OP ZIJ GEZET.
Reading edition
In Frankrijk leiden de jonge meisjes een vrij vervelend leven, totdat zij in het huwelijk treden, wanneer “vive la liberté,” hun leus wordt. In Amerika echter, teekenen, zooals ieder weet, de meisjes reeds vroeg een onafhankelijkheidsverklaring en genieten met republikeinschen ijver van hun vrijheid, maar de jonggehuwde vrouwen deden, in Meta’s tijd, gewoonlijk afstand van de regeering, bij de geboorte van den troonopvolger, en trokken zich terug in een afzondering, die veel had van een Fransch nonnenklooster, hoewel ze dit, wat stilte betreft, volstrekt niet evenaarde. Of zij het plezierig vonden of niet, zij werden feitelijk, zoodra de drukte van de bruiloft voorbij was, op zij gezet, en de meesten konden gerust de woorden overnemen van een bizondere beauté uit die dagen: “Ik ben nog even mooi als altijd, maar niemand neemt meer eenige notitie van mij, omdat ik getrouwd ben.”
Daar Meta geen schoonheid of mondaine vrouw was, deed zij deze droevige ondervinding niet op, dan voordat haar kindertjes een jaar waren,—want in haar kleine wereld behielden de eenvoudige gewoonten nog de overhand, en zij zag zich meer dan ooit bewonderd en bemind. Ze was een huishoudelijk vrouwtje met een zeer sterk moederlijk instinct, en zij was zoo geheel verdiept in haar tweeling, dat zij buiten alles en allen leefde. Nacht en dag wijdde zij zich onvermoeid aan hen en liet John over aan de teedere zorg der dienstmaagd, want een Iersche vrouw zwaaide nu den schepter in het keukendepartement. John met zijn huiselijken aard, miste de kleine attenties erg, die zijn vrouw gewoon was hem te bewijzen; maar daar hij zijn kleintjes innig liefhad, offerde hij er voor een poosje met blijdschap genoegen en gemak aan op, in de veronderstelling, dat de rust spoedig hersteld zou zijn. Maar drie maanden gingen voorbij en de rust keerde niet weer; Meta zag er afgemat en zenuwachtig uit, de kinderen namen ieder oogenblik van haar tijd in beslag, het huishouden werd verwaarloosd, en Kitty, de keukenprinses, die het leven gemakkelijk opnam, hield John zeer kort. Als hij ’s morgens uitging, werd hij beladen met allerlei boodschappen voor de gebonden mama; kwam hij ’s avonds thuis, vol verlangen om de zijnen te omhelzen, dan werd hem dadelijk een domper opgezet met een: “st! zij slapen juist, na den gansenen dag lastig te zijn geweest!” Stelde hij een of ander pretje in huis voor: “Neen, het zou de kinderen wakker houden.” Zinspeelde hij op een lezing of een concert, dan kreeg hij tot antwoord een verwijtenden blik en een beslist: “Mijn kinderen alleen laten, om plezier te gaan maken? nooit!” Zijn slaap werd gestoord door kindergeschrei en visioenen van een spookachtige gedaante, die in de nachtwake onhoorbaar de kamer op en neer wandelde: zijn maaltijden werden afgebroken door de gedurige vlucht van de tafelvoorzitster, die hem, al was hij maar half bediend, alleen liet, zoodra zij een gesmoord getjilp uit het nestje boven hoorde, en als hij ’s avonds de courant las, raakte Demi’s hoest wel eens tusschen de scheepstijdingen, en oefende Daisy’s val invloed uit op het rijzen of dalen der effecten,—want mevrouw Brooke stelde in niets belang dan in huiselijk nieuws.
De arme man voelde zich alles behalve gelukkig, want de kinderen hadden hem van zijn vrouw beroofd; zijn huis was niets anders dan een kinderkamer, en het onophoudelijk “st!” maakte, dat hij zich als een lompen indringer begon te beschouwen, zoodra hij den voet zette op den drempel van het Kinderrijk. Hij verdroeg het zes maanden lang met het grootste geduld, en toen zich geen teekenen van verbeteren vertoonden, deed hij, wat andere vaderlijke bannelingen doen, en trachtte elders eenigen troost te vinden. Scott was getrouwd en had niet ver vandaar zijn tenten opgeslagen, en John gewende er zich aan ’s avonds een paar uurtjes over te loopen, als zijn eigen huiskamer toch leeg was, en zijn vrouw eindelooze wiegeliedjes zong. Mevrouw Scott was jong, levendig en mooi, had niets te doen dan zich aangenaam te maken, en zij kweet zich voortreffelijk van haar taak. De huiskamer was er altijd gezellig en aantrekkelijk, het schaakbord altijd bij de hand, de piano gestemd, overvloed van vroolijk gekeuvel, en een lekker soupeetje in een oogwenk klaar om iemand tot blijven te verleiden. John zou zijn eigen haard verkozen hebben, als hij zich niet zoo eenzaam had gevoeld, maar nu dat eenmaal zoo was, nam hij dankbaar het naastbij gelegen goede, en genoot het gezelschap van zijn buren.
Meta keurde in het eerst die nieuwe schikking wel goed, en vond het een uitkomst, te weten, dat John een plezierigen avond had, in plaats van beneden te zitten dommelen of door het huis te stappen, waardoor de kinderen wakker werden. Maar toen, na verloop van tijd, de verdrietelijkheden van het tanden krijgen voorbij waren, en de afgodjes Mama tijd lieten om eens even uit te rusten, begon zij John te missen en haar werkmandje alles behalve opwekkend gezelschap te vinden, als hij niet tegenover haar zat in zijn oude huisjas en dood op zijn gemak zijn pantoffels schroeide voor den gloeienden haard. Zij wou hem niet vragen thuis te blijven, maar voelde zich gegriefd dat hij niet uit zichzelven begreep, hoe zij naar zijn gezelschap verlangde, daarbij geheel vergetende hoe menigen avond hij te vergeefs op haar gewacht had. Zenuwachtig en afgetobd door waken en zwoegen, raakte ze in de onredelijke gemoedsstemming waarin de beste moeder nu en dan wel eens kan verkeeren, wanneer huiselijke zorgen haar drukken, gebrek aan beweging haar van haar opgeruimdheid berooft, en ze een gevoel krijgt, alsof zij alleen uit zenuwen en niet ook uit spieren bestaat.
“Ja,” zei zij wel eens en keek in den spiegel, “ik word al oud en leelijk, John vindt niet veel bizonders meer aan mij; dus laat hij zijne verwelkte vrouw alleen, en gaat naar zijn mooi buurvrouwtje, dat geen zorgen heeft. Enfin, de kinderen hebben mij lief; die geven er niet om, of ik mager en bleek ben, en geen tijd heb om mijn haar te crêpeeren; zij zijn mijn troost, en eenmaal zal John inzien, wat ik met vreugde voor hen heb opgeofferd,—zal hij niet, mijn lieveling?”
Op welke roerende toespraak Daisy gewoonlijk antwoordde met zacht gekir; en Demi met luid gekraai, waarna Meta een einde maakte aan haar klachten door een moederlijke stoeipartij, die voor het oogenblik haar eenzaamheid verzoette. Maar het verdriet werd grooter, naarmate John verdiept raakte in de politiek en altijd naar Scott overliep om belangrijke questies met hem te bespreken, terwijl het niet in zijn gedachten scheen op te komen, dat zijn vrouw hem miste. Ze zei er echter geen woord van, totdat haar moeder haar op zekeren dag in tranen vond en er op aandrong de reden te hooren—want Meta’s gedruktheid was haar aandacht niet ontsnapt.
“Ik zou het niemand willen zeggen dan aan u, Moeder, maar ik heb heusch raad noodig, want als John nog lang zoo doet, kon ik even goed een weduwe zijn,” barstte mevrouw Brooke los en droogde met een gegriefd gezicht de tranen af aan Daisy’s bavetje.
“Nog lang zoo doet; hoe meen je dat, kindlief?” vroeg haar moeder bezorgd.
“Hij is den heelen dag uit, en ’s avonds, als ik naar hem verlang zit hij altijd bij de Scotts. Is ’t niet onbillijk, dat ik het zwaarste werk moet hebben en nooit een verzetje? Mannen zijn gruwelijk zelfzuchtig, zelfs de besten onder hen.”
“Vrouwen niet minder; veroordeel John niet, voordat je weet, waar je zelf gedwaald hebt.”
“Maar het is toch niet goed van hem, dat hij mij veronachtzaamt?”
“Veronachtzaam jij hem niet?”
“Hè, Moeder, ik dacht dat u mijn partij wel zou kiezen!”
“Dat doe ik ook, wat mijn sympathie betreft, maar ik geloof dat de schuld bij jou ligt, Meta.”
“Dat zie ik niet in.”
“Laat ik het je dan eens duidelijk maken. Heeft John je ooit, zooals je het uitdrukt, veronachtzaamd, toen jij het je ten plicht stelde hem ’s avonds gezelschap te houden—in zijn eenigen vrijen tijd?”
“Neen, maar dat kan ik nu toch niet doen, nu ik twee kleine kinderen te verzorgen heb.”
“Ik geloof, dat je het wel zou kunnen, mijn kind, en ik geloof, dat je het doen moet. Mag ik eens vrij uit tot je spreken, en wil je dan bedenken, dat Moeder iets in je afkeurt, evenals Moeder medelijden met je heeft?”
“Graag! zeg mij maar alles, alsof ik weer uw kleine Meta was. Ik heb dikwijls een gevoel of ik meer dan ooit zelf onderricht noodig heb, sinds de kindertjes om alles tot mij moeten opzien.”
Meta trok haar lagen stoel dichter bij dien van haar moeder, en de beide vrouwen zaten gezellig en vertrouwelijk met elkander te praten, ieder met een kleinen rustverstoorder op den schoot, en met een gevoel, alsof de band van het moederschap hen nauwer dan ooit vereenigde.
“Je hebt de fout begaan, die de meeste jonge vrouwen begaan: je plicht jegens je man vergeten door je liefde voor je kinderen. Een heel natuurlijke en vergeeflijke fout, Meta, maar een die hersteld moet worden, eer jullie beiden een verschillenden weg opgaat; want de kinderen moesten jullie juist nader tot elkander brengen, maar je niet scheiden, alsof ze enkel en alleen van jou waren, en John er niets anders mee te maken had, dan ze te onderhouden. Ik heb het al sinds verscheiden weken opgemerkt, maar niets gezegd, omdat ik vast geloofde, dat het wel weer in orde zou komen.”
“Ik vrees van neen. Als ik hem vraag, of hij bij me blijven wil, zal hij denken, dat ik jaloersch ben, en ik wil hem door zoo’n gedachte niet beleedigen. Hij ziet niet, dat ik naar hem verlang, en ik weet niet hoe ik hem dat zonder woorden moet laten gevoelen.”
“Maak het zoo gezellig, dat hij niet begeert weg te gaan. Geloof me, kind, hij smacht naar zijn eigen thuis, maar thuis is geen thuis zonder jou, en jij bent altijd in de kinderkamer.”
“Moet ik daar dan niet zijn?”
“Niet altijd; te veel thuiszitten maakt je zenuwachtig, en daardoor ongeschikt voor alles. Daarenboven, je bent toch zoowel aan John als aan de kinderen iets verschuldigd; verwaarloos niet je man om de kinderen,—sluit hem niet buiten de kinderkamer, maar leer hem, hoe hij daar kan helpen. Hij heeft daar, evengoed als jij, een plaats, en de kleintjes hebben hem noodig; laat hem gevoelen, dat hij ook zijn deel aan de opvoeding moet hebben, en hij zal zijn plicht vroolijk en getrouw vervullen, tot voordeel van jullie allen.”
“Denkt u dat heusch, Moeder?”
“Ik wéét het, Meta, want ik heb het zelf ondervonden; en ik geef zelden raad, tenzij ik eerst gezien heb, of hij uitvoerbaar is. Toen jij en Jo nog klein waren, deed ik precies, wat jij nu doet, en dacht, dat ik in mijn plicht te kort schoot, als ik mij niet geheel aan jullie wijdde. Je arme vader nam zijn toevlucht tot zijn boeken, nadat ik al zijn aanbiedingen van hulp had afgeslagen, en liet mij alleen begaan. Ik scharrelde zoo goed en zoo kwaad als het kon voort, maar Jo was mij de baas. Ik had haar door toegevendheid bijna voor goed bedorven. Jij was ziekelijk, en ik tobde met je, totdat ik zelf ziek werd. Toen kwam Vader mij te hulp, nam met bedaardheid de teugels in handen, en maakte zich zoo onmisbaar, dat ik mijn dwaling inzag en het in vervolg van tijd niet meer buiten hem kon stellen. Dat is het geheim van ons huiselijk geluk; hij laat niet toe, dat zijn bezigheden hem aftrekken van de kleine zorgen en plichten, die ons allen aangaan, en ik streef er naar, dat de huishoudelijke beslommeringen mijn belangstelling in zijn studiën niet dooden. Ieder onzer doet in verscheiden zaken zijn plicht alleen, maar thuis werken wij altijd samen.”
“U hebt gelijk, Moeder; en mijn grootste wensch is voor mijn man en kinderen datgene te zijn, wat u voor de uwen was. Zeg mij maar, hoe ik het moet aanleggen; ik zal alles doen, wat u mij aanraadt.”
“Je bent altijd mijn volgzaam dochtertje geweest! Zie, mijn kind, als ik jou was, zou ik John wat meer te zeggen geven over de opvoeding van Demi, want de jongen heeft leiding noodig, en men kan niet te vroeg beginnen. Dan zou ik doen, wat ik je reeds zoo dikwijls heb voorgesteld,—laat Hanna komen om je te helpen; zij is een uitstekende kinderverzorgster, en je kunt de kleintjes gerust aan haar overlaten, terwijl jij je meer aan het huishouden wijdt. Je hebt beweging noodig, Hanna zou van de rust genieten, en John zou zijn vrouw terugvinden. Ga meer uit, tracht zoowel opgeruimd als bezig te zijn, want de vrouw is de zonneschijn van het gezin, en als jij somber wordt, is ’t uit met het mooie weer. Verder zou ik belang zien te stellen in alles wat John interesseert; praat met hem, laat hij je voorlezen, wisselt van gedachten en helpt elkander op die manier. Sluit jezelf niet in een naaidoos op, omdat je een vrouw bent, maar neem deel aan wat er buitenaf voorvalt, en maak jezelf geschikt om een plaats in te nemen op het groote wereldtooneel, want dat gaat de vrouw zoowel als den man aan.”
“John is zoo verstandig; ik ben bang, dat hij mij dom zal vinden, als ik vragen doe over politiek en zulk soort van dingen.”
“Dat denk ik niet; de liefde bedekt veel grootere zonden, en aan wien zou je vrijer iets kunnen vragen dan aan hem? Probeer het eens, en zie of hij jouw gezelschap niet veel verkieslijker vindt dan mevrouw Scott’s soupeetjes.”
“Ik zal het doen. Arme John! Ik vrees, dat ik hem erg veronachtzaamd heb, maar ik dacht, dat ik goed handelde en hij klaagde nooit.”
“Hij trachtte niet zelfzuchtig te zijn, maar ik verbeeld mij, dat hij zich nog al eenzaam voelde. Dit is juist een periode, Meta, dat jonggehuwde menschen zoo licht van elkander vervreemden, en toch is het de tijd, waarin zij het nauwst vereenigd moesten zijn; want de eerste teederheid gaat er spoedig af, tenzij men zorgt die te bewaren, en geen tijdstip is voor ouders zoo schoon en heerlijk, als de eerste levensjaren van die lieve wezentjes, die hun ter opvoeding zijn toevertrouwd. Laat John geen vreemde blijven voor de kinderen, want zij zullen, meer dan iets anders, de middelen zijn om hem gelukkig en dankbaar gestemd te houden in deze wereld vol beproeving en verzoeking, en door hen zult gij elkander leeren kennen en liefhebben zooals het behoort. En nu, kindlief, tot ziens, denk maar eens na over Moeder’s preekje, handel er naar, als ’t je goeddunkt, en God zegene jullie allen!”
Meta dacht er rustig over na, vond “het preekje” goed en handelde er naar, hoewel de eerste poging niet precies zoo werd uitgevoerd, als zij zich voorgenomen had. Natuurlijk speelden de kinderen den baas over haar en in huis, zoodra zij bemerkten dat schoppen en schreeuwen hun verschaften, wat zij begeerden. Mama was volkomen de slavin van hun grillen, maar Papa was niet zoo gemakkelijk onder het juk gebracht, en hij bedroefde nu en dan zijn teerhartige gade door zijn vaderlijk gezag te handhaven tegenover zijn weerspannigen zoon. Want Demi had een greintje overgeërfd van zijn vaders vastheid van karakter—wij willen het niet koppigheid noemen—en als hij in zijn kleinen bol besloten had het een of ander te hebben of te doen, kon niets ter wereld dat stijve hoofdje van gedachten doen veranderen. Mama vond den kleinen lieveling nog veel te jong, om hem te leeren zijn vooroordeelen op te geven, maar Papa meende, dat men nooit te vroeg gehoorzaamheid kon leeren, en dus ontdekte jongeheer Demi weldra, dat, als hij ’t waagde het met “Paatje” aan den stok te krijgen, hij er het slechtst afkwam; maar het kind achtte den man, die hem overwon, en had den vader lief, wiens ernstig: “neen,” meer indruk maakte dan al de liefkoozingen der moeder.
Een paar dagen na het gesprek met haar moeder besloot Meta de proef te nemen met John een gezelligen avond te bereiden. Zij zette gezellig de thee klaar, ruimde de kamer op, kleedde zich netjes aan, en bracht de kinderen tijdig naar bed, opdat er niets in den weg zou kunnen komen. Maar ongelukkig was er niets, waartegen Demi zulk een onverwinlijken afkeer had opgevat dan juist tegen naar bed gaan, en dien avond had hij besloten oproerig te zijn, zoodat, hoe de arme Meta ook zong en verhaaltjes vertelde en alles probeerde wat den slaap maar kon opwekken—het was alles te vergeefs; de groote oogen wilden maar niet dichtvallen, en lang nadat Daisy als een zachtaardig klein engeltje onder zeil was gegaan, lag de ondeugende Demi in het licht te staren met een klaar wakker gezichtje.
“Wil Demi wel een zoete jongen zijn, en stil blijven liggen, terwijl Mama naar beneden gaat om voor Papa thee te schenken?” vroeg Meta, toen de voordeur zachtjes toegedaan werd, en de welbekende stap bijna onhoorbaar naar de eetkamer ging.
“Itte thee!” riep Demi, bereid om deel te nemen aan het feest.
“Neen, maar ik zal wat koekjes voor je bewaren bij het ontbijt, als je nu net als Daisy gauw gaat slapen. Wil je, liefje?”
“Ja!” en Demi kneep zijn oogjes dicht om den slaap te vatten en de komst van den morgen te verhaasten.
Meta maakte gebruik van het gunstig oogenblik, sloop weg, en liep naar beneden om haar man te begroeten, met een glimlachend gezicht en het blauwe dasje aan, dat altijd zijn bizondere bewondering opwekte. Hij zag het dadelijk en vroeg met blijde verbazing:
“Wel, Moedertje, wat zijn we mooi van avond, wordt er bezoek verwacht?”
“Niemand dan jij, man.”
“Is het dan een verjaarfeest, een gedenkdag of iets van dien aard?”
“Neen, maar het verveelt mij nog langer een sloof te zijn, daarom heb ik mij voor de verandering eens netjes gekleed. Jij knapt je ook altijd op, voordat wij aan tafel gaan, hoe vermoeid je ook bent; waarom zou ik het dan niet doen, als ik er den tijd voor heb?”
“Ik doe het om jou,” zei de ouderwetsche John.
“Dito, dito, mijnheer Brooke,” lachte Meta, die er weer jong en lief uitzag, terwijl ze hem over den trekpot toelachte.
“Nu, ik vind het heerlijk, het doet mij aan den ouden tijd denken. Dat smaakt lekker, ik drink op je gezondheid!” en John dronk zijn kopje leeg met een uitdrukking van rustig genot op zijn gezicht, die echter van korten duur was, want toen hij zijn kopje neerzette werd er op geheimzinnige wijze aan den deurknop gerammeld, en een kinderstemmetje riep ongeduldig:
“Deur open; itte tom!”
“Die ondeugende jongen; ik heb hem gezegd, dat hij zonder mij moest gaan slapen, en daar is hij nu beneden gekomen en zal zich een doodelijke ziekte op den hals halen met zoo op zijn bloote voetjes te loopen,” zei Meta, de deur openend.
“Nu morgen,” verklaarde Demi op vroolijken toon, en hij stapte de kamer binnen met zijn lang nachtjaponnetje bevallig over den arm opgenomen, en zijn krullebol vroolijk schuddende, terwijl hij om de tafel sprong en met verlangende blikken naar de koekjes keek.
“Neen, het is nog geen morgen, je moet naar bed gaan en het Mama niet zoo lastig maken, dan krijg je dat kleine koekje met suiker er op.”
“Itte hou zooveel van Paatje,” zei het slimme ventje en wilde op zijn vaders knie klimmen om daar van de verboden vrucht te genieten. Maar John schudde het hoofd en waarschuwde Meta:
“Als je hem gezegd hebt boven te blijven en alleen te gaan slapen, dan moet je er hem toe dwingen, of hij zal nooit leeren je te gehoorzamen.”
“Ja natuurlijk; kom Demi!” en Meta voerde haar zoon mee, hoewel zij ter nauwernood de begeerte kon bedwingen om den kleinen spring-in-’t veld aan haar hart te drukken, die naast haar voorthuppelde, in het vaste geloof dat zijn wensch zou vervuld worden, zoodra hij de kinderkamer bereikt had.
Hij werd dan ook niet teleurgesteld: want het kortzichtig moedertje gaf hem een groote klont suiker, stopte hem lekker weer onder de dekens en verbood alle verdere wandelingen tot den volgenden morgen.
“Ja!” zei Demi, de belofteschenner, terwijl hij hoogst voldaan aan zijn suiker knabbelde en zijn eerste poging als volkomen geslaagd beschouwde. Meta ging weer naar beneden, en het theedrinken werd gezellig voortgezet, toen eensklaps de kleine kwelgeest nogmaals voor hen stond, en de moederlijke zwakheden openlijk ten toon stelde door stoutmoedig te vragen:
“Meer suiter, Mammie.”
“Dat gáát zoo niet,” zei John en verhardde zijn hart tegen den allerliefsten kleinen zondaar, “we zullen nooit rust hebben, tenzij dat kind leert behoorlijk naar bed te gaan. Je hebt je lang genoeg afgesloofd; geef hem één flinke les, en dan zal het uit zijn. Leg hem in bed, en laat hem dan alleen, Meta.”
“Hij wil er niet in blijven; hij doet het nooit, tenzij ik bij hem blijf zitten.”
“Dan zal ik hem eens onder handen nemen. Demi ga naar boven en naar bed, zooals Mama gezegd heeft.”
“Wil niet!” antwoordde de kleine bengel en maakte zich meester van het begeerde koekje, dat hij met de grootste kalmte ging oppeuzelen.
“Dat mag je nooit weer tegen Papa zeggen; ik zal je dragen, als je niet zelf gaat.”
“Ga weg; itte hou niet van Paatje,” en Demi zocht bescherming achter de japon zijner moeder.
Maar zelfs deze schuilplaats bleek onvoldoende, want hij werd aan den vijand overgeleverd, met een: “Wees zacht met hem, John,” dat den schuldige den schrik om het hart deed slaan, want als Mama zich van hem afwendde, was de oordeelsdag nabij. Beroofd van zijn koekje, zijn genot verstoord en door een sterke hand weggedragen naar het verafschuwde bed, kon de arme Demi zijn toorn niet bedwingen, maar verzette zich openlijk, en schopte en schreeuwde uit alle macht, den ganschen weg over naar de slaapkamer. Zoodra was hij niet aan den eenen kant in bed gelegd, of hij liet er zich aan den anderen kant weer uitrollen en rende naar de deur, hetgeen echter tot niets anders leidde, dan dat hij bij de slippen van zijn kleine toga gegrepen en weer in bed gestopt werd. Dit levendige spelletje werd voortgezet, tot de jongeling geen kracht meer had, waarna hij uit volle borst begon te schreeuwen. Gewoonlijk behaalde dit vocaal concert de overwinning op Meta; maar John zat onbewegelijk als een stok, een voorwerp, dat algemeen als bizonder doof wordt aangemerkt. Geen troetelen, geen suiker, geen wiegeliedje, geen vertelseltje—zelfs het licht werd uitgedaan, zoodat niets dan de roode gloed van het vuur de “groote duisternis” verbrak, die door Demi met meer nieuwsgierigheid dan vrees beschouwd werd. Deze nieuwe orde van zaken stond hem niets aan, en hij begon droevig om “Maatje” te roepen, toen zijn booze hartstochten tot bedaren kwamen, en de herinnering aan zijn teedere bondgenoote bij den gevangen heerscher levendig werd.
De hartroerende klaagtoonen, die op het driftig geschreeuw volgden, vonden den weg tot Meta’s hart, en zij stoof naar boven met de bede:
“Laat mij nu maar bij hem blijven; hij zal nu wel zoet zijn, John.”
“Neen, lieveling, ik heb hem gezegd dat hij moest gaan slapen, zooals jij bevolen had; en hij zal het doen, al moest ik hier ook den heelen nacht blijven zitten!”
“Maar hij zal zich ziek schreeuwen,” pleitte Meta, zich zelf verwijtende, dat zij haar jongen verlaten had.
“Neen, dat zal hij niet, hij is zoo moe, dat hij gauw in slaap zal vallen, en dan is de zaak geschikt, want hij zal begrijpen, dat hij gehoorzaam moet zijn. Bemoei er je nu maar niet mee; ik zal het wel in orde brengen.”
“Het is mijn kind, en ik kan niet hebben, dat zijn levendige geest gebroken wordt door hardheid.”
“Het is mijn kind, en ik mag niet toelaten, dat zijn humeur bedorven wordt door toegevendheid. Ga naar beneden, mijn lieve Meta, en laat den jongen aan mij over.”
Als John op dien toon sprak, gehoorzaamde Meta altijd, en ze had nooit berouw over haar volgzaamheid.
“Laat me hem dan één kus geven, John.”
“Zeker; Demi, zeg Mama goeien nacht, en laat haar dan naar beneden gaan uitrusten, want zij is erg moe, nadat ze den heelen dag voor je gezorgd heeft.”
Meta hield later altijd vol, dat die kus de overwinning behaalde; want nadat die gegeven was, begon Demi zachter te snikken en lag doodstil aan het voeteneinde van zijn bedje, waarheen hij in zijn baloorigheid gekropen was.
“Arm stumperdje! hij is uitgeput van den slaap en ’t schreeuwen; ik zal hem warm toedekken, en dan Meta’s hart gerust gaan stellen,” dacht John en sloop naar het bedje, in de hoop, zijn oproerigen erfgenaam slapende te vinden.
Maar dat was niet het geval, want op het oogenblik, dat zijn vader voorzichtig naar hem gluurde, deed Demi de oogen open, het kleine mondje begon te beven, hij stak de armpjes uit en zei met een berouwvol snikje: “Itte zal zoet zijn.”
Meta, die op de trap zat te wachten, begreep niets van de lange stilte, die op het rumoer volgde, en na zich alle mogelijke ongelukken te hebben voorgesteld, sloop zij zacht de kamer binnen, om te zien, wat er gaande was. Demi lag gerust te slapen, niet in zijn gewone houding als een vliegende arend, maar als een nederig hoopje in de armen zijns vaders, en zijn vaders vinger vast omklemmende, alsof hij gevoelde, dat rechtvaardigheid hier getemperd werd door genade, en hij zich ter ruste had gelegd als een bedroefde maar een wijzer geworden baby. John had, toen hij zich zoo gevangen voelde, met vrouwelijk geduld gewacht, tot de kleine hand van zelf losliet, en was onder het wachten in slaap gevallen, veel meer vermoeid door dien strijd met zijn kleinen jongen dan door zijn arbeid van den geheelen dag.
Toen Meta de twee hoofden op hetzelfde kussen zag, glimlachte zij en verliet zachtjes de kamer, met voldoening tot zichzelf zeggende: “ik hoef nooit te vreezen, dat John te hard zal zijn voor onze kindertjes; hij weet, hoe hij met hen moet omgaan, en zal mij heerlijk kunnen helpen, want Demi wordt me de baas!”
Toen John eindelijk beneden kwam, in de stellige verwachting een peinzende en ontstemde vrouw te zullen vinden, werd hij aangenaam verrast, daar Meta met een opgeruimd gezicht een hoed zat op te maken en dadelijk voor den dag kwam met het verzoek of hij haar, zoo hij ten minste niet te moe was, iets wilde voorlezen over de verkiezingen. John begreep terstond, dat de een of andere ommekeer op handen was, maar liet wijselijk na, er naar te vragen, wel wetende, dat Meta een doorzichtig persoontje was, niet in staat een geheim te bewaren, al kon zij er haar leven ook door redden; hij zou dus den sleutel wel spoedig vinden. Met de grootste bereidwilligheid las hij haar een lang verslag voor, en verklaarde het haar daarna zoo duidelijk mogelijk, terwijl Meta haar best deed om zeer belangstellend te kijken, schrandere vragen te doen, en haar gedachten te bewaren voor een afdwalen van den toestand der natie naar den toestand van haar hoed. In het diepst van haar ziel echter kwam zij tot de overtuiging, dat politiek al even weinig aanlokkend was als wiskunde, en dat het de roeping van staatslieden scheen te zijn, elkander onaangenaamheden te zeggen, maar zij hield die vrouwelijke gedachten voor zichzelve, en toen John even zweeg, schudde zij haar hoofd en zei met wat zij voor diplomatieke dubbelzinnigheid hield:
“Ik begrijp heusch niet, waar het heen moet!”
John lachte en keek haar een oogenblik aan, zooals zij daar een mooien tak bloemen op haar hand heen en weer draaide dien beschouwende, met een belangstelling zoo innig, als zijn redevoering niet bij haar had kunnen wekken.
“Zij doet haar best van politiek te houden om mijnentwil, dus zal ik wat belangstelling toonen in modeartikelen om harentwil—dat is niet meer dan billijk,” dacht John, de rechtvaardige, en hij voegde er hardop bij:
“Wat wordt dat voor een fraaiigheidje?”
“Mijn beste man, die bloemen zijn voor op mijn hoed—mijn gekleeden hoed, om mee naar concerten en comedie’s te gaan!”
“Neem me niet kwalijk, het lijkt me zoo’n licht ding, dat ik me met eenige onrust afvraag, hoe het op je hoofd blijft vastzitten?”
“Met een paar flinke pennen; kijk, zoo!” en Meta gaf er een illustratie van, door hem op te zetten, en keek haar John daarbij aan, met zoo’n uitdrukking van kalme opgewektheid, dat zij waarlijk onweerstaanbaar was.
“Het is zeker een ‘schat’ van een hoed, maar ik geef de voorkeur aan het gezichtje er onder, want dat ziet er weer jong en gelukkig uit,” en John kuste het lachende gezicht, tot groot gevaar voor de “gekleede” hoofdversiering.
“Ik ben blij, dat je hem netjes vindt, want ik zou zoo graag willen, dat je mij eens meenam naar een van die nieuwe concerten; ik heb wezenlijk wat muziek noodig om weer op streek te komen. Wil je dat eens doen?”
“Zeker wil ik dat! Overal heen, waar je maar wilt. Je bent zoo lang opgesloten geweest, dat het je verbazend veel goed zal doen, en ik vind het prettiger dan iets anders ter wereld. Wat heeft dat in je hoofd gebracht, Mamaatje?”
“Och, ik had voor een paar dagen een gesprek met Moeder, en vertelde haar hoe zenuwachtig, prikkelbaar en onplezierig ik mij voelde, en zij vond dat ik eens een verandering noodig had en ’t minder druk moest hebben: nu zal Hanna mij komen helpen met de kinderen, dan kan ik meer over het huishouden gaan, en nu en dan een verzetje zoeken, om niet vóór mijn tijd een kribberige, afgetobde oude vrouw te worden. Het is nog maar een proefneming, John, en ik wil het probeeren, zoowel om jou als om mezelf, want ik heb je in den laatsten tijd schandelijk veronachtzaamd, en ik zal zien, of ik ons thuis niet weer kan maken, wat het vroeger was. Je hebt er toch niets tegen, hoop ik?”
’t Doet er niet toe wat John antwoordde, noch hoe weinig er aan scheelde, of de mooie hoed was totaal bedorven geweest; het eenige, wat wij noodig hebben te weten is, dat John geen bezwaren scheen te maken, te oordeelen naar de veranderingen, die langzamerhand plaats grepen in het huis en zijn bewoners. Het werd nog geen paradijs, maar allen bevonden zich beter bij de verdeeling van het werk; de kinderen gedijden onder de vaderlijke tucht, want John met zijn trouw, vast karakter bracht orde en gehoorzaamheid in de kinderkamer, terwijl Meta haar opgeruimdheid herkreeg, en haar zenuwgestel weer tot rust bracht door overvloed van gezonde beweging, af en toe een kleine uitspanning en menig vertrouwelijk gesprek met haar verstandigen echtgenoot. “Thuis” werd weer “thuis” zooals vroeger, en John had geen verlangen om uit te loopen, tenzij Meta meeging. De Scotts kwamen nu de Brookes bezoeken, en iedereen vond “de duiventil” een echt gezellige verblijfplaats, overvloeiend van geluk, tevredenheid en onderlinge liefde; zelfs de wereldsche Sallie Moffat ging er graag heen. “Het is hier altijd zoo rustig en gezellig; dat doet mij goed, Meta,” zei ze dikwijls, en keek dan met verlangende blikken in het rond, alsof zij wilde ontdekken, waar dat gezellige eigenlijk in bestond, opdat zij het mocht overbrengen naar haar groote woning, zoo vol van eenzame pracht; want daar waren geen dartele, zonnige kindertjes, en Ned leefde in een eigen wereld, waarin voor haar geen plaats scheen.
Dit huiselijk geluk kwam niet in eens, maar John en Meta hadden er den sleutel toe gevonden, en elk jaar van hun huwelijksleven leerde hen beter, hoe dien te gebruiken, en de schatkamers te ontsluiten van ware onderlinge liefde en hulpvaardigheid, zegeningen die de armste kan bezitten en door den rijkste niet gekocht kunnen worden.