deel is geïnterpoleerd, vs. 11297 vlg., waar wij ook vermeld vinden
Et Petit-porchaz li Fuirons.
Reinaerts zoon heet in het mnl. gedicht, vs. 1419 Rosseel: in 20a Rouviel, maar eerst vs. 11729, dus in 20b, Rousel.
Hieruit blijkt, dunkt mij, ontwijfelbaar, dat de samensmelting van 20a en -b reeds had plaats gehad vóór dat onze Reinaert werd geschreven, welks schrijver blijkbaar zoowel met het tweede als het eerste deel dier branche is bekend geweest.
Zagen wij, dat ondanks het groote verschil 'twelk is waar te nemen in de laatste helft der beide gedichten, toch het fransche nog tusschen de beter uitgewerkte en levendiger gedachte tafreelen van het vlaamsche doorschemert, wij kunnen daarmede het pleit voldongen rekenen, en stellen, dat werkelijk het bewijs geleverd is, dat de Reinaert naar de ons bekende fransche branche 20, zoo al niet vertaald, dan toch nagevolgd is.
De vlaamsche schrijver heeft dan tot grondslag van zijn werk de uitstekendste der fransche branches genomen, en hoewel hij dit stuk voor een groot deel op den voet volgde, moet men erkennen dat hij door zijne zelfstandige toevoegsels, door zijne eigenaardige wijzigingen, door de meesterlijke wendingen die hij er aan heeft gegeven, een kunstwerk heeft in het leven geroepen, dat zijn origineel bijna in ieder opzicht overtreft, het geheel in de schaduw stelt, en dat zoowel aanspraak heeft op den naam van zelfstandig, origineel gewrocht, als op dien van meesterlijk kunstprodukt.
VII.
Wij mogen intusschen onze vergelijking niet als afgedaan beschouwen voor dat wij ook de overige afwijkingen in beide gedichten kortelijk hebben beschouwd.
Even als in het slot, is er ook verschil in het begin. De klacht van Isengrim is in beide gedichten dezelfde, maar daarop volgt bij den Vlaming terstond een toevoegsel, vs. 16–97, waaruit blijkt, dat hij zeer vrij zal navolgen, en daarbij soms zijn eigen weg gaan. Dit gebeurt dan ook dadelijk.
De klacht van Cortois, vs. 97–106, komt niet in br. 20a voor: waarschijnlijk is zij echter ook geene uitvinding van den vlaamschen dichter, maar uit de volksoverlevering geput; ten minste CHABAILLE heeft in zijn Supplément een klein gedicht uitgegeven, waarin eene worst voorkomt die aan Tibert op eene behendige wijze ontstolen wordt(107), gelijk ook hier, vs. 107–125, blijkt, dat deze eigenlijk eerst in 't bezit dier worst was geweest. Voorts maakt eene worst, waarvan juist Tibert den vos berooft, het onderwerp uit van het grootste gedeelte der 6e branche van MÉON, vs. 2219 vlg.
Merkwaardig is het, dat Tibert Reinaert verdedigt, vs. 107–125. Dit heeft in de fransche branche geen plaats; maar het denkbeeld zelf om Reinaerts zaak door den kater te laten bepleiten, is in de fransche gedichten niet onbekend. In de 20e branche zelve heet het iets later nadat men ontdekt heeft dat Coupée eene heilige was, vs. 10169:
.... Grimbert Qui por Renart parole et plaide Entre lui et Tybert le chat;
en nog duidelijker in de »branche de Renart si come il fu mires,” waar Tibert Reinaert bepaaldelijk tegen zijne aanklagers verdedigt, vs. 17999–18080, hoewel op andere gronden dan in ons gedicht.
Wij zagen boven, dat er eenige betrekking bestaat tusschen het verhaal van den hofdag, en de branche waarin Reinaert als geneesheer optreedt: door de merkwaardige overeenkomst die zich hier tusschen ons gedicht en die branche opdoet, vinden wij onze opmerking op nieuw gestaafd; maar juist hier betreuren wij het geene kritische uitgaaf der fransche branches te bezitten, niet bekend te zijn met alle grootere varianten, daar wij nu niet kunnen bepalen vanwaar onze vlaamsche dichter den eigenaardigen trek ontleende, die stellig niet van zijne vinding is. Dat hij dien uit de 26e (21e) branche nam is niet waarschijnlijk, daar deze alle kenmerken draagt van jonger te zijn: zoo er overneming plaats had, zou men eer tot het omgekeerde moeten besluiten.
Pancers beschuldiging, vs. 126–169, weet ik nergens aan vast te knoopen, wij schijnen hier eene toespeling op eene verlorene branche te hebben.
Grimberts verdediging van zijn oom komt gedeeltelijk met br. 20a overeen, waar men echter de goed aangebrachte wending niet vindt, dat Grimbert, het veld der verdediging verlatende, zich plotselings ten aanval keert. Isengrim, zegt hij, heeft Reinaert veel kwaad gedaan: vooreerst heeft hij hem bedrogen, toen de vos de »pladisen” van de kar afwierp, waaraan de wolf zich verzadigde zonder voor zijn makker iets anders over te laten
sonder allene een pladisengraet,
dien hijzelf niet mocht (vs. 208–216).
De das verdraait hier een geval, waarbij juist het tegendeel plaats had, en de wolf de bedrogene was. Tweemaal wordt dit feit in de fransche gedichten verteld, br. 2, vs. 749–916 en br. 10, vs. 3919 vlg. Waarschijnlijk had onze dichter de laatste branche op het oog, waar de visschen op de kar ook »pladisen” genoemd worden, vs. 3941:
De poisson chargiez estoient, Si comme harenz et plaïz.
Wij zullen later zien, dat onze dichter nog een ander feit uit dezelfde branche aanvoert, en wel op dezelfde verdraaide wijze. En het zal ons niet verwonderen dat hij er meê bekend was, daar zij, blijkens vs. 3827, te Arras of in Artois geschreven was.
Het tweede beschuldigingspunt van Grimbert is, dat Isengrim den vos bedrogen had betrekkelijk »enen bake,” waarvan hij hem tot zijn deel alleen
Die wisse daer die bake an hinc
overgelaten had (vs. 217–225). Ook het aventuur waarop hier gedoeld wordt, komt in de fransche branche 18 voor, vs. 7698–7970. Maar noch in het Fransch noch in den Reinardus, I, 186 sqq., waarmeê de fransche branche de grootste overeenkomst heeft, leest men hetgeen Grimbert er op laat volgen:
Reinarde was lettel te bet, Dat hi den goeden bake ghewan, In sulker sorghe, dattene een man Vinc, ende warp in sinen sac.
Waarschijnlijk is dit echter slechts een toevoegsel van den loozen advokaat om zijn kliënt des te meer als eene gemartelde onschuld te doen voorkomen.
Heeft onze Vlaming dit avontuur uit het Fransch of uit het Latijn? Ik zou eer meenen uit het Latijn, althans uit eene bron, die nader aan den Reinardus staat. In het Fransch worden wolf en vos als oom en neef voorgesteld, vs. 7713, 7731, 7763 enz., zonder dat er iets gezegd wordt of die bloedverwantschap echt of geveinsd zij. In den Reinardus daarentegen heet het I, vs. 11:
Dicebat patruum falso Reinardus, ut ille Tamquam cognato crederet usque suo.
En juist deze plaats schijnt nu de vlaamsche dichter op het oog te hebben, als hij den vos later, in zijne biecht, ook dit feit laat verdraayen, vs. 2101:
Daer na quam ic ende Isengrijn; .................... Hi rekende dat hi ware mijn oom, Ende began ene sibbe tellen.
Ook betrekkelijk het tooneel waarin Cantecleer wraak eischt over zijne vermoorde dochter Coppe, hebben wij eenige opmerkingen mede te deelen.
Ik zwijg er hier van, dat dit tooneel met veel meer talent is ingeleid dan in het Mhd. of Fransch het geval is: ik wijs slechts op twee afwijkingen van den tekst der 20e branche.
Vooreerst is het geheele tooneel iets vrijer bewerkt: de haan geeft eene schildering van zijn gelukkig huishouden, hoe hij met vijftien kinderen leefde, die door waakzame honden voor Reinaert beschermd werden. In het Fransch is het niet Chantecler, maar Pinte, die het weegeklag voor den koning aanheft, vs. 9989; een spoor daarvan vindt men nog in het vlaamsche gedicht, waar vs. 320 in C. gelezen wordt:
Ende minen sustren die hier staen,
hetgeen GRIMM terecht veranderde in minen kindren. Eindelijk was de vos als pelgrim tot Cantecleer gekomen, en had hem misleid door hem een vredebrief des konings te toonen. Deze bijzonderheid ontbreekt in de fransche 20e branche, maar is overigens in de sage niet onbekend. Reinardus III, vs. 1181, tracht de vos den haan een stuk beukenschors in de handen te stoppen en dat voor een vredebrief te doen doorgaan; maar de list mislukt(108). In de 6e fransche branche daarentegen, getiteld: Le desputement de la mesange avec Renart (MÉON, I, pag. 66), tracht Reinaert de mees te verlokken, wel niet door de aanbieding van den vredebrief, maar toch door zich te beroepen op den afgekondigden rijksvrede, vs. 1748:
Si a danz Nobles li lions Novelement la pès jurée, Se Diex plaist, qui aura durée. Par sa terre l'a fait jurer, Et a ses barons afier, Qu'ele ert gardée et maintenue.
In den mhd. Reinhart, waar dezelfde gebeurtenis verhaald wordt, vs. 177–216, komt deze bijzonderheid niet voor.
Dus ook hier schijnt ons gedicht nader aan den latijnschen Renardus, of misschien de vlaamsche overlevering te staan dan aan de fransche branches.
Zagen wij hier een toevoegsel, er ontbreekt in dit avontuur in het Vlaamsch ook eene bijzonderheid. Zoowel in den mhd. Reinhart, dus in het oudere fransche gedicht, als in de 20e branche bij MÉON, heeft er op het graf van Coppe een mirakel plaats, daar de haas, die zich op dat graf had neêrgevleid om te slapen, plotselings van zijne koorts genezen werd. Die trek is blijkbaar oud en echt(109), en er moet eene reden zijn waarom de mnl. dichter dien trek juist weglaat.
Het kan onmogelijk zijn omdat hij niet met het heilige durfde spelen; want hij verhaalt wel Reinaerts biecht en aflaat, en de vigilie die voor Coppe zelve gezongen werd; er moet dus een dieper grond voor zijn.
Wanneer men het vlaamsche gedicht ontstaan kon rekenen in de eerste jaren na den moord van den vlaamschen graaf KAREL DEN GOEDE (1126), dan zou men kunnen meenen, dat de dichter het mirakel op Coppens graf had achterwege gelaten uit eerbiedige herinnering aan »der aermer vader”(110), die ook na zijn dood een martelaar werd genoemd, en op wiens graf terstond mirakelen plaats grepen(111). Maar wij zullen zien, dat de ouderdom des gedichts onmogelijk zoo hoog is op te voeren.
Er moeten dus andere oorzaken aanwezig zijn, want de samenhang van den tekst verbiedt aan een hiaat in het handschrift te denken. En die oorzaak meen ik te mogen zoeken in het gezond verstand en den logischen zin van den vlaamschen dichter, die waarschijnlijk het mirakel wegliet omdat het in zijn voorbeeld te onpas was aangebracht en den geleidelijken gang van het verhaal stoorde. Eene vergelijking van het duitsche met het fransche gedicht zal ons doen zien, dat dit werkelijk het geval is.
Bij GLICHESÆRE wordt de koning zoo vertoornd over de ondaad die Reinhart aan Schanteclêrs dochter gepleegd heeft, dat de haas van schrik de koorts kreeg,
(Von vorhten bestuont in der rite. Vs. 1483)
Als dan de doode begraven is, legt zich de haas op het graf te slapen en geneest terstond van zijne kwaal. Hij schrikt op, en gaat terstond den koning de »vremdiu mære” verkondigen, er bij voegende, vs. 1496:
Daz daz huon wære Heilec vor gotes gesihte.
Nu ging er eene algemeene kreet aan het hof op, dat God een teeken gedaan had; en allen ontstaken in gramschap jegens den moordenaar, roepende, vs. 1508:
„Reinhart soldez vermiten hân, Daz er âan alle missetât Disen heiligen gemartirt hât.
En nu eerst gebood de koning zijnen kappellaan Brûne naar Reinhart te gaan om hem voor het gerecht te dagen.
Geheel anders is de toedracht der zaak in MÉONS 20e branche. Als Copée begraven is verzoeken al de aanwezige baronnen den koning wraak te nemen over
„Cel gloton, Qui tantes guiles nos a fetes Et tantes pès nos a enfrètes.” (vs. 10134.)
De koning zendt daarop Brun uit om den vos te dagen, en (vs. 10143)
Atant se met en l'ambléure Parmi le val d'une costure, Que il ne siet ne ne repose.
En nu eerst volgt het verhaal van hetgeen op het graf van Copée gebeurde (vs. 10146):
Lors avint à cort une chose: Endementiers que Bruns s'en vet Renart empira moult son plot: Quar mesire Coars li lièvres, Qui de péor trembloit les fièvres, (Deus jors les avoit ja éues,)
maar er is vroeger niet gezegd waarom hij zoo bevreesd was, dat hij zich de koorts op den hals had gehaald;—
Merci Dieu, or les a perdues Sor la tombe dame Copée. Car qant ele fu enterrée, Onc ne se volt d'iloc partir, Ainçois dormi sor le martir. ...................... Qant à la cort vint la novele, A tiex i ot qu'ele fu bele; Mès à Grinbert fut-ele lède, Qui por Renart parole et plaide Entre lui et Tybert le chat. S'or ne set Renarz de barat, Mar est bailliz, s'il est tenuz, Qar Bruns li ors est jà venuz A Malpertuis etc.
't Behoeft geen betoog, dat hier dit geheele verhaal geene de minste beteekenis heeft. In 't Duitsch blijkt de hen juist eene heilige martelares te zijn door het mirakel dat op haar graf gebeurde, en dit geeft aanleiding tot het gezantschap aan Reinhart. In het Fransch daarentegen heet Copée reeds martir vóór dat er iets op het graf had plaats gehad, en terwijl de bode reeds was uitgezonden, van wiens tocht het verhaal door deze episode, die hier een hors-d'œuvre is, ter kwader ure wordt afgebroken.
De fransche omwerker heeft hier, zoo als in dergelijke gevallen zoo dikwerf plaats heeft(112), de feiten uit zijn origineel dooreen gehaspeld; en dus de logische orde, het zinverband en de geleidelijke voordracht des verhaals verbroken. Kan het ons verwonderen, dat de vlaamsche dichter, die blijkbaar steeds met bewustheid en takt te werk ging, dit hors-d'œuvre, waarvan hij de strekking niet kon bevroeden, uit zijne omwerking verwierp?
Van den anderen kant zien wij hierin een nieuw bewijs, dat hij werkelijk de branche van MÉON tot voorbeeld had en het oorspronkelijke ouder fransche gedicht niet gekend heeft.
Ik heb boven (bl. LIX–LX) reeds gewezen op het onderscheid in de beide teksten in het verhaal hoe de beer van Lamfroits werf wegkomt; hoe kwam onze Vlaming aan het denkbeeld om Bruun te water te laten? Mij dunkt wij mogen hier vrijwerkende fantazie aannemen. Wij hebben hier in 't Vlaamsch nog eene andere bijzonderheid, die ook in de fransche 20e branche niet wordt aangetroffen.
Bruun, door angst gedreven, springt, vs. 821,
In enen trop van ouden wiven,
waarvan hij er eenige, en daar onder »des papen wijf” in de rivier werpt. Nu hield de pastoor op met slaan, en beloofde zijnen parochianen jaar en dag aflaat als vrouw Julocke gered werd: de geheele gemeente ijlde ter hulp en zoo kreeg Bruun gelegenheid te ontkomen.
Dit uitmuntend geschetste tooneel is den Vlaming geheel eigen; misschien heeft hem intusschen een soortgelijk, hoewel veel flaauwer geval, op het denkbeeld zijner schilderij gebracht. In de branche 21–22 is Isengrijn door Reinaert ook in eene hinderlaag gelokt. Een dorper, vs. 12339,
Et ses parenz et ses cosins,
zetten den wolf na, vs. 12345,
A cuinnies et à maçues,
waarop, vs. 12347,
Entre la porte et le vilein Fet Ysengrin un saut à plein: Si fort le hurte qu'il l'abat En une fange trestot plat. .................... Par les vileins s'en va fuiant, Et cil le vont après huiant. Le vilein trovent en la boë Grant et parfonde, si qu'il noë; Fors l'en ont tret a moult grant paine;
en dit geeft Isengrim gelegenheid te ontkomen.
Bij zoo oppervlakkige overeenkomst is het natuurlijk onmogelijk bepaald te zeggen, of er hier ontleening van het denkbeeld plaats had. Kon men aanwijzen, dat onze WILLEM deze branche gekend had, dan werd het reeds waarschijnlijk; maar daarvoor heb ik geen volstrekt afdoend bewijs.
Reinaert vs. 1290 lezen wij, dat toen Reinaert het ongeval vernam, dat Tibert in zijne angst den priester had toegebracht,
Hi loech, dat hem bachten scorde, Ende hem crakede die taverne.
De platte uitdrukking moet herkomstig zijn uit het Fransch, waar soortgelijke zaken veelvuldig voorkomen(113).
Willems zegt in de aanteekening op die plaats: »Taverne, kroeg; doch hier figuurlijk raeskamer.” Die verklaring is niet heel en al bevredigend, waarschijnlijk omdat de dichter een oneigenlijk woord gebruikte. Taverne is eene kroeg, dat is eene plaats, die voor jan en alle man open staat. Zoo gebruikt de dichter der branche 21–22 het woord. De wolvin verwijt aan Hermeline hare weinig ingetogen levenswijze, en zegt, vs. 12903:
„Moult par estes de mavès estre: De poior ne poiez-vos estre, Qar plus estes pute que moche Qui en esté la gent entoche: Qui que viegne ne qui que aut, Vostre taverne ne li faut.”
Kon deze plaats onzen Vlaming niet in het hoofd hebben gelegen, en hem verleid hebben hetzelfde woord, hoewel min eigenlijk voor een aangrenzend ligchaamsdeel te bezigen? Mij komt dit niet alleen niet onmogelijk, maar zelfs niet onwaarschijnlijk voor.
In de biecht aan Grimbert vindt men mede in het Vlaamsch eenige toevoegsels. In de fransche branche bekent de vos dat hij des wolfs wijf geschonden heeft, voorts, vs. 10759:
Ysengrin ai-je tant forfet, Que nel' puis nier à nul plet: Trois foiz l'ai fet metre en prison.”
(1) Hij heeft hem in een wolfsval (lovière) gelokt, waar hij danig is afgerost.
(2) Hij heeft hem in een »lardier” gebracht, waar drie baken lagen, waarvan hij hem zooveel deed eten dat hij er niet meer uit kon:
N'en pot issir, tant fu ventrez, Par le pertuis où fu entrez.
Verder, vs. 10777:
(3) Gel' fis séoir en la gelée Tant qu'il ot la qeue engelée; (4) Gel' fis peschier en la fontaine Par nuit quant la lune estoit plaine: De l'ombre de la blanche image Cuida, por voir, ce fust fromage; (5) Et si refu par moi traïz Devant la charete as plaïz. ................ (6) Par fine force de barat Li fis-ge tant que il fu moines. Pais dist que il seroit chanoines: Qant on li vit la char mengier, Fox fu qui de lui fist berchier.
Dan biecht hij het leed dat hij Tibert, het geheele geslacht van Pinte, en eindelijk den dieren die hem onder aanvoering van Isengrijn eens belegerden, had aangedaan.
Zien wij nu hoe de Vlaming dit weêrgeeft: Reinaert zegt, dat hij jegens alle dieren misdaan heeft: in de eerste plaats jegens Bruun, Tibert en Cantecleer; zelfs de koning, zegt bij, vs. 1477,
Die coninc en es mi niet ontgaen: Ic hebbe hem toren ooc ghedaen, Ende mesprijs der coninghinne,
hetgeen wel eene toespeling schijnt op hetgeen in branche 20b eerst verhaald wordt.
Vooral den wolf heeft hij misdaan: om hem beter te bedriegen had hij hem oom genoemd, en hem monnik doen worden »ter Elmare;” daar had hij hem aan de klokzelen gebonden, zoodat hij zooveel geraas maakte, dat men meende dat de duivel daar te werk ging, waarop alles te hoop liep en men den wolf bijna van het leven beroofde.
Men ziet dat er hier uitbreiding van het fransche verhaal (no. 6) plaats heeft. De fransche branche schijnt te zinspelen op de gebeurtenis ongeveer zoo als zij in den Reinardus verhaald wordt(114). Daar is van klokkengelui geene spraak: wel in de 9e fransche branche Comme Renart fist Primaut prestre, die den vlaamschen dichter bekend schijnt geweest te zijn, doch waarschijnlijk in ouder vorm(115), want er bestaat afwijking in de détails(116), hoewel het niet onmogelijk is dat dit verschil voortvloeide uit eene bewuste verandering der overlevering door den vlaamschen dichter, die in dit geval eer een mondeling verhaal dan een afgewerkt geschreven gedicht moet gekend hebben. Ook de 10e branche, die eigenlijk het tweede deel der 9e is, was hem bekend, althans haar inhoud.
In zijne biecht voortgaande, betreurt Reinhart dat hij zijnen oom bij de kruinscheering met heet water bijna het geheele hoofd verbrand had, hetgeen herinnert aan de 3e fransche branche: si comme Renart fist Ysengrin moine.
Dan volgt de toespeling op de vischvangst op het ijs even als in het Fransch (no. 3), en dan in het breede het verhaal van hetgeen de 20e branche slechts even aanstipt (no. 2). In de 9–10e branche wordt dit geval ook in het breede verhaald, vs. 4333–4555, maar met afwijkende omstandigheden. Het Fransch maakt geen melding van het land van Vermendois(117) (Rein., vs. 1514), noch van het kapoen dat de vos den priester ontsteelt. Het geheele geval heeft in 't Fransch zelfs niet bij een priester plaats. Nadat de wolf uit zijne gevangenis verlost is, beduidt de vos hem »d'aller prendre des oies chez un prêtre,” zoo als ROTHE zegt(118). Dit rust op een misverstand: de ganzen zijn onder de hoede van een man, die vs. 4630 le pastor genoemd wordt, welke uitdrukking waarschijnlijk aanleiding gaf tot de misvatting van ROTHE, die toch vs. 4606 had kunnen zien, dat er sprake was van »un païsan.” Zou de vlaamsche dichter ook door dezelfde vergissing op het denkbeeld van zijn priester gekomen zijn? In het Fransch eindigt de vos ook met eene gans te stelen en daarmeê huiswaarts te trekken.
In de 18e branche, vs. 9269 vlg., komt eene epizode voor, welke veel overeenkomst heeft met het mnl. verhaal.
Daarna deelt de vlaamsche dichter nog een soortgelijk geval mede, dat ik mij echter niet herinner in eenige fransche branche gevonden te hebben; en eindelijk komt ook de verkrachting van Isengrijns wijf te berde.
Uit dit alles blijkt vrij duidelijk, dat de Vlaming zijn origineel, dat hij ontegenzeggelijk voor zich had, niet angstvallig vertaalde, maar veeleer vrij navolgde, daarbij gebruik makende van zoodanige karakteristieke situatiën als hem, of uit de vlaamsche overlevering, of misschien ook uit andere fransche branches bekend waren. Onder de laatste mag men hoogstwaarschijnlijk rangschikken het origineel waarnaar de 26e branche werd omgewerkt en de 9–10e branche, hetzij dan in haar tegenwoordige vorm, hetzij naar het ouder stuk dat daaraan ten grondslag lag(119).
Zelfs in de afwijkingen vonden wij sprekende trekken die ons altijd weêr terugbrachten tot de 20e branche, zoodat daardoor het vermoeden geheel en al wordt uit den weg geruimd, dat een ander, ons onbekend fransch stuk, het origineel zou zijn waarnaar onze Reinaert werd bewerkt.
En zoo vinden wij dan genoegsame reden om in den Reinaert, ondanks het fransche schema dat er gedeeltelijk in gevolgd is, maar dat overal, zoowel in de eigenlijke navolging, als in de meer vrije deelen, door het vlaamsche gedicht verre overtroffen wordt,—een echt nationaal kunstprodukt te aanschouwen, waarop Vlaanderen ten eeuwigen dage roem mag dragen.
Zien wij thans in hoeverre onze nieuwgewonnen rezultaten van invloed zijn op de vraag omtrent den ouderdom van het gedicht.
VIII.
Van wanneer dagteekent het origineel waarnaar onze Reinaert werd bewerkt? Ziedaar de eerste vraag, die wij op te lossen hebben. Bleek de 20e (16e) branche eerst in de laatste helft der dertiende eeuw geschreven te zijn, of zelfs in de eerste der veertiende, dan zouden innerlijke bewijzen die aan het nederlandsche gedicht een stempel van hooger ouderdom schenen op te drukken, natuurlijk niets beteekenen. Die innerlijke bewijzen zijn gedeeltelijk aan het laatste, het oorspronkelijke gedeelte van den Reinaert te ontleenen, en wij zullen er daarom veel gewicht aan mogen hechten, omdat zij, als onze beschouwing over den oorsprong des gedichts opgaat, noodwendig licht moeten werpen op den tijd der vervaardiging, daar zij niet meer, zoo als GRIMM dacht(120), »schon in WILLEMS quelle gestanden haben, folglich nichts zur ermittlung seiner lebenszeit beitragen.”
Zien wij dus eerst hoe oud het fransche voorbeeld, de 20e branche van MÉON, mag zijn.
Gautier de coinsi, die eene verzameling van Maria-mirakelen schreef, en in 1236 stierf, getuigt herhaaldelijk hoe verbreid en bemind de Reinart-sage in Frankrijk was(121); ja hij maakt eene toespeling waaruit blijkt, dat hij onze branche 20 (16) gekend heeft.
Plus volontiers oient un conte, Ou une trufe, c'on lor conte, Si con Tardius li limeçons Lut et chanta les trois leçons Sor la bière dame Coupée, Que Renarz avoit escoupée(122);
nagenoeg letterlijk hetgeen wij in de 20e branche, vs. 10103 lezen:
Sire Tardis li limaçons Chanta por cele trois leçons,
namelijk voor Copée, die begraven werd.
Onze branche is dus blijkbaar vóór 1236 geschreven. Zien wij nu of wij haar ouderdom niet nader kunnen bepalen.
De proloog van dat stuk luidt aldus:
Perroz qui son engin et s'art Mist en vers fère de Renart Et d'Ysengrin son chier conpère, Lessa le miex de sa matère, Quant il entr'oblia les plez Et le jugement qui fu fez En la cort Noble, le lion, De la grant fornication Que Renarz fist, qui toz max cove, Envers dame Hersent, la love.
Uit die regels schijnt men te mogen opmaken, dat de dichter met geene andere branche bekend was dan die, welke PIERRE DE SAINT-CLOUD bewerkt had. Hij kan daarom niet veel jonger dan deze dichter zijn, hoewel men uit de eerste regels zou kunnen opmaken, dat PIERRE reeds gestorven was toen de 20e branche in zijn trant werd omgewerkt.
Omtrent PIERRE DE SAINT-CLOUD is weinig bekend. Grimm schrijft: »über seine lebensumstande fehlen genaue nachrichten, er wird in den beginn des 13 jh. gesetzt, und soll auch eine branche des Roman d'Alexandre, nemlich das testament, verfasst haben(123).”
Willems zegt bepaalder dat hij »omtrent 1230 leefde(124).”
Fauriel, de jongste schrijver over den Roman du Renart, in Frankrijk, laat zich daaromtrent aldus uit(125):
»Il serait de la plus grande importance pour l'histoire de la fiction du Renart d'avoir quelques anciennes notions, mêmes vagues, sur le temps où vécut PIERRE DE SAINT-CLOUD; et l'on n'en a aucune. A s'en tenir la-dessus aux conjectures les plus vraisemblables et les mieux liées avec les textes qui paraissent se rapporter à sa vie et à sa renommée, on peut admettre qu'il naquit dans le cours de la seconde moitié du XIIe siècle, et se fit connaître par ses ouvrages vers les commencements du XIIIe. La première mention qui semble concerner, sinon sa personne, du moins le genre de poésie qu'il remit en vogue, est le témoignage fréquemment cité de GAUTIER DE COINSI, prieur de Victor-Sur-Aisne. Or, une telle mention, qui ne peut être antérieure à l'an 1233, ne nous apprend rien de précis relativement à la date des premières productions de PIERRE DE SAINT-CLOUD sur le sujet de Renart. Il n'est pas impossible qu'elles remontent jusqu'à la fin du XIIe siècle; mais elles ne sauraient remonter beaucoup au delà. Toujours est-il que PIERRE DE SAINT-CLOUD est le plus ancien des trouvères connus pour avoir travaillé au Renart français, celui que l'on en désigne généralement comme l'inventeur.”
Wij hebben de geheele plaats uitgeschreven om te doen zien hoe nevelachtig het geheele vraagstuk, zelfs in Frankrijk, nog is; en toch komt het mij voor, dat er ten minste iets kan worden vastgesteld.
Tusschen 1150 en 1160 zag de Roman du Rou het licht, en daarin heet het:
Alisandres fu rois poissans, Doze règnes prist en doze ans: Mult out terres, mult ot aveir, Et rois fu de mult grant poeir; Mez cil cunquest poi li valu, Enveminez fu, si moru.
Dat die regels, in verband met hetgeen er op volgt, de Alexander-gedichten der fransche trouvères bedoelen, is blijkbaar en wordt ook algemeen aangenomen(126).
Op het Latijnsche gedicht van GAUTIER DE CHATILLON kunnen zij onmogelijk doelen, daar dit eerst na 1170 werd geschreven(127).
Een der branches der chanson d'Alexandre, en wel zoo als PARIS zegt(128), »l'une des meilleures branches de tout le récit,” heeft tot titel: Signification de la mort d'Alexandre, waarvan de inhoud aldus door denzelfden geleerde wordt opgegeven(129):
Elle raconte la trahison de Dimnuspater et Antipater, le couronnement du héros, le grand festin royal dans lequel Alexandre est empoisonné.” Dit komt, zoo als men ziet, ongeveer overeen met het tiende boek van MAERLANTS Alexander(130).
Nu moet het verwonderen, dat PAULIN PARIS ook deze branche rangschikt onder de »continuations plus récentes d'un siècle ou d'un siècle et demi,” van het oorspronkelijke werk van LAMBERT LI CORS en ALEXANDRE DE PARIS, dat hij in de eerste helft der twaalfde eeuw plaatst(131), zoodat deze branche eerst tusschen 1250 en 1300 zou zijn geschreven(132). Dit oordeel is vreemd, zeiden wij; want blijkbaar wordt deze branche, de eenige waarin de vergiftiging van ALEXANDER wordt verhaald, in de aangehaalde verzen van den Roman du Rou bedoeld, en valt dus stellig vóór 1150.
De schrijver nu dier branche was PIERRE DE SAINT-CLOUD, die dus reeds in de eerste helft der twaalfde eeuw heeft geschreven, en derhalve niet veel later dan omstreeks het jaar 1100 kan geboren zijn.
Had hij reeds vóór de branche van den Alexander een gedeelte der Reinaertsage bewerkt? In den Alexander immers leest men:
Li Grezois les engignent, com Renart fist le gal, Qu'il saisi par la gorge, quant il chantoit clinal(133).
In de 11e (17e) branche bij MÉON, waarin PIERRE als de schrijver genoemd staat, wordt vs. 4935–5492 juist verhaald, hoe de vos zich van den haan meester maakt....
Het zou echter gevaarlijk zijn daaruit een besluit op te maken. Vooreerst heet daar de haan nimmer li gal, maar altijd li cos, le coc, b.v. vs. 5036, 5308, 5319, 5328, 5340, 5415 enz.; en zoo daar al gewaagd wordt, vs. 4988,
De Chantecler qui cline l'ueil;
zoo de vos den boer beduidt dat hij hem den haan overlevere, vs. 5311,
Si le me baille par le col;
toch vindt men daar het verhaal niet zoo als het volgens de toespeling in den Alexander moet geluid hebben.
Maar ook de 5e (3e) branche van MÉON behandelt hetzelfde onderwerp als de 11e, maar met belangrijke afwijkingen in de détails. Hier beduidt Reinaert aan Chantecler, die ook hier nimmer li gals, maar li cos heet, dat zij »cosin germain” zijn: hij weidt uit in den lof van Chanteclers vader, die kraaide zoo als nooit een haan gekraaid had, en die daarbij de beide oogen sloot. En dan volgt een tooneel, dat wij geheel moeten afschrijven om te doen zien, dat het werkelijk alle bijzonderheden bevat waarop de Alexander zinspeelt:
Dist Chanteclers: „Renart, cosin, 1571. Volez me prendre par engin.” —»Certes, ce dist Renars, non voil, Mès or chantez, si clingniez l'oil; D'une char somes et d'un sanc, Miex vodroie estre d'un pié manc Que vos mesface tant ne qant, Que tu es trop près mon parent.” Dist Chanteclers: „Pas ne te croi: Un poi detrai en sus de moi, 1580. Et je dirai une chançon; N'aura voisin ci environ Qui bien n'entende mon fauset.” Lors s'en est souriz Renardet, Et dist Renars: „Chante, cousins: Je sauré bien se Chanteclins, Mes oncles, s'il vos fu noient.” Lors encommence hautement, Lors chanta Chanteclers un vers: L'un oil ot clos et lautre overs, 1590. Car moult forment cremoit Renart; Sovent regarde cele part. Ce dist Renars: „Ce n'est noient. Chanteclins chantoit autrement, A un lonc tret, à eulz cligniez, C'on l'ooit d'outre les plessiez.” Chanteclers cuide que voir die: Lors commence sa melodie, Les eulz cligniez par grant aïr. Lors ne volt plus Renart soffrir, 1600. Par de desus un rouge chol Le prent Renart parmi le col.
Vergelijkt men de lezingen van branche 11 en 5 met den mhd. Reinhart, vs. 11–176, dan ziet men terstond, dat de laatste branche zich het naast aan het oude gedicht houdt(134), waarop het zich dan ook beroept,
Trover le poez en l'estoire, 1384.
evenzeer als branche 11, waar wij, vs. 4038, lezen:
Que se li livres nos dit voir Où je trouve l'estoire escrite.
Het schijnt dus, dat de toespeling uit den Alexander niet op het gedicht van PIERRE DE SAINT-CLOUD ziet. Maar is werkelijk die 11e branche van gemelden dichter? Het is waar, zijn naam wordt in 't begin en het slot genoemd, maar altijd in den derden persoon.
Pierres qui de Saint-Clost fu nez, 4851. S'est tant traveilliez et penez Par proière de ses amis, Que il nos a en rime mis Une risée et un gabet De Renart, qui tant set d'abet, Le puant nain, le descréu, Par qui out esté decéu Tant baron que n'en sai le conte, Dès or commencerai le conte: Se il est qui i voille entendre, Sachiez moult i porra aprendre, Si com je cuit et com je pens, Se à escouter met son sens.
het slot luidt:
Ici fait Pierres remanoir Le conte où se volt traveillier, Et lesse Renart conseillier.
Of in een ander handschrift:
Chi fait Perrins remanoir Le livre de Renart pour voir Duquel s'est volus travillier: Ysengrin laist à conseillier (sic); Se par ce meschiet Ysengrin Li blames en ert sus Perrin.
Uit de laatste regels ziet men, dat de schrijver, d. i. hier de afschrijver, ook nog andere branches kende, waarin de wolf het kortste eind trok; maar dewijl zij niet in den anderen tekst voorkomen, laten wij dit buiten rekening. Wij mogen echter niet achterlaten op te merken, dat van PIERRE steeds in den derden persoon, en in den verleden tijd gesproken wordt, fu nez, volt traveillier, terwijl terstond daarop de eerste persoon gebruikt wordt, hetgeen wel eene tegenstelling schijnt aan te duiden.
Rothe zegt(135): »D'abord, à la vérité, l'auteur semble parler de PIERRE DE SAINT-CLOUD à la troisième personne; mais le reste prouve assez que cette onzième branche est précisément le poëme entier et isolé de ce même PIERRE DE SAINT-CLOUD, fort souvent(?) mentionné ailleurs comme auteur principal ou unique du poëme de Renart.”
Dat wij hier den inhoud van PIERRES gedicht hebben, geef ik gereedelijk toe; maar dat wij het niet juist in eene omwerking bezitten, zou moeten bewezen worden. De geheele proloog toch schijnt ons juist het werk van dien omwerker, die van zichzelf in den eersten, van zijn voorganger in den derden persoon spreekt. De geheele toon der inleiding is die van een later jongleur of kopist, die wijst op het nut, dat men uit de geschiedenis kan trekken, hetgeen zeker geen oorspronkelijk gezichtspunt is. Zoo luidt ook de inleiding tot de 29e branche (MÉON, III, pag. 82):
Une estoire vueil commencier. Qui durement fet à prisier; Et grant bien i porriez aprendre Se il vos i plest à entendre. Or m'escotez sanz noise fère, Que nus contes ne porroit plère A home qui est trop noisous, Mès de l'oïr soit covoitous: Celi qui oïr le vorra, Sachiez, grant profit i penra.
En dit kan ook niet wel anders, nu wij weten dat PIERRE DE SAINT-CLOUD zijn gedicht stellig eene geheele eeuw vroeger heeft geschreven dan WILLEMS het stelde. Dat de 11e branche een werk van de eerste helft der twaalfde eeuw zou zijn, kan niemand gelooven, en de vergelijking met br. 5 en het Mhd. leert duidelijk het tegendeel; terwijl wij daaruit ook ontwaren hoe overvrij de omwerker zijn origineel behandeld heeft. Waarschijnlijk heeft juist le livre, dat in de slotvariant genoemd wordt, dat ook vs. 4938 voorkomt, het oorspronkelijke werk van PIERRE bevat, en daar zal het aventuur van den haan zeker zóó behandeld zijn, dat wij mogen aannemen dat de toespeling uit den Alexander op PIERRES gedicht zag, waarin ook de haan met den ouder naam van le gal zal zijn genoemd.
Of PIERRE meer deelen der Reinaertsage bewerkt heeft dan deze verlorene branche, is niet uitgemaakt. Men zou het evenwel mogen opmaken uit de inleiding tot de 20e branche, waar gezegd wordt, dat Perroz, hetgeen dezelfde naam is met den verkleiningsuitgang,
Son engin et s'art Mist en vers fère de Renart Et d'Ysengrin,
welke laatste in de besproken branche geene rol vervult.
Misschien is die vermelding van Ysengrin slechts eene onnaauwkeurigheid, die haar aanwezen alleen verschuldigd is aan de behoefte om een rijmwoord te vinden. Hoe het ook zij, nergens vinden wij eenige andere branche uitdrukkelijk aan PIERRE DE SAINT-CLOUD toegeschreven. In de plaats bij CHABAILLE(136) voorkomende, wordt geen bepaald werk genoemd. Le grand d'aussy en RAYNOUARD kennen hem ook nog, volgens GRIMM(137), de branches 1, 2, 3, 4 en 5 toe; FAURIEL meent dat hij buiten de 11e alleen nog de 1e branche geschreven heeft(138). Van de eerste en de vijfde is het stellig te bewijzen dat PIERRE die niet kan geschreven hebben. De 5e is misschien eene omwerking van zijn vroeger gedicht, gelijk wij reeds zagen. De eerste draagt alle blijken van jonger oorsprong in hare beide deelen. Buitendien is er eene plaats in br. 11, die geheel en al 1b weêrspreekt. Dáár zegt toch de koning dat Isengrim niet moet gelooven dat Reinaert zijne vrouw heeft beleedigd, vs. 5668:
Que vos ice que ne savez, Fors seulement par oï dire, Li portez ne corroz ne ire.
In branche 1 ziet juist de wolf dat gebeuren, waarover hij zich in br. 11 beklaagt.
De geheele redenering van FAURIEL berust op het niet goed begrijpen van de inleiding tot de eerste branche.
Al wat wij dus van PIERRE DE SAINT-CLOUD weten, is, dat hij in de eerste helft der twaalfde eeuw, vóór 1150, schreef; en dat zijn werk voor ons is verloren gegaan. Maar dit is voor ons onderzoek reeds veel.
Een schrijver die onmiddellijk op hem volgt, kan niet veel jonger zijn dan de helft dier zelfde eeuw, en zal omstreeks 1150 moeten geschreven hebben. Zien wij, of wij de 20e branche zoo hoog kunnen opvoeren.
Grimm zegt van al de fransche branches(139): »Sprache und ausdrucksweise tragen insgemein die färbung anderer franz. gedichte des 13 jh.” Intusschen leert de vergelijking met de werken van CHRESTIEN DE TROIES, dat het niet onmogelijk is enkele branches tot de tweede helft der twaalfde eeuw, ja misschien nog wat vroeger, te brengen. Dit is het geval met de 20e, hetgeen door de volgende bijzonderheden wordt ondersteund.
Als Renart aan 's konings hof komt, zegt hij tot Noble, vs. 10953:
„Or ont tant fet li losengier, Qui de moi se volent vengier, Que vos m'avoz jugié à mort; Mès puis, sire, que rois s'amort A croire les mauvès larrons, Et il lesse les bons barons, Et gerpist le chief por la qeue Lors vet la terre à male veue.”
Buiten twijfel hebben wij hier eene toespeling op den Guillaume d'Orange. In de nog onuitgegeven branche, die tot titel heeft Li Moniages Guillaume, doet een ridder aan koning Lodewijk, die alle deugdelijke edellieden van zijn hof verwijderd had, het volgende verwijt, vs. 5159:
„Rois, nus frans homs ne vos devroit amer, Ne hennor fère, ne homage porter, Quar les prodomes avez toz adosez Et fors de France et chaciez et gitez, Tolu lor terres et toz deshéritez: Foui s'en sont de la terre esgarez, Et lor enfant chétis et désertez; Cil vos séussent le bon conseil doner, Quar li preudome font lor seignor douter. Mès li glouton, li losengier prové, Li pautonnier, cil sont à vos remés, Por lor losange les tenez en chierté; Li losangier font les rois décliner Et les hauz homes par lor bordes blasmer. Rois, tu les as montez et alevez, Or es por euls honiz et vergondez, Ne jà por euls ne seroiz amontez. Ne doit rois estre, ne corone porter, Qui à garçon fet son conseil privé, Mès les preudomes i doit-en apeler.”
En wat later, vs. 5399, wordt den koning op nieuw toegevoegd:
„Tu as la terre empirée forment Des gentix homes, des sages, des vaillanz, Qu'ensus de toi as chacié laidement: Désertez as les pères des enfanz. Par les frans homes est li sires poissanz: Tu n'en as nul de gentix ne de frans, Perduz les as tot par ton malvès sens, Dont tote France est tornée à torment.”
Voorts wordt hem verweten, dat hij zich alleen omringt met
„Les losangiers et les faus médisanz, Les traïteurs et les glouz malcuidanz, Ceus qui te servent de mençonges contant, Que entor toi as tenu longuement. Tu as doné t'onor et ton argent: Por lor conseil seras-tu recréant, Se Dex ne'l fet par son digne comment. Qui bordes croit et losangier sovent Au chief de tor, par mon chief, s'en repent.”
De vergelijking van de uitdrukkingen in den Renard en de aangehaalde regels uit den Moniage zullen wel geen twijfel overlaten, of er heeft in de branche van het dieren-epos eene toespeling op het heldendicht plaats. Zien wij, welke aanwijzing ons dit geeft aangaande den datum van den Renard.
Van den Moniage Guillaume bestaan twee redaktiën, waarvan de oudste tusschen 1050 en 1150, waarschijnlijk nog vóór 1100 valt(140). De jongere is eerst na 1150 ontstaan, maar zeker niet lang; wij mogen stellen omstreeks 1160(141). De schrijver van de 20e branche van den Renard had stellig de jongste redaktie op het oog, zoo als de daaruit aangehaalde plaatsen leeren, daar deze veel nader bij den tekst van den Renard komen dan het daarmeê overeenstemmende uit de oudste lezing(142). Buitendien is de omwerking geschreven in of omstreeks hetzelfde landschap, waar de dichter der 20e branche leefde, zoo als de vergelijking van beider taal leert. Zoo vinden wij, om maar één voorbeeld te noemen, bij beiden dezelfde spreekwijs terug, Moniage, vs. 5672:
D'autre Martin lor convendra chanter(143)
en Renard, vs. 10096,
Si parleron d'autre Martin.
Veel jonger dan deze redaktie van den Moniage, schijnt zelfs het tweede gedeelte niet te zijn, als mede uit de taal kan worden opgemaakt. Ook hier sta één voorbeeld. In de dertiende eeuw was het woord geste in de beteekenis van familie, geslacht, reeds minder gebruikelijk(144), en toch vinden wij het nog aldus gebezigd, Renard, vs. 11781:
Qui larron de pendre areste, Toz jors het mès lui et sa jeste.
Ook in dit tweede deel der branche komt eene toespeling op dezelfde chanson de geste voor, vs. 11751:
Ainz que Tibaut soit crestiens,
waarbij natuurlijk niet aan eene herinnering aan den historischen Thibaut van Champagne kan gedacht worden, die in 1253 stierf, en die in eene andere branche, vs. 16136, voorkomt(145).
Blijkbaar is hier die Tiebaut d'Orange bedoeld, die als de hevigste tegenstander van Guillaume en van het Christendom bekend is uit de fransche gedichten, die tot de tiende eeuw opklimmen.
Veel merkwaardiger nog is intusschen hetgeen Renard op het einde van br. 20a zegt, als hij den koning toeroept, vs. 11267:
Saluz te mande Noradins Par moi qui sui bons pelerins, Si te criément li paien tuit, A pou que chascuns ne s'en fuit.
Sultan Noureddin bloeide van 1149–1171, en stierf in 1173(146). Mag men nu uit de aangehaalde verzen niet besluiten, dat het gedicht, dat eene satyrieke toespeling maakt op de reeks van verliezen die de Christenen in het Oosten leden bij en na den tweeden kruistocht, 1147–1149, kort daarna, althans vóór den derden tocht, 1189–1193, geschreven werd, toen Saladijns naam dien van Noureddin geheel in de schaduw stelde? Bij de groote vermaardheid die de ridderlijke Saladijn weldra in Europa verwierf, dien onze kronijkschrijvers den bijnaam geven van »domitor Orientis, ac nostrorum terror,”(147) is het ondenkbaar, dat men zijn naam niet in de plaats zou gesteld hebben van den minder vermaarden; en onmogelijk kan daarom onze 20e branche na Saladijns optreden het licht hebben gezien. Het gedicht moet dus stellig tusschen 1150 en 1190 zijn tegenwoordige vorm hebben aangenomen. Maar zeer zeker valt het, ook om de boven opgegeven gronden, eer in de eerste dan in de laatste helft van dat tijdperk, waarschijnlijk vóór 1173, toen Noureddin stierf. Ja, als men de betrekking tot PIERRE DE SAINT-CLOUD in het oog houdt, en het verband met den Guillaume d'Orange, dan zal het niet te gewaagd zijn de periode van wording nog nader te bepalen tusschen 1160 en 1170. En meent men den schrijver van 20b nog zekere tijdruimte te moeten gunnen voor de samenlijming der verschillende deelen van zijne redaktie, dan zal men ten minste niet later kunnen afdalen dan tot op omstreeks 1175 of 1180, toen de dood van Noureddin hier algemeen bekend moest zijn.
Zoo meenen wij dan den bewerker van branche 20a in het derde, den schrijver van 20b, die de laatste hand aan het gedicht leî, in het laatste vierendeel der twaalfde eeuw te moeten plaatsen. 't Is waar, de grond waarop dit oordeel steunt, bezit niet de onomstootbare hechtheid van het historisch bewijs, en is uit eene reeks van gevolgtrekkingen en veronderstellingen opgerezen; maar ik vertrouw, dat men daaraan eene hooge mate van waarschijnlijkheid niet zal ontzeggen; en ik aarzel niet de hoop te uiten, dat mijne uitkomsten, die bij eene bloote lezing van mijn betoog wellicht voor eene subjektive opvatting kunnen worden aangezien, bij eigen aanschouwing en naauwkeurige toetsing der bronnen ook door anderen niet zullen worden gewraakt.
Zien wij thans, wat wij omtrent den ouderdom der vlaamsche navolging van het fransche gedicht kunnen vaststellen.
IX.
Als de fransche branche, die kennelijk den vlaamschen Reinaert tot model diende, eerst omstreeks het jaar 1180 is ontstaan, dan kan de navolging natuurlijk niet »omtrent den jare 1170” zijn geschreven, zoo als WILLEMS aannam(148), en ik vroeger op zijn voetspoor zocht te betoogen(149).
Willems zelf had die stelling eigenlijk al moeten opgeven, daar zij in strijd is met eene andere gissing door hem geopperd, en die veel waarschijnlijkheid heeft. De dichter van den Reinaert had vroeger reeds den Madoc geschreven, en WILLEMS vraagt, of men daarbij »niet zou mogen denken aen de zonderlinge lotgevallen van Madoc, zoon van Owen Guynnedd, prins van Wallis, die omtrent den jare 1170 America ontdekte?” en wiens wonderlijk verhaal van eene andere wereld men wellicht voor droomerijen hield(150).
Maar zoo wij al het jaar 1170 moeten opgeven, het blijft de vraag, of wij thans geene andere tijdsbepaling kunnen vaststellen?
Serrure meent dat ons gedicht »tusschen de jaren 1200 en 1220 geschreven” werd(151), maar geeft geene bepaalde reden op, waarom hij juist dit tijdperk aanneemt.
Zoo ons ergens een licht kan opgaan omtrent den leeftijd van den vlaamschen dichter, dan moet het vooral zijn in de eigenaardige toevoegsels waarmede hij zijn origineel verrijkte. Toetsen wij daarom nogmaals de gronden die daaraan te ontleenen zijn.
De namen van den deken Herman, die vs. 2717 (2737) voorkomt, of van meester Jufroet, vs. 2937 (2957), laat ik buiten rekening. Willems ziet in den laatsten »ongetwyfeld Godfredus Andegavensis, die in de eerste jaren der twaelfde eeuw leefde(152);” maar dat ongetwijfeld is toch wat sterk, daar de woorden die Jufroet worden toegeschreven, niet in de werken van den genoemden Godfridus worden aangetroffen(153). En wat den eersten betreft, zegt WILLEMS zelf(154) alleen maar dat »GRIMM vermoedt dat hier kan bedoeld zijn Herman, abt van St. Marten te Doornik, een beroemd schryver van den aenvang der twaelfde eeuw.” Hoe dit vermoeden »veel waerschynlykheid” kan hebben, »daer paus Innocentius II met dezen Herman meermaels in onderhandeling geweest is”(155), verklaar ik niet te begrijpen. Ik meen, dat het verstandiger is GRIMMS slotopmerking(156) in het oog te houden: »aber es kann viele geistliche und decane dieses namens gegeben haben;” te gereeder, daar het vreemd zou zijn, dat de dichter, die zich, volgens WILLEMS' eigen opmerking(157), steeds binnen de grenzen van Vlaanderen beweegt, hier zou gedacht hebben aan een Doorniksch prelaat.
De toespeling op een valschen munter, Reinout de Vries, vs. 2652 (2672) is te onbepaald om er bij stil te staan(158), hetgeen te meer is te betreuren, omdat wij hier waarschijnlijk eene kostbare aanwijzing zouden mogen vermoeden.
In navolging van WILLEMS(159) heb ik(160) groot gewicht gelegd op de vermelding van Hulsterloo als gelegen in zoo groot eene wildernis, dat men in zes maanden er geen schepsel ontmoette, vs. 2565 (2589). Serrure meent, dat er dit in den tekst ook niet staat, maar alleen »dat er by Hulsterloo een bosch was(161).” Intusschen staat er duidelijk, vs. 2553 (2578),
Int oostende van Vlaendren staet Een bosch, ende heet Hulsterlo. .................... Een borne, heet Kriekepit, Gaet suutwest niet verre dane; .................... Dats een die meeste wildernesse, Die men hevet in enich rike. Ic segghe u ooc ghewaerlike, Dat somwilen es een half jaer, Dat toten borne comet daer No weder man nochte wijf, No creature die hevet lijf.
Wat beteekent dit nu? Er is een bosch dat Hulsterloo heet, d.i. het Hulster bosch; niet ver van daar staat eene bron: dat is de grootste wildernis, welke laatste woorden natuurlijk niet op de bron van toepassing zijn, maar op de streek niet verre dane. Met die opvatting strijdt ook niet, dat er later, vs. 2644 (2664), van dien Kriekepit gezegd wordt:
Ne staet hi niet bi Hulsterlo, Up dien moer, in die woestine!
Men ziet, hier is nog geene spraak van »een dorp,” waarvan ook in den giftbrief van Dirk van den Elzas van 1136 geen gewag gemaakt wordt, waar alleen staat »illum locum qui dicitur Hulsterloe(162),” en in een document van 1139 wordt dit zelfs alleen genoemd »nonnulla terra in circuitu” van Saleghem(163). Eerst in een brief van paus Innocentius II van 1141 wordt gewaagd van de »curtes et villas.... Hulst et Hulsterloe(164).” Blijkbaar was dus omstreeks 1141 Hulsterloo bewoond, en in 1156 wordt er kerkelijke dienst gedaan en begraven(165). Daar het nu niemand zal invallen den Reinaert ouder dan 1140 te maken, daar hij minstens veertig jaren jonger is, blijkt het, dat de dichter, die van Hulsterloo spreekt als van een onbewoond, woest oord, hier geen toestand uit zijn eigen tijd heeft geschilderd. Waarschijnlijk maakte hij hier gebruik van eene bekende overlevering, die gewaagde van de woestenij van Hulsterloo ten tijde dat de valsche munter Reinout er huisde. Hoe lang kan zoodanige lokale overlevering, die minstens in het eerste kwart der twaalfde eeuw ontstaan schijnt(166), in levendig aandenken zijn gebleven? Dat is natuurlijk zelfs niet te gissen; maar toch meen ik uit haar voortbestaan te mogen opmaken, dat de vlaamsche dichter niet zeer lang na de bekendwording van de fransche branche zijne navolging heeft vervaardigd.
Tot dezelfde uitkomst schijnt men ook te geraken door de overweging, die WILLEMS het eerst bekend maakte(167), dat in den Reinaert Vermandois tot Vlaanderen gerekend wordt, hetgeen eene waarheid was van 1163 tot 1186, daar in dat tijdvak Filips van den Elsas gehuwd was met Isabella, erfdochter van Vermandois, waardoor dit laatste graafschap met Vlaanderen vereenigd werd tot op Isabella's dood.
Serrure merkt daarbij op(168): »Indien die vereeniging der twee landen tot deze aenspeling (sic) aenleiding gaf, dan kon dit zoo wel by herinnering twintig of dertig jaren later, dan 1186 (tydstip der scheiding) geschieden.” Dit komt mij echter niet zeer waarschijnlijk voor. Ik geef toe, dat de herinnering aan het feit nog eenigen tijd kon voortduren; maar toch kon dit, dunkt mij, niet wel meer na den dood van Filips, die in 1191 voorviel, plaats grijpen; te minder, daar terstond daarop juist eene drieledige splitsing van Filips' nalatenschap plaats had(169); waarbij het zuidelijk gedeelte van het graafschap, Atrecht, enz., van het noordelijke afgescheurd werd.
Die vermelding dus van het land van Vermandois als binnen de grenzen van Vlaanderen gelegen, schijnt recht te geven om het ontstaan van onzen Reinaert niet na 1191 te stellen; zoodat wij, in verband met het tijdperk waarin de fransche 20e branche in het licht verscheen, dat ontstaan tusschen de jaren 1180 en 1190 meenen te mogen stellen.
Ik heb met WILLEMS(170) een bewijs voor de oudheid van onzen Reinaert meenen te vinden in de omstandigheid, dat een priester er als wettig gehuwd in wordt voorgesteld, welk gebruik omstreeks de helft der twaalfde eeuw verboden werd. Serrure meent dat dit »geen stellig bewys” oplevert; »want,” zegt hij(171), »al is het waer, dat dit gebruik rond 1150 eindigde, dan bestaet er toch een fransche fabliau, Constant du Hamel, welk men aen ENGUERRAND D'OISY toeschryft, en in allen gevalle tot de XIIIe eeuw behoort, waerin insgelyks van het wyf eens priesters gewaegd wordt.”
De juiste ouderdom van dat fablel had moeten worden betoogd; want eene eenvoudige verwijzing naar DINAUX' Trouvères Artésiens is niet voldoende.
De eenige reden waarom DINAUX vermoedt dat het fablel van Constant du Hamel aan ENGUERRAND D'OISY kon worden toegeschreven, is deze, dat hij overeenkomst van onderwerp, denkbeelden en stijl meent gevonden te hebben in dit gedicht en het aan gemelden trouvère toegekende stuk getiteld: Le meunier d'Arleux(172). Die meening wordt echter door niets gestaafd, en er bestaat geen reden, om het oordeel en de naauwkeurigheid van DINAUX zonder nader bewijs te vertrouwen(173).
Maar behoort dan werkelijk dat gedicht »in allen gevalle tot de XIIIe eeuw”? Hoe stellig die verzekering ook moge klinken, zij mist toch allen grond. Zoowel de inhoud als de stijl van het stuk(174) schijnt eer naar het laatste vierendeel der twaalfde eeuw te verwijzen. Als ik mij niet bedrieg, heeft het verschillende familietrekken gemeen met sommige branches van den Roman du Renard, vooral met br. 20a. De overeenkomst van taal b.v. springt vooral in het oog, en ik wijs hier slechts op de uitdrukking »por le cor bieu,” vs. 354, 860, 863, die wij ook in br. 20a aantroffen(175).
Dat de schrijver met de dierensage bekend was, mag men opmaken uit de omstandigheid, dat hij aan een zijner personaadjes laat toevoegen, vs. 355:
Tu sambles miex leu qu'autre beste, De bras, de jambes et de teste;
hetgeen op eene merkwaardige wijze herinnert aan de plaats uit GUIBERT DE NOGENT, vroeger aangehaald(176).
Voor die bekendheid pleit ook de naam van den vilain naar wien het geheele fablel genoemd is, Constant, met den bijnaam du Hamel. Constant toch is de generieke naam voor de dorpers die eene rol in den franschen Renart spelen.
In de 5e (3e) branche heet hij Constant des Noes, vs. 1274, en evenzoo in de 19e (15e), vs. 8623; en de persoon zoowel als zijn rijkdom schijnt algemeen bekend geweest te zijn, daar er in de 26e (20e) branche, vs. 15328 gesproken wordt van
Un vilain Plus que Constanz des Noes riches.
In de 4e (2e) branche, vs. 1190, heet hij:
Mesire Constans des Granges, Uns vavasors bien aaisiez.
Ook in het fablel La vache au prestre, bij MÉON, tom. III, Pag. 25, vs. 31, komt die naam voor(177).