DE VALLEI DER SCHADUWEN DES DOODS.
Reading edition
Toen de eerste bitterheid voorbij was, nam de familie March het onvermijdelijke aan en trachtte het blijmoedig te dragen, elkander steunende door die innige liefde, die gewoonlijk in tijden van druk, huisgenooten nauwer verbindt. Zij maakten het elkaar niet zwaarder door nuttelooze klachten, en ieder deed zijn best om dat laatste jaar nog een betrekkelijk gelukkig jaar te doen zijn.
De vroolijkste kamer werd voor Bets in orde gemaakt, en alles daar bijeen gebracht, waar zij het meest zwak op had—bloemen, platen, haar piano, het kleine werktafeltje en de geliefde katjes. Vaders mooiste boeken vonden hun weg daarheen, en zoo ook Moeders gemakkelijke stoel, Jo’s schrijftafel, Amy’s beste schetsen; en elken dag bracht Meta haar kleintjes even, om een zonnestraaltje te werpen in de kamer van “Tante Bets”. John legde, zonder iets te zeggen, een sommetje ter zijde, om de zieke van tijd tot tijd wat vruchten of andere versnaperingen te kunnen zenden, waarvan zij veel hield en waarnaar ze dikwijls verlangde; de oude Hanna werd nooit moede in het bedenken van nieuwe schoteltjes, om haar grilligen eetlust te prikkelen, en stortte onder het bereiden menigen traan; en van over de zee kwamen allerlei verrassinkjes en opgeruimde brieven, die weldadige warmte en liefelijke geuren schenen mee te brengen uit streken, waar men geen winter kent.
Vereerd als een huisgod in zijn nis, zat Betsy, rustig en bezig als altijd, want niets kon haar lieve onzelfzuchtige natuur veranderen, en nu zelfs, nu zij op het punt stond uit dit leven te scheiden, trachtte zij het zoo gelukkig mogelijk te maken voor degenen, die achter zouden blijven. De zwakke vingers waren nooit ledig, en een van haar liefste bezigheden was, kleine presentjes te maken voor de schoolkinderen, die dagelijks voorbij gingen; om b.v. een paar wantjes uit het raam te laten vallen voor een paar verkleumde handjes, een naaldenboekje voor een kleine poppen-moeder, aardige inktlappen voor jeugdige schrijvers, die zich met moeite een weg baanden door dichte bosschen van hanepooten, of kleine plakboekjes voor kunstlievende oogen, en alle mogelijke, andere, aardige verzinsels, zoodat het jonge volkje, dat eigenlijk met tegenzin de ladder der geleerdheid beklom, zijn weg als het ware met bloemen bestrooid vond, en de lieve geefster ging beschouwen, als een soort van goede fee, die van haar troon allerlei gaven voor hun voeten strooide, gaven, die op wonderbare wijze juist beantwoordden aan hun smaak en hun behoeften. Indien Betsy eenige belooning verlangde, vond zij die in de vroolijke gezichtjes, die steeds naar haar venster opkeken, haar toeknikten en toelachten, en in de grappige, kleine briefjes, vol vlekken en dankbaarheid, die zij van hen kreeg.
De eerste maanden waren werkelijk gelukkig, en Betsy keek gedurig om zich heen en zeide dan: “Wat is alles heerlijk!” als zij zoo gezellig bij elkander zaten in haar vroolijke kamer, de kinderen kraaiend en spelend op den grond, Moeder en de zusters bij het raam aan het werk, terwijl Vader met zijn welluidende stem iets voorlas uit de wijze oude boeken, die zoo rijk schenen aan goede, troostrijke woorden, en nog evenzeer van toepassing waren nu, als toen zij eeuwen geleden geschreven werden—een kleine tempel, waar een vaderlijk priester zijn kuddeke de harde lessen leerde, die allen moesten leeren; hen trachtte te doen inzien, dat hoop troost kan storten in liefhebbende harten, en dat geloof berusting mogelijk maakt. Het waren eenvoudige preeken, die dadelijk den weg vonden naar de harten der toehoordsters; want het hart des vaders sprak uit den godsdienst des leeraars, en de aandoening, meermalen merkbaar in het trillen zijner stem, zette dubbele welsprekendheid bij aan de woorden, die hij sprak of las.
Het deed allen goed, dat deze rustige tijd hun gegeven was, als een voorbereiding voor de droevige uren, die komen zouden, want na een poosje klaagde Bets, dat de naald “zoo zwaar” werd, en legde zij haar voor altijd neer; praten vermoeide haar, het zien van verschillende menschen maakte haar onrustig, de pijn overmeesterde haar, en de vrede harer ziel werd droevig verstoord door het lijden, dat haar zwak lichaam teisterde. Ach! hoe moeilijk waren de dagen, hoe lang de nachten, hoe innig de smeekbeden, die de verslagen harten opzonden, wanneer zij, die haar zoo ziels liefhadden het moesten aanzien, hoe zij de uitgeteerde handen naar hen uitstak, met den hartroerenden kreet: “Help mij, o, toe help mij!” en zij geen hulp konden aanbrengen. Een donkere wolk over de kalme helderheid der ziel, een zware strijd tusschen het jonge leven en den dood, maar beide waren gelukkig van korten duur, en toen het zoo natuurlijk verzet plaats had gemaakt voor onderworpenheid, keerde de oude vrede lieflijker dan ooit terug. Naarmate het zwakke lichaam afnam in kracht, nam de ziel toe in sterkte, en hoewel Betsy weinig sprak, gevoelden allen in haar omgeving, dat zij zich gereed hield en zagen zij dat de pelgrim, die het eerst opgeroepen werd, ook het meest geschikt en het meest bereid was om te sterven.
Jo verliet haar geen oogenblik, sedert Bets had gezegd: “Ik voel mij sterker, wanneer jij bij mij bent.” Zij sliep op een rustbank in de kamer, stond dikwijls op om naar het vuur te zien, of om het geduldige schepseltje dat zoo zelden om iets vroeg, en haar best deed “om niemand tot last te zijn”, te laven, goed te leggen, of eens toe te spreken. Den ganschen dag bleef zij in de kamer, naijverig op andere ziekenverpleegsters en trotscher op de voorkeur haar gegeven, dan zij in later tijd ooit was op eenige eer, die haar te beurt viel. Het waren voor Jo kostbare en nuttige uren, want haar hart doorliep een moeilijke school; lessen in geduld werden haar op zoo liefelijke wijze gegeven, dat het niet anders kon, of zij moest ze ter harte nemen; lessen in liefde tot alles; die zachte stemming, die onvriendelijkheid kan vergeven en waarlijk vergeten; het getrouw vervullen zelfs van den moeilijksten plicht, en het innige geloof, dat niets vreest, maar onwankelbaar vertrouwt.
Het gebeurde meermalen, dat Jo, als zij ’s nachts wakker werd, Betsy vond lezen in haar veel gebruikt boekje, of haar zacht hoorde neuriën om den slapeloozen nacht te bekorten, of zag, hoe zij het hoofd op de handen liet rusten, terwijl menige traan tusschen de doorschijnende vingers neerdroppelde; dan sloeg Jo haar gade, vervuld van allerlei gedachten, te diep voor tranen, daar zij begreep, dat Bets op haar eenvoudige, onzelfzuchtige wijze zichzelve zocht los te maken van het lieve oude leven, en zich voor te bereiden voor het volgende, door het herhalen van heilige troostwoorden, stille gebeden, en de muziek, die zij zoo liefhad.
Dit alles werkte meer uit op Jo, dan de diepzinnigste preeken, de heiligste lofzangen, de hartstochtelijkste gebeden hadden kunnen teweegbrengen; want met oogen, door vele tranen helderziend geworden, en een hart, door de teederste droefheid verzacht, leerde zij de schoonheid beseffen van Betsy’s leven—door niets bizonders gekenmerkt, zonder eerzucht, maar vol van die bescheiden deugden, die een liefelijken geur verspreiden, en bloeien in de schaduw, en van die zelfverloochening, welke hen, die op aarde tevreden waren met de minste te wezen, de eersten doet zijn in het koninkrijk der hemelen.
“Arme Jo, zij is zoo vast in slaap; ik zal haar dus maar niet wakker maken om het haar te vragen; zij laat mij toch al haar dingen zien, en ik denk niet, dat zij knorrig zal zijn als ik dit lees,” dacht Betsy, en wierp een blik naar haar zuster, die op het haardkleed lag te slapen met de tang naast zich, om, zoodra het hout uit elkander viel, bij de hand te zijn.
MIJN BETSY. Stil, geduldig in de schaduw Uitziend naar het Hemelsch licht, Zit zij rustig af te wachten, ’t Vriendelijk oog omhoog gericht. Aardsche hoop en vreugd en droefheid Hebben welhaast afgedaan. Nog maar kort en ’t is geleden— Dan breekt d’eeuwge morgen aan.
Hebt gij bijna uitgestreden, Laat me een deel van uwen geest, Waardoor uw kortstondig leven Zoo aantreklijk is geweest; Van ’t geduld dat u bezielde, En u, in de grootste pijn, Altijd vriendlijk en blijmoedig, Hoopvol en getroost deed zijn.
Geef mij—want ik heb ’t zoo noodig— Van uw nooit verflauwden moed, Die den weg der plichtsbetrachting Effen maakte voor uw voet. Geef m’uw onbekrompen liefde Die zoo godd’lijk schoon en vrij ’t Kwaad met liefde kon vergeven— Waar ’k misdeed, vergeef ook mij!
Zoo verliest het afscheid daaglijks Iets van d’ al te bittre pijn; Zoo zal, als ’k de les wil leeren, Mijn verlies mijn winste zijn. Droefheid toch zal zachter stemmen Mijn nog ongetemd gemoed; Hooger streven in mij wekken, Streven naar het Hemelsch goed.
Voortaan zie ’k in mijn gedachten, Veilig in het land der rust, U, mijn liev’ling, die mij opwacht, Toewenkt van de zaalge kust. Hoop, geloof, uit smart geboren, Doen mij stil zijn onder ’t kruis; En de zuster, die mij voorging, Leidt mij aan haar hand naar huis.
Gevlekt en half uitgewischt, niet uitmuntende door dichterlijke volmaaktheid, riep dit gedichtje toch een uitdrukking van onuitsprekelijke blijdschap op Betsy’s gelaat te voorschijn, want het was haar grootste verdriet geweest, dat zij zoo weinig gedaan had, en Jo’s versje scheen haar te verzekeren, dat haar leven niet onnut was voorbijgegaan—dat haar dood niet die wanhoop zou veroorzaken, waarvoor zij gevreesd had. Terwijl zij daar zoo zat te peinzen, met het papier in de hand, viel het verkoolde blok hout ineen. Jo schrikte wakker, pookte het vuur eens op, en sloop zachtjes naar het ledikant, in de hoop, dat Bets zou slapen.
“Ik slaap niet, maar ik ben zoo gelukkig, Jo. Kijk’s, ik heb dit gevonden en gelezen; ik wist, dat je er niet boos om zou zijn. Ben ik dat alles voor je geweest, Jo?” vroeg zij bescheiden en ernstig.
“O Bets, zooveel, zooveel!” en Jo legde haar hoofd op het kussen naast haar zusje.
“Dan behoef ik niet meer te tobben, dat mijn leven nutteloos is geweest. Ik ben lang niet zoo goed als jij mij voorstelt, Jolief, maar ik heb mijn best gedaan om te doen wat goed is, en nu het te laat is om ook nog maar een begin te maken met het beter aan te vatten, is het mij zoo’n troost te weten, dat er iemand is, die mij innig liefheeft en denkt, dat ik haar in iets tot zegen ben geweest.”
“Meer dan iemand ter wereld, Bets. Vroeger dacht ik, dat ik je niet zou kunnen afstaan, maar ik begin in te zien, dat ik je niet verlies; dat je nóg meer voor me zult zijn dan vroeger, en dat de dood ons niet scheiden kan, al lijkt het ook zoo.”
“Ik weet, dat hij het niet kan, en ik ben er ook niet bang meer voor, want ik weet zeker, dat ik altijd je eigen Bets zal blijven, en je meer dan ooit zal kunnen liefhebben en helpen. Jij moet mijn plaats innemen, Jo, en alles voor Vader en Moeder zijn, als ik ben heengegaan. Zij zullen alles van jou verwachten; laat het niet tevergeefs zijn; en mocht het je soms moeilijk vallen, dat je zoo alleen moet werken, herinner je dan, dat ik je niet vergeet, en dat je je gelukkiger zult gevoelen, wanneer je Vader en Moeder helpt, dan wanneer je prachtige boeken schrijft, of de wereld rondreist; want liefde is het eenige, wat wij met ons kunnen nemen, wanneer wij van hier gaan, en zij maakt het einde zooveel gemakkelijker.”
“Ik zal mijn best doen, Bets,” en in dat ernstig oogenblik besloot Jo haar zoo geliefd oud plan op te geven, en zich van nu af aan een nieuw en beter levensdoel voor oogen te stellen, inziende dat de bevrediging van haar eigen wenschen haar toch arm zou laten, en zij den heerlijken troost behoefde van een zich toewijden in liefde.
Zoo kwamen en gingen de lentedagen, de lucht werd helderder, de aarde groener, de bloemen ontplooiden vroegtijdig hun blaadjes, en de vogels kwamen nog bijtijds terug om het vaarwel toe te roepen aan Bets, die als een vermoeid, maar vertrouwend kind zich vastklemde aan de handen, die haar haar gansche leven door geleid hadden—aan Vader en Moeder, die haar teederlijk ondersteunden tot aan de vallei der schaduwen des doods, waar zij haar overgaven aan God.
Zelden, behalve in boeken, spreken stervenden bizonder treffende woorden, zien zij gezichten, of verlaten zij de aarde met verheerlijkt gelaat; en zij die er meermalen getuigen van waren, wanneer een ziel het stoffelijk omhulsel ontvlood, weten, dat voor de meesten het einde zoo natuurlijk en eenvoudig komt als de slaap. Wat Bets gehoopt had, gebeurde: het “getij” verliep zachtkens en rustig, en in het donkere uur, eer nog de schemering was aangebroken, blies zij zacht den laatsten adem uit aan de borst, waar zij het eerst gerust had, zonder eenig vaarwel, dan een laatsten blik vol liefde en een flauw zuchtje.
Met tranen en gebeden en teedere handen maakten moeder en zusters haar gereed voor den langen slaap, die nooit meer door pijn zou gestoord worden—en zagen met dankbare oogen, hoe een liefelijke kalmte nu over de trekken verspreid lag, in plaats van de hartroerende onderworpenheid, die hen zoo lang pijnlijk had aangedaan, en zij gevoelden met innige blijdschap, dat de dood voor hun lieveling een weldoende engel was en niet een koning der verschrikking.
Toen de morgen aanbrak, was voor het eerst sinds vele maanden, het vuur uit, Jo’s plaats ledig, en de kamer doodstil. Maar een vogeltje zong lustig op een tak, dicht bij het raam, sneeuwklokjes bloeiden tierig in het kozijn, en de lentezon stroomde naar binnen en deelde van haar glans mede aan het lieve gelaat op het kussen, een gelaat zoo vol van ongestoorden vrede, dat zij, die het zoo teeder liefhadden, door hun tranen heen konden glimlachen, en God danken, dat eindelijk alles wel was met Bets.