← Table of contents
Vanden Vos Reinaerde

Note (173) — INLEIDING. (continued 2)

Reading edition

Een enkel, maar doorslaand bewijs. In hetzelfde werk, pag. 293–299, schrijft hij, op voorgang van

BARBAZAN

en

LE GRAND D'AUSSY

, acht gedichten toe aan zekeren

JEHAN DE BOVES

, die, volgens den tekst van een dier gedichten zelf, er blijkbaar de schrijver

niet

van was.

In het fablel des deux Chevaux, bij BARBAZAN-MÉON, tom. III, pag. 197, lezen wij:

Cil qui trova de Morteruel, Et del mort vilain de Bailleul,

en dan volgt de verdere opsomming der stukken aan JEHAN DE BOVES toegekend, waarop het dan verder heet:

(Cil) D'un autre fablel s'entremet, Qu'il ne cuida jà entreprendre; Ne por mestre Jehan reprendre De Boves, qui dist bien et bel, N'entreprent-il pas cest fablel, Quar assez sont si dit resnable; Mès qui de fablel fet grant fable N'a pas de trover sens legier.

Dit kan nu wel niets anders beteekenen dan dit: „Hij, die de acht opgenoemde stukken geschreven heeft, waagt zich aan een ander gedicht, dat bij nooit gedacht had te zullen maken. Hij doet dit niet om het meester JEHAN DE BOVES te verbeteren (die dus blijkbaar hetzelfde onderwerp reeds behandeld had), want zijne sproken (dit) zijn vol pit; maar die zich op dichten toelegt kan niet altijd eene nieuwe stof vinden (trover).”

Dinaux haalt alleen de vier eerste verzen aan (pag. 295), en wel om te bewijzen, dat de dichter „lui-même se rend assez ingénûment justice”! Buitendien vergeet hij zelfs van het vijfde der in die inleiding vermelde gedichten te gewagen.

Wie nu de schrijver dier stukken is, weten wij niet, daar zijn naam met voordacht uit den codex door MÉON gevolgd schijnt te zijn weggelaten, zoo als blijkt uit den aanhef van het stuk Dou lou et de l'oue, l. l., pag. 55, en evenzeer uit dien van Brunain la vache au prestre, l. l., pag. 25.

Dinaux' geheele redeneering op bl. 150 is ook eenvoudig maar uit LE GRAND D'AUSSY overgenomen, Fabliaux ou Contes, 3 éd., tom. IV, pag. 256, en wel met overhaasting. Le grand zegt van de vrouw des priesters: „Dans le fabliau du curé qui mangea des mûres, il a été fait mention aussi de ces femmes de prêtres. Celle dont il s'agit ici (in den Constant du Hamel), quelques vers plus bas, est nommée la prêtresse.” Dinaux zegt: „Ce n'est point seulement dans ce fabliau qu'il est question des femmes des prêtres de cette époque; dans celui intitulé, le curé qui mangea des mûres, cette même singularité se représente, et comme ici, la femme du prêtre est appelée prêtresse.” Intusschen komt in 't stuk du Curé etc., in de Choix et extraits achter LE GRANDS eerste deel, pag. 26, de uitdrukking niet voor. Dit is eene kleinigheid, maar men leert er de slordigheid van dat werk uit kennen.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings