INLEIDING.
Reading edition

I.
Het is een verblijdend teeken, dat in de laatste jaren de belangstelling in het uitstekendste voortbrengsel der Middennederlandsche poëzie, den uitmuntenden Reinaert, blijkbaar is toegenomen, en dat WILLEMS' voorspelling zich heeft bevestigd, »dat de geleerde Vossenjacht nog niet geheel is ten einde geloopen.”
De geschiedenis onzer letterkunde vooral moest er zich mede bezig houden, ten einde de vraag naar den oorsprong en den ouderdom van den Reinaert en de omwerking, ware het mogelijk, duidelijk te beantwoorden. Want, zoo men het eens was over de uitstekende waarde van het gedicht, omtrent al het overige was er strijd; en toch is dit vraagstuk van het grootste belang voor de geheele geschiedenis onzer middeneeuwsche letterkunde.
Grimm stelde den oudsten dichter omstreeks 1250, en de omwerking ongeveer honderd jaar later, in de tweede helft der veertiende eeuw(1). Willems plaatste den eerste omstreeks 1170, en den tweede even vóór 1270. Dit laatste gevoelen werd hier te lande, en ook elders(2), vrij algemeen omhelsd. Ikzelf heb in mijne Geschiedenis der Mnl. Dichtkunst voor den oudsten dichter het jaar 1170 aangenomen, en den omwerker in de veertiende eeuw gesteld(3). De jongere SERRURE is daartegen opgekomen. Volgens zijne meening »werd het eerste boek des Reinaerts tusschen de jaren 1200 en 1220 geschreven”(4), en aangaande den leeftijd van den omwerker en dichter van het tweede boek vindt hij de stelling van WILLEMS de meest aannemelijke(5).
Verschillende andere vraagstukken die daarmede innig samenhangen zijn nog duister of worden althans betwist.
Nu is de Reinaert in zoo vele opzichten een belangrijk verschijnsel in onze letterkundige wereld, dat ik het wel der moeite waard reken op nieuw en opzettelijk een kritisch onderzoek aangaande den oorsprong van dit dichtstuk te beproeven.
Als ik mijzelven afvroeg, waarin eigenlijk de oorzaak van zulke uiteenloopende oordeelvellingen mocht gelegen zijn, kwam ik al spoedig tot de overtuiging, dat daartoe niet weinig bijdroeg, dat wij nog geene eigenlijke kritische uitgaaf van den geheelen Reinaert bezitten; dat de eerste helft der omwerking in haren samenhang ons nog geheel onbekend is; en dat wij dus eigenlijk verstoken zijn van de bewijsstukken, waaruit het vonnis moet worden opgemaakt.
Die stelling moge vreemd klinken, als men zich herinnert, dat de oudste Reinaert reeds driemaal is gedrukt(6), tweemaal kritisch behandeld, en dus, zoo als KAUSLER zich uitdrukt(7), »durch die kritischen ausgaben.... von GRIMM und WILLEMS hinreichend bekannt” is.
Een kort overzicht der vroegere uitgaven moge mijne stelling intusschen rechtvaardigen.
De oudste Reinaert is ons slechts in één handschrift, het zoogenoemde Comburgsche, thans in de openbare boekerij te Stuttgardt, bewaard. Grimm achtte dien tekst »wahrscheinlich im beginn des 14 jh. geschrieben”(8); maar de nadere beschrijving van het geheele handschrift door KAUSLER leert ons, dat het gedeelte dat den Reinaert omvat, eerst omstreeks het jaar 1400 is te boek gesteld(9). Het afschrift is dus betrekkelijk zeer jong, en uit een tijd dat men zich niet bijzonder om diplomatische naauwkeurigheid bekommerde. Het is dan ook vol fouten, zoowel misstellingen en uitlatingen(10), als willekeurige veranderingen en invoegsels van den slordigen afschrijver, die zeer dikwerf het ouder handschrift dat hij naschreef niet goed las, en daardoor de ergerlijkste, meestzinstorende fouten in zijnen tekst bracht.
Dien Reinaert liet GRÄTER voor de eerste maal in 1812 afdrukken in het vijfde deel der Braga und Hermode, en wel, naar KAUSLERS woorden, »unverändert und so weit diess bei einer mangelhaften Kenntniss der Sprache unde Paläographie möglich war, ziemlich richtig.” Die gebrekkige palaeographische kennis wil eigenlijk zeggen, dat GRÄTER ter naauwernood zijn codex lezen kon, zoo als in het oog springen zal uit het volgend proefje van leesfouten, die ik niet alle op rekening van het handschrift durf stellen, hoewel dat zeer gebrekkig is.
Vs. 113 wronghene voor wroughene; 115 ghesaet-ghesciet; 157 l'pelen-spelen; 176, 543, 767 sullren-sulken; 184 hnighe-hinghe; 198 sonde-soude; 201 landen-tanden; 202 coude-conde; 218 ret-vet; 237 ghenimt-ghemint; 269 hinit, 741 hunt-huut; 275 cene-eene; 290; 961 mi-nu (1041 omgekeerd); 292 fée-sere; 294 Thinc-Ghinc; 308 drenen-dreven; 309 dronghen-droughen; 414 zIIIIer-zuver; 947 crIIIIe-crune; 476 bruue-brune; 488 houen-honen; 494 oni-om; 671 omiroet-onvroet; 605 ghenen-gheven; 768 enme-cume; 802 abscale-abstale; 848 onner-ouver; 856 vloutte-vloucte; 993 diet-dier; 1007 niene-menne; 1023 salue-salne; 1073 nene-neve; 1081 lijue-lijne; 1091 braet-vraet; 1214 vmdise-vindise; 1220 sander hu saense-sauder hu saeuse; 1225, 1234 niet-met (1531 omgekeerd); 1344, 1376 waernen-waerven; 1355 wanc-wane; 1419 rollel-rossel; 1589 verbouden-verbonden; 1625 ghenouch-ghevouch; 1747 dien-die ic; 2032 ghenruch-ghenouch; 2157 vernaert-vervaert; 2275 vine-vive; 2302 (2298) oer-oec; [2328 hodenare-hodevare]; 2372 (2396) vore-vote; 2573 (2597) hi-bi; 2591 (2615) rijkelijn-rijkelijc; 2607 (2651) sat-scat; 2633 (2657) dier-dies; 2734 (2754) mitte-nutte; 2764 (2784) waernen-waerven; 2798, 2956 vernaert-vervaert; 2935 (2955) spacus-spaeus; 2947 (2967) dine-dinc; 3329 (3349) cumen-rumen.
Voorts wordt herhaaldelijk de kapitale L in het begin der regels als R gelezen; b.v. 165 Raetti voor Laetti; 424 Revic-Levic; 721 Riept-Liept; 791 Raghen-Laghen; 793 Rudmoer-Ludmoer; 796 Rudolf-Ludolf; 815 Ramfroit-Lamfroit; 838 Rieten-Lieten; 863 Rach-Lach; 1299 Raet-Laet; 1367 Raghen-Laghen; 1387 Rachterlike-Lachterlike.
Deze misstellingen, waarvan sommigen misschien niet aan den eersten uitgever, maar reeds aan den schrijver van den codex te wijten zijn, werden in den druk van GRIMM bijna alle verbeterd, en hij had zeer zeker recht van zijne uitgave met betrekking tot die van zijnen voorganger te zeggen: »die Comburger.... jetzt hoffentlich besser von mir herausgegebene hs.”(11). Maar wij weten(12) dat GRÄTERS tekst GRIMM tot legger diende, waarbij slechts nu en dan »eine nachvergleichung der hs.” plaats had. Dit bewijzen ook de aan den voet van GRIMMS uitgave medegedeelde varianten, die blijkbaar die van GRÄTERS tekst zijn en niet direkt van het handschrift.
Grimms meerdere kennis verbeterde, gelijk wij zagen, de meeste valsche lezingen; maar het zal ons niet verwonderen dat zoo nu en dan iets aan zijne aandacht ontsnapte, waardoor enkele blijkbaar valsche lezingen in den tekst zijn blijven staan: zoo b.v. vs. 94 swighis voor swighic; 347 Riepen-Liepen; 804 houtmakigge-houtmakerigge; 1948 voden-roden; 2324 (2350) ghescoort-ghestoort.
Hoezeer GRIMM vele fouten wegnam, komen er echter in zijnen tekst nog verscheiden voor, die, hoewel van eenen anderen aard, daar zij gewoonlijk het broddelwerk zijn van den slordigen schrijver van den codex, niet minder de lezing bemoeyelijken. Overigens bepaalde hij zich om de orthographie van het stuk te verbeteren(13), zonder den versbouw te herstellen.
Twee jaren na GRIMMS uitgave zag, in 1836, die van WILLEMS het licht. Zij was het gevolg van den aankoop door het Belgische staatsbestuur van een handschrift, dat de omwerking van het eerste boek, en het bijvoegsel dat men het tweede boek noemt, bevatte. Dat handschrift was »vry gebrekkig, en zeker niet beantwoordende aan den onmatig hoogen prys, waarvoor het was verkregen,” gelijk WILLEMS zelf getuigde(14).
Hij begreep dat van dit nieuwe handschrift partij moest worden getrokken; maar in steê van de omwerking in haar geheel afzonderlijk in het licht te geven, kwam hij op het zonderlinge denkbeeld om een geheel samen te stellen uit twee zeer ongelijksoortige deelen: het eerste boek was een herdruk van den ouden tekst, met varianten uit den jongeren; het tweede boek, dat zich hieraan moest aansluiten, gaf den tekst van den, volgens den uitgever zelf, honderd jaar jonger navolger. Ziehier hoe hij daaromtrent rekenschap geeft:
»Uit eerbied en ontzag voor het oudere goede, ben ik dus te rade geworden het by GRIMM afgedrukte eerste gedeelte, 3474 versen beslaende, als grondtext te volgen, plaetsende de varianten van het handschrift onder dien text. Doch de aldus opgeteekende variae lectiones waren zoo groot, zoo talryk, dat ik my heb verplicht gezien, wilde ik geenen dubbelen text in zyn geheel leveren, daerin besnoeiïngen te maken, hierin bestaende, dat ik het min belangryke verschil van spelling en van woordplaetsing onopgemerkt liet, en slechts als variante heb laten gelden wat werkelijk verandering was, of wat my toescheen van de kennis onzer oude tael eenige oplettendheid te verdienen.
»Het gedicht is door my in twee boeken afgedeeld, waervan het eerste den ouden Reinaert der twaelfde eeuw uitmaekt, en het tweede het vervolg bevat, in de dertiende eeuw geschreven.”
Zoo ontstond eigenlijk een monster in den trant van BARNUMS Syrene; en de aesthetica, de geschiedenis der letterkunde, de taalstudie, alles eischt dat wij thans dien onnatuurlijken band ontknoopen, en thans werkelijk »eenen dubbelen text in zyn geheel leveren.”
Omtrent zijne wijze van tekstbehandeling zeî WILLEMS: »De oude prosavertaling, de fragmenten in GRÄTERS Odina und Teutona, en in GRIMMS Reinhart Fuchs medegedeeld, midsgaders de Saksische vertaling (Reineke), stelden my in staet, althans ten deele, om de boven vermelde gapingen van het handschrift aan te vullen, om de vergissingen en miszettingen des afschryvers te herstellen, om de schryfwyze meer regelmatig voor te dragen, met één woord, om eenen meer critisch behandelden text aen het publiek te leveren.”
Gelijk uit den samenhang blijkt, ziet dit alles hoofdzakelijk op het tweede boek. Maar ook betrekkelijk het oudste deel heeft WILLEMS zich niet geheel aan den tekst van GRIMM gehouden. Vooral in de spelling heeft hij zich zekere vrijheid veroorloofd en haar meer regelmatig gemaakt, terwijl hij de ontbrekende of overtollige adspiratie in de vlaamsche uitspraak herleid heeft tot het gewone spraakgebruik. Enkele malen heeft WILLEMS ook meer eigenlijke wijzigingen in GRIMMS tekst aangebracht: zelden is hij hierin gelukkig geweest, en zoowel in dit opzicht als in de tekstverklaring, ziet men de duidelijkste sporen van de overhaasting, waarmede die uitgave tot stand kwam. En geen wonder: in de maand Mei ontving WILLEMS den last om »er eene uitgave van voor te bereiden;” hij zette zich »met iever aen het werk”(15)—en het voorbericht, geschreven toen de geheele tekst was afgedrukt, is gedagteekend den 20 Augustus!
Dat er tot eigenlijke tekstkritiek, die zich iets meer ten doel stelt dan de verbetering der bloote schrijffouten van het hs., in deze uitgave geene poging werd gedaan, zal men WILLEMS allerminst tot een verwijt mogen maken: men herinnere zich slechts, dat het werk in de eerste helft van het jaar 1836 voltooid werd, en men verlieze niet uit het oog, dat men toen gewoonlijk aan diplomatischen afdruk der handschriften de voorkeur gaf, zoodat WILLEMS werkelijk meer geleverd heeft dan men van het standpunt der toenmalige—ik zeg niet wetenschap, maar—beoefenaars van het vak kon verwachten.
Had WILLEMS het geluk gehad den tijd te beleven dat eene tweede uitgave van zijn werk noodzakelijk werd, hij zou zeker niet berust hebben in zijn vroegeren arbeid. Ik kan daarom ook geen vrede hebben met den onveranderden herdruk door SNELLAERT in 1850 in het licht gegeven.
Hij ging uit van het beginsel: »Eene tweede uitgaef van deze uitmuntende bewerking is toch niet te veel”(16). Zoo nu ontegenzeggelijk de uitgave van 1836 een werk was »waer de roem van [onzen] overleden vriend zoo innig mede verbonden is,” ik kan daarom nog niet toestemmen, dat SNELLAERT »aen de nagedachtenis van den vriend verschuldigd” was in 1850 een werk letterlijk te herhalen, waarin de voortschrijdende wetenschap van lieverlede leemten en gebreken moest doen vinden. Willems zocht naar waarheid en billijkte geen stilstand: hijzelf zou zeker geen onveranderden herdruk hebben goedgekeurd na een tijdsverloop van veertien jaren, en daarom kan ik mij niet vereenigen met de stelling van onzen vriend SNELLAERT, wiens hart hier zijn hoofd heeft verschalkt.
Buitendien begrijp ik ook niet hoe de nieuwe uitgever, »zonder gevaer te loopen van een zoo gunstig beoordeeld werk een wangedrocht te maken, onmogelyk een anderen text geven kon(17).”
Ik heb integendeel beproefd een »anderen tekst” te leveren, en ik hoop toch geen »wangedrocht”; evenmin als ik geloof mij aan de letterkundige nagedachtenis van den voortreffelijken Vlaming te hebben vergrepen.
Dat ik eene nieuwe uitgave noodzakelijk rekende op den tegenwoordigen trap der wetenschap, vindt, naar ik vertrouw, zijne rechtvaardiging in het voorafgaande overzicht; thans een enkel woord over de wijze waarop ik mij van mijne taak meende te moeten kwijten.
In de eerste plaats scheiding der ongelijksoortige deelen, door eene afzonderlijke uitgave der beide teksten. Dit is een eerste vereischte; want eerst als men de omwerking in haar geheel voor oogen heeft zal eene werkelijke vergelijking mogelijk worden, en de tijdsbepaling van het ontstaan van het tweede stuk naauwkeurig kunnen worden afgebakend.
Ik vervul thans het eerste gedeelte mijner taak; ik geef in de eerste plaats een nieuwen druk van het ouder, oorspronkelijke stuk, omdat dit, wegens de meerder aesthetische waarde, de meeste belangstelling verdient en zal opwekken. Ik waag het eene nieuwe uitgave te leveren, omdat de bekende teksten tot een wetenschappelijk onderzoek onvoldoende zijn, daar zij niet zelden berusten in eene lezing die onverstaanbaar is, en geen zin hoegenaamd oplevert. Ik streefde er daarom naar een kritisch verbeterden, lees- en verstaanbaren tekst tot stand te brengen.
Ik heb daartoe naauwkeurig de varianten in GRIMMS uitgave vergeleken, en waar het mij noodig scheen, mij vergewist van de lezing van het Comburger handschrift door bemiddeling van KAUSLERS onuitputtelijke bereidvaardigheid. Niet zelden stelde mij dat in staat de echte lezing te herstellen.
Eene doorloopende vergelijking van mijn tekst met de kollatie aan den voet, zal doen zien, dat er vrij wat kaf van het koren te scheiden viel. Hier mogen een paar der treffendste voorbeelden daaromtrent allen twijfel wegnemen.
Behalve op de eerste verzen van den proloog, wier oorspronkelijke lezing eene geheele verandering moet brengen in het vraagstuk over het ontstaan des gedichts, en die ik iets later naar de oorspronkelijke lezing zal aangeven, wijs ik op de volgende plaatsen:
Als de beer Reinaert komt indagen, zegt deze hem, dat hij »den buuc so gheladen” heeft (556) met honing, dat hij kan staan noch gaan. Dan volgt later bij GRIMM en WILLEMS, 568:
versscer honichraten Hebbic commer harde groot,
dat WILLEMS verklaarde: »ik heb grooten kommer wegens.... versche honigraten.” Intusschen is kommer gebrek, waarvan hier natuurlijk geen sprake kan zijn. Maar ziet, in de kollatie bij GRIMM staat voor het commer van den tekst: coiiiier, en dat is blijkbaar couuer, couver, coever, daar in den codex steeds onze tweeklank oe door ou wordt uitgedrukt. Coever nu is een bekend woord, dat overvloed beteekent.
Als de kater in den strik van Martinet gevangen is, heet het 1208:
Tibert moeste roepen doe Ende wronghede hem selven dor den noot: Hi makede een gheroep so groot, Dat Reinaert hoorde up der straten.
Dit wronghede verklaart GRIMM, p. 274, door »drehen, schnüren,” en WILLEMS met »verwrong.” Maar wronghede veronderstelt een ww. wronghen, dat niet bestaat; aan wringen valt niet te denken, hoewel de overeenkomst van klank de vorige uitgevers schijnt misleid te hebben. Buitendien blijkt uit het voorgaande zoowel als het volgende vers, dat er een woord moet staan, dat zich verraden, of iets dergelijks beduidt. Eene kleine verandering geeft dit: men leze slechts wroughede, wroeghede.
Vs. 1222 leest GRIMM:
Tibert, ghi singhet ni lanc so bet,
hetgeen hij noemde, p. 274, »eine verderbte stelle, der ich keine hülfe weiss.”
Willems veranderde je lanc so bet; maar eenvoudiger is te lezen in lanc so bet, dat het hs. wel zal hebben, en de goede oude uitdrukking is.
Vs. 1306 leest WILLEMS met GRIMM:
Doe hiefsene op met haerre cracht.
De variant bij GRIMM geeft hieffene, dat de ware lezing is, mits men voor Doe leze Soe. Dat de kapitale D en S licht te verwisselen waren leert het facsimile.
Vs. 1988 gebiedt de wolf zijne vrouw Reinaert niet te laten ontvluchten:
No dor goet, no dor miede, No dor nijt, no dor noot.
Uit nijd kon zij hem onmogelijk laten ontsnappen: dit is onzin; en buitendien weet men, dat Hersinde den vos alles behalve nijd toedroeg. De variant bij GRIMM heeft: no dor met, hetgeen blijkbaar verkeerd gelezen is voor niet, d.i. welwillendheid, genegenheid, hetgeen alleen een gezonden zin geeft.
Vs. 1947 bij Gr. en W.
Ghi sult doden Reinaert, uwen neve, den fellen voden.
Willems verklaarde: »voden; nog overig in hondsvot, een obsceen woord, door velen gebezigd, maar door weinigen verstaan.” Grimm leerde, p. 278: »vode, lump, lumpenkerl. Kilian schreibt vodde, Maerl. 3, 418 steht vuden. Der acc. unserer stelle, wenn es ein subst. ist, forderte vode, es scheint also adj.”
In de plaats die GRIMM uit MAERLANT aanhaalt, schuilt eene drukfout, daar men blijkbaar voor vuden het bekende ruden moet lezen: dezelfde letters worden daar meer verwisseld, b.v. bl. 138, vs. 80, waar rasten moet gelezen worden voor vasten.
Men heeft nu waarschijnlijk reeds ontwaard, dat ook in de aangehaalde plaats uit den Reinaert dezelfde verwisseling is ingeslopen, en dat het onbekende voden moet plaats maken voor het hier zeer gewone: den fellen roden.
Vs. 2094 leest GRIMM:
Ende verbeet hanen ende hoender,
hetgeen WILLEMS willekeurig veranderde in:
Ende verbeet vogel ende hoener,
niet bedenkende, dat het den vos moeyelijk moest vallen vogelen te bespringen. De variant bij GRIMM geeft de juiste lezing aan: haenden, d. i. eenden, zoo als ons MAERLANTS Naturen Bloeme leert.
Vs. 3114 (3134) leest men bij GrW.:
Die welpkine liepen ten brase,
hetgeen GRIMM (p. 285) verklaart: »Zur mahlzeit, zum schmause: braes epulae, brassen epulari.” Intusschen is het »vermuthete” braes nergens aan te wijzen. Willems zegt: »Brase, bras; om te brassen.” Grimms variant geeft ten base, dat hij terecht verwierp. Hoe eenvoudig is het intusschen om aan te nemen, dat dit kwalijk gelezen is voor ten hase, d. i. met de Vlaamsche adspiratie ten ase, dat ook de omwerking heeft. De h en b worden ook elders verwisseld, b.v. 2572 (2597) waar uit het hs. gelezen werd hi avonture, hetgeen blijkbaar is bi avonture, en niet, zoo als in de andere uitgaven staat, die avonture.
Enkele andere plaatsen moesten worden terecht gebracht, waarin meer dan eene verkeerde lezing van een ouden of nieuwen afschrijver stak. Zoo waren de volgende onverstaanbaar.
Tibert, de kater, den vos ten hove willende verdedigen tegen de aanklacht van den hond Cortois, zegt ten slotte van zijn pleidooi, 124:
Hets recht dat omberet si Die claghe die Cortois doet.
Daartegen verzet zich Pancer, de bever, 126:
Dinct u goet, Tibert, dat men die claghe ombere? Reinaert es een recht mordenere, enz.
En als hij dit metterdaad wil bewijzen, vervolgt hij, 135:
Wat sechdi van ere laghe? En dedi ghistren enz.
Grimm noch WILLEMS geven hier eenige verklaring, die echter bij die plaats wel noodig kon schijnen. Wat beteekent toch die vraag? Er is immers van eene laghe (hinderlaag) niet gesproken! De omwerker heeft, volgens WILLEMS' variant, van eenre sagen, hetgeen evenmin een gezonden zin oplevert. Is het nu te stout hier, tegen de handschriften aan, te verbeteren:
Wat sechdi van omberen claghe?
Dan loopt immers de zin zoo natuurlijk mogelijk af.
Als de koning Reinaert voor de tweede maal door Tibert doet indagen zegt bij onder anderen, 1022:
En comt hi niet, hets hem quaet, Men salne drie werven daghen, Te lachtre allen sinen maghen.
Deze lezing is echter blijkbaar valsch, daar het onmogelijk Reinaerts magen tot schande kon strekken, dat hij naar wettig gebruik driemaal gedaagd werd. Buitendien zeî toch de koning, dat het reeds slecht met hem af zou loopen, als hij op deze tweede indaging niet ten hove verscheen. Bedenkt men dat Tibert later tot den beklaagde zegt, 1070:
Die coninc dreicht u an u leven Ne comdi te hove niet met mi,
dan kan het niet missen, of de natuurlijkste verbetering is deze:
Men salne hanghen sonder daghen,
gelijk de koning ook in het fransche gedicht zegt, 10447:
Dites moi le rox deputaire Qu'il me viengne en ma cort droit faire En la présence de ma gent; Si n'i aport or ne argent, Ne parole por soi deffendre, Mès la hart à sa gole pendre.
Blijkbaar bedorven is ook de volgende plaats, die intusschen aldus in het handschrift gelezen wordt. Als Reinaert gebiecht heeft geeft Grimbert hem de absolutie, en daarna, 1683:
Riet hi hem goet te wesene, .......................... Ende dat hi vort alle sine daghe Behendelike soude gheneren.
Maar Reinaert had zijn geheele leven niets anders gedaan dan zich behendelike te genéren. Wie ziet niet dat hier moet gelezen worden bescedelike, dat in het schrift des tijds bij vluchtige inzage van een slordig geschreven codex lichtelijk met behendelike kon verwisseld worden, bij de overeenkomst der letters sc en h.
Vs. 1692 leest men:
Nu moet hi pleghen siere selen,
dat WILLEMS vertaalt: »Ziedaer, hoe hy zyne ziel moet verplegen.” De lezing is door GRIMM in den tekst gebracht, daar C. heeft:
Nu moet hi siere sielen pleghen,
hetgeen GRIMM verwierp omdat pleghen niet rijmde op stelen. Beter ware echter het slechte rijmwoord dan het ondietsche woord selen. De afschrijver had hier denkelijk vs. 428 in het hoofd:
God moet haerre siele pleghen,
met het rijmwoord versleghen. Dat 692 alleen het rijmwoord te veranderen was, leert de vergelijking met 381:
Ic moet miere siele telen,
welk telen of ghetelen ook nog 2333 (2359) voorkomt. Men leze dus 1692:
Nu moet hi siere siele telen.
Deze sprekende voorbeelden mogen volstaan om te doen zien hoezeer onze Reinaert eene kritische behandeling noodig had om daarvan een verstaanbaren tekst te leveren.
Behalve soortgelijke verbeteringen heb ik mij dikwerf omzettingen van woorden veroorloofd of vervanging van den eigennaam door een voornaamwoord, waar de versbouw dat noodig maakte. Ik ben overtuigd dat een ouder handschrift die veranderingen in den regel zou schragen; maar ook zonder dien steun ben ik daarin niet angstvallig geweest, daar ik nimmer zal kunnen gelooven, dat een zoo uitstekend dichter als de auteur van den Reinaert was, niet zou voldaan hebben aan de eischen van welluidendheid en verzifikatie.
Eindelijk heb ik het gewaagd met behulp van den omwerker enkele gapingen aan te vullen, die het recht verstand in den weg stonden, b.v. achter vs. 2276, en 2634 (bij GrW. 2658); terwijl ik er zelfs niet tegen opzag om de 30 verzen na 2308 (bij GrW. 2304) uit den tekst te werpen, daar zij blijkbaar den samenhang stooren en geheel en al buiten den geest van het oorspronkelijke gedicht vallen, dat even vrij van eigenlijke fabelen is als het vervolg er mede is opgevuld.
Men zal dit waarschijnlijk te gewaagd vinden; sommigen het een onverdedigbaar vergrijp tegen de overlevering der handschriften noemen. Ik mocht mij door dit vooruitzicht niet laten weêrhouden alles aan te wenden om het meesterstuk onzer middeneeuwsche poëzie zooveel mogelijk in zijne oorspronkelijke reinheid te herstellen. Ik zeg zooveel mogelijk, want ontegenzeggelijk heeft de tekst door eigendunkelijke veranderingen der afschrijvers geleden, die jonger vormen of uitdrukkingen stelden in de plaats van wat hun verouderd of onverstaanbaar voorkwam. Ik zal slechts een paar voorbeelden aanhalen. Blijkbaar is niet zelden het meervoudige pronomen ghi, u, in de plaats getreden van het enkelvoudige du, di, zoo als schijnt te blijken uit 2856–7 (2876–7). Willems noemt(18) »het woord bedi, door den auteur van het eerste boek zoo gaerne gebezigd;” nu komt dat woord in onzen tekst slechts vijf maal voor: twee maal in den zin van doordien, daarom (2892, 2975), driemaal in de beteekenis van want (2331, 3110, 3162). Overal elders leest men daarvoor: dor dat (111, 216, 884). Dit bracht mij zelfs eerst op de gedachte of het tweede gedeelte van ons gedicht ook van een andere hand kon zijn dan het eerste, te meer daar er na vs. 2170, dus juist in dat gedeelte dat, gelijk wij zien zullen, het meest van het Fransch afwijkt, ook nog andere woorden voorkomen, die niet in de eerste 2000 verzen gevonden worden, als altoos, als ende als, bedraghen, beghaen, bliken, erre, iet, indien, claren, wout enz. Maar een zeer omstandig onderzoek heeft mij van het tegendeel overtuigd.
Immers het geheele stuk door vind ik de tusschenzinnen op dezelfde wijze aangebracht, vs. 6, 103, 138, 193, 447, 453, 611, 914–5, 1404, 1440, 1470, 1593, 2162, 3161–2, 3177, 3425.
Evenzoo is het met de allitererende formulen; 13, 33, dorpren ende doren, 66 dor edelheit ende dor ere, 668 onteert ende ontervet, 1284 scade ende scande, 1563 leet ofte lief, 1606 stene ende struke, 1685 vasten ende vieren, 1970 nichten ende neven, 1989 no dor niede no dor noot, 2073 vrient no viant, 2094 haenden ende hoener, 2150 lief no leet, 2238 hout van herten, 2346 droghe ende diep, 2855 struke ende stene.
Op dezelfde wijze vindt men het geheele gedicht door tautologische uitdrukkingen waarop GRIMM de aandacht gevestigd heeft(19) als stal ende nam, pine ende onghemac, hermite oft clusenare, bejach no ghewin, owi ende wee, diefte ende roof, enz. enz., b.v. 42, 97, 103, 106, 230, 264–5, 268, 276, 306, 308, 326, 333, 350, 358, 405, 435, 484, 485, 516–7, 531, 597, 613, 666, 690, 693, 701, 743, 770, 933, 1046, 1108, 1174, 1182, 1426, 1438, 1449, 1532–3, 1591, 1597, 1678, 1691, 1787, 1816, 1842, 1878, 1894–5, 1988, 2041, 2043, 2054, 2064, 2075, 2086, 2093, 2097, 2114, 2118, 2120, 2173, 2191, 2251, 2272–3, 2308, 2309, 2315, 2336, 2342, 2362, 2462, 2485, 2496, 2507, 2512, 2588, 2697, 2860, 2894–5, 3000, 3045–6, 3071, 3079, 3205, 3345, 3366, 3420.
Voorts enjambeert de zin over den rijmregel het geheele gedicht door, b.v. 229, 359, 985, 1315, 1361, 1578, 1731, 2250, 2339, 2360, 2439, 3243, 3244, 3327, 3332, 3435.
In beide deelen vindt men onzuivere rijmen, b.v. 105 man, nam, gram, began, 451 graf, was, 795 swinghen, vingheren, 2101 Isengrijn, rijm, 2113 doe, vro, 2129 Hersinde, kindren, 3359 trac, dat(?), 3431 verbijt, dit, 2851 omberen, varen, 2913 snoeren, te voren, en misschien 3027 voeten, grote.
Van het begin tot aan het eind ontwaart men een streven om denzelfden rijmklank te vermenigvuldigen: vooreerst in de veelvuldige opvolging van vier zuivere rijmwoorden, b.v. 139 ghedede, vrede, ghelede, crede; 261 an, can, man, ban; 267 ware, clusenare, hare, jare; 367 niemare, ware, clusenare, twaren; 459 boecstave, grave, begraven, scraven; 945 prihore, ore, bescoren, verloren; 1233 ghestaen, ghevaen, wane, hane; 1307 waert, Reinaert, waert, vervaert; 1333 rade, dade, daet, raet; 1501 begheven, leven, gheven, leven; 1737 ghelaet, vraet, gaet, quaet; 2065 man, an, dan, man; 2295 vrouwe, trouwe, soude, woude; 2299 waer, haer, vare, openbare; 2725 vaert, claert, Reinaert, waert; 2761 lede, vrede, crede, mede.(20)
Voorts springt dit nog veel duidelijker in het oog als men de bloote assonnance in rekening brengt, die ontelbare malen, het geheele gedicht door, meer dan twee regels verbindt. Wij zullen slechts enkele voorbeelden bijbrengen, omdat het ons aan plaats ontbreekt de grootste helft van het gedicht hier af te schrijven.
Vs. 21 weten, heten, leven, begeven; 101 man, nam, gram, began; 155 begeven, gheheven, spele, vele; 699 dat, sat, sal, al; 711 ghevaen, staen, haest, naest; 3315 ram, quam, middach, ghesach; 3401 pine, Beline, gheliet, verriet; 3433 mesdaet, quaet, maghen, bejaghen.
Zoo worden ook meer dan vier verzen gebonden. B.v. zes: 901 verslaghen, ghedraghen, ghevaren, daren, daghe, claghe, 1275 vader, gader, jare, ware, scame, name; zoo ook 1331, 1693, 1767, 2215, 2323, 2867, 2915, 3307, 3377. Acht, b.v. 291 gaende, slaende, bare, mare, Cantaert, waert, hane, wane; 395 saghe, haghe, ondergaen, saen, ghetale, male, nakede, smakede; zoo ook 1239, 1749, 2621, 3229, 3291.
En zelfs tien: b.v. 447 lanc, sanc, las, was, graf, was, gras, was, sach, lach; 1091 vraet, ghelaet, overstaerc, maerc, bestaen, waen, dagheraet, raet, ghedaen, gaen; 1451 Reinaert, herwaert, gheraden, ghenaden, mesdaet, verstaet, mater, cater, mesdaen, dwaen.
Reeds het veelvuldige van dit opmerkelijk verschijnsel loont, dat het niet een bloot spel van het toeval kan zijn; en wij zien dat ook nog nader, als wij opmerken hoe de dichter er naar streefde weêr op denzelfden rijmklank terug te komen, ook als hij dien voor 't oogenblik had moeten opgeven. Dikwerf keert na twee regels dezelfde assonnance terug: 127 ombere, mordenere (dief, lief), here, ere; 187 angaen, ontfaen, (gherne, wernen), mesdaen, staen; Isengrijn, pijn (ghevoech, onghevoech), wijf, lijf; enz. enz.
Nog een paar voorbeelden op ietwat grooter schaal: 1407 wijf, lijf, ontgaen, gaen, hermeline, mine, nu, u, Reinaerdine, gaerdeline, al, sal, dief, lief; 3097 hermeline, pine, gram, vernam, vlien, ghescien, ondergaen, saen, mordadelike, ghenadelike, sidi, mi; 539 Reinaert, waert, haghedochte, ghedochte, raet, vraet, driven, bliven, lanc, danc, vrient, gedient, ganc, lanc, bestaen, ghegaen, gheraden, gheladen, wise, spise, gaen, ghestaen, sat, wat, have, grave, weten, eten, aten, honichraten.
Die zeer bijzondere eigenaardigheden, afwijkende van wat men in alle andere Mnl. geschriften aantreft, vindt men in het geheele gedicht, van het begin tot aan het einde terug; zoodat het wel ontwijfelbaar zijn zal, dat wij hier het werk van een en denzelfden kunstenaar voor ons hebben.
Komen er nu oneffenheden, verschilpunten van anderen, ondergeschikten aard in voor, dan zal men wel gerechtigd zijn tot het besluit, dat de afschrijvers daarvan de schuld moeten dragen.
Dat alles te veranderen bij gissing en op louter theoretische gronden, lag buiten de bevoegdheid der kritiek, zoolang geen ouder codex van het gedicht gevonden wordt, weshalve ik mij bepaal daarop alleen de aandacht te vestigen(21).
Wie nu onze veranderingen desniettegenstaande nog te gewaagd vindt, wie de voorkeur geeft aan het slordige afschrift van een onnadenkenden kopist, legge deze uitgaaf ter zijde en keere des noods tot die van GRÄTER terug.
Vooral de verwerping van de fabel na 2308 (2304) dwong mij tot eene vernummering der verzen, zoodat de telling na vs. 2274 niet meer met die der vorige uitgaven overeenkomt. Bij het doorloopende onderscheid zal dit echter geen bezwaar van eenig belang opleveren. In mijne aanhalingen heb ik echter, tot gemakkelijker vergelijking, in den regel de cijfers der vorige uitgaven tusschen haakjes geplaatst.
In de orthografie heb ik mij zoo na mogelijk aan den oud-vlaamschen schrijftrant gehouden tot zoover de duidelijkheid er niet onder leed. Terwijl in GRIMMS uitgave »das flämische anlautende h in huut, hete, hat, für uut, ete, at, umgekehrt aerde für haerde, gheoorsam für ghehoorsam, geflissentlich bewahrt” werden(22), heb ik, even als WILLEMS, dit veranderd, omdat het dikwerf voor den hedendaagschen lezer moeyelijkheden oplevert in het recht verstaan van den tekst, gelijk ik bij ondervinding weet. Buitendien is dat toch een provincialisme dat uit de beschaafde schrijftaal moest worden verbannen.
Maerghen voor morghen heb ik behouden, maar niet ou voor oe, in de woorden drouch, slouch, enz., noch ook lust voor list, daar de rijmen 2602 (2626) en 2376 (2400) juist list hebben.
Voorts heb ik er naar gestreefd de fouten van het handschrift met betrekking tot de enkele vokaalspelling en vooral de zwakke en sterke buigingen, naar den regel te herstellen. Orthografische veranderingen zijn in den regel niet aangewezen: al de overigen zijn zoo naauwkeurig mogelijk in de kollatie aan den voet der pagina opgenomen(23). Kortheidshalve heb ik daarbij slechts in de allernoodzakelijkste gevallen van de reden der verandering rekenschap gegeven, in de overtuiging dat zij bij eenig nadenken vanzelf in het oog zal vallen.
Zoo ik er naar gestreefd heb het rhythmus te zuiveren, ik heb in den regel de aansluitingen en samentrekkingen niet aangewezen, die bij het lezen moeten worden in acht genomen, daar dit in Mnl. stukken niet regelmatig is vol te houden. Ik vertrouw dat lezers die het gedicht werkelijk willen genieten, genoegsaam met de regels der Mnl. metriek zullen bekend zijn, om zoodanige aanwijzingen te kunnen ontberen.
Thans, nu ik rekenschap van het doel en de wijze van behandeling dezer uitgave heb gegeven, kunnen wij overgaan tot de overweging van de nog niet genoegsaam opgehelderde vraagstukken over het ontstaan en den ouderdom van den Reinaert.
II.
Het oordeel over het ontstaan en den ouderdom van onzen Reinaert, hangt ten naauwste samen met deze schijnbaar eenvoudige vraag: is de proloog in den Comburger tekst het werk van den eersten schrijver of van den omwerker?
Willems beweert het laatste, en wel op de volgende gronden: Hij haalt de eerste regels van den proloog aldus aan:
Willem, die Madock maecte, Daer hi dicke om waecte Hem jamerde seer haerde Dat die geeste van Reinaerde Niet te recht en is gescreven: Een deel is daer after gebleven: Daeromme dede hi die vite soeken Ende heeftse, uten walscen boeken In duutse aldus begonnen.
Dan gaat hij voort: Willem heeft niet den oudsten Vlaamschen Reinaert opgesteld; maar wat hij »in het oude gedicht niet te recht gescreven oordeelde, verbeterde hy en vulde hy aen; in dien zin versta ik het aldus begonnen van dit laetste vers; doch om geheel de vite of levensbeschryving van Reinaert te doen kennen heeft hy datgene, hetwelk after gebleven was, door middel van walsche, dat is, door fransche boeken, vervolgd en ten einde gebracht. Hy is dus de schryver van het vervolg, en slechts de verbeteraer of omwerker van het eerste boek.
»De nedersaksische vertaling van Reineke en de oude prosadrukken van Gouda 1479 en Delft 1485, die de prologe niet kennen, en met vs. 41 aenvangen, maken het zeer bedenkelyk of dit voorwerk geen byhangsel zy van lateren tyd. Men kan evenwel ook aennemen dat de eerste Reinaert begon met vs. 11.
Nu keert hem daer toe mijn sin, enz.
»Hoe men dit dan ook beschouwe, het aldus begonnen van vs. 9 steekt altoos zeer sterk af tegen vs. 40:
Nu hoort hoe ic hier beginne;
want, zie daer een dubbel begin! Er is ook eene dubbele bedoeling. Willem verklaert zyne taek aentevangen om dat het hem zeer jammerde dat er nog zoo veel aen de historie van Reinaert ontbrak; terwyl de oorspronglyke dichter slechts daerom de avonturen van Reinaert MAEKTE, om dat zekere dame, die in groter hovescheden gerne hare saken keert, hem daer toe bad (vs. 26–31). Deze beweegreden alleen gaf hem de pen in de hand; anders had hy stil gezwegen (vs. 26).
»Dat een vervolgschryver of interpolator soms prologen voor het werk van zynen voorganger plaetste, is niet zonder voorbeeld. In byna al de handschriften der Brabantsche Yeesten staet er een van verschillenden inhoud, en, wat meer is, van verschillenden datum.
»Indien Willem het eerste gedeelte naer het fransch hadde opgesteld, dan zou by voorbeeld de wolvin, gelyk in de hoogduitsche omwerking der vertaling van Heinrich der Glichsenaere, Hersant en niet Hersint of Erswinde heeten; dan zou de naem van den hond, Cortois, in de fransche branches bewaerd zyn gebleven (hy wordt er Roonel, Rooniax of Morout genoemd); dan zou het tooneel der gebeurtenissen en de behandeling van het onderwerp (vs. 100, 1461–1463 enz.) niet zoo eigenaerdig, niet zoo geheel vlaemsch zyn; en dan zou men eindelyk in de fransche Renarts eenig overblyfsel, eenig spoor van zulk een voortreffelyk werk, als het origineel zyn moest, ontdekken. Wy zullen straks zien, dat de trouveres geen ouder fransch gedicht kennen, dan dat van PERROZ DE SAINT CLOUD, en dat de fransche branche, in onze bylagen bl. 302–341 opgenomen, eene navolging, ja grootendeels eene letterlyke vertaling van onzen Reinaert is.
»Beschouwt men daerentegen Willem voor den hermaker en vervolger van het gedicht, dan verklaert zich alles ten duidelykste; want in [zyn werk] vindt men, voor eerst, eene omdichting van het eerste boek,.... en, ten andere, een vervolg van dit oorspronglyk gedeelte, meest uit fransche poëten of uit de Fabulae extravagantes samengeraept”(24).
Tegen die redenering is het een en ander in te brengen:
Vooreerst is zij gebouwd op den aanhef der omwerking; maar in de oudste redaktie luiden de aangehaalde verzen aldus:
Willem die vele bouke maecte, Daer hi dicken omme waecte, Hem vernoyde so haerde, Dat die avonture van Reinaerde In Dietsche onghemaket bleven, Die Willem niet hevet vulscreven, Dat hi die vijte van Reynaerde soucken Ende hise naden Walschen boucken In Dietsche dus hevet begonnen(25).
Die lezing is onverstaanbaar, maar ook blijkbaar bedorven: niet slechts in GRÄTERS uitgave, maar reeds in het Comburgsche handschrift. Het is intusschen onverklaarbaar, dat GRIMM niet de minste poging heeft gedaan om dien bedorven tekst te herstellen, maar daarvoor de lezing van den omwerker in de plaats stelde. Willems schijnt zich hoofdzakelijk aan den tekst van GRIMM gehouden te hebben zonder altijd veel acht te slaan op de kollatie aan den voet der bladzijden; en het kan ons niet verwonderen, dat hij hier gretig eene lezing opnam, die zijn stelsel in de hand werkte, ja er eigenlijk de basis van is. Hij had intusschen, met GRIMM, de lezing van C. moeten aangeven, die door zijne uitgaaf in Nederland geheel onbekend raakte.
Zien wij thans of die verworpen lezing niet is te recht te brengen.
De grootste zwarigheid levert zeker vs. 6 op; maar juist hier is het niet moeyelijk eene verbetering aan de hand te geven. Niet is in tegenspraak met al het overige; maar dat niet is juist bedorven. De varianten bij GRIMM doen zien, dat soms de r en t niet goed te onderscheiden waren in het Comburger handschrift; men begrijpt dat dit ook het geval kon zijn met den codex waarnaar dit werd afgeschreven. Zoo las GRÄTER, of misschien reeds het handschrift zelf, vs. 993, voor dat felle dier (:lier), dat felle diet; 2372 (2396) voere in plaats van voete. Bedenkt men daarbij dat de n lichtelijk in sommige handschriften met de h kan verwisseld worden, dan zal het wel geoorloofd zijn aan te nemen dat er oorspronkelijk gestaan hebbe hier, in steê van dat onbegrijpelijke niet. En zoo kunnen wij, met geringe verbetering van 't overige, de plaats dus herstellen:
Willem, die den Madoc(26) maecte, Daer hi dicke omme waecte, Hem vernoyede so haerde Dat davonturen van Reinaerde In Dietsce onghemaket bleven, (Die hi hier hevet vulscreven), Dat hi die vite [dede] soeken, Ende hise na den walscen boeken In Dietsce dus hevet begonnen.
Blijkbaar is dat de tekst van den oorspronkelijken schrijver; en daarin heet het niet, dat de historie niet te recht is geschreven, of dat er een deel van is achterwege gebleven; maar de avonturen van Reinaert (verg. vs. 31) waren in het geheel in het Dietsch ongemaakt: dit was hem zoo leed, dat hij de vite opzocht en die uit het Fransch in het Dietsch overbracht.
De tusschenzin van vs. 6 moge bij den eersten oogopslag eenigen twijfel opwekken, deze zal weldra verdwijnen als men ziet, dat er dergelijke het geheele gedicht door voorkomen, zie boven bl. XXIII. En juist daarin vinden wij een nieuw bewijs, dat de Inleiding van den schrijver van het oudste gedicht is, wiens eigenaardigheid hier zoo duidelijk in het licht treedt.
Het eerste gedeelte van WILLEMS' betoog vervalt door deze eenvoudige opmerking vanzelf(27).
Dat de vertaling of de proza-omwerking de inleiding, die geheel van persoonlijken aard is, niet hebben, bewijst niets, zoo als WILLEMS zelf reeds bevroedde, daar hij niet ongeneigd is om aan te nemen dat de eerste Reinaert met vs. 11 begon.
Steekt nu werkelijk vs. 9 zoo sterk af bij vs. 40,
Nu hoort hoe ic hier beghinne?
Is dat in den eigenlijken zin des woords een dubbel begin, dat alleen uit eene dubbele bedoeling is te verklaren?
Maar men lette wel op, dat als men met vs. 11 den ouden tekst laat aanvangen, men daar terstond leest:
Nu keert hem daer toe mijn sin, Dat ic bidde in dit begin, enz.
zoodat men toch een dubbel begin zou hebben. Trouwens men leze den geheelen proloog onbevooroordeeld, en men zal zeker geen aanstoot nemen aan de herhaalde vermelding van het begin. Wie des ondanks alleen door gelijksoortige voorbeelden is te overtuigen, verwijs ik naar JAN VAN HEELU, die zijne kronijk ook met een proloog begint, waarin hij in de eerste regels zijn boek aan MARGARETA van Engeland aanbiedt; dan heet het verder, dat hij anders wellicht zijn werk niet had ondernomen, (vs. 69)
En hadde gedaen van Ingelant Vrouwe Margriete, alsic thant Int beghin sprac overluut.
En dan wederom in het slot der inleiding, vs. 78:
Nu helpe my God, ic saels beginnen(28).
Is er voorts niet eenigen schijn overgebleven dat een fransch origineel aan ons gedicht ten grondslag ligt? Of bewijzen de Fransche eigennamen der dieren, de naam van Reinaerts kasteel Maupertuus, niet voor de ontleening? Grimm neemt dit met betrekking tot het Mhd. gedicht als overtuigend bewijs aan(29), en ook wij behoeven er niet aan te twijfelen(30).
Want niemand zal wel met WILLEMS' betuiging tevreden zijn: »De dichter van den Reinaert schynt.... een grand clerc, zoowel in het Fransch als in het Nederduitsch geweest te zyn, en dit verklaert ons waerom hy sommige namen, als Cortois, Malpertuis, Malcrois en Pinte, uit eerstgenoemde tael ontleende”(31).
Ja maar, zegt men wellicht met WILLEMS, in het hoogduitsche gedicht heet de wolvin Hersant en niet, zoo als bij ons, Hersint!
Sedert WILLEMS schreef gelukte het GRIMM een groot fragment van den oorspronkelijken onveranderden hoogduitschen tekst op te sporen(32), en daarin heet de wolvin niet als in het gemodernizeerde, vroeger door hem uitgegeven gedicht, Hersant, maar, even als in onzen Reinaert, Hersint, zie b.v. vs. 608, 627, 870, 877, enz.—ergo.
Dat Cortois niet bij de Franschen voorkomt, dat het tooneel der gebeurtenissen en de behandeling eigenaardig Vlaamsch is, laat zich begrijpen, als men weet, dat de Reinaert niet in allen deele strikt vertaald is, maar dat de Vlaamsche dichter dikwerf zijn eigen weg ging, gelijk wij nader zullen aantoonen.
Alvorens WILLEMS' laatsten bewijsgrond te toetsen, moeten wij nog van een anderen kant doen zien, dat de proloog onmogelijk van den omwerker kan zijn.
Er is in den Comburger tekst geen spoor, dat de dichter van dien tekst het oog hebbe gehad op een vervolg zoo als de omwerker er aan toevoegde. Deze bereidt dan ook zijn tweede deel voor, door eene noodzakelijke verandering, zoo als WILLEMS zelf opmerkt(33). In den oudsten tekst namelijk verlaat Reinaert met de zijnen zijn kasteel, om zich in de wildernis te verbergen, vs. 3311 (3331):
Si daden hem alle up die vaert: Ermeline ende here Reinaert, Ende hare jonghe welpkine, Dese anevaerden die woestine;
welk verhaal door den omwerker wordt achterwege gelaten, omdat de latere gezanten des konings Reinaert weder in zijn kasteel moesten aantreffen.
Uit dit onderscheid mag men opmaken dat de schrijver van den Comburger codex niet van eene omwerking wist.
Willems is natuurlijk van eene andere meening: hij stelt »dat de afschryver van het codex Comburgensis den ouderen text van Reinaert kopyeerde, schoon hy zich voorgesteld had ook het vervolg.... te leveren”(34).
Den grond voor die meening geeft hij aldus aan(35):
»De overgang tot de gebeurtenissen van het tweede boek schynt reeds met vs. 3395 [ons 3375] voorbereid, door het optreden van eene nieuwe personnagie, met name Firapeel, de luipaerd, die den koning tot het besluit brengt om eene vergoeding aen Isengrim en Bruin toe te staen, en om vervolgens Reinaert te gaen opzoeken en vangen:
Daerna sullen wi alle lopen Na Reinaerde, ende sulne vangen, Ende bi sine kele hangen;
een plan, hetwelk maer eerst in het tweede boek, vs. 3750, zyn beslag krygt, en dus in het eerste de geschiedenis onvoleindigd laet. Uit dien hoofde ben ik zeer geneigd het daervoor te houden, dat de oorspronglyke Reinaert met vs. 3394 sloot. En inderdaed, deze gedachte krygt veel gronds, wanneer men bezeft, dat er aen vs. 3395 eene groote versierde voorletter in het Comburger handschrift wordt aengetroffen, toonende dat eene nieuwe afdeeling, en geenszins een bloote paragraef begint. Dergelyke hoofdletter toch was voor de laetste 80 regels noch gevorderd, noch passend.”
Daartegen kan worden aangevoerd, dat het verhaal onmogelijk met vs. 3374 (3394) kan eindigen, daar er dan geen slot aan zou zijn, welk slot men eerst bij vs. 3454 (3474) bereikt heeft.
Dat er een nieuw personagie optreedt vindt zijne verklaring in de later te staven opmerking, dat de dichter hier het origineel, dat hij navolgde, verlaten had, en in den luipaard, »des coninx maech” een geschikt persoon vond om als middelaar tusschen den koning en de fel beleedigde baronnen, Bruun en Isegrim, op te treden. Ook in sommige fransche branches speelt de luipaard zijne rol en wordt 's konings maag genoemd, hoewel daar zijn naam niet Firapeel is, b.v. in den Renart Le Nouvel, in MÉONS vierde deel, vs. 175 en passim. De belofte dat men later Reinaert zou weten te straffen, behoefde in het gedicht niet volvoerd te worden, daar de dichter geene biografie schreef, maar een epos.
En wat de groote aanvangsletter bij vs. 3375 (3395) betreft, die kon misschien alleen aan de onhandigheid van den afschrijver te wijten zijn. Maar gesteld dat hier werkelijk eene nieuwe afdeeling begon, is het dan zoo onmogelijk hier aan iets anders te denken dan aan het vervolg van den omwerker? Is op zichzelf het denkbeeld ongerijmd, dat de oorspronkelijke schrijver zijn gedicht verder had willen voortzetten, ja werkelijk aan een beleg van Maupertuus gedacht kon hebben, dat in het origineel 't welk hij voor zich had voorkwam, zoo als wij later zullen zien? In dat geval had hij of het gedicht niet voltooid, maar was bij een geschikt rustpunt blijven stilstaan; of, hetgeen mij veel waarschijnlijker zou voorkomen, hij had zich bedacht, de eenheid van zijn verhaal niet willen in gevaar brengen, en eindigde met vs. 3454 zijn werk voor goed, terwijl hij willens en wetens, of misschien uit vergetelheid, de regels liet staan waarin van Reinaerts bestraffing gewaagd wordt. Maar ik moet bekennen dat deze uitlegging niet aannemelijk is, daar Reinaert in dat geval zijne vesting niet mocht verlaten. Ik zou daarom niet zooveel kunnen hechten aan die hoofdletter. En ziet! bovendien komt er ter gedachter plaatse in het handschrift zelfs geene hoofdletter voor, maar eenvoudig het teeken eener nieuwe alinea, gelijk eene welwillende mededeeling van KAUSLER mij verzekert; zoodat ook de argumentatie op deze vermeende hoofdletter gebouwd, in rook verdwijnt.
Dat het gedicht met vs. 3454, en eerst met dit vers, volmaakt besloten wordt, zal eene naauwkeurige lezing ontwijfelbaar doen zien; en men zal GRIMM toestemmen, die juist wat WILLEMS als overgangsregels beschouwde, genoemd heeft »den bedeutsamen und fühlbaren schluss der fabel”(36).
Ik moet intusschen nog een argument weêrleggen, dat WILLEMS op eene andere plaats aangeraakt, doch niet nader uit een gezet heeft. Van den omwerker zegt hij(37): »Hy noemt den leeuw Lioen, in plaets van Nobel.”
Nu moet ik beginnen met te zeggen, dat in het tweede boek der omwerking de leeuw slechts één enkel maal Lioen heet, vs. 3757:
Ist dat ic coninc heet Lioen;
maar integendeel vs. 3625 van WILLEMS' uitgaaf, evenzeer genoemd wordt Nobel die coninc. Maar juist in de verzen die WILLEMS als overgangsinlapsel beschouwt lezen wij:
Hi sprac: „Here, coninc lioen, vs. 3378 Dit biet u die coninc lioen. vs. 3444
Bewijst dit niet duidelijk, dat deze regels inderdaad niet uit de pen van den oudsten schrijver vloeiden?
Als deze werkelijk nimmer dezelfde uitdrukking bezigt, is er grond tot twijfel; maar ziet, vs. 1837 lees ik dezelfde benaming:
Vort sprac Reinaert: „Coninc lioen, Wien twifelt des, ghine moghet doen?
Ik zie dus ook hier geene de minste vrijheid om te beweren, dat de Comburger tekst ergens blijken bevat dat de schrijver aan een vervolg dacht of er mede bekend was; en dan kan toch ook onmogelijk de proloog het werk zijn van een omwerker, van wien in het geheele oudste gedeelte geen spoor te vinden is. Er blijft dus wel niets anders over dan die voorrede, die inleiding, aan den ouden dichter zelf toe te kennen, gelijk ook onwederlegbaar bewezen wordt door de uitdrukking in het vijfde vers volgens de echte lezing.
Ik vertrouw dat de heer C. A. SERRURE, vooral na deze tekstverbetering, mijn stelsel niet meer zoo »onaennemelyk” zal vinden(38). Volgens hem pleit tegen mijne meening »dat het moeijelyk te veronderstellen is dat de schryver den naem zyns voorgangers behoudende, zynen eigenen verzwegen zou hebben.” Ik antwoord: hoe moeyelijk ook te veronderstellen, leert de vergelijking der beide handschriften dat het geschiedde, en dat de omwerker (die misschien ook WILLEM heette, maar zich dan toch nooit den Madoc kon toeëigenen), zijn diefstal alleen bedekte door hetgeen bij zijn voorganger nog ongemaakt kon heeten, blootelijk te veranderen in niet te recht geschreven.
Voorts zegt SERRURE, »dat het niet zeer waerschynlyk is dat de oorspronkelyke dichter, die hoogstvermoedelyk een geestelyke, een kloosterling was, zyn werk op verzoek eener edele vrouw zal volschreven hebben.”
Maar waaruit blijkt dat de schrijver een geestelijke was? Er wordt verwezen naar de inleiding van WILLEMS, bl. XXXVIII, die zich beroept op vs. 444 en 2953–2969. In het eerste vers heette het dat men begon te zingen
Dat placebo Domino;
en in de tweede plaats wordt eene spreuk van »meester Jufroet” aangehaald (dien men gewoonlijk voor Godfredus Andagavendis houdt), waarin gezegd wordt dat biecht en boete den zondaar vergiffenis verwerven.
Met de aanwijzing der plaatsen is, dunkt mij, reeds de wederlegging van WILLEMS geleverd; want wie zal in de aanhaling van den titel van een kerkelijk lied, of van eene spreuk die er machtig als een locus communis uitziet, het bewijs durven zien, dat de auteur noodzakelijk een geestelijke was? De geheele inhoud van het gedicht schijnt buitendien dat gevoelen te weêrspreken.
Maar ook al aangenomen dat de schrijver van den Reinaert een geestelijke was, is het dan onnatuurlijker dat hij zijn werk ter liefde van eene vrouw schreef, dan dat de pastoor HEIN VAN AKEN zich dit veroorloofde, die nog wel den wulpschen roman van de Roos vertaald had(39)?
Zoo het verder bij SERRURE heet: »zeker was zulk kundig en vernuftig dichter als de opsteller van het eerste boek des Reinaerts, niet in staat geweest dergelyke zoutelooze en onbeduidende inleiding te berymen,” dan beken ik de waarde van dit argument niet te vatten, daar ik noch bij SERRURE het betoog, noch uit den tekst van den proloog zelf de overtuiging kan erlangen, dat dit stuk zoo bijzonder zouteloos en onbeduidend is, tenzij men met WILLEMS malsch vs. 19 vertale door week! Ik kan deze inleiding niet zoo zeer beneden die van den Floris stellen; en ik vraag mij zelfs af, of er in dat aandringen op hoofschheid en eer niet eene satyre verborgen ligt, die de epitheta van SERRURE tegenspreekt.
Zoo WILLEMS en die hem volgen dien proloog met alle geweld den omwerker willen opdringen, het is blijkbaar uit vrees van anders de oorspronkelijkheid te moeten opgeven van een dichter, die zelf bekent dat hij »naden walscen boeken” gearbeid heeft. De waarheid heeft intusschen hooger rechten dan het vaderlandsch gevoel. Doch ook die rechtmatige fierheid kunnen wij hier reeds gerust stellen met de verzekering, waarvan later het bewijs volgt, dat, zoo WILLEM al walsche bronnen gebezigd heeft, hij toch niet slaafs vertaalde; dikwerf geheel zijn eigen weg ging; en waar hij dit niet deed, zijn voorbeeld zoo verbeterde, dat hij toch een geheel Vlaamsch gedicht heeft geleverd, dat hij geheel zijn eigendom kon noemen, niettegenstaande de aanleiding daartoe in den vreemde gevonden was.
Alzoo: daar de proloog het werk is van den oorspronkelijken ouden dichter, en niet van den omwerker, staat het ook vast 1) dat hij WILLEM geheeten was, en vroeger reeds den Madoc geschreven had; 2) dat hij naar fransche geschreven bronnen (walsce boeken) gewerkt heeft.
Het is nu maar de vraag of er mogelijkheid bestaat die bronnen op te sporen en aan te wijzen. Daartoe moeten wij onze aandacht vestigen op de fransche gedichten betreffende de dierensage.
III.
In Frankrijk is de Reinaertsage zeer oud(40). In de Chanson des Lorrains, wier oudste branche omstreeks 1130 den vorm aannam waarin zij ons bekend is(41), heet het van BERNARD DE NAISIL, die ingesloten was in een kasteel met onderaardsche sluipwegen, waaruit hij uitvallen deed (II. 53),
Renart resenble qu'en la taisnière est mis,
hetgeen wellicht op een oud gedicht ziet, dat de belegering van Reinaerts burcht behelsde; maar in allen gevalle door het gebruik van den eigennaam in stede van het appellativum bewijst dat de sage algemeen bekend was, zoo ook hier de dichter alleen een in zijn hol bestookten vos op het oog had. Grimm heeft eene plaats aangehaald van GUIBERT DE NOGENT, die in 1124 stierf, waaruit blijkt, dat ten jare 1112 de verhalen van Reinaert en Isengrim zoo algemeen bekend waren te Laon in Noord-Frankrijk, dat men een mensch van een woest voorkomen, »propter lupinam speciem” Isengrim kon noemen, en de beteekenis daarvan algemeen begrepen worden(42). Daaruit volgt, dat de sage daar minstens een menschenleeftijd lang moest bekend zijn, en zeker reeds in het midden der elfde eeuw (1050) voorkwam.
Of die oudste sporen der Reinaertsage in Frankrijk op eene poëtische of prozaïsche vorm terugwijzen, is natuurlijk zelfs niet te gissen; maar wij weten dat beide vormen nevens elkander bestonden. Eene der tot ons gekomen fransche gedichten uit dezen cyclus(43) zegt onder anderen:
Tout cil qui en content sans rime Ne sevent pas vers moi la dîme: Il le vous content à l'envers;
waaruit blijkt, dat er werkelijk ook prozaïsche verhalen in omloop waren(44), die waarschijnlijk wel de oudste zijn, daar zij niet zijn opgeschreven, althans niet tot ons gekomen.
Met de poëtische verhalen is dit anders, en wij bezitten eene reeks van gedichten die te samen meer dan 30,000 verzen bevatten, alle takken (branches) van den grooten stam, maar door verschillende dichters, in verschillende tijden bewerkt.
Dat die stukken gelijk wij ze bezitten in de uitgave van MÉON, slechts omwerkingen zijn van oudere gedichten, is de meening van de voortreffelijkste geleerden die zich met dit onderwerp hebben bezig gehouden, hoewel hun oordeel eenigsins uiteenloopt over de tijdsbepaling van hunne tegenwoordige vorm. Zoo zegt GRIMM(45): »abgefasst sind die frühsten derselben [branches] wahrscheinlich von der zweiten hälfte des zwölften jahrhunderts an bis in die mitte des dreizehnten; allein in der gestalt, welche sie jetzt zeigen, mögen die altesten schon vielfach überarbeitet und verändert vorliegen, fast alle dem 13, einzelne sogar dem 14. jh. zufallen.”
Ongeveer op dezelfde wijze oordeelt ROTHE(46): »Bien qu'il soit impossible d'indiquer nettement l'origine des divers récits, et que, dans la forme où nous les connaissons aujourd'hui, une grande partie ne soit que des versions postérieures de compositions plus anciennes, selon toute apparence la plupart des morceaux qui composent pour nous aujourd'hui le Roman de Renart datent du treizième siècle. Quelques uns pourraient bien être du douzième, d'autres semblent ne dater que du quatorzième. Tous appartiennent infailliblement et originairement au nord de la France, à la langue d'oïl, à la littérature romane-wallonne, celle des trouvères”(47).
Fauriel erkent ook in de bestaande branches omwerkingen van ouder stukken; hij laat zich niet uit over de tijdsbepaling, maar karakterizeert met een paar woorden den invloed dien de jonger trouvères op het ouder stuk hebben uitgeoefend(48), dat zij »reprirent pour ainsi dire en sous-œuvre, la remanièrent, la refirent, l'ornèrent, l'altérèrent dans tous les sens, suivant en cela leurs nouvelles idées et leurs nouvelles fantaisies. Ce travail, qui dura plus d'un siècle, eut pour fruit le Renart, dans l'état où il nous reste en français.” Dit had twee gevolgen: »l'un fut le remaniement, la reproduction sous une forme nouvelle, des fables dont se composait le Renart primitif; l'autre fut l'invention de beaucoup de nouvelles fables.”
Zeer zeker is er geene enkele onder de 32 branches van MÉON, die niet de merkbare sporen draagt van omwerking, blijkbaar in de uitvoerige schildering van bijzonderheden, in het talent van verhalen, welk alles herinnert aan het weelderige tijdperk waarin CHRESTIENS DE TROIES bloeide, en dat sterk afsteekt bij de drooger, eenvoudiger, minder kunstmatige manier van een vroeger tijdvak. Nu is het maar de vraag of het mogelijk is, van sommigen althans, den ouderdom met eenige juistheid aan te geven. Grimm zelfs is, gelijk wij zagen, slechts tot zeer algemeene rezultaten gekomen; en hoezeer ik de waarde van zijn uitstekend werk zoo hoog schat als iemand(49), geloof ik toch dat het plicht is te onderzoeken, of het niet mogelijk is tot een bepaalder slotsom te geraken, vooral daar deze vraag van het hoogste belang is voor de juiste beoordeeling van onzen Reinaert.
Ons onderzoek eischt eenige uitvoerigheid, daar wij door een omweg slechts tot het beoogde doel kunnen geraken, waarbij wij tevens op onzen weg enkele andere zeer belangrijke waarheden zullen vinden.
In de eerste plaats doet zich de vraag op, of er geen spoor meer overig is van een ouder, eenvoudiger, drooger redaktie van eenig stuk uit de verzameling van MÉON? En het antwoord is: niet in het oorspronkelijke; maar er bestaat eene Middenhoogduitsche vertaling van een ouder stuk, welks inhoud en algemeene gang grootendeels overeenkomt met de twintigste branche van MÉON(50), welke wederom in hare eerste helft zoo met onzen oudsten Reinaert overeenstemt, dat men tot de overtuiging gekomen is, dat het eene stuk uit het andere vertaald is.
Zien wij welke uitkomsten de vergelijking dezer drie stukken geeft, nadat wij eerst eenige meer algemeene beschouwingen voorop gezet hebben.
Het Mhd. gedicht dat wij bedoelen is de Reinhart van Heinrîch der Glichesære.
Dat dit gedicht uit het Fransch vertaald is, heeft GRIMM betoogd uit de onduitsche vormen van sommige eigennamen als Birtîn, Hersant, Isengrîn, Schanteklêr en Pinte; terwijl Uebelloch blijkbaar eene vertaling is van Malpertuis. Ook het woord villân, »hätte nicht leicht ein deutscher älterer dichter gebraucht(51).” Voorts haalt hij ook nog uit de oudste duitsche bewerking de woorden cous en bordûz aan om zijn gevoelen te staven(52).
Rothe erkent dan ook(53) dat de duitsche dichter »connaissant infailliblement un poëme antérieur de Renart en français, et profitant de cette connaissance, a composé le premier un poëme de Reinhart dans l'ancienne langue allemande.”
En FAURIEL getuigt uitdrukkelijk(54): »Le Reinhart, tel qu'il nous reste, doit être considéré au fond et dans son ensemble comme l'imitation expresse d'un original français. Cet original sans doute n'existe plus; mais tels sont, ou pour mieux dire, tels durent être les rapports avec le Renart allemand, que celui-ci peut en représenter jusqu'à un certain point la substance et la suite.”
Het duitsche gedicht bevat zeven verschillende verhalen, wier inhoud in de fransche branches wordt terug gevonden. Het laatste en uitvoerigste, vs. 1239–2248, komt overeen met onzen Reinaert en de 20e (16e) fransche branche.
Nu is het opmerkelijk, dat onze Reinaert de zes eerste verhalen niet bevat, en dat de fransche branche vs. 9659 uitdrukkelijk aanvangt met de woorden:
Ce dist l'estoire ès premiers vers.
Weêrspreekt dit niet de meening dat er samenhang tusschen deze verschillende gedichten bestaat? Niet in 't minst; want er bestond al vroeg bij de dichters een streven om verschillende kleine overleveringen uit dezen cyclus tot een grooter geheel te verwerken. Dat dit in de fransche branches het geval was, voelde ROTHE reeds(55). Fauriel is het met hem eens, als hij zegt(56): »Les trouvères combinèrent de la manière la plus arbitraire, dans plus d'une des grandes branches du roman, des fables composées séparément, et faites pour rester séparées.... Il y aurait, à cette occasion, une bonne étude à faire de la licence et du caprice de ceux qui ont essayé la fusion de plusieurs des fables de Renart en une seule composition; mais on sentira que c'est un point fort délicat et fort complexe, auquel nous ne pouvons nous arrêter.”
Wellicht komen wij in den loop van ons onderzoek op dit laatste gezegde terug; zien wij eerst hoe met betrekking tot den Reinhart ook FAURIEL aanneemt(57), dat de verschillende verhalen oorspronkelijk niet tot elkander behoorden, niet als eene ondeelbare eenheid zijn te beschouwen, niet vormen »une véritable unité qui tienne à un plan primitif, mais une sorte d'unité factice et cherchée après coup; c'est un ensemble résultant d'une simple juxtaposition de récits divers.”
Of nu GLICHESÆRE de verschillende takken heeft bijeengevoegd, dan of hij die reeds zoo in zijn voorbeeld verbonden aantrof, is niet uit te maken. In de omwerking van het duitsche gedicht heet het vs. 1788:
Heinrich Der hât diu buoch zesamene geleit Von Isengrînes arbeit:
daaruit zou men wellicht mogen opmaken, dat eerst de Duitscher de verschillende branches had te samen gevoegd; maar in den ouder codex leest men die plaats aldus:
Heinrich Er hât daz buoch gedichtôt Umbe Isengrînes nôt;
zoodat dit punt wel onbeslist zal moeten blijven.
Zooveel is zeker, dat HEINRICH DER GLICHESÆRE omstreeks 1150 leefde(58), zoodat het fransche origineel waarnaar hij werkte, uiterlijk in de eerste helft der twaalfde eeuw valt; naar den geheelen toon te oordeelen moet het echter eer tot de laatste jaren der elfde dan tot de twaalfde eeuw gebracht worden, en kan zeker niet veel jonger zijn dan van omstreeks het jaar 1100(59).
Sterk steken tegen het mhd. gedicht de fransche branche 20 (16) en de mnl. Reinaert af, die jonger zijn, veel nader met elkander verwant, en niet slechts de wijze van behandeling en vele details onderling gemeen hebben, maar zelfs een aantal letterlijk gelijkluidende regels. Dat zij eene omwerking van het ouder fransche stuk, dat aan den Reinhart ten grondslag lag, vormen, valt terstond in het oog: dat het een uit het ander voortvloeide maakt reeds eene oppervlakkige beschouwing aannemelijk; maar welk van beiden is hier het oudste, waarnaar het andere werd bewerkt?
Rothe schijnt tot eene ontleening van het vlaamsche uit het fransche gedicht over te hellen, hoewel hij zich daaromtrent niet duidelijk verklaart. Eerst zegt hij(60): »Les deux tiers de la vingtième branche.... contiennent en entier le récit des vingts-trois premiers chapitres du premier livre du Reineke Fuchs [en dus ook van onzen Reinaert]. Pour le reste seulement, cette branche du Roman de Renart diffère entièrement de la fin du premier livre de Reineke.” En twee bladzijden verder laat hij hierop volgen: »Le poète flamand du douzième siècle.... a dû connaître les poëmes français et a pu en tirer partie.”
Men ziet, dit is zeer onbepaald en leidt tot geen rezultaat.
Grimm neemt aan, dat het fransche geene aanspraak kan maken het origineel van het vlaamsche stuk geweest te zijn(61). Willems gaat veel verder. Hij beweert dat de estoire, l'escrit, dat het fransche stuk als zijn origineel aangeeft (vs. 6959, 10036, 10595), »geene andere dan onze vlaemsche Reinaert [is]. De vergelyking der twee texten laet deswege geen twyfel over(62).”
Ten bewijze vestigt hij de aandacht op een aantal gelijkluidende regels.
Dit toont intusschen wel aan, dat het eene voor een groot deel naar het andere vertaald is, maar er volgt nog niet noodzakelijk uit, dat het vlaamsche gedicht juist aan het fransche ten model verstrekte, en niet omgekeerd.
Maar WILLEMS heeft een bewijs dat het pleit schijnt te voldingen. »Ja, wat meer is,” roept hij triomferend uit, »in vs. 10493 laet hy zelfs het vlaemsche woord willecome staen, op dezelfde plaets waer hy het in den Reinaert aentrof, vs. 1073.... Kan er wel een sprekender bewys van navolging gevonden worden?”
En werkelijk, als Tibert bij Reinaert komt om hem ten hove te dagen, heet het vs. 1072:
Tibert, helet vri, Neve, ghi sijt mi willecome!
En daarvoor heeft het Fransch, vs. 10493:
Tybert, fet li Renarz, villecome!
Het vraagstuk schijnt vooral door dit laatste bewijs beslist! Maar hoe, zoo dit slechts schijn ware?
Vooreerst staat het woord willekome ook in den Reinhart, vs. 1663:
Er sprach: „Willekome, sippebluot!”
waarin het wellicht reeds uit het fransche origineel overging; want zoo het woord al ontegenzeggelijk duitsch en vlaamsch is, het werd weldra ook in het Fransch opgenomen.
Vooreerst in den in Vlaanderen geschreven Renart Le Nouvel (MÉON, tom. IV), leest men:
S'irai al apostole à Roume, 1361 Et as legas, ki wilecoume, Diront à moi. Convoitise vo fille ainsnée, 1371 Ki moult sera walecoumée As cardounaus et au clergié. En flament haut le salua: 3366 „Goude jonkhiere, goudendast,” Tibiert li respont en soumat: „Goude kenape willeconme!”
In de 27e (22e) branche, waarmede MÉONS derde deel aanvangt, leest men, vs. 20026:
Ysengrins a le chief levé, Si a Renart aparcéu: „Willecome, bien veigne-tu, Renart, qar vos venez séoir!”
Ja zelfs tot in Normandië was het woord doorgedrongen, daar men immers in de Chroniques de Normandie van BENOIT (ed. FRANC. MICHEL, tom. II, pag. 112) leest, vs. 18608:
Là vunt les lices desfermer, Si receivre, si welcumier,
waar MICHEL het ww. verklaart als »accueillir, souhaiter la bonne venue à quelqu'un.”
Het is dus niet onmogelijk dat de schrijver der ons bekende branche 20 (16) dit woord t. a. pl. reeds in zijn voorbeeld vond, of anders het hier uit zichzelf invoerde, daar hij stellig een Vlaming was, gelijk men mag opmaken uit het vs. 11728 aangehaalde Arras, en uit de vlaamsche woorden die hij gebruikt.
Het betoog van WILLEMS kan dus voor ons geene bewijskracht hebben, en wij moeten trachten de zaak op nieuw te onderzoeken.
Er is werkelijk een toetssteen, en wel een die zoo voor de hand ligt, dat het ons verwondert, hem nog ongebruikt te zien. Immers als men het vlaamsche gedicht en de fransche branche doorloopend vergelijkt met den mhd. Reinhart, die het oudere fransche origineel vertegenwoordigt, dan moet er wel licht opgaan; want het stuk dat in den regel nader aan het oorspronkelijke komt, in plaatsen waar het andere er van afwijkt, moet noodzakelijk de middenterm uitmaken.
Zien wij dan tot welke uitkomsten zoodanige vergelijking leidt.
In de beschrijving van den hofdag verschillen de drie stukken aanmerkelijk van elkander. De eigenaardige aanleiding tot dien hofdag vindt men alleen in het mhd. gedicht, en wordt evenmin in het fransche als vlaamsche stuk aangetroffen, zoodat dit waarschijnlijk een toevoegsel van den GLICHESÆRE is, daar het toch niet aannemelijk schijnt dat dit in het oude fransche origineel zou hebben gestaan, als GRIMM gist(63), dewijl er nergens in de jonger fransche branches eenige toespeling op voorkomt.
Overigens staat toch ook zelfs hier de fransche branche nader aan het Mhd. dan onze Reinaert. In het Mhd. heet het, vs. 1366:
Do suochte reht her Isengrîn, Eins vorsprechen er gerte, Der künic in eines gewerte: Daz muose Brûn der bere sîn.
En Brûn doet dan ook de aanklacht namens zijn kliënt. Dat alles heeft in de beide andere stukken geen plaats, maar in het fransche mengt Bruns li Ors zich toch in het geding (9705), hetgeen wel een uitvloeisel van de vroegere voorstelling kon zijn. Buitendien vinden wij nog andere overeenkomst. In het Mhd. wendt zich Krimel, de das, in zijne verdediging van Reinhart tot Hersant, en zegt, vs. 1396:
Ver Hersant, nu seget wie Iuch iwer man bringt ze mære: Daz magiu wesen swære,
nadat hij eerst heeft aangetoond dat Reinhart haar, die veel grooter is, onmogelijk tegen haren wil heeft kunnen verkrachten.
In het Fransch zegt Grimbers li tessons evenzoo, vs. 9761:
N'i ot force fète Ne huis brisié, ne trive frète;
en ook daar wendt hij zich vervolgens tot Hersent, vs. 9779:
Haï! quel clamor et quel plet Vos a hui vostres mari fet A tantes bestes regarder! ...................... Il ne vos crient ne ne resoigne.
Als later de moord aan Coppe gepleegd, bekend raakt, wordt in het Mhd. des konings »zornege muot” (vs. 1474) uitdrukkelijk vermeld; hij sprak:
„Sam mir mîn bart, Sô muoz der fuhs Reinhart Gewislîchen rûmen diz lant, Odr er hât den tôt an der hant.”
En hij gebaarde daarbij zoo woedend, dat de haas van schrik de koorts kreeg, vs. 1484:
Vor vorhten bestuont in der rite.
Ook in de fransche branche wordt 's konings woede geschilderd, vs. 10041:
Et qant li rois vit Chantecler, Pitié li prist du bacheler, Un soupir a fait de parfont, Ne s'en tenist por l'or du mont. Par mautalent drece la teste, One n'i ot si hardie beste, Ors ne sangler qui péor n'ait Qant lor sire sospire et brait. Tel péor ot Coarz li lièvres Que il en ot deus jors les fièvres, etc.
Van dat alles vindt men nu in onzen vlaamschen Reinaert niets.
Als later Coppe begraven wordt, zegt het Mhd. vs. 1485:
Der künec hiez singen gân Hern Brûnen, sinen kapelân, Und ander sîne lêreknaben; Der tôte wart schiere begraben.
hetgeen in het Fransch, vs. 10090 aldus luidt:
„Sire Bruns, prenez une estole, Et vos, sire Bruians li tors, Commandez l'ame de cest cors; Là sus enmi cele costure Me fètes une sépouture Entre ce plain et ce jardin, Si parleron d'autre Martin.” —„Sire, fait Bruns, vostre plaisir.” Atant va l'estole saisir, Et non mie tant solement, Mès li rois el commencement, Et tuit li autre dou concile Ont commenciée la vigile. Sire Tardis, li limaçons, Chanta por cele trois leçons, Et Rooniax chanta li vers, Et il et Brichemers, li cers, Et Bruns, li ors, dist l'oroison, Que Diex gart l'ame de prison. Qant la vegile fu chantée, Et ce vint a la matinée, Le cors portèrent enterrer, etc.
Dit is blijkbaar eene uitbreiding van het Mhd. In den Reinaert leest men alleen dat Nobel aan Cantecleer zegt, vs. 431:
[Wi] sullen onse vigilien singhen: Daerna sullen wise bringhen, Den lichame, ter eerden met ere. .......................... Dat hi gheboot was sciere ghedaen. Doe mochtemen horen aneslaen Ende beghinnen, harde ho, Dat Placebo Domino, Ende die verse, die daer toe horden. Ic seide ooc, in waren worden, Neware het ware ons te lanc, Wie daer der siele vers sanc, Ende wie die sielelesse las. Doe die vigilie ghehent was, Doe leidemen Coppen in dat graf, enz.
Men heeft deze plaatsen maar te vergelijken, om zich te overtuigen dat de fransche branche onmogelijk naar den Reinaert kan bewerkt zijn, daar in het laatstgenoemde stuk Bruun niet genoemd wordt als zanger van den lijkdienst. Daarentegen pleiten de kursief gedrukte regels veeleer voor de tegenovergestelde opvatting.
In het Mhd. volgt dan het verhaal hoe de haas zich op het graf van Coppe te slapen legt en daar van zijne koorts genezen wordt, waaruit blijkt dat de verslagene eene heilige martelares was, hetgeen aanleiding geeft, dat allen op Reinhart woedend worden.
Der hase leit sich ûf daz grap: 1489. Ze kurzen wîlen er entswap, Als ich iu sagen muoz, Dô wart im des riten buoz. Der hase ûf erschrihte Fürn künec gienger enrihte, Und sagt im vremdiu mære, Daz daz huon wære Heilec vor gotes gesihte, etc.
Hetzelfde verhaal vindt men in het Fransch terug, hoewel het daar niet op zijne juiste plaats staat, daar Bruin reeds vertrokken is.
.... mesire Coars, li lièvres, 10149. Qui de péor trembloit les fièvres, Deus jors les avoit jà éues, Merci Dieu, or les a perdues Sor la tombe dame Copée: Car qant ele fu enterrée, Onc ne se volt d'iloc partir, Ainçois dormir sor le martir.
En dan wordt er nog bijgevoegd, dat ook Ysengrin zich op het graf legt, voorgevende kiespijn te hebben, waarvan hij ook beweert genezen te worden, hoewel niemand aan zijn zeggen geloof hecht.
Dit laatste nu is stellig een inlapsel van den franschen trouvère, die Nobel voorstelt als den vos niet ongenegen, waarom Isengrim alle middelen te baat neemt om den koning tegen zijn vijand op te zetten; misschien is het zelfs alleen het werk van een afschrijver. Maar in allen gevalle kan het geheele mirakelverhaal hier niet uit den Reinaert zijn overgenomen, omdat het daar in het geheel niet voorkomt.
Het gezantschap van Bruun wijkt in de voorstelling van de beide jongere stukken nog al af van het Mhd.; maar ook hier hebben wij twee plaatsen die bewijzen, dat het Fransch onmogelijk naar het Vlaamsch kan vertaald zijn, wel omgekeerd.
Als Bruun Reinaert uitnoodigt om met hem ten hove te gaan, zegt deze, in de fransche branche, dat hij vanzelf reeds op weg zou zijn, zoo hij niet eerst had willen eten, en wel (vs. 10204)
D'un merveilleus mengier françois;
want ten hove worden de rijke lieden goed ontvangen, en hun zet men een goed maal voor, maar den arme noodigt men niet ten disch.
„Por tel afère con ge di, 10231. Biau sire, avoie dès mardi Mon lart et mes pois aünez; Dont je me sui desjéunez, Et s'ai bien mengié deus denrées De novel miel en fresches rées.
Die lofspraak op den honing, dien hij ook later, vs. 10252 noemt »cest bon miel frès et novel”, is hier geheel op hare plaats, en dient om den beer begeerig te maken naar die lekkernij.
De Vlaming behandelt de zaak anders: hij laat Reinaert zeggen, dat hij naar het hof zou zijn gegaan indien hij niet zooveel van »ere vremder niewer spise” gegeten had, dat hij niet kon loopen; en toch was het maar eene onedele spijs, »cranke have,” want arme lieden moeten eten wat zij bij de hand hebben en niet wat zij zouden wenschen. Dien honing,
„Die moetic eten dor den noot Als ic el niet mach ghewinnen.”
Men ziet hier duidelijk het plan van den vos om de spijs te smalen, ten einde den beer des te beter om den tuin te leiden. Vandaar dat Bruin dan ook antwoordt (vs. 575):
Helpe, lieve Vos Reinaert, Hebdi honich dus onwaert?
Daarbij steekt nu sterk af dat hij ter zelfder plaatse die verachtelijke spijs noemt (vs. 568)
Goede versche honichraten.
Men kan alleen begrijpen hoe deze in den samenhang niet passende uitdrukking in den vlaamschen tekst gekomen is, als men daarin eene ondoordachte vertaling ziet van het fransche »bon miel frès et novel.”
Als verder Reinhart den beer in 't ongeluk gebracht heeft doet GLICHESÆRE hem naar zijne burcht trekken: dáár voor de deur zittende ziet hij den mishandelden Brûn voorbijloopen, dien hij zijn bijtenden spot achterna zendt.
Her Brûn vor zorne nicht ensprach 1605. Wan daz ern übellich ane sach.
Evenzoo heet het in het fransche gedicht van Renart, vs. 10402,
Qant il oï Brun de loing plaindre, Si s'est mis parmi une adrece à Malpertuis sa forterece, Où il ne crient ost ne agait. Au trespasser que Bruns a fait Li a Renarz deus gaz lanciez. ........................ Li ors estoit si adolez Qu'il ne li pot respondre mot, Fuiant s'en vet plus que le trot.
In den vlaamschen Reinaert nu raakt de beer in 't water, en aan den oever der rivier ontmoet hem de vos, die zich wilde gaan baden. Grimm meent dat ook des beeren vlucht door de rivier in het verloren ouder fransche gedicht kan gestaan hebben(64); maar dit is onwaarschijnlijk, daar de nieuwere branche zich geheel aan het Mhd. houdt; en waar dit het geval is kan deze branche wederom onmogelijk naar den Reinaert vertaald zijn, die zich zoo ver van het Mhd. verwijdert.
Het gezantschap van Tibert zal ons geen punt van vergelijking opleveren, omdat in het Mhd., volgens GRIMMS opmerking »der ganze vortrag hier eine leidige zusammenziehung verräth, und bedeutende abweichung von der andern recension(65).”
De biecht komt in het Mhd. niet voor. Maar als Reinaert zich opmaakt naar het hof, zegt GLICHESÆRE, vs. 1831:
Ein criuze machter für sich, Er sprach: „Got bewar nu mich Vor bœsen lügenæren, Daz si mich nicht beswæren.
En zoo ook in het Fransch, vs. 10866:
Lors se coucha adenz à terre, Et trois foiz se rendi copables, Puis se seigna por les déables, Et por dant Noble, le lion, Moult fu en grant afflicion.
En dit ontbreekt in het vlaamsche stuk.
Als Reinaert ten hove is gekomen loopen de drie stukken weder geheel uit een, zoodat hier de vergelijking ophoudt.
Uit de overweging der plaatsen die wij tegen elkander hebben gehouden blijkt dunkt mij onwedersprekelijk, dat de fransche branche onmogelijk naar onzen vlaamschen Reinaert kan zijn vertaald, zoo als WILLEMS als bewezen aannam; want herhaaldelijk troffen wij in het Fransch plaatsen aan afwijkend van het vlaamsche gedicht maar gelijkluidend met het mhd. of ouder fransche stuk.
Er is, dunkt mij, nog een ander bewijs voor den gedeeltelijken oorsprong van den Reinaert uit het Fransch. Ik druk niet op de enkele fransche woorden, als morseel, museel, enz. die er in voorkomen, ik laat zelfs hier het woord male buiten rekening, dat vs. 400 en 889 in de overdrachtelijke beteekenis van maag of muil wordt gebruikt, even als in het Fransch vs. 18004
Et Tybert differma sa male.
Maar ik moet wijzen op eene uitdrukking, die alleen door vergelijking met het Fransch verstaanbaar wordt. Vs. 130 heet het:
Hi (R) ne heeft ooc niemene so lief, No den coninc, minen here, Hine wilde dat hi lijf ende ere Verlore, mocht hire ane winnen.
Nu weet ik niet dat in eenig mnl. stuk no wordt aangetroffen in de beteekenis van zelfs, zelfs niet, die hier geëischt wordt. Alleen het fransche néis kan hier licht geven. B.v. vs. 10467 waar R. genoemd wordt:
.... beste de put conroi, Néis à Dex ne porte foi.
Of vs. 11529, waar R. alle dieren verschalkt:
Renarz a bien chascun lié Ou par la coue ou par le pié; Moult par a fet grant deablie: A chascun arbre le suen lie, Néis le roi lia par la coue (sic).
Laten wij er nog bijvoegen, dat de behandeling in den vlaamschen Reinaert veel voortreffelijker is dan in de fransche branche, zoowel wat de geheele opvatting betreft als de bijzonderheden in de enkele tafreeltjes. Is het nu te verwachten, dat de minder voortreffelijke redaktie eene navolging zou zijn van het betere? Het verschil is zoo groot, dat dit reeds genoegsaam zou zijn om de stelling van WILLEMS als onaannemelijk, als onmogelijk te doen verwerpen.
Maar volgt daaruit dat onze Reinaert naar deze branche is vertaald? De afwijkingen in beide teksten waren voor WILLEMS geen hinderpaal om aan te nemen dat het eene naar het andere werd bewerkt, omdat er in beiden zoovele regels zijn, die blijkbaar letterlijk met elkander overeenkomen; maar het zou niet onmogelijk zijn dat de Reinaert eene navolging ware van een ouder stuk dan de bekende fransche branche; aan een jonger valt wel niet te denken, daar er dan wel iets van ter onzer kennisse zou gekomen zijn.
A priori is dit echter niet waarschijnlijk, daar men zou moeten aannemen dat er drie fransche redaktiën van hetzelfde verhaal zouden hebben bestaan: 1) de oudste, wier inhoud ons GLICHESÆRE heeft bewaard, 2) de eerste omwerking, waaruit dan 3) de ons bekende, minder goede, branche en de Reinaert zouden zijn voortgevloeid.
Intusschen kan alleen eene nadere vergelijking der verschillende plaatsen van beide teksten tot eene bepaalde uitkomst leiden. Ten einde die zoo doeltreffend mogelijk te maken, moeten wij eerst iets naders trachten te weten van den franschen trouvère die de 20e (16e) branche bewerkte.
IV.
Zijn naam is ons niet bekend: wij weten echter zeer zeker dat het PIERRE DE SAINT CLOUD niet geweest is, vooreerst omdat deze in den proloog genoemd wordt als juist dit onderwerp niet hebbende behandeld, terwijl het in de tweede plaats duidelijk blijkt uit een zeer in het oog loopend onderscheid. Onze dichter geeft zijnen dieren ridderlijke zeden en laat ze b.v. altijd op paarden of muilezels rijden, hetgeen in de 11e (7e) branche die aan PIERRE wordt toegeschreven, nimmer plaats grijpt.
Zoo nu al 's dichters naam ons onbekend is, zijn geboorteland is niet twijfelachtig. Boven wezen wij reeds op het vlaamsche woord villecome; ik voeg er bij de uitdrukkingen: fère let voor leed doen, vs. 10975; eschames, 10032, voor schamels, die alle naar Fransch-Vlaanderen verwijzen, zoo als wij later nog nader zullen bevestigd zien.
Grimm schijnt niet ongeneigd, deze branche aan twee dichters toe te schrijven, althans hij zegt(66): »vielleicht schloss mit 11368 die ursprüngliche branche;.... nun folgen aber fortsetzungen.” Rothe maakt ter naauwernood, en ter loops(67), gewag van dit onderscheid, dat hij in den regel uit het oog verliest; FAURIEL spreekt er in 't geheel niet van(68); maar het komt mij ook voor, dat men moet toegeven, dat werkelijk in de laatste helft een nieuw verhaal begint, en dat dit niet aan den dichter van het eerste deel der branche kan worden toegekend, hoewel de navolger waarschijnlijk niet veel jonger dan de eerste dichter moet gesteld worden, met wien hij hetzelfde vaderland gemeen heeft.
Vooreerst zullen wij zien, dat de schrijver van den vlaamschen Reinaert ook dit gedeelte heeft gekend en gebruikt. Voorts treffen wij hier hetzelfde spraakgebruik, dezelfde zinswendingen aan als in het eerste gedeelte. Zoo wordt hier, vs. 11447, de uitdrukking gebruikt:
Qu'iroie-ge fesant lonc coute?
even als vroeger, vs. 10849:
Que vos iroie-ge disant?
vs. 11604 heet het:
Puis parleron d'autre Bernart,
waarvoor vs. 10096:
Si parleron d'autre Martin.
De taal in beide deelen is die van Fransch-Vlaanderen.
Bovendien, vs. 11728 wordt Arras genoemd, hetgeen ons, in verband met de taal, wel recht schijnt te geven beide dichters in Artois te plaatsen.
Maar uit die overeenkomst van taal- en spraakwendingen volgt nog in het geheel niet, dat beide stukken van dezelfde hand zijn; want het valt niet te ontkennen, dat er een merkbaar onderscheid in de behandeling van het eerste en laatste gedeelte is waar te nemen.
Het geheele karakter, de toon, de wijze van voorstelling en zedeschildering van beide deelen verschilt daartoe te veel. Buitendien zijn er bij naauwkeuriger vergelijking nog enkele verschilpunten, die geen twijfel overlaten.
En toch, zegt men wellicht, niet alleen in beide deelen rijden de dieren die tot de hofhouding behooren te paard, maar gelijk in het laatste gedeelte de dieren als ridderlijke strijders worden voorgesteld, zoo is dit ook reeds op het eind van de eerste helft der branche het geval. Immers, als de mannen des konings Reinaert najagen, heet het, vs. 11313:
Li limaçons porte l'enseigne, Bien les conduit par la campaigne(69),
even als wij in het laatste gedeelte vinden, vs. 11558:
.... Dans Tardis li limaçon Qui seut porter le gonfanon;
en zoo ook nog vs. 11617. Daaruit blijkt immers, dat ook den schrijver van het eerste gedeelte dezelfde wijze van voorstelling niet vreemd is.
De opmerking is juist; maar alleen in zooverre, als men met GRIMM aanneemt, dat de omwerking eerst met vs. 11368 aanvangt. Maar wanneer zij eens al bij vs. 11297 begon? of althans wanneer de regels 11297–11319 een inschuifsel waren, waarvan alleen moest blijven staan:
Renarz regarde arère soi Et voit qu'il viegnent sans deloi. Ne set conseil que fère doie etc.?
De eerste zestien regels toch, de opsomming der dieren bevattende, zijn eene bloote herhaling van de regels 10159–11070, waar grootendeels dezelfde personen worden opgenoemd: die herhaling kan onmogelijk van den eersten dichter afkomstig zijn, evenmin als de navolging van Chanteclers aanklacht op het einde van het gedicht(70).
Neemt men nu eene interpolatie aan, dan loopt het verhaal geleidelijk af, en het eind komt dan overeen met het slot der 10e branche, of der 26e b.v.; en voor die opvatting zou ook pleiten, dat nog vs. 11353 een van Reinaerts zonen Roviax genoemd wordt, even als vs. 10251 Rovel (in dativo), terwijl hij later, vs. 11729 Rousel heet (in dat.).
Neemt men niet eene interpolatie aan, maar schrijft men het geheele stuk, van vs. 11297 af, aan den navolger toe, dan ware er geen slot aan de oorspronkelijke branche.... Zou het dan zoo onmogelijk zijn, dat het oorspronkelijke slot hier was weggelaten, en bij het aanhechten van het tweede gedeelte door een ander vervangen? De vergelijking met den mnl. Reinaert schijnt dit vermoeden in de hand te werken; en niemand zal ontkennen, dat deze vergelijking zeer geschikt is om medetewerken ter verkrijging van een vasteren bodem voor de kritiek van de fransche branches, welke tot nochtoe grootendeels in de lucht zweefde.
Is nu het karakteristieke onderscheid in beide deelen der branche niet te ontkennen, wij kunnen ook nog eenige andere bewijspunten aanvoeren.
Alleen in het eerste gedeelte wordt de leeuw soms genoemd l'emperère, b.v. vs. 9693, 10059, 10081, 10137, 10663, 11021; nimmer in het laatste.
Alleen in het eerste deel vindt men de uitdrukking por le cor bieu, b.v. vs. 9945, 10243, 10986, 11231, 11293, die ook in de 10e (6e) branche, vs. 4641, 4573, en eens in 23e (18e) branche, vs. 13240, terugkeert, maar nimmer in het laatste stuk der 20e (16e).
In het eerste gedeelte wordt alleen teruggewezen op een ouder verhaal: nog vs. 10036 heet het:
Si comme en escrit le trovon,
en vs. 10595.
Si com nos trovons en l'estoire.
Later komt zoodanig beroep niet meer voor. Intusschen is dit deel toch waarschijnlijk ook eene omwerking van een ouder gedicht, waarop misschien wel eene toespeling voorkomt juist in de eerste helft van onze branche, vs. 10803–10817.
Het is daarom niet twijfelachtig of het tweede gedeelte der 20e (16e) branche is een toevoegsel van een ander dichter, die intusschen ongeveer een tijdgenoot van den eersten zal geweest zijn.
Op de 20e branche volgt in alle handschriften eene andere, die ten onrechte in tweeën gesplitst is(71), en die wij 21–22 zullen noemen. Zij hangt blijkbaar met de voorgaande samen, gelijk ook GRIMM opmerkte(72); maar of dit ons recht geeft om daaruit te besluiten, dat beiden door denzelfden dichter, namelijk dien van 20a, zouden zijn bewerkt, blijft de vraag. Terwijl sommigen dit aannemen, heeft ROTHE het ontkend; maar op gronden die weêrlegbaar schijnen, en die wij eerst zullen onderzoeken, hetgeen ons noodzakelijk zal leiden tot eene beantwoording der vraag zelve.
Ziehier zijn betoog. »Malgré les traits de ressemblance évidents et incontestables entre cette branche et la précédente, sans doute elles sont dues à divers auteurs(73).” Vestigt men zijne aandacht op de sterke bewoordingen van het eerste gedeelte dier uitspraak, dan zal men zeker wel sprekende bewijzen verwachten om het tweede gedeelte te rechtvaardigen. Die bewijzen nu komen hier op neêr: »Le caractère général y diffère; le récit est moins piquant, moins varié, plus plat ici que dans la vingtième branche.”
Wat het laatste gedeelte dier bewijsvoering aangaat, zij rust geheel op subjektive beschouwing, en ik twijfel sterk of de zienswijs van ROTHE wel veel bijval zal vinden. Wat het verschillend karakter aangaat, hij heeft daarvoor hier slechts één bewijs aangehaald, dat echter zeer weinig afdoet.
De vos, die zich door indompeling in eene kuip met geele verw onkenbaar gemaakt heeft, geeft zich voor een bretonschen jongleur uit: hij weet het speeltuig meester te worden, dat tot zijn beroep behoort, en dan heet het, vs. 12515:
Moult s'esbaudist, moult se conforte Por la viele qu'il enporte: ...................... Tant fist Renarz denz quinze dis Fu bien de la viele apris: Sages en fu et escolez.
Dit geeft ROTHE aanleiding om te zeggen(74): »Renart se divertit pendant quinze jours avec la vielle qui lui a été donnée. Il y a en cela quelque chose de poétique, mais aussi d'assez contraire au naturel de Renart, tel qu'il est caractérisé par le reste.”
Maar de geleerde schrijver heeft hier den tekst verkeerd opgevat. Er staat niet moult s'esbaudist DE la viele, maar POR la viele; hetgeen eenvoudig beteekent, dat hij zich verheugde over het bezit van het speeltuig. Zoo hij er zich veertien dagen meê bezig hield, het was eenvoudig om het te leeren behandelen, ten einde later zijne rol te kunnen spelen. Men ziet dus dat ROTHES opvatting, die alleen op een misverstand berust, geen gewicht in de schaal van ons oordeel kan leggen.
Pag. 262 heet het wederom: »Les branches 21 et 22 n'en forment guère qu'une; elles ont beaucoup de conformité de style et de caractère, mais sous ce rapport, elles diffèrent essentiellement de la branche 20.” Later, pag. 264–265 ontwikkelt hij zijn begrip omtrent het verschil van karakter. Ik moet duidelijkheidshalve de geheele plaats aanhalen.
»Les dix-huit premières branches (suivant l'édition et l'arrangement de Méon) se maintiennent constamment sur le ton et dans le caractère de l'apologue, de la fable proprement dite; elles conservent à tous les animaux leur naturel, les font parler et agir selon leurs individualités, leur font seulement jouer des rôles et des personnages conformes à leurs qualités physiques, et pour les hommes qui figurent avec eux comme acteurs dans ces petits drames, ce ne sont guère que quelques prêtres, quelques vilains, familiers à la sphère d'idées des poètes populaires, et qui conviennent à la simplicité ou à la rudesse des positions dans lesquelles ils se trouvent avec les animaux, leurs interlocuteurs ou leurs vainqueurs. Le caractère de simplicité et de naturel de ces dix-huit branches nous dispose à les regarder aussi comme primitives, comme appartenant de préférence aux premiers siècles des compositions de cette espèce, aux siècles de simplicité dans les mœurs et dans les idées, aux temps où le sujet n'a pas encore été épuisé, où les versificateurs et leur public n'ont pas encore été blasés sur les tours ingénieux de Renart et la naïveté de la fable.”
Alvorens verder te gaan moeten wij opmerken, dat de stelling niet opgaat, daar b.v. de 234 eerste verzen der eerste branche blijkbaar tot de jongste stukken behooren, daar hier herhaaldelijk verklaringen en toepassingen voorkomen, om te doen zien, wie al zoo door Renart en Ysengrin bedoeld worden. In de 13e (9e) branche leest men, vs. 6910:
Se il fust pris devant Halape Ne fust-il pas si adolez,
hetgeen herinnert aan Renart Le Nouvel, vs. 2884:
Ne cuit mie jusqu'en Halape Ait nul home qui le vousist.
Zoowel het eene als het andere gedicht schijnt eerst in het laatst der dertiende eeuw zijn tegenwoordige vorm erlangd te hebben.—Over de karakteristiek handelen wij weldra.
»Dans les branches 21, 22 .... les animaux acteurs agissent et parlent encore en grande partie selon leur naturel, mais ces branches ne portent plus tout-à-fait l'empreinte de la fable; ce sont plutôt des récits, des contes versifiés où les animaux des autres branches sont encore en scène, mais où le tout prend un cachet tant soit peu différent.
»Les branches 19, 20 ...., assez longues, renferment, à la vérité, des parties qui tiennent à la simple fable, et qui sont teintes d'une couleur analogue à celle qui est commune aux premières branches; mais du reste elles sont remplies d'allusions à la chevalerie et à la féodalité, et retracent les mœurs, les usages et le langage de la chevalerie. Les animaux s'y rassemblent à la cour du roi Noble le lion, tiennent conseil, se divertissent, font le siége du château-fort de Maupertuis, montent constamment à cheval, s'arment à l'instar des chevaliers, parlent tous le même langage, agissent de la même manière, s'agitent, se battent et triomphent sans aucun égard à leur grandeur, à leurs forces, à leur naturel, à leurs qualités morales et physiques. Ces branches ne laissent pas d'être curieuses, poétiques, spirituelles et plaisantes en maint et maint endroit; mais elles ne ressemblent plus aux premières, elles forment des poëmes d'un autre style, on dirait presque d'un genre différent.”
Ik heb bij herhaling de fransche branches gelezen en herlezen alvorens ik met het boek van R. bekend werd, en ik moet zeggen, dat ik niet tot hetzelfde rezultaat als de deensche geleerde ben gekomen; en wie zich de moeite wil getroosten de drie eerste deelen van MÉON te doorbladeren, zal lichtelijk ontwaren, dat ROTHE ter gunste van een systeem een willekeurig onderscheid heeft aangenomen. Wij zagen reeds dat de achttien eerste branches van MÉON niet alle tot de oudsten behooren; het behoeft ook slechts eene oppervlakkige inzage opdat men zich overtuige, dat zij zich niet onderscheiden door die »naïveté de la fable,” maar evenzeer als de volgenden behooren tot de »récits ou contes versifiés.”
Ik verwijs b.v. naar de tweede branche, waarin Renart de aal van zekere kooplui steelt; naar de tiende, waarin de vos en de wolf een priester bedriegen; naar de elfde, die van PIERRE DE SAINT-CLOUD heet te zijn, en die men gewoonlijk voor de oudste houdt, waarin breedvoerig geschilderd wordt hoe Renart met een boer solt en hem behendig in het water smijt; enz., enz.
Of die achttien eerste stukken ook wel minder zijn »remplies d'allusions à la chevalerie et à la féodalité”?
Vooreerst rijden ook hier de dieren te paard. In de eerste branche b.v. heet het vs. 568 van Renart:
Ainz ne fina d'esperoner.
In de tweede, vs. 893:
Car il (R.) a trop ignel cheval.
In de 13e (9), vs. 6541:
Onques ne fa ses frains tenuz.
In de branche aan PIERRE DE SAINT-CLOUD toegeschreven zegt de vos tot Nobel, vs. 5618:
Miex amez la grant baronie De vostre cort avecques vos, Si con est sire Bruns li ors.... N'avez cure de povre gent.
Op het slot der eerste branche lezen wij, vs. 736:
A la cort Noble le lion Tient-on les plès et les oiances De mortiez guerres et de tences, Là nos irons de lui clamer.
Vs. 516 spreekt Hersent er van zich aan een Godsoordeel te onderwerpen:
.... S'om me laissoit esconduire Par sairement et par joïse, Je'l feroie par del devise C'om me féist ardoir ou pendre Se ne m'en poïsse desfendre.
Uit dit alles zal men gereedelijk ontwaren, dat de onderscheiding door ROTHE gemaakt, niet opgaat; en dat de meeste branches in karakter niet veel verschillen(75). Dit kon ook niet wel, omdat zelfs niet de oudste de oorspronkelijke vorm teruggeeft. Even als onze 20e (16e) branche zich op een boek beroept, doen het ook anderen, b.v. die van PIERRE DE SAINT-CLOUD heet te zijn, vs. 4938:
Que se li livres nos dit voir Où je trouve l'estoire escrite;
vs. 5753:
Que se l'estoire ne nos ment.
Zoo ook de 5e (3e) branche, die een verhaal bevat dat ook in het stuk van PIERRE voorkomt, maar een ouder aanzien heeft, heet het vs. 1384:
Trover le poez en l'estoire.
Nu hebben de omwerkers de zeden, denkbeelden en het spraakgebruik van hunnen tijd in hun verhaal gebracht, de een op deze, de andere op gene wijze, naarmate zij zich meer of minder streng aan hun origineel hielden. Zoo zagen wij in de 11e branche b.v. met een enkelen trek de koninklijke hofhouding aanduiden, terwijl de schrijver zich onthoudt van zijne dierhelden te paard te laten rijden.
Het verst in ridderlijke zedeschildering gaat het laatste gedeelte der 20e (16e) branche, en ook de 19e waar de dieren gewapend met lans en speer Reinaerts burcht belegeren; en alleen betrekkelijk deze gaat de onderscheiding van ROTHE op.
Uit dit alles volgt nu, zoo ik hoop, klaarblijkelijk, dat het karakteristieke onderscheid tusschen de branches 1–7, 21–22 en 20a niet bestaat in dien zin waarin ROTHE het opvatte, en die hem aanleiding gaf de branches 20 en 21–22 aan verschillende dichters toe te schrijven. Wij zullen dan ook later zien, dat de 20e branche, die volgens ROTHE tot de jongste bewerkingen moest behooren, gedeeltelijk althans, waarschijnlijk tot de oudste moet gerekend worden.
Keeren wij thans tot de branche 21–22 meer bepaald terug.
Fauriel was daaromtrent van een andere meening dan ROTHE. Hij noemt de beide branches(76): »Renart teint en jaune et Renart jongleur .... deux productions remarquables à plus d'un titre, et surtout pour être indubitablement du même trouvère à qui l'on doit la fable du Plaid (20).”
Hoe verdienstelijk deze schrijver in vele opzichten is, hij heeft in zijn artikel over den Roman du Renard te veel misslagen begaan om hem op zijn woord te gelooven(77); wij moeten daarom een eigen onderzoek instellen.
In deze branche nu wordt hoofdzakelijk verhaald, hoe Reinaerts vrouw op het eerste gerucht van zijnen dood zich terstond een nieuwen echtgenoot gekozen had, die echter door Reinaert in zijne bruiloftsvreugde wordt gestoord.
Nu zegt reeds in de voorgaande, 20e branche, vs. 11745 vlg., de vos tot den das:
.... Se ma fame se marie, Tolez li quanque je li lès, Et si tenez ma terre en pès, Qar moult m'aura tost oblié Puis que me saura devié; Ainz que Tibaut soit crestiens En metra un en ses liens: Qar qant li hons gist en la bière, Sa fame esgarde par derière S'ele voit home à son plaisir; Ne puet pas son voloir taisir, Con plus se pasme et vet tremblant, Qu'il ne li face aucun semblant. Tot autretel fera la moie, Jusqu'au tiers jors r'aura sa joie.
Die soort van voorspelling wordt nu in de volgende branche vervuld. Ook in deze komen herinneringen voor aan het voorgaande stuk, b.v. vs. 12165–8, waar gewezen wordt op het gebeurde op het laatst der 20e branche, vs. 11531, 11957. En nog duidelijker heet het vs. 12679:
A une liue d'iloc ot, Si que Renarz moult bien le sot, Une tombe d'une martire, Dont vos m'avez bien oï dire, De Coupée qui là gisoit: Tretoz li mondes le disoit Qu'ele fesoit apertement Vertuz à toz conmunalment. Nus hons n'i vient, tant soit enfers, Ou soit moignes, on lais ou clers, De tot le mal que il éust, Que meintenant gariz ne fust.
Dit ziet op het vroeger verhaalde geval, vs. 10147, waar men ontdekt dat Coupée, de door Renart vermoorde hen, eene heilige martelares was, op wier graf de haas door een mirakel van zijne koorts genezen wordt.
Opmerkelijk is het, dat hier vs. 12682 de dichter uitdrukkelijk zegt:
Dont vos m'avez bien oï dire,
zoodat wij hier meer hebben dan eene bloote toespeling, ja de zeer stellige verklaring dat beide branches van één en denzelfden dichter zijn. Rothe wil dit echter niet aannemen, en om zijne opvatting te redden neemt hij zijne toevlucht tot de volgende gissing: »Si l'on osait regarder la vingtième branche, telle que nous la connaissons aujourd'hui, comme un remaniement plus récent et plus spirituel d'un original antérieur, on pourrait supposer, que les branches vingt-et-une et vingt-deux ont eu une conformité et une liaison plus complètes avec cet ancien original de la vingtième(78).”
Het valt intusschen in het oog, dat dit niets anders is dan eene hypothese, die alleen gerechtvaardigd wordt door ROTHES onkritische beschouwing der 20e branche, waarin hij geene twee verschillende handen opmerkte.
De geleerde Deen gaat daarbij ook nog van eene andere verkeerde stelling uit. Hij schijnt aan te nemen dat wij de 21–22e branche in hare oorspronkelijke, onomgewerkte vorm bezitten, en dit kan toch niet in het algemeen als waar aangenomen worden.
Er komen toespelingen in voor op het tweede gedeelte der 20e branche, in welk deel ook de aangehaalde woorden van Renart voorkomen, die ons op de 21–22e moeten voorbereiden, zoodat de aanknoopingspunten blijkbaar eerst later in dit verhaal zijn gebracht, dat overigens eene overoude overlevering schijnt te bevatten(79).