INLEIDING. (continued 3)
Reading edition
Hier is het tegendeel duidelijk te bewijzen, daar het vs. 497 heet:
Tant qu'il entra enz où hamel.
Uit den samenhang blijkt duidelijk, dat hier niet gedacht kan worden aan een »village, hameau bâti au milieu des champs,” zoo als ROQUEFORT het woord vertaalde; maar wel aan eene »habitation, petite ferme, maison de campagne seule dans les champs”(180). Ik kies deze woorden, omdat het die zijn, waarmede ROQUEFORT het woord mesnil verklaart, en dat woord in de 5e (3e) branche gebezigd wordt ter nadere aanduiding van Constants vrouw, die aldaar heet, vs. 1621:
La bone dame del mesnil.
Wat nu den toenaam Des Noes aangaat, ook die behoeft niet noodzakelijk aan een plaatsnaam ontleend te zijn. Noes of noue vertaalt ROQUEFORT door »eaux stagnantes, terrain bas et creux où l'eau séjourne; terres nouvellement mises en prés, pâturage ou prairie marécageuse.” Het komt dus geheel overeen met ons Maerlant(181), en Constant kan even goed naar het terrein dat hij bewoonde zijn genoemd, als naar zijne woning. En blijkbaar is er slechts één persoon gemeend, die beurtelings heet des Noes (du Mesnil), des Granges of du Hamel, van welke namen de drie laatste in beteekenis niet veel verschillen.
Men ziet daaruit, dat het fablel door SERRURE als bewijs aangehaald, geschreven schijnt in den tijd waarin verschillende, en daaronder van de oudste, branches van den Renart vallen, hetgeen veeleer naar de laatste helft der twaalfde dan naar de dertiende eeuw verwijst.
Ook het gedicht Du provoire qui menga les mores (LE GRAND D'AUSSY, tom. I, pag. 26*), waar in vs. 62 »la feme au prestre” voorkomt, is van geen jonger oorsprong, daar de dichter zelf verklaart dat hij het aan een voorganger, GUERINS, ontleent.
Dit alles te samen trekkende, komt het ons nog altijd voor, dat de vlaamsche Reinaert tot de laatste jaren der twaalfde eeuw mag en moet gebracht worden.
Wij mogen intusschen geene vraag achterwege laten, wier beantwoording licht over ons onderwerp kan verspreiden.
Reinaert vs. 3347 (3367) wordt gewaagd van
Botsaerde, sconinx clerc: Dat was hi, die hantwerc Bet conste dan iemen die daer was. Botsaert plach emmer dat hi las Die lettren, die te hove quamen.
Grimm gist, dat »damit vielleicht auf einen Bochard von Avesnes gezielt wird, der um 1218 starb”(182).
't Is waar, Bouchard van Avesnes was clerc, en in zijne jeugd beroemd om zijne geleerdheid(183), en toch is 't niet mogelijk dat hij bedoeld kan zijn; want niemand zijner vrienden zelfs wist dat hij te Orleans tot den geestelijken stand was overgegaan; en toen dit omstreeks 1214 bekend werd, had hij te veel roem als wereldlijk ridder verworven, en bleek hij een te groot zondaar, daar hij den geestelijken stand ontloopen was, om nog als een wijze en geleerde klerk te worden voorgesteld.
Bij het vermelden van Bouchards naam mocht iemand wellicht eenige overeenkomst vermoeden tusschen zijne geschiedenis en enkele trekken uit het laatste gedeelte van den Reinaert; maar bij eenige oplettendheid zal die overeenkomst in rook verdwijnen.
Bouchard had den geestelijken stand verzaakt, en was met de vlaamsche gravendochter gehuwd. Paus INNOCENTIUS III leî hem tot boete op een pelgrimstocht naar Jerusalem te doen, en de gravin weêr aan hare bloedverwanten terug te geven. Bouchard volbracht het eerste deel van dat bevel; maar toen hij zijne vrouw en twee zonen terugzag, zegt men dat hij uitriep, zich liever in stukken te laten houwen dan het offer te volbrengen. Door den paus in den ban gedaan, kwam hij later in handen der wereldlijke macht, en werd in 1218 te Rupelmonde onthoofd.
Ook Reinaert geeft althans voor »in vollen seende” gebannen te zijn, vs. 2718 (2738) omdat hij Isengrijn geholpen had in het vaarwel zeggen van den geestelijken stand, bij zijne vlucht uit het klooster: daarom is hij »in spaeus ban,” vs. 2700 (2720), en hij wil naar Rome en »over see” om aflaat. Ook het terugzien van zijne vrouw en twee zonen schijnt hem van het opgevatte voornemen af te brengen, en hij besluit 's konings wraak te trotseren.
Moet men niet erkennen, dat de overeenkomst tusschen het gedicht en de geschiedenis van Bouchard van Avennes hoogst gering is, waar de schijn van overeenkomst alleen geboren wordt als men alle karakteristieke bijzonderheden over het hoofd ziet? Ik voor mij aarzel geen oogenblik, alle toespeling op Bouchard van Avennes als hersenschimmig terug te wijzen, en als het meest waarschijnlijk aan te nemen, dat de vlaamsche Reinaert tusschen de jaren 1180 en 1190 is ontstaan, gedurende de regering van Filips van den Elzas, aan wiens tijd de geheele toon van het stuk over het algemeen herinnert.
Wil men volstrekt in den kapellaan Botsaert een historischen naam zien, dan vraag ik, of het niet de bisschop van Kamerijk van dien naam kan wezen, die tot op het jaar 1133 den bisschoppelijken zetel bekleedde, en herhaaldelijk in de diplomata bij MIRÆUS voorkomt?
Thans moeten wij nog kortelijk onderzoeken, of uit het gedicht zelf geene aanwijzing te putten is, waar het werd geschreven. Grimm was reeds getroffen door de »ganz flandrische färbung”(184) die er de eigenaardigheid van uitmaakt; op zijne vraag, of de mnl. dichter »die schon in seinem original vorfand, oder aus einheimischer tradition der thiersage hineinbrachte”? hebben, zoo ik hoop, de voorgaande bladzijden het antwoord gegeven.
Maar in welk gedeelte van Vlaanderen ontstond dat uitstekend kunstwerk? Snellaert zegt: »Geheel het gedicht, zoowel het eerste als het tweede boek, moet in West-Vlaenderen zyn opgesteld”(185). Met betrekking tot het gedeelte dat ons hier bezig houdt, haalt hij ten bewijze van den west-vlaamschen tongval aan de woorden eeke, wulf, ghi dinct en vroet(186). Maar is die uitspraak alleen aan West-Vlaanderen eigen? Mij dunkt, de oude schrijvers beantwoorden die vraag ontkennend. Er is echter meer. Zou een West-Vlaming het tooneel van zijn gedicht zoo bij voorkeur in Oost-Vlaanderen gelegd hebben? Zou hij met zulke voorliefde van het »soete lant van Waes” (vs. 2263) gesproken hebben? Hulsterloo, Absdal, Besele(187) liggen alle in dit »oostende van Vlaendren;” Hyfte, »thans geen dorp meer maer een gehucht by Desteldonk en Loochristy,” dat met Gent genoemd wordt, pleit evenzeer voor Oost- en niet voor West-Vlaanderen, zoowel als de abdij van Elmare, waar de wolf monnik zou worden. Is dit alles niet veel eer geschikt om de stelling aannemelijk te maken, dat ons gedicht op dien bodem is ontstaan?
Wie de schrijver was, zal wel immer een geheim voor ons blijven, tenzij eenmaal de Madoc werd terug gevonden, waaruit ons misschien eenig licht over zijn persoon mocht opgaan. Thans weten wij alleen, dat hij WILLEM heette, vroeger nog een gedicht had vervaardigd, wellicht »vele boeke,” en dat hij den Reinaert op verzoek eener hoofsche vrouwe heeft gedicht.
Het is te betreuren, dat er niet meer licht over zijne persoonlijkheid kan worden verspreid, daar hij zeker de voortreffelijkste dichter mag genoemd worden, die het graafschap Vlaanderen heeft opgeleverd; een dichter, begaafd met eene scheppende fantazie, en toegerust met een smaak zoo als maar zelden in de middeneeuwen, althans op het gebied van onze letterkunde, gevonden wordt.
