GEVOLGEN.
Reading edition
De bazaar van mevrouw Chester was zoo chic en aristocratisch, dat de jonge dames uit den omtrek het een eer rekenden een uitnoodiging als verkoopster te ontvangen, en groot was aller belangstelling in de zaak. Amy was gevraagd, maar Jo niet, een geluk voor alle partijen, daar zij gedurende dit tijdperk van haar leven bepaald “met de armen in de zij” de wereld trachtte door te gaan, wat haar menigen onzachten stoot berokkende. Het “trotsche, oninteressante schepsel” werd aan haar lot overgelaten, maar het talent en de smaak van Amy werden erkend en vereerd door de aanbieding van de kunsttafel, en zij beijverde zich, daarvoor geschikte en kostbare voorwerpen te vervaardigen en te verzamelen.
Alles ging voor den wind, tot er, den dag voor de opening van den bazaar, een van die schermutselingen plaats had, bijna onmogelijk te vermijden, wanneer omtrent vijf en twintig vrouwen, oude en jonge, met al hun bizondere antipathieën en vooroordeelen, gezamenlijk iets trachten tot stand te brengen. Mary Chester was eigenlijk jaloersch op Amy, omdat deze meer gefêteerd werd dan zij, en juist omtrent dezen tijd vielen er enkele kleinigheden voor, die dit gevoel versterkten. De fijne penteekeningen van Amy stelden de geschilderde vazen van Mary in de schaduw: dat was doorn nommer één; de alverwinnende Tudor had vier maal met Amy gedanst op de laatste partij en maar eens met Mary, dat was doorn nommer twee; maar wat haar het meest hinderde en een verontschuldiging kon zijn voor haar onvriendelijk gedrag was het gerucht, haar door een welmeenende babbelkous overgebracht, dat de meisjes March zich bij de Lambs over haar hadden vroolijk gemaakt. De blaam hiervan had op Jo moeten vallen, want haar ondeugende nabootsing was te getrouw geweest om niet ontdekt te worden, en de vroolijke Lambs hadden de aardigheid niet kunnen verzwijgen. De schuldigen hadden hiervan evenwel niets gemerkt, en men kan zich de teleurstelling van Amy begrijpen, toen mevrouw Chester—die natuurlijk boos was over de vermeende bespotting van haar dochter—op den laatsten avond, terwijl Amy bezig was de laatste hand te leggen aan haar mooie tafel, op vriendelijken maar koelen toon tot haar zei:
“Ik merk, lieve kind, dat verscheiden jonge dames het niet goed van mij vinden, dat ik deze tafel aan iemand anders geef dan aan mijn dochters, omdat dit de voornaamste en volgens sommigen de mooiste tafel is, en daar mijn meisjes zich de meeste moeite hebben gegeven om den bazaar tot stand te brengen, is het feitelijk ook niet meer dan billijk dat zij deze plaats innemen. Het spijt mij, maar ik weet, dat je te veel belang stelt in het doel, dan dat je je een kleine persoonlijke teleurstelling zou aantrekken, en je kunt natuurlijk een van de andere tafels nemen.”
Mevrouw Chester had eerst gedacht, dat het haar gemakkelijk zou vallen deze kleine toespraak te houden; maar toen het moment daar was, vond zij het tamelijk moeilijk het op een natuurlijken toon te doen, terwijl Amy’s oprechte oogen haar vol verbazing en droefheid aanzagen.
Amy giste dat hier meer achter stak, maar kon niet raden wat, en antwoordde bedaard, hoewel zij zich gekrenkt voelde en dat ook toonde:
“Misschien hebt u liever, dat ik in ’t geheel geen tafel neem?”
“Mijn lieve kind, wees maar niet boos, ik doe het alleen maar voor den vorm; mijn dochters moeten natuurlijk de hoofdrol spelen, en deze tafel wordt beschouwd als de plaats, die haar volgens recht en billijkheid toekomt. Ik zou je hier graag willen laten, en dank je zeer voor alles wat je hebt gedaan om ze zoo mooi te maken; maar wij moeten natuurlijk onze eigen wenschen opgeven, en ik zal er voor zorgen, dat je een ander goed plaatsje krijgt. Zou je de bloementafel willen hebben? De kleine meisjes hadden op zich genomen die te schikken, maar zij hebben den moed laten zakken. Jij zou er iets heel liefs van kunnen maken, en je weet, een bloementafel heeft altijd veel aantrekkelijks.”
“Voorál voor de heeren.” voegde Mary er bij met een blik, waaruit Amy tenminste één oorzaak kon opmaken, waarom zij in ongenade was gevallen. Zij bloosde van drift, maar nam verder geen notitie van dien steek onder water, en antwoordde met onverwachte vriendelijkheid: “Zooals u wilt, mevrouw, ik zal mijn plaats hier dadelijk opgeven en die bij de bloemen nemen, als u dat beter vindt.”
“Je mag al wat van je zelf is, op je eigen tafel zetten, als je dat soms wilt,” bood Mary aan, wier geweten haar wel wat begon te kwellen, toen zij de mooie étagère, de geschilderde potjes en de aardige teekeningen zag, die Amy met zooveel zorg gemaakt en met zooveel smaak gerangschikt had. Zij bedoelde het vriendelijk, maar Amy vatte haar gezegde verkeerd op, en antwoordde haastig:
“O zeker, als het je in den weg staat,” en nadat zij haar bijdragen bij elkaar had gepakt, verwijderde zij zich, met het gevoel, dat zij en haar kunstwerk onvergeeflijk beleedigd waren geworden.
“Nu is zij voor altijd boos. O hemel! had ik u maar niet gevraagd er over te spreken, Mama,” zei Mary, met een treurig gezicht naar de ledige plaatsen op de tafel ziende.
“Meisjesgekibbel duurt nooit lang,” antwoordde haar moeder, die met recht min of meer beschaamd was over het aandeel, dat zij in den twist had genomen.
De kinderen ontvingen Amy en haar schatten met vreugde, en deze hartelijke ontvangst kalmeerde eenigszins haar geschokt gemoed; zij zette zich aan het werk, vast besloten den prijs weg te dragen met haar bloementafel, nu de kunsttafel haar ontnomen was. Maar alles scheen wel tegen te loopen; het werd laat en zij was moe; ieder had het te druk met eigen zaken om haar een handje te helpen, en de kleine meisjes maakten ’t haar nog moeilijker en de verwarring nog grooter door hun luidruchtig gebabbel en hun onhandige pogingen om alles te regelen en te schikken.
De boog van klimop wilde maar niet stevig blijven staan, toen zij was opgezet, maar waggelde bij ’t minste stootje en dreigde op Amy’s hoofd te vallen, toen de bloemenmandjes er aan gehangen waren; op haar mooiste teekening viel een waterdroppel, die een bruinen traan achterliet op de wang van een cupido; zij bezeerde haar handen aan den hamer, en vatte kou in den tocht, welke laatste tegenspoed haar met onrust vervulde voor den volgenden dag.
Thuis heerschte groote verontwaardiging, toen Amy dien avond haar geschiedenis verhaalde. Haar moeder zei, dat het schande was, maar vond dat zij goed had gehandeld. Betsy verklaarde, dat zij in ’t geheel niet naar dien gekken bazaar wilde gaan kijken, en Jo vroeg waarom zij al haar mooie dingen niet wegnam, en die kleingeestige menschen alleen voor den boel liet zitten.
“Al zijn zij kleingeestig, dat is nog geen reden, waarom ik het ook zou zijn. Ik vind zoo’n manier van doen echt onbeschaafd, maar al meen ik reden te hebben om mij gegriefd te voelen, wil ik het niet toonen. Zij zullen dat dieper voelen, dan kleinzielige antwoorden en wraaknemingen, denkt u ook niet, Moeder?”
“Zeker, kindlief! kwaad met goed vergelden is altijd het beste ofschoon het soms niet heel makkelijk is,” zei haar moeder, met een uitdrukking op haar gelaat, die duidelijk deed zien, dat zij het verschil had leeren verstaan tusschen zeggen en doen.
Hoewel Amy herhaaldelijk de natuurlijke verzoeking voelde opkomen, om zich gekrenkt te toonen en zich te wreken, volhardde zij den heelen volgenden dag in haar voornemen om haar vijanden door vriendelijkheid te winnen. Zij maakte een goed begin, dank zij een stilzwijgende vermaning, die zij ongezocht maar zeer van pas ontving. Toen zij dien morgen bezig was met het schikken van haar tafel, terwijl de kinderen in een zijkamer de mandjes vulden, nam zij een klein boekje met een antiek bandje op, dat haar vader onder zijn schatten had gevonden, en waarin zij op velijnpapier verschillende teksten had geïllustreerd. Terwijl zij met vergeeflijk zelfbehagen de blaadjes omsloeg, viel haar oog op een vers, dat haar tot nadenken bracht. Gevat in een smaakvol randje, las zij deze woorden: “Gij zult uwen naaste liefhebben als uzelven.” “Ik moest het doen, maar ik doe het niet,” dacht Amy, terwijl haar oog dwaalde van de leerrijke bladzijde naar het ontevreden gezicht van Mary achter de groote vazen, die de leegten niet konden verbergen, door het wegnemen van Amy’s “kunstvoorwerpen” ontstaan. Amy bleef een oogenblik nadenkend de bladzijden omslaan, waarin zij achtereenvolgens menig zacht verwijt las over elke opwelling van wrevel en onverdraagzaamheid. Vele verstandige en goede preeken worden ons dagelijks door allerlei onbewuste predikers op straat, op school, in het bureau, of thuis gehouden, zelfs een bazaarkraampje kan een preekstoel worden, als zij ons de woorden in ’t hart zendt, waaraan wij juist behoefte hebben. Amy’s geweten hield haar daar een klein betoog over dien tekst, en zij deed, wat velen van ons niet altijd doen, zij nam de les ter harte, en bracht haar dadelijk in praktijk.
Een groep meisjes stond rondom Mary’s tafel; zij bewonderden haar mooie voorwerpen en praatten over de verwisseling der verkoopsters. Al fluisterden zij, toch wist Amy heel goed dat zij over haar spraken, slechts één kant van de zaak hoorden en haar daarnaar beoordeelden. Het was niet aangenaam, maar een beter gevoel was in haar ontwaakt, en de gelegendheid bood zich weldra aan om daarvan een bewijs te geven. Zij hoorde Mary op teleurgestelden toon zeggen:
“’t Is jammer, want de tijd is te kort om andere dingen te maken, en ik kan de leegten niet vullen met lorren en prullen. De tafel was zoo goed in orde, en nu is zij letterlijk bedorven.”
“Misschien zou Amy ze wel terug willen geven, als je ’t haar vroeg,” deed een der meisjes aan de hand.
“Hoe zou ik dat kunnen, na al de onaangenaamheden,” begon Mary te zeggen, maar zij voltooide haar zin niet, want Amy’s stem riep opgewekt van den anderen kant der zaal:
“Je kunt ze met alle plezier krijgen, Mary, zonder er zelfs om te vragen, als je ze noodig hebt! Ik was juist van plan je voor te stellen ze weer op jouw tafel te zetten, want ze passen beter op de jouwe dan op de mijne. Hier zijn ze, neem ze maar terug; ’t was niet aardig van me, dat ik ze gisterenavond zoo gauw meenam.”
Onderwijl had Amy haar bijdragen weer met een vriendelijken glimlach op de tafel gezet en liep toen haastig weg met het gevoel, dat het gemakkelijker is een goede daad te verrichten, dan er dank voor aan te nemen.
“Dat is echt aardig van haar, vind je niet?” riep een der meisjes. Het antwoord van Mary was onverstaanbaar, maar een ander meisje, wier taak het geweest was, limonade te maken, en wier humeur daardoor misschien wat verzuurd was, antwoordde met een onaangenamen lach: “O, ja echt aardig! ze wist natuurlijk wel, dat zij ze op haar eigen tafel toch niet zou kunnen verkoopen.”
Dat was wreed; wanneer we ons een opoffering getroosten, zien wij die tenminste graag gewaardeerd; en voor een oogenblik speet het Amy, dat zij zoo gehandeld had, maar haar ergernis week heel gauw voor een gevoel van voldoening. Haar werk begon beter te vlotten; de meisjes waren allen even vriendelijk, en de kleine daad van zelfverloochening scheen de lucht rondom haar eensklaps gezuiverd te hebben.
De dag was lang en vervelend voor Amy; zij zat bijna den heelen tijd alleen achter haar tafel, want de kinderen lieten haar spoedig in den steek; slechts weinige bezoekers hadden geld over voor bloemen in den zomer en haar bouquetten begonnen lang voor den avond te verwelken.
De kunsttafel oefende voortdurend de grootste aantrekkingskracht in de zaal; den geheelen dag verdrong men er zich, en de verkoopsters waren gedurig in de weer, en liepen af en aan met gewichtige gezichten en rammelende geldtaschjes, Amy keek ze dikwijls met droevige oogen na; ze verlangde ook te zijn, waar zij zich thuis gevoelde, in plaats van in een hoek, waar zij niets te doen had, en de gedachte, dat haar heele familie en Laurie en zijn vrienden haar ’s avonds zoo zouden zien zitten, was een ware marteling voor haar.
Zij ging eerst tegen den avond naar huis, zag toen zoo bleek en was zoo stil, dat allen begrepen, hoe ’n moeilijke dag het voor haar geweest was, ofschoon zij nergens over klaagde en zelfs niet vertelde, wat zij gedaan had. Haar moeder schonk haar een extra lekker kopje thee, Bets hielp haar zich kleeden, en maakte een beelderig bouquetje voor haar, terwijl Jo de familie verbaasde door zich met bizondere zorg op te sieren, terwijl zij allerlei geheimzinnige wenken gaf, dat het blaadje wel gauw zou omgekeerd worden.
“Jo, ik bid je, doe niets onmogelijks; ik wil er volstrekt geen drukte over gemaakt hebben; laat dus alles over je kant gaan en gedraag je ordentelijk,” smeekte Amy, die vroeg van huis ging, in de hoop een frisschen voorraad bloemen te vinden om haar ongelukkige tafel een beetje op te kunnen sieren.
“Ik ben alleen van plan zoo betooverend mogelijk te zijn, tegen ieder dien ik ken, en ze zoo lang mogelijk in jouw hoekje te houden. Teddy en zijn club zullen ons wel een handje helpen, en je zult zien dat we nog plezier hebben!” antwoordde Jo, terwijl zij over het hek leunde om op Laurie te wachten. Na eenige oogenblikken hoorde zij in den schemer den welbekenden stap naderen, en liep hem tegemoet.
“Is dat mijn jongen?”
“Zoo zeker als dat mijn meisje is,” en Laurie trok haar hand in zijn arm, met het genoeglijke gezicht van iemand, wiens hoogste wenschen vervuld zijn.
“O, Teddy, je moet eens hooren wat er gebeurd is!” en Jo vertelde al Amy’s grieven met zusterlijke warmte.
“Verscheiden van mijn kennissen zijn van plan er heen te gaan, en ik laat mij hangen, als ik ze niet al Amy’s bloemen zal laten opkoopen, en daarna post vatten voor haar tafel,” riep Laurie, de zaak onmiddellijk met warmte omhelzende.
“Amy zegt, dat haar bloemen in ’t geheel niet mooi meer zijn, en de nieuwe zullen misschien niet bijtijds komen. Ik wil niet onrechtvaardig of ergdenkend wezen, maar ’t zou mij toch niet verbazen, als zij in ’t geheel niet kwamen. Als menschen tot één laagheid in staat zijn, kunnen zij ook wel eene tweede begaan,” zei Jo op een toon vol verachting.
“Heeft Hayes haar dan niet de mooiste bloemen uit onzen tuin gebracht? Ik had het hem toch gezegd.”
“Dat wist ik niet, hij heeft het zeker vergeten; en nu je grootvader niet heel wel is, wou ik hem niet lastig vallen met er om te vragen.”
“Hè, Jo, hoe kon je nu denken, dat je er om vragen moest? Zij zijn immers even goed van jou als van mij; wij deelen immers alles samen?” begon Laurie op een toon, die Jo al dadelijk “stekelig” maakte.
“Goeie Hemel! Dat hoop ik niet! In sommige van jouw dingen zou ik in het geheel niet graag deelen. Maar wij moeten hier niet staan zeuren; ik moet Amy nog helpen; verdwijn dus maar gauw, en maak je netjes; en als je dan zoo goed wilt zijn om Hayes nog een mand met mooie bloemen naar de zaal te laten brengen, zal ik je mijn leven lang zegenen.”
“Zou je dat nu maar niet vast doen?” verzocht Laurie, zoo smeekend, dat Jo met alles behalve beleefden haast het hek voor zijn neus dichtgooide, en hem door de tralies toeriep: “Ga alstjeblieft heen, Teddy, ik heb het druk.”
En het blaadje werd dien avond omgekeerd, dank zij de samenzweerders, want Hayes bracht een massa bloemen, met een keurig mandje, dat hij naar zijn beste vermogen geschikt had, voor een middenstuk; en toen verscheen de familie March in haar geheel, en Jo deed niet tevergeefs haar best, want de menschen kwamen niet alleen, maar bleven ook, lachten om haar grappen, bewonderden Amy’s smaak, en schenen zich bizonder goed te amuseeren. Daarna sprongen Laurie en zijn vrienden beleefd in de bres; zij kochten al de bouquetten, schaarden zich om de tafel, en maakten Amy’s hoekje tot het vroolijkste plekje in de zaal. Amy raakte nu volkomen in haar element, en was, al ware het alleen maar uit dankbaarheid, zoo vroolijk en vriendelijk mogelijk, tot de conclusie komende, dat de deugd toch soms zich zelve wel eens loont.
Jo gedroeg zich voorbeeldig; en toen Amy gelukkig door haar eerewacht omgeven was, drentelde haar zuster door de zaal, en ving hier en daar een paar gezegden op, die haar licht gaven omtrent het veranderd gedrag der Chesters. Zij betreurde haar aandeel in de onaangenaamheid, en besloot Amy zoo spoedig mogelijk vrij te pleiten; zij ontdekte ook wat Amy ’s morgens met haar bijdragen gedaan had, en vond haar een toonbeeld van zelfverloochening. Toen zij de kunsttafel voorbijging, keek zij eens rond naar de bijdragen van haar zuster, maar kon er geen spoor van ontdekken. “Zeker ergens in een hoek gestopt,” dacht Jo, die, verongelijkingen haar zelf aangedaan, kon vergeven, maar vuur en vlam was, als iemand haar familie beleedigde.
“Dag juffrouw March, hoe gaat het Amy met het verkoopen?” vroeg Mary op verzoenenden toon—want zij verlangde te toonen, dat zij ook edelmoedig kon wezen.
“Zij heeft alles verkocht wat de moeite waard was, en amuseert zich nu. De bloementafel heeft zooals u weet, altijd veel aantrekkelijks, vooral voor heeren.”
Jo kon zich niet weerhouden om haar dien kleinen steek te geven, maar Mary nam het zoo zachtzinnig op, dat zij er een oogenblik later spijt van had, en de groote vazen die nog steeds onverkocht stonden, begon te prijzen.
“Is dat boekje met geïllustreerde teksten van Amy nog ergens hier? Ik zou dat graag voor Vader koopen,” zei Jo, brandend van verlangen om te hooren, hoe het met het werk van haar zuster gegaan was.
“O, alles van Amy is al láng verkocht; ik zorgde dat de rechte menschen het te zien kregen, en ze hebben ons een aardig sommetje opgebracht,” antwoordde Mary, die, even goed als Amy, dien dag haar kleine verzoekingen had overwonnen.
Zeer bevredigd snelde Jo terug om de goede tijding over te brengen, en Amy was zoowel getroffen als verwonderd over het verhaal aangaande Mary’s woorden en toon.
“Nu hoop ik, dat jullie even edelmoedig je plicht zult doen bij de andere tafels, als je het bij de mijne gedaan hebt, vooral bij de kunsttafel,” verzocht Amy, die “Teddy’s bende,” zooals de meisjes de academievrienden noemden, graag een beetje commandeerde.
“Val aan, Chester, val aan! is het motto voor die tafel. Doe manmoedig je plicht, en jullie zult de waarde van je geld aan kunst in elke beteekenis van het woord ontvangen,” riep de onbedwingbare Jo, toen de gehoorzame phalanx gereed stond om te velde te trekken.
“Ik haast mij naar de bron der kunst, doch enkel om te komen in uw gunst!” zei de kleine Parker met een wanhopige poging om tegelijk teeder en dichterlijk te zijn, maar hij werd onmiddellijk tot zwijgen gebracht door Laurie, met een: “Zeer verdienstelijk, mijn zoon, voor zoo’n kleinen jongen,” terwijl hij hem vaderlijk op het hoofd tikte, en met hem weg stapte.
“Koop de vazen,” fluisterde Amy Laurie toe, als een laatste vurige kool op het hoofd harer vijandin.
Tot Mary’s groote vreugde kocht “de jonge Laurence” niet alleen de vazen, maar wandelde hij zelfs de zaal door met een prachtstuk onder elken arm. De andere jongelui vielen even begeerig aan op allerlei broze ornamenten, en dwaalden daarna hulpeloos rond, beladen met theewarmers, lucifers-doosjes, beschilderde waaiers, linialen en thermometers van houtsnijwerk en andere nuttige en gepaste aankoopen.
Tante Carrol was er ook, hoorde het verhaal, keek heel vergenoegd, en fluisterde in een hoekje mevrouw March iets in het oor, dat de oogen van die dame van blijdschap deed schitteren, en haar Amy deed gadeslaan met een mengeling van trots en bezorgdheid, hoewel zij de oorzaak harer voldoening eerst eenige dagen later openhaarde.
De bazaar was bizonder goed geslaagd, en toen Mary Amy goeden nacht wenschte, maakte zij niet zooveel beweging als anders, maar gaf haar een hartelijken kus met een blik, waarin “wil vergeven en vergeten” te lezen stond. Hiermee was Amy voldaan, en toen zij thuis kwam, vond zij de vazen met groote bouquetten er in te pronk staan op den schoorsteenmantel in de zitkamer. “Een belooning voor de verdiensten van een edelmoedige March,” zooals Laurie met een buiging aankondigde.
“Je bent veel vaster van karakter en opofferender en liever dan ik ooit gedacht had, Amy. Je hebt je kranig gehouden, en ik bewonder je met mijn heele hart,” zei Jo gul, toen zij dien avond laat te zamen hun haar stonden te borstelen.
“Ja, dat doen wij allemaal, het was verbazend aardig van je haar zoo gauw te vergeven, ’t Leek me heel moeilijk nu je ’r zoo lang voor gewerkt en er je hart op gezet had zelf je mooie dingetjes te verkoopen. Ik geloof niet, dat ik zoo vriendelijk zou geweest zijn!” riep Betsy van haar kussen.
“Och, jullie hoeft mij niet zoo te prijzen. Ik deed alleen maar, wat ik graag zou willen dat anderen voor mij deden. Jullie lacht mij altijd uit, als ik zeg, dat ik een echte dame hoop te worden, maar daarmee meen ik een echte beschaafde vrouw, en daar doe ik mijn best voor. Ik kan het niet goed uitleggen, maar ik zou zoo graag verheven zijn boven al die kleine streken en bekrompenheden die vrouwen vaak onverdraaglijk maken. Ik ben er nog wel mijlen ver vandaan, maar ik doe mijn best, en ik hoop eenmaal te worden, zooals Moeder is.”
Amy sprak heel ernstig, en Jo zei met een hartelijken kus:
“Nu begrijp ik, wat je meent, en ik zal je nooit weer uitlachen, hoor! Je maakt meer vorderingen dan je denkt, en ik zal van jou een lesje nemen in ware beleefdheid, want je hebt het geheim afgekeken, geloof ik. Doe je best maar, kindlief, den een of anderen dag zul je er wel voor beloond worden, en niemand zal er zich hartelijker over verblijden dan ik,” eindigde ze moederlijk.
Een week later werd Amy er voor beloond, maar de arme Jo vond het heel moeilijk blij te zijn. Er kwam een brief van Tante Carrol, en het gezicht van mevrouw March straalde zoo onder het lezen, dat Jo en Bets, die er bij zaten, verlangend vroegen welk heugelijk nieuws er was.
“Tante Carrol gaat de volgende week op reis, en vraagt....”
“Of ik met haar mee wil gaan!” viel Jo haar in de rede, in blijde verrukking uit haar stoel opvliegende.
“Neen, kindlief, jij niet, maar Amy.”
“O, Moeder, zij is nog zoo jong, ik kom het eerst aan de beurt; ik heb er zoo lang naar verlangd ... het zou mij zoo veel goed doen, en het zou zoo heerlijk zijn ... ik moet gaan!”
“Ik vrees, dat het onmogelijk is, Jo. Tante spreekt bepaald van Amy, en wij kunnen haar de wet niet stellen, als zij ons zoo’n aanbod doet.”
“Zoo is het altijd; Amy heeft al de pret, en ik al het werk. Het is niet eerlijk, o, het is niet eerlijk!” riep Jo hartstochtelijk.
“Ik vrees, dat het gedeeltelijk je eigen schuld is, kindlief. Toen ik Tante laatst sprak, klaagde zij over je onverschillige manieren en al te onafhankelijken geest, en hier schrijft zij, alsof zij iets, wat jij gezegd hebt, aanhaalt. Eerst meende ik Jo te vragen, maar daar ‘gunstbewijzen haar drukken’ en zij ‘een afschuw heeft van vreemde talen,’ durfde ik de invitatie niet wagen. Amy is zachter, zij zal prettig gezelschap voor Flo wezen, en dankbaar voor het nut, dat zij wellicht van deze reis trekken kan.”
“O, mijn tong, mijn afschuwelijke tong! O, waarom kan ik toch niet leeren zwijgen?” kreunde Jo, toen zij zich de woorden te binnen bracht, die over haar lot hadden beslist.
Toen mevrouw March den uitleg van de aangehaalde woorden vernomen had, zei zij deelnemend:
“Ik wou, dat jij had kunnen gaan, maar er is dezen keer geen kans op; tracht het dus blijmoedig te dragen, en bederf Amy’s genot niet door verwijten en klachten.”
“Ik zal mijn best doen,” beloofde Jo, met de oogen knippende, terwijl zij neerknielde om den inhoud van een werkmandje, dat zij in haar blijdschap had omgegooid, weer op te rapen. “Ik zal niet alleen trachten blij te schijnen, maar het ook werkelijk te zijn, en haar geen minuutje geluk te misgunnen, maar het zal mij niet gemakkelijk vallen, want het is een afschuwelijke teleurstelling,” en de arme Jo besproeide het mollige speldenkussentje, dat zij in de hand hield, met vele bittere tranen.
“Lieve Jo, ’t is wel heel zelfzuchtig, maar ik zou je niet kunnen missen, en ik ben zoo blij, dat jij dezen keer nog niet gaat,” fluisterde Betsy, terwijl zij haar, met mandje en al, zoo hartelijk en met zoo’n liefdevol gezichtje omhelsde, dat Jo zich getroost voelde, niettegenstaande het knagend berouw, dat haar den lust gaf om zich zelve een stevige oorvijg te geven, en Tante Carrol nederig te smeeken haar met dit gunstbewijs te willen bezwaren, om te zien, hoe dankbaar zij het zou dragen.
Tegen dat Amy thuis kwam, was Jo in staat haar aandeel in de familievreugde te nemen; misschien niet zóó hartelijk als gewoonlijk, maar toch zonder Amy haar geluk te benijden. De jonge dame zelve ontving de heerlijke tijding met innige blijdschap, liep in stille verrukking door het huis, en begon dienzelfden avond haar verf te sorteeren en haar penseelen in te pakken, terwijl zij de bezorging van zulke kleinigheden als kleeren, geld enz. overliet aan hen, die niet zoozeer als zij in kunstvisioenen verdiept waren.
“Het is niet alleen een plezierreis voor mij, kinderen!” zei zij nadrukkelijk, terwijl zij haar beste palet afschrapte. “Deze reis zal over mijn loopbaan beslissen, want als ik eenig genie bezit, zal dat in Rome blijken, en dan zal ik iets doen om het te bewijzen.”
“En als je het niet bezit?” vroeg Jo, met roode oogen doorbordurend aan de nieuwe zakdoekjes, die Amy moest meenemen.
“Dan kom ik weer naar huis, en ga teekenlessen geven,” verklaarde de jeugdige artiste met wijsgeerige kalmte, maar zij trok een zuur gezicht bij het vooruitzicht, en schrapte haar palet, alsof zij van plan was krachtige pogingen in ’t werk te stellen, eer zij haar aspiraties opgaf.
“Neen, dat doe je toch niet; je houdt niet van hard werken, en je zult met een rijken man trouwen, en naar huis komen om je heele verdere leven in den schoot der weelde te zitten,” voorspelde Jo.
“Je voorspellingen komen wel eens uit, maar ik geloof niet, dat deze uit zal komen. Ik zou het wel willen, want als ik zelf geen kunstenares kan zijn, zou ik toch graag anderen voorthelpen, die het wel zijn,” antwoordde Amy glimlachend, alsof de rol van genadige beschermvrouwe haar veel meer toelachte dan die van teekenleerares.
“Hm!” kwam Jo met een zucht, “als jij ’t hoopt, dan zal het wel gebeuren ook, want jouw wenschen komen altijd uit—de mijne nooit.”
“Zou jij graag gaan?” vroeg Amy, nadenkend haar neus met haar mes platdrukkend.
“Nou!”
“Dan zal ik over een paar jaar om je schrijven, en zullen we in het Forum naar antiquiteiten zoeken, en al de plannen, die wij zoo dikwijls gemaakt hebben, ten uitvoer brengen.”
“Dank je, ik zal je aan je belofte herinneren, zoodra die blijde dag dáár is—als hij ten minste ooit komt,” antwoordde Jo, dit nevelachtig maar schitterend aanbod zoo dankbaar mogelijk aannemend.
Er was niet veel tijd voor toebereidselen, en het heele huis stond op stelten, totdat Amy vertrokken was. Jo hield zich goed, tot de laatste glimp van Amy’s blauwen hoed verdween, toen vloog zij naar haar schuilplaats, den zolder, en schreide, tot zij niet meer kon. Amy was ook heel dapper, eer de boot van wal stak, maar juist toen de loopplank zou weggenomen worden, kwam het haar plotseling in de gedachte, dat weldra de wijde oceaan zou golven tusschen haar en allen, die zij het meest liefhad, en zij klemde zich vast aan Laurie, die het laatst bij haar was achtergebleven, en smeekte snikkend:
“O, zorg toch goed voor hen, als er iets mocht gebeuren”—
“Ja, ja, Amy, en als er iets mocht gebeuren, dan zal ik overkomen om je te troosten,” fluisterde Laurie, weinig denkende, hoe spoedig hij geroepen zou worden, deze belofte gestand te doen.
Zoo stoomde Amy weg naar de oude wereld, die altijd nieuw en schoon is voor jonge oogen, terwijl haar vader en haar vriend haar van den oever natuurden, vurig hopende, dat niets dan geluk het deel mocht zijn van het blijmoedige kind, dat hen bleef toewuiven, tot zij niets meer zagen dan het glinsteren van den zomer-zonneschijn op de golven.