MIETJE BIJ HET CLAVECIMBAAL.
Reading edition
Die liefelijke toonen Behagen mij alrêe; Al heb ik weinig jaren, Ik zing zo graag eens meê. Wanneer mijn oudste broêrtjen Op 't clavecimbaal speelt, Dan vraagt hij mij, al spottend, Of 't mij niet ras verveelt? Dan zeg ik, lieve jongen! o Speel tog lang voor mij! Mogt ik het ook maar leeren, Ik deed mijn best als gij. Eergistren was ik jarig, En moeder vroeg mij toen, Wat ik van haar begeerde; Ik gaf haar eerst een zoen, En zei: mijn lief mamaatje! Bewijs mij deze gunst, Dat ik mag leeren speelen, En zingen naar de kunst. Zij nam mij in haar armen, En zei: in 't nieuwejaar. Nu brande ik van verlangen, Ach kwam de meester maar.
De jeugd spant zig met speelen En zingen nuttig uit, En is men moê van 't leeren, Dan geeft dit lief geluid Weêr nieuwen lust en kragten; Zo leeft men blij en zoet; En schuwt met vreugd gezelschap, Dat dikwijls doolen doet.