VISITES MAKEN.
Reading edition
“Kom Jo, het is tijd.”
“Waarvoor?”
“Je meent toch niet, dat je je belofte vergeten hebt, om vandaag een stuk of zes visites met mij te gaan maken!”
“Ik heb heel wat dolle dingen in mijn leven gedaan, maar ik geloof niet, dat ik ooit zoo gek geweest ben van te beloven, dat ik op één dag zes visites zou maken, terwijl één visite me al voor een heele week van de wijs brengt.”
“Je hebt het tóch beloofd. We hadden afgesproken dat ik die potloodschets van Bets zou afmaken, en jij dan behoorlijk met mij zou mee gaan, om de buurvisites te beantwoorden.”
“Dát is flauw van je! ’t Is prachtig weer; geen kwestie van regen, en jij die er een eer in stelt altijd je beloften te houden, moest je nu ook eerlijk aan de afspraak houden. Toe, Jo, doe je plicht, dan zal ik je weer voor een half jaar met rust laten.”
Jo was juist op dat oogenblik zeer verdiept in haar naaiwerk, want zij was de japonnenmaakster voor de heele familie, en bizonder over zichzelve voldaan, dat zij de naald even goed hanteeren kon als de pen. Het was meer dan vervelend nu gestoord te worden, nu zij er juist aan toe was voor het eerst te passen. En dan in je beste plunje op een heeten Julidag uitgesleept te worden om visites te maken! Zij vond die plechtstatige bezoeken een gruwel, en deed ze nooit, zonder door Amy in de engte gedreven te zijn door een verdrag, een omkooping of een belofte. In dit bepaalde geval was geen uitvlucht mogelijk; en nadat zij knorrig haar schaar had neergegooid met de opmerking, dat zij een donderbui “rook”, gaf zij toe, borg haar werk weg, nam met een onderworpen gezicht haar hoed en haar handschoenen op, en deelde Amy mee, dat het slachtoffer gereed was.
“Jo March, jij zou een heilige uit zijn vel doen springen! Je bent toch niet van plan in dat costuum visites te gaan maken, hoop ik,” riep Amy, haar met verbazing aanstarend.
“Waarom niet? Ik ben netjes en luchtig en op mijn gemak; juist goed voor een stoffige wandeling op een warmen dag. Als de menschen meer om mijn kleeren dan om mijzelf geven, begeer ik ze niet te zien. Jij kunt voor ons beiden toilet maken, en er zoo elegant uitzien als je maar wilt; jij hebt er eer van als je je mooi maakt; ik niet, en al die prullen vind ik maar last.”
“O, hemel!” zuchtte Amy, “nu is zij in de contramine, en zal me half dol maken, eer ik haar ordentelijk klaar kan krijgen.—’t Is voor mij ook geen plezier vandaag te gaan, maar het is een plicht, dien we aan de samenleving verschuldigd zijn, en jij en ik zijn de eenigen, die daarvoor op kunnen komen. Ik wil alles voor je doen, Jo, als je je netjes wilt aankleeden, en beleefd zijn. Je weet altijd zooveel te praten, en je kunt er zoo gedistingeerd uitzien, als je je beste mantelpak aan hebt; en als je maar wilt, weet je je zoo goed voor te doen, dat ik dikwijls trotsch op je ben. Ik ben te verlegen om alleen te gaan; toe, ga dus maar mee om mij te helpen!”
“Je bent een slim poesje om je knorrige ouwe zuster op die manier te vleien en te bepraten. Verbeeld je! Ik gedistingeerd en welgemanierd, en jij te verlegen om ergens alleen heen te gaan! Ik weet niet, wat belachelijker is. Nu, maar ik zal gaan, als het dan zoo wezen moet, en mijn best doen. Jij moet de aanvoerder van de expeditie zijn, en ik zal blindelings gehoorzamen: is het dan goed?” vroeg Jo, plotseling van weerbarstigheid tot de meest volmaakte onderwerping overslaande.
“Je bent een engel! Trek nu al je netste dingen aan, en ik zal je zeggen, hoe je je bij iedere familie moet gedragen, om den besten indruk achter te laten. Ik wou zoo graag, dat de menschen van je hielden, en zij zouden het zeker doen, als je je maar wat wou inspannen en een beetje toeschietelijk zijn. Doe je haar op die aardige manier van laatst en steek een roode roos in je manteltje; die kleurt je goed, en je ziet er anders in je donkere pak wat al te stemmig uit. Krijg nu je lichte handschoenen en dat geborduurde zakdoekje. Wij zullen even bij Meta aangaan, om haar witte parasol te leen te vragen; dan kun jij mijn lichtgrijze gebruiken.”
Terwijl Amy zich kleedde, gaf zij haar bevelen, en Jo bracht ze ten uitvoer; evenwel niet zonder gedurig protest, want zij zuchtte onder het aantrekken van haar nieuwe pak, fronste haar wenkbrauwen, en worstelde wanhopig met spelden, toen zij haar nieuwe tulen jabot vóórdeed, trok een leelijk gezicht, terwijl zij het zakdoekje uit de plooien schudde, en vond het borduursel even onaangenaam voor haar neus, als de aanstaande expeditie voor haar gevoelens; en toen zij, als toppunt van élégance haar handen gewrongen had in nieuwe handschoenen, keerde zij zich met een onnoozel gezicht tot Amy en zei onderdanig:
“Ik voel mij diep ellendig; maar als jij vindt, dat ik presentable ben, sterf ik gelukkig!”
“Ik ben bizonder tevreden; draai je nu eens langzaam rond, en laat ik je eens goed opnemen.”
Jo draaide rond, en Amy trok eens hier en daar, en ging toen achteruit met het hoofd op zij, terwijl zij welgevallig aanmerkte:
“Jo, ’t is goed, je hoofd is perfect in orde, want die witte hoed staat je best. Trek je schouders wat naar achteren, en houd je handen niet zoo stijf; wat doet het er toe, of je handschoenen wat knellen, ik ben blij dat tante March je zulke mooie gegeven heeft. Zit mijn mantel recht, en heb ik mijn japon gelijk opgenomen? Ik laat graag mijn laarzen zien, want mijn voeten zijn mooi, al is mijn neus het dan ook niet.”
“Je bent een juweeltje, en het is een artistiek genot je te aanschouwen,” verzekerde Jo, terwijl zij met het air van een kenner door haar hand het effect van den blauwen hoed tegen het goudblonde haar opnam. “Moet ik mijn besten rok door het stof slepen, of mag ik hem opnemen, mejuffrouw?”
“Houd hem op onder het loopen; maar laat hem als je binnen komt vooral onmiddellijk los, want dat vergat je laatst! Je hebt je eenen handschoen maar half toegeknoopt, doe het dadelijk even. Je kunt er nooit netjes uitzien, als je niet op de kleine détails let, want zij maken het nette geheel uit.”
Jo zuchtte, en had de voldoening, dat, onder het vastmaken van haar eenen handschoen, de knoopjes van den anderen lossprongen, maar eindelijk waren zij beiden gereed, en stevenden weg. “Net een paar schilderijtjes,” vond Hanna, die boven uit het raam lag, om ze na te kijken.
“Nu Jo, de Chesters zijn nogal aristocratisch, dus bij hen moet je je bizonder goed gedragen. Maak nu niet zulke wonderlijke opmerkingen en doen niets raars, hoor! Wees alleen maar kalm, gewoon en bedaard, dat is altijd veilig en lady-like, en dat kun je toch wel een kwartiertje uithouden,” zei Amy, toen zij het eerste huis naderden, nadat zij de witte parasol hadden afgehaald, en door Meta, met een kind op elken arm, waren geïnspecteerd.
“Laat eens kijken: kalm, gewoon en bedaard,—ja, dat kan ik wel op mij nemen. Ik heb eens de rol van een stemmige jonge dame moeten spelen, en die zal ik nu vertoonen. Mijn talent is groot, zooals je zult zien; wees dus volkomen gerust, mijn kind.”
“Wat een trotsch, onbehaaglijk wezen is die oudste juffrouw March,” was de ongelukkig nog hoorbare opmerking van een der dames, toen de deur zich achter de bezoeksters sloot. Jo lachte stilletjes de heele gang door, maar Amy keek kwaad over de mislukking van haar raadgevingen, en gaf, zeer natuurlijk, de schuld aan Jo.
“Hoe kón je me nu zóó verkeerd begrijpen? Ik meende alleen maar, dat je behoorlijk waardig en bedaard moest zijn, en nu doe je net of je een stok of een steen bent. Doe nu in vredesnaam je best om gezellig te wezen bij de Lambs; praat zooals de andere meisjes doen, en stel belang in modes en hofmakerijen, en welke nonsens er ook op het tapijt komt. Zij gaan in de beste kringen uit, en het is voor ons veel waard dat wij ze kennen, daarom zou ik hier niet graag een verkeerden indruk maken.”
“Ik zal voorkomend zijn, praten en grinneken en over elke kleinigheid gieren of mijn afschuw toonen, al naar je maar wilt. Ik vind het heusch nogal grappig, en zal nu voorstellen, wat men een ‘allerliefst meisje’ noemt. Ik kan het best doen, want ik heb May Chester voor model, en dat zal ik nog wat uitwerken. Pas maar eens op, of de Lambs niet zullen zeggen: ‘Wat een levendig, aardig schepseltje is die Jo March!’”
Amy werd meer en meer ongerust, en dat mocht zij ook wel, want als Jo eens begon met haar dwaasheden, wist men niet waar zij zou ophouden. Het was de moeite waard Amy’s gezicht te zien, toen zij haar zuster het volgend salon zag binnenwippen, al de jonge dames met de grootste hartelijkheid zag omhelzen, de jongeheeren minzaam toelachen, en zich zoo levendig in het gesprek mengen, dat ze er van versteld stond. Amy werd in beslag genomen door mevrouw Lamb, van wie zij een lievelingetje was, en moest een lang verslag aanhooren van Lucy’s laatste ziekte, terwijl drie uitgaande jongelui om haar heen zweefden, en slechts op een pauze wachtten, om haar aan te spreken en te bevrijden. In deze positie was het haar volstrekt onmogelijk Jo te stuiten, die door een boozen geest bezeten scheen, en even levendig doorrammelde als de oude dame. Er vormde zich een kringetje rondom haar, en Amy spitste de ooren om te hooren, wat er verhandeld werd, want verbaasde uitroepen vervulden haar met angst, opengesperde oogen en opgeheven handen deden haar vergaan van nieuwsgierigheid en herhaalde uitbarstingen van lachen haar branden van verlangen om aan de vroolijkheid deel te nemen. Men kan zich een denkbeeld maken van haar lijden, daar zij fragmenten opving als:
“Zij rijdt keurig—van wien heeft zij het geleerd?”
“Van niemand; zij oefende zich in het opstijgen, het houden van den teugel en het rechtop zitten, op een oud zadel in een boom. Nu kan zij alle paarden berijden; ze kent geen angst, en de verhuurder geeft haar de paarden goedkoop, omdat zij ze zoo goed voor dames dresseert. Zij is er zoo’n hartstochtelijke liefhebster van, dat zij in tijd van nood een uitstekende paardentemster zou kunnen worden, en zoo den kost verdienen.”
Bij dit vreeselijke verhaal kon Amy zich slechts met moeite bedwingen. Het moest immers wel den indruk maken, alsof zij een bizonder mannelijke jonge dame was, iets waarvan zij juist den grootsten afkeer had! Maar wat kon zij er aan doen? De oude dame was in het midden van haar verhaal, en lang voordat dit uit was, zat Jo al weer op haar praatstoel, deed nog meer dwaze onthullingen en beging nog vreeselijker misslagen.
“Ja, Amy was dien dag wanhopig, want al de goede paarden waren verhuurd, en van de drie, die er nog overbleven, was het eene lam, het andere blind en het derde zoo koppig, dat men zand in zijn mond moest stoppen, om hem voort te krijgen. Een aardig beest voor een plezierritje, hè?”
“En welk nam zij?” vroeg een der lachende heeren, die zeer veel belang in dit onderwerp stelden.
“Geen van de drie. Zij hoorde van een jong paard op een boerderij aan den overkant van de rivier, en hoewel er nooit een dame op gereden had, besloot zij het te probeeren, omdat het zoo mooi en dartel was. U weet niet hoeveel moeite ze zich getroostte! Er was niemand om het paard bij het zadel te brengen, en dus bracht zij het zadel bij het paard. Ja heusch, zij roeide het over de rivier, nam het op haar hoofd en liep er mee naar de schuur, tot groote verbazing van den ouden boer!”
“En bereed zij dat paard?”
“Natuurlijk, en zij had een heerlijken rit. Ik was bang, dat ik haar aan stukken naar huis zou zien brengen, maar zij wist het perfect in toom te houden, en was de ziel van de partij.”
“Nou, dat noem ik kranig!” en de jonge Lamb wierp een goedkeurenden blik op Amy, en begreep niet wat zijn moeder toch kon zeggen, dat haar zoo rood en verlegen maakte.
Zij werd nog rooder en verlegener, toen door een plotselinge wending in het gesprek het toilet op het tapijt kwam. Een der jonge dames vroeg Jo, waar zij toch dien mooien grijzen hoed vandaan had, dien zij op den pic-nic ophad; en die domme Jo, in plaats van den winkel te noemen, waar hij twee jaar geleden gekocht was, antwoordde met geheel onnoodige openhartigheid: “O, Amy had hem geverfd; die zachte kleuren kun je dikwijls niet koopen, daarom verven wij onze hoeden in elke tint, die wij verlangen. Ja ’t is een groot gemak als je een kunstenares tot zuster hebt!”
“Hoe origineel!” riep juffrouw Lamb uit, die Jo erg grappig vond.
“Sommige van haar meesterstukken zijn onvergelijkelijk. Er is niets, wat dat kind niet doen kan. Zoo had ze een paar blauwe schoentjes noodig voor Sallie’s partij, en toen verfde zij eenvoudig haar vuile witte met het allerliefste hemelsblauw dat je ooit gezien hebt, en ze zagen er net uit, of zij nieuw waren,” voegde Jo er bij, met een soort van trots op de handigheid van haar zuster, die Amy zoo radeloos maakte, dat het haar goed zou gedaan hebben, als zij Jo haar visiteboekje naar het hoofd had kunnen gooien.
“Eenigen tijd geleden hebben wij met groot genoegen een verhaal van u gelezen,” merkte de oudste juffrouw Lamb aan, om een compliment te maken aan de literarische jonge dame, die er, om de waarheid te zeggen, op dit oogenblik niet erg naar uitzag. Maar de minste vermelding van haar “werken” had altijd een slecht effect op Jo, die altijd òf stijf werd en beleedigd keek, òf, zooals nu, met een onvriendelijke opmerking van onderwerp veranderde. “Het spijt mij, dat u niets beters te lezen had. Ik schrijf die dingen, omdat zij goed betaald worden, en sommige menschen vinden ze mooi. Gaat u dezen winter weer naar New-York?”
Daar juffrouw Lamb het verhaal “met groot genoegen” gelezen had, was dit gezegde niet bizonder aardig of complimenteus. Jo bemerkte haar misslag, zoodra zij de woorden uitgesproken had; maar uit vrees, dat zij de zaak nog verergeren zou, herinnerde zij zich plotseling, dat het aan haar was, het eerste sein tot vertrek te geven, en dit deed ze dan ook zoo overhaast, dat drie personen in een halven volzin bleven steken.
“Amy, wij moeten heusch gaan, dag Lucy, kom ons toch vooral eens gauw opzoeken; wij verlangen vreeselijk naar een bezoekje! Ik durf u niet animeeren mijnheer Lamb, maar als u soms komen mocht, zult u hartelijk welkom zijn!”
Jo zei dit alles met zoo’n dwaze nabootsing van Mary Chester’s overdreven spreekmanier, dat Amy zoo gauw mogelijk de kamer uitsnelde, niet wetende of zij lachen of huilen zou.
“Heb ik mij nu niet goed gehouden?” vroeg Jo voldaan, onder het wegwandelen.
“Het kón niet erger,” was Amy’s verpletterend antwoord. “Wat heeft je toch bezeten, om al die verhalen over mijn zadel en dien hoed en die schoenen en al die dingen te vertellen?”
“Och, de menschen vinden het grappig, en lachen er om. Zij weten best, dat wij niet rijk zijn, dus hoeven wij niet te doen, of wij er een stalknecht op na houden, elk seizoen drie of vier hoeden koopen, en even gemakkelijk als zij aan mooie dingen kunnen komen.”
“Je hoeft hun niet al onze kleine hulpmiddelen te verklappen en onze armoede zoo noodeloos ten toon te stellen. Je hebt geen zier gepast gevoel van trots, en zult nooit leeren, wanneer je moet spreken of je mond houden,” klaagde Amy wanhopig.
De arme Jo keek verlegen, en wreef zwijgend met den stijven zakdoek langs haar neus, alsof zij op deze manier boete wilde doen voor haar wangedrag.
“Hoe moet ik mij hier gedragen?” vroeg zij, toen zij de derde woning naderden.
“Zooals je wilt; ik trek mijn handen van je af,” antwoordde Amy kort.
“Dan zal ik mijn eigen zin doen. De jongens zijn thuis, daar zal ik wel mee opschieten. De hemel weet, dat ik een variatie noodig heb, want deftigheid heeft altijd een slecht effect op mijn gemoedsgesteldheid,” antwoordde Jo barsch, teleurgesteld over de mislukking van haar pogingen om te behagen.
Een opgewonden welkom van drie groote jongens en verscheiden aardige kinderen verzachtte spoedig haar gekwetste gevoelens, en de vrouw des huizes en den jongen Tudor, die daar juist een bezoek bracht, aan Amy overlatende, wijdde Jo zich aan de jeugd en vond de verandering zeer opwekkend. Zij luisterde met echte belangstelling naar schoolverhalen, streelde zonder tegenzin poedels en jachthonden, stemde van harte toe, dat “Tom Brown een bar leuke jongen was,” zonder op de eigenaardige lofspraak te letten; en toen een der knapen een bezoek aan de schildpaddenkom voorstelde, sprong zij met zooveel bereidwilligheid op, dat de mama haar toelachte, en tegelijk haar kapsel in orde bracht, dat in een wanhopigen toestand was geraakt door al de hartelijke maar wel wat beerachtige omhelzingen, waarmee haar kinderen bizonder gul waren. Amy liet haar zuster aan zichzelf over en genoot naar hartelust. De oom van Tudor was getrouwd met een Engelsche dame, die een achternicht was van een levenden lord, en Amy beschouwde de heele familie met diep ontzag. Want, in spijt van haar Amerikaansche geboorte en opvoeding, bezat zij dien eerbied voor titels, die de meesten onzer aangeboren is en hield ze in stilte vast aan het oude geloof in koningen, dat de meest democratische natie onder de zon nog steeds in rep en roer brengt bij de komst van een vorstelijken spruit,—waarschijnlijk nog een overblijfsel van de liefde, die het jonge land het moederland toedraagt. Maar zelfs de voldoening van met een verren bloedverwant van den Britschen adel te spreken, deed Amy den tijd niet vergeten, en toen het gepast aantal minuten was verstreken, rukte zij zich haars ondanks los uit dit aristocratisch gezelschap, en keek rond naar Jo,—vurig hopend, dat ze haar onverbeterlijke zuster niet in een toestand mocht aantreffen, die schande zou brengen over den naam der familie March.
Het kon erger geweest zijn, maar Amy vond het al erg genoeg: want daar zat Jo in het gras, met een bende jongens om zich heen, en een hond met vuile pooten in rustigen sluimer op haar besten rok, terwijl zij een van Laurie’s studentenstreken aan het bewonderend gehoor meedeelde. Een klein kind pikte de schildpadden met Amy’s parasol, een ander knabbelde koekjes boven Jo’s gekleeden hoed, en een derde had een bal gemaakt van haar handschoenen, en gooide er mee. Maar allen genoten, en toen Jo haar beschadigde bezittingen opzamelde om heen te gaan, deed het geheele gezelschap haar uitgeleide, en smeekte haar terug te komen.—Het was zoo éénig haar van Laurie te hooren vertellen!
“Aardige jongens, hè? Nu ben ik weer opgefrischt!” zei Jo, voortstappend met de handen op den rug, gedeeltelijk om de bespatte parasol te verbergen.
“Waarom ontwijk je Tudor altijd?” vroeg Amy, wijselijk geen aanmerkingen makende op Jo’s ontredderd voorkomen.
“Ik houd niet van hem; hij neemt airs aan, snauwt zijn zusters af, doet zijn vader verdriet en spreekt oneerbiedig over zijn moeder. Laurie zegt, dat hij een doordraaier is, en ik verlang zijn kennismaking niet; dus houd ik mij op een afstand.”
“Je kon tenminste beleefd tegen hem zijn. Je gaf hem een opvallend koel knikje, en daarnet maakte je met den vriendelijksten glimlach ter wereld een buiging voor Tommy Chamberlain—zijn vader heeft een kruidenierswinkel. Als je het knikje en de buiging juist andersom had toegedeeld, zou het goed geweest zijn,” zei Amy berispend.
“Neen, dat zou het niet,” antwoordde de weerbarstige Jo, “want ik bemin, bewonder, noch acht Tudor, ofschoon de nicht van den neef van den oom van zijn grootvader een achternicht van een Lord was. Tommy is arm en verlegen maar een brave jongen en heel knap; ik heb een hoogen dunk van hem, en dat verlang ik hem te toonen, want hij is een gentleman, ondanks zijn vaders bruin papieren zakjes.”
“Het geeft niets, of men jou al iets aan ’t verstand zoekt te brengen,” begon Amy.
“Neen, volstrekt niets, kindlief,” viel Jo haar in de rede; “laten wij dus maar een vriendelijk gezicht zetten, en hier een kaartje afgeven, want de Kings zijn uit, waarvoor ik meer dan dankbaar ben.”
Nadat het visiteboekje zijn plicht had gedaan, wandelden de meisjes voort, en Jo uitte eene tweede dankzegging, toen zij het vijfde huis bereikten, en vernamen, dat de jonge dames belet hadden.
“Laten we nu naar huis gaan, en ons vandaag niet nog met tante March ook plagen. Wij kunnen daar altijd wel eens aanloopen, en ik vind het een bezoeking ons nog langer in onze beste plunje voort te sleepen, nu wij al knorrig en moe zijn.”
“Spreek alleen voor jezelf, als ’t jeblieft. Tante heeft graag, dat wij haar in statie een formeel bezoek komen brengen. ’t Is maar een kleinigheid, maar het doet haar genoegen, en ik geloof niet, dat je kleeren er half zooveel door zullen lijden, als wanneer je ze door vuile honden en ruwe jongens laat bederven. Buk maar eens, dan zal ik de kruimels van je hoed afslaan.”
“Wat ben je toch een geduldig lam, Amy,” zei Jo, met een berouwvollen blik van haar eigen beschadigd costuum naar dat van haar zuster, dat er nog zoo frisch en keurig uitzag. “Ik wou, dat het mij ook zoo gemakkelijk afging als jou, om met kleinigheden menschen plezier te doen. Ik denk er wel aan, maar het neemt mij te veel tijd, om ze te doen, ik wacht dan liever op een gelegenheid om ze een grooten dienst te bewijzen, en laat de kleine na; en toch kom je daar tenslotte nog verder mee, geloof ik.”
Amy glimlachte, was dadelijk verteederd, en zei op moederlijken toon:
“Vrouwen moeten leeren zich aangenaam te maken, vooral wanneer zij niet rijk zijn, want zij kunnen dan op geen andere manier de vriendelijkheden, die men hen bewijst, vergelden. Als je dat in ’t oog houdt en daarnaar handelt, zullen de menschen veel meer van jou houden dan van mij, omdat jij veel meer een persoonlijkheid bent.”
“Ik ben een knorrige ouwe zeurkous, en dat zal ik wel altijd blijven; maar ik moet erkennen, dat je gelijk hebt. ’t Valt mij alleen maar gemakkelijker mijn leven voor iemand te wagen, dan vriendelijk jegens hem te zijn, wanneer ik er niet toe gestemd ben. ’t Is heel lastig, wanneer je zulke sterke sympathieën en antipathieën hebt, vind je niet?”
“’t Is nog lastiger, wanneer je ze niet kunt verbergen. Ik moet bekennen, dat ik geen greintje beter over Tudor denk, dan jij; maar ik ben niet geroepen hem dat te zeggen, en jij ook niet; en het is geen reden voor jou onaangenaam te zijn, omdat hij het is.”
“Maar ik vind, dat meisjes het moeten toonen, wanneer zij ’t gedrag van jongelui afkeuren; en hoe kunnen zij dat doen, behalve door hun manieren. Preeken helpt niets, zooals ik tot mijn spijt ondervonden heb, sedert ik Teddy onder handen heb; maar door allerlei kleine manieren kan ik, zonder een enkel woord, invloed op hem uitoefenen; en ik vind, dat wij dat ook op anderen behooren te doen, als wij kunnen.”
“Teddy is een heel bizondere jongen, en kan niet als een voorbeeld van andere jongens aangehaald worden,” zei Amy op een toon van stellige overtuiging, die den “zeer bizonderen jongen” zeker zou hebben doen schaterlachen, als hij ’t gehoord had. “Wanneer we schoonheden waren, of rijk, of van hoogen rang, zouden wij misschien iets kunnen doen; maar of wij al onvriendelijk zijn tegen het eene clubje jongelui, omdat wij hun gedrag niet goedkeuren, en een ander clubje toelachen, omdat wij het hunne wel goedkeuren, zal geen zier invloed hebben, en ons maar den naam van ‘raar’ of ‘preutsch’ op den hals halen.”
“Dus moeten wij dingen en menschen, die wij verachten, goedkeuren, omdat wij geen belles of millionnaires zijn, vind-je? Een mooie soort van zedeleer!”
“Ik kan daar niet over redeneeren, ik weet alleen maar, dat het zoo in de wereld toegaat, en dat de menschen, die zich er tegen verzetten, voor al hun moeite maar worden uitgelachen. Ik houd niet van hervormers, en ik hoop dat jij nooit zult probeeren er een te worden.”
“Ik houd wèl van ze, en ik hoop er wél een te worden, als ’t mij mogelijk is; want niettegenstaande haar spottend gelach, kan de wereld het toch niet buiten hen stellen. Wij zullen het daar wel nooit over eens worden, want jij behoort tot het oude slag, en ik tot het nieuwe; jij zult het best vooruitkomen, maar ik zal meer van mijn leven genieten. Ik zou juist plezier hebben in die schermutselingen en dat uitlachen, denk ik.”
“Nou, wees nu maar bedaard, en erger Tante niet met je nieuwe denkbeelden.”
“Ik zal mijn best doen; maar een zeker iets dringt mij altijd, om bij haar met een bizonder kortaf gezegde of een revolutionair gevoelen voor den dag te komen; dat is mijn noodlot; ik kan er niets tegen doen!”
Zij vonden Tante Carrol bij de oude dame, beiden naar het scheen verdiept in een zeer belangrijk gesprek; doch zij hielden plotseling op, toen de meisjes binnen kwamen, met een schuldigen blik, die verried, dat zij over hun nichtjes gesproken hadden. Jo was niet in een bijster goed humeur, en de weerbarstige bui kwam nu in volle kracht terug, maar Amy, die deugdzaam haar plicht betracht, iedereen genoegen gegeven en haar humeur in bedwang gehouden had, was in de engelachtigste stemming. Deze beminnelijke gemoedsgesteldheid deed zich dadelijk gevoelen, en beide tantes wedijverden in lieve woordjes om haar te verwelkomen, en gaven door hun blikken te kennen, wat zij later met zooveel woorden tot elkander zeiden: “Dat kind wordt met den dag liever.”
“Zul jij ook meedoen met den bazaar, lieve kind?” vroeg mevrouw Carrol, toen Amy zich naast haar zette met die vertrouwelijkheid, die oude menschen zoo graag in jongeren zien.
“Ja, Tante, mevrouw Chester heeft me gevraagd, of ik wou helpen, en toen heb ik aangeboden een tafel te bedienen, omdat ik niets anders geven kan dan mijn tijd.”
“Ik doe niet mee,” viel Jo op beslisten toon in, “ik kan dat gepatroniseerd-worden niet uitstaan, en de Chesters denken, dat het een heele eer voor ons is met hun aristocratischen bazaar te mogen meedoen. Ik begrijp niet, dat je het aangenomen hebt, Amy—het is alleen maar om je aan het werk te zetten.”
“Nu, ik wil wel werken—’t is even goed voor ’t goede doel als voor de Chesters, en ik vind het heel vriendelijk van hen, dat zij mij in het werk en in de aardigheid willen laten deelen. Wanneer dat patroniseeren, zooals jij het noemt, vriendelijk gemeend is, heb ik er niets tegen.”
“Je hebt volkomen gelijk; ik hoor met blijdschap, dat je er zoo verstandig over denkt; het is een genoegen menschen te ontmoeten, die onze welgemeende pogingen waardeeren. Niet allen doen dat, en dat is heel treurig,” merkte tante March op, terwijl zij over haar bril heen naar Jo keek, die zich, naast de sofa, met een knorrig gezicht op een schommelstoel zat te wiegelen. Als Jo geweten had welk een groot geluk op dat oogenblik voor een van hen beiden in de weegschaal lag, zou zij misschien plotseling in een lammetje veranderd zijn; maar ongelukkig hebben wij geen vensters in onze borst, en kunnen niet zien, wat er in het hart van onze vrienden omgaat. Door haar volgend gezegde beroofde Jo zich van een paar genotvolle jaren, en haalde zij zich een duchtige les op den hals—een les in de kunst om haar tong in toom te houden.
“Ik houd niet van gunstbewijzen; zij drukken mij en geven me een gevoel, of ik een slavin ben; ik heb liever alles aan mezelf te danken, en wil volkomen onafhankelijk zijn.”
“Hm!” kuchte Tante Carrol zachtjes, met een blik naar tante March.
“Ik heb het je wel gezegd,” gaf deze door een gedecideerd knikje Tante Carrol ten antwoord. In gelukkige onbewustheid van wat zij misdreven had, zat Jo met een opgetrokken neus en een strijdlustig voorkomen, dat alles behalve innemend was, voor zich uit te kijken.
“Spreek je Fransch, kindlief?” informeerde mevrouw Carrol, haar hand op die van Amy leggende.
“Wel een beetje, dank zij Tante March, die mij zoo dikwijls als ik wil, gelegenheid geeft om met Esther te praten,” antwoordde Amy, met een dankbaren blik, die de oude dame een vriendelijken glimlach ontlokte.
“Hoe staat het in dit opzicht met jou?” vroeg mevrouw Carrol aan Jo.
“Ik weet er geen woord van; ik ben heel dom in ’t leeren; en Fransch kan ik niet uitstaan; het is zoo’n glibberige, onmogelijke taal,” was het ruwe antwoord.
Opnieuw wisselden de tantes een blik, en Tante March hervatte tot Amy:
“Je bent nu volkomen gezond en sterk, niet waar, kindlief? Je hebt geen last meer van je oogen, wel?”
“Neen, dank u, Tante, volstrekt niet, ik voel me heel goed, en ben van plan dezen winter flink aan ’t werk te gaan, om klaar te zijn voor Rome, wanneer die gelukkige tijd eens aanbreekt.”
“Je verdient er heen te gaan, beste meid, en ik ben er zeker van dat het wel eens gebeuren zal,” zei Tante March, met een goedkeurend tikje op Amy’s wang, terwijl deze haar zakdoek voor haar opraapte.
“Knorrepot, sliep uit!” riep Polly, die als naar gewoonte op den rug van tante’s stoel zat, en zich voorover boog om Jo aan te kijken, met zoo’n uitdrukking van onbeschaamde nieuwsgierigheid, dat het onmogelijk was niet te lachen.
“Een zeldzaam schrander dier,” vond de oude dame.
“Uitgaan, liefje?” riep Polly, naar het buffet wippend, alsof hij een klontje suiker hoopte te krijgen.
“Ja, dankje, dat is mijn plan. Kom, Amy,” en Jo maakte een einde aan het bezoek, meer dan ooit gevoelende, dat visites een slechten invloed op haar humeur oefenden. Zij schudde haar tantes op mannelijke manier de hand, terwijl Amy beiden kuste, en toen de meisjes vertrokken waren, lieten zij een indruk achter van zonneschijn en schaduw, welke indruk Tante March de volgende woorden in den mond gaf:
“Volg mijn raad, Maria; ik zal wel voor ’t geld zorgen,” waarop Tante Carrol vast besloten antwoordde: “Ik zal ’t stellig doen, als haar vader en moeder het goed vinden.”